»Komaan, mijn waarde Maucler," voerde de ingenieur Banks mij te gemoet,
»je vertelt ons niets van je reis! 't Is alsof je Parijs nog niet
verlaten hebt! Hoe bevalt het je in Indië?"
»Indië!" antwoordde ik, »wel, om er goed over te oordeelen, zou ik
het althans eerst moeten zien."
»Die is goed!" hernam de ingenieur, »heb je niet pas het geheele
schiereiland doorkruist, van Bombay naar Calcutta, en als je niet
blind zijt...."
»'k Ben niet blind, mijn waarde Banks, maar op dien tocht was ik
verblind...."
»Verblind?...."
»Ja! verblind door den rook, door den stoom, door het stof, en
vooral door de snelheid van het vervoer. Hoor eens! 'k Wil geen kwaad
van de spoorwegen spreken, omdat het tot je vak hoort ze te maken,
mijn waarde Banks, maar om zich in een wagon te laten opsluiten, met
niets anders tot gezichtsveld dan het raampje van het portier, dag
en nacht door te sporen met een gemiddelde snelheid van tien mijlen
per uur, nu eens over bergen, in gezelschap van arenden of gieren,
dan weder door tunnels, in gezelschap van ratten of muizen, slechts
op te houden aan de stations die allen op elkaar gelijken, van de
steden niets anders te zien dan de muren of de spitsen der minarets,
een tijd achtereen gedoemd te zijn te verkeeren in het onophoudelijk
rumoer van het zuchten der locomotief, van het gefluit der stoomketels,
van het geknars der rails en het dreunen der wielen, is dat reizen!"
»Goed gesproken!" riep kapitein Hod uit. »Zeg daar eens wat tegen,
als je kunt, Banks! Wat zegt u er van, kolonel?"
De kolonel tot wien kapitein Hod zich wendde, knikte even met het
hoofd, en vergenoegde zich met te zeggen:
»'k Zou wel eens willen weten wat Banks er den heer Maucler, onzen
gast, op zou kunnen antwoorden."
»Dat brengt me volstrekt niet in verlegenheid," antwoordde de ingenieur
en 'k moet zeggen, dat Maucler volkomen gelijk heeft."
»Als dat dan zoo is," riep kapitein Hod uit, »waarom maak je dan
spoorwegen?"
»Om u, als u haast hebt, kapitein, instaat te stellen u binnen zestig
uren van Calcutta naar Bombay te begeven."
»'k Heb nooit haast!"
»Welnu, volg dan den Great Trunk road," antwoordde de ingenieur. »Volg
hem, Hod, en ga te voet!"
»Dat denk ik ook stellig te doen!"
»Wanneer?"
»Zoodra mijn kolonel er in toestemt een wandelingetje door het
schiereiland met me te maken van een acht of negen honderd mijlen!"
De kolonel vergenoegde zich met te glimlachen en verviel al weder
spoedig in een van die langdurige droomerijen, waaruit zelfs zijne
beste vrienden, zooals de ingenieur Banks en kapitein Hod zooveel
moeite hadden hem te wekken.
Ik was nog slechts sedert een maand in Indië, en daar ik met den Great
Indian Peninsularspoorweg, die Bombay met Calcutta over Allahabad
verbindt, gekomen was, kende ik tot nog toe niets van het schiereiland.
Maar het was mijn voornemen eerst het noordelijk gedeelte te
doorreizen, aan de andere zijde van den Ganges de groote steden te
bezoeken, de voornaamste gedenkteekenen te bestudeeren en aan dezen
tocht al den tijd te wijden, die noodig was om alles goed te zien en
te onderzoeken.
Ik had te Parijs den ingenieur Banks leeren kennen. Sedert eenige
jaren reeds hadden wij vriendschap gesloten en een meer innige
vertrouwelijkheid had dezen vriendschapsband slechts versterkt. Ik
had beloofd hem te Calcutta te bezoeken, zoodra de voltooiing van
het gedeelte Scindia Pendjab en Delhi, waarmede hij belast was, hem
den tijd zou geven. Nu waren die werkzaamheden werkelijk voltooid
en Banks had daardoor recht op een rust van verscheidene maanden,
zoodat ik hem was komen vragen te rusten door zich te vermoeien met
Indië te doorkruisen. Het spreekt van zelf, dat hij mijn voorstel
met geestdrift had aangenomen. We zouden dan ook binnen eenige weken
vertrekken, zoodra het seizoen gunstig zou geworden zijn.
Bij mijn komst te Calcutta, in Maart 1867, had Banks mij in kennis
gebracht met een zijner goede kameraden, den kapitein Hod; daarna had
hij mij voorgesteld aan zijn vriend, den kolonel Munro, bij wien we
den avond doorbrachten.
De kolonel, toen zeven en veertig jaar oud, bewoonde een alleenstaand
huis in de Europeesche wijk, en bijgevolg buiten de drukte en
beweging, welke die handelsstad, de hoofdstad van Indië, met hare
uitsluitend zwarte bevolking, kenmerkt. Deze wijk is somwijlen
de »Stad der paleizen" genoemd en inderdaad is er geen gebrek aan
paleizen, indien men althans die benaming mag toepassen op woningen,
die van paleizen niets anders hebben dan de open arcadengalerijen,
de zuilen en de terrassen. Calcutta is de verzamelplaats van al de
bouworden, die de Engelsche smaak in de steden der oude en nieuwe
wereld gewoonlijk in praktijk brengt.
Wat de woning van den kolonel betreft, deze was de »bungalow" in al
zijn eenvoudigheid, een gebouw, opgericht op een grondmuur van steen,
met een verdieping gelijkvloers, bedekt door een dak, dat in een
pyramide uitloopt. Een veranda, gedragen door lichte kolommetjes, omgaf
het geheele gebouw. Aan de zijden vormden de keukens, de koetshuizen,
het verblijf der dienstboden, twee vleugels. Het geheel was bevat in
een tuin met schoone boomen beplant en omringd door lage muren.
Het huis van den kolonel was dat van een zeer gegoed man. Zijn
dienstbodenpersoneel was talrijk, zooals de bediening
in de Indisch-Engelsche families het medebrengt. Meubelen,
levensbenoodigdheden, huiselijke beschikkingen, alles was goed en
deftig ingericht. Men gevoelde, dat de hand eener verstandige vrouw
daar geordend en ook voor de toekomst gezorgd had, maar men gevoelde
ook, dat die vrouw er niet meer was.
Het bestuur over zijne dienstboden, de algemeene leiding van zijn huis,
had de kolonel geheel overgegeven aan een zijner krijgskameraden,
een Schot, den sergeant Mac Neil, met wien hij al de veldtochten
van Indië had medegemaakt, een van die edelaardige karakters,
die hun leven veil hebben voor hem, dien ze hun vriend noemen. Het
was een man van vijf en veertig jaar, krachtig, groot, met langen,
vollen baard, als de Bergschotten. In zijn voorkomen, zijn gelaat,
zoowel als door zijn costuum op de overlevering gegrond, was hij met
hart en ziel hooglander gebleven, alhoewel hij tegelijk met kolonel
Munro den militairen dienst verlaten had. Beiden hadden in 1860 hun
ontslag genomen. Doch inplaats naar hunne bergen, te midden hunner
voorvaderlijke klans terug te keeren, waren zij in Indië gebleven
en woonden zij te Calcutta, in een soort van afzondering, waarvoor
redenen bestonden.
Voor dat Banks mij aan kolonel Munro voorstelde, gaf hij mij onder
vier oogen de volgende aanbeveling:
»Spreek niet over den opstand der Sipayers, en noem vooral nooit den
naam van Nana Sahib!"
Kolonel Edward Munro behoorde tot een oude Schotsche familie, wier
voorvaderen in de geschiedenis van het Vereenigd Koninkrijk een
schitterende rol gespeeld hadden. Hij telde onder zijne voorvaderen
Sir Hector Munro, die in 1760 het leger van Bengalen aanvoerde en die
juist een oproer moest dempen, dat de Sipayers een eeuw later zouden
herhalen. Majoor Munro onderdrukte den opstand met meedoogenlooze
gestrengheid,--en aarzelde niet dienzelfden dag acht en twintig
opstandelingen voor den mond der kanonnen te laten binden,--een
vreeselijke strafoefening, die gedurende den opstand van 1857 telkens
herhaald werd en waarvan die voorvader van den kolonel misschien de
wreede uitvinder was.
Ten tijde dat de Sipayers opstonden, kommandeerde kolonel Munro het 93e
regiment Schotsche infanterie. Hij maakte bijna den geheelen veldtocht
mede, onder de bevelen van Sir James Outram, een der helden van dien
oorlog, hij die den naam verwierf van »Bayard van het Indische leger",
zooals Sir Charles Napier het bij proclamatie bekend maakte. Met
hem was kolonel Munro dan ook te Cawnpore; hij maakte den tweeden
veldtocht mede onder Colin Campbell; ook was hij bij het beleg van
Lucknow en verliet dezen beroemden soldaat niet eer dan toen Outram
tot lid van den raad van Indië te Calcutta benoemd was.
In 1858 was kolonel sir Edward Munro ridder-kommandant van de Ster van
Indië, »the Star of India" (K. C. S. I.). Hij werd tot baronet verheven
en zijn echtgenoote zou den titel van lady Munro [2] verkregen hebben,
indien de ongelukkige den 27n Juni, 1857 niet omgekomen was in den
vreeselijken moord van Cawnpore, een moord op bevel en onder de oogen
van Nana Sahib volbracht.
Lady Munro.--de vrienden van den kolonel noemden haar nooit
anders,--werd door haren man aangebeden. Zij was nauwelijks zeven
en twintig jaar oud, toen zij met de tweehonderd slachtoffers dier
afschuwelijke slachterij verdween. Mistress Orr en miss Jackson,
wonderdadig gered na de inneming van Lucknow, hadden hun man en
hun vader overleefd. Wat Lady Munro betreft, zij kon haren man niet
teruggegeven worden. Het was onmogelijk geweest hare overblijfselen,
onder die van zoovele slachtoffers in den put van Cawnpore, weder te
vinden en ze een christelijke begrafenis te bezorgen.
Sir Edward Munro was wanhopig en had van dat oogenblik af slechts eene
gedachte, eene enkele slechts, die van Nana Sahib weder te vinden,
dien het Engelsche gouvernement overal deed opsporen en met zijn
wraak een soort van dorst naar recht te stillen, die hem verteerde. Om
vrijer in zijne handelingen te zijn, nam hij zijn ontslag.
Mac Neil volgde hem op al zijn schreden. Deze twee menschen, door
denzelfden geest bezield, eene zelfde gedachte met zich omdragende,
slechts hetzelfde doel beoogende, trachtten als speurhonden hem op het
spoor te komen, maar zij waren niet gelukkiger dan de Engelsch-Indische
politie. De Nana wist aan alle nasporingen te ontkomen en na drie jaren
van vruchtelooze pogingen, moesten de kolonel en de sergeant hunne
nasporingen voorloopig staken. Daarenboven had zich omstreeks dezen
tijd het gerucht van den dood van Nana Sahib door Indië verspreid en
ditmaal met zulk een schijn van waarheid, dat er geen reden was het
te betwijfelen.
Sir Edward Munro en Mac Neil keerden naar Calcutta terug, waar zij zich
in dien afgelegen bungalow vestigden. Daar, geen boeken noch dagbladen
lezende, die hem het bloedige tijdperk van den opstand in het geheugen
hadden kunnen terugroepen, nooit zijn woning verlatende, leefde de
kolonel als iemand wiens leven verder doelloos is. Nooit evenwel was
de vrouw, die hij eenmaal zoo liefhad, uit zijne gedachten. Het scheen
zelfs, dat de tijd niet vermocht zijn smart te lenigen.
Wij moeten hier nog bijvoegen, dat de mare der wederverschijning van
den Nana in het presidentschap van Bombay,--de tijding, die sedert
eenige dagen in omloop was,--niet ter oore van den kolonel gekomen
was. En dat was gelukkig, want hij zou onmiddellijk den bungalow
verlaten hebben.
Dit had Banks mij medegedeeld, alvorens mij in deze woning voor te
stellen, waar de vreugde voor altijd verbannen was en ziedaar ook
de reden waarom elke zinspeling op den opstand der Sipayers en den
wreedsten hunner aanvoerders, Nana Sahib, moest vermeden worden.
Slechts twee vrienden,--twee beproefde vrienden,--bezochten ijverig het
huis van den kolonel. Het waren de ingenieur Banks en de kapitein Hod.
Banks had, zooals ik gezegd heb, juist de werkzaamheden voltooid,
waarmede hij belast was geweest ter vestiging van de »Great Indian
Peninsular" spoorbaan. Hij was een man van vijf en veertig jaren, in
de volle kracht des levens. Hij moest ook een werkzaam deel nemen aan
het leggen van den Madras-spoorweg, die bestemd was om de Arabische
golf in gemeenschap te brengen met de baai van Benguela; maar het was
niet waarschijnlijk, dat de werkzaamheden voor een jaar een aanvang
konden nemen. Hij rustte dus uit te Calcutta, zich bezig houdende
met verschillende onderwerpen van werktuigkunde, want het was een
werkzame en vruchtbare geest, die altijd op nieuwe uitvindingen uit
was. Buiten zijne bezigheden, wijdde hij al zijn tijd aan den kolonel,
met wien hij door een vriendschap van twintig jaren verbonden was. Ook
bracht hij al zijne avonden door onder de veranda van den bungalow,
in gezelschap van sir Edward Munro en van kapitein Hod, die juist
een verlof van tien maanden verkregen had.
Hod behoorde tot het 1e escadron karabiniers der koninklijke armée
en had den geheelen veldtocht van 1857-58 medegemaakt, eerst met sir
Colin Campbell in Oude en Rohilkhande, daarna met sir Hugh Rose,
in Centraal-Indië,--een veldtocht, die eindigde met de inneming
van Gwalior.
Kapitein Hod, een leerling uit de harde school van Indië, een
der voortreffelijke leden van de Club van Madras, roodblond van
haren en baard, was niet ouder dan dertig jaren. Ofschoon hij tot
het koninklijke leger behoorde, zou men hem voor een officier der
inlandsche armee gehouden hebben, zoo had hij zich gedurende zijn
verblijf op het schiereiland »geïndianiseerd." Al was hij werkelijk
in Hindostan geboren, kon hij niet meer Hindoe geweest zijn. Voor
hem was Indië dan ook het land bij uitnemendheid, het beloofde land,
het eenige land waar een mensch leven kon. Daar inderdaad kon hij
aan al zijne neigingen voldoen. Soldaat van inborst, hernieuwden zich
onophoudelijk de gelegenheden om te strijden. Was hij, de uitmuntende
jager, niet in het land waar de natuur al de wilde dieren der schepping
scheen vereenigd te hebben, en al het behaarde en gevederde wild der
oude en nieuwe wereld? Had hij, de moedige bergbeklimmer, niet de
ontzagverwekkende bergketen van Thibet bij de hand, die de hoogste
toppen van den aardbol telt? Wie belette hem, den stoutmoedigen
reiziger, den voet te zetten op plekken, nog nooit door iemand
betreden, in de ontoegankelijke streken namelijk van het Himalaya
gebergte. Had hij niet, als hartstochtelijke wedrenner, de renbanen
van Indië, die in zijne oogen konden opwegen tegen die van La Marche
of Epsom? Op dit punt, waren Banks en hij het zelfs geheel oneens. De
ingenieur stelde in zijne hoedanigheid van volbloed werktuigkundige
slechts een zeer middelmatig belang in de heldendaden der Gladiators
en Filles-de-l'air.
En zelfs toen kapitein Hod het hierover met hem had, antwoordde Banks
hem, dat de wedrennen naar zijne meening slechts op eene voorwaarde
werkelijk merkwaardig zouden zijn.
»En op welke?" vroeg Hod.
»Dat er bepaald moest worden," antwoordde Banks ernstig, »dat de
jockey, die het laatst aankomt, op staanden voet aan den eindpaal
moet opgehangen worden!"
»Dat is nog zoo'n kwaad idée niet!...." antwoordde kapitein Hod
eenvoudig.
En hij zou ongetwijfeld in staat geweest zijn, die kans in eigen
persoon te wagen!
Zoodanig waren de twee ijverige bezoekers van den bungalow van sir
Edward Munro. De kolonel mocht hen gaarne over alle dingen hooren
redetwisten en zelfs brachten hunne eeuwige woordenwisselingen somtijds
een soort van glimlach op zijn lippen.
Eén wensch hadden de beide kameraden gemeen, den kolonel namelijk over
te halen tot een reis, die hem kon verstrooien. Meermalen reeds hadden
zij hem voorgesteld met hen naar het noorden van het schiereiland
te vertrekken en eenige maanden te gaan doorbrengen in de omstreken
van een van die sanitariums, waar de rijke Engelsch-Indische wereld
gedurende het heete seizoen gaarne een toevlucht zoekt, maar de
kolonel had altijd geweigerd.
Wat betreft de reis, die Banks en ik wenschten te ondernemen, hadden
wij hem reeds gepolst. Dienzelfden avond kwam de zaak opnieuw op
het tapijt. Men heeft gezien, dat kapitein Hod maar eventjes plan
had gemaakt te voet een grooten tocht in het noorden van Indië te
ondernemen. Mocht Banks niet op paarden gesteld zijn, Hod hield van
geen spoorwegen. Wat de eene niet wilde, wenschte de andere.
Nu hadden zij er dat op kunnen vinden, dat ieder op zijne wijze, om
beurten, hetzij per rijtuig, hetzij per palankijn reisde,--hetgeen
op de goed aangelegde en goed onderhouden wegen van Hindostan vrij
gemakkelijk is.
»Spreek me toch niet van je wagens met bultossen bespannen!" riep Banks
uit. »Als wij er niet voor gezorgd hadden, behielp je je nog altijd
met die primitieve voertuigen, die men in Europa voor vijfhonderd
jaren al afgeschaft heeft!"
»Nu, Banks," antwoordde kapitein Hod, »die zijn licht zoo goed als je
met kussens voorziene waggons en je Cramptons! Die groote, witte ossen,
die steeds in galop blijven en om de twee mijlen aan de poststations
verwisseld worden...."
»En die een soort van tartanen op vier wielen voortsleepen, waarin
men ruwer heen en weer geschud wordt dan de visschers in hunne booten
op een onstuimige zee!"
»'k Moet je dat gedeeltelijk toestemmen, Banks," antwoordde kapitein
Hod. »Maar hebben we niet onze rijtuigen met twee, drie en vier
paarden, die in spoed kunnen wedijveren met je »treinen", veel
gelijkende op een lijkstatie! Dan vind ik den eenvoudigen palankijn
nog beter...."
»Je palankijnen, kapitein Hod, echte doodkisten, zes voet lang,
vier breed, waarin men als een lijk ligt uitgestrekt!"
»Goed, Banks, maar geen schokken, men kan lezen, schrijven en gerust
slapen, zonder bij elk station wakker te worden! Met een palankijn met
vier of zes Bengaalsche Gamals [3] maakt men nog vier en een halve
mijl [4] per uur en, zooals dat met je geweldige sneltreinen het geval
is, waagt men althans niet om aan te komen, voordat je nog goed en wel
vertrokken zijt.... als men aankomt.."
»Het best," zei ik daarop, »zou zeker zijn zijn huis met zich mede
te kunnen nemen!"
»Als een slak!" riep Banks uit.
»Mijn vriend," antwoordde ik, »een slak, die zijn huisje kan
verlaten en er naar goedvinden weer in kan komen, is misschien niet
zoo bijzonder te beklagen! Met in zijn huis, een beweegbaar huis,
te reizen, zal waarschijnlijk het laatste woord gezegd zijn van den
vooruitgang in het reizen!"
»Misschien," zei daarop kolonel Munro; »thuis blijvende zich te
verplaatsen, zijn thuis en al de herinneringen daaraan verbonden, mede
te kunnen nemen, zijn horizont af te wisselen, zijn gezichtspunten,
zijn klimaat te wijzigen, zonder zijne dagelijksche gewoonten te
veranderen.... ja.... misschien!"
»Geen bungalows meer dus voor de reizigers!" antwoordde kapitein Hod,
»waar voor de geriefelijkheden des levens altijd iets te wenschen
zal overblijven en waarin men zonder toestemming van de plaatselijke
overheid niet mag wonen!"
»Geen ellendige herbergen meer, waarin men naar ziel en lichaam op
alle mogelijke manieren gevild wordt!" deed ik niet zonder eenige
reden opmerken.
»Het rijtuig der goochelaars dus!" riep kapitein Hod uit, »maar
ingericht naar den tijd waarin we leven. Welk een droom nog! Op
te houden als men wil, te vertrekken naar goedvinden, te stappen
of in galop voort te snellen naar den luim van het oogenblik,
niet alleen zijn slaapkamer met zich te voeren, maar zijn salon,
zijn eetzaal, zijn rookvertrek en vooral zijn keuken en zijn kok,
dat noem ik je vooruitgang, vriend Banks! Dat is honderdmaal beter
dan spoorwegen! Durf me dat eens tegenspreken, gij, ingenieur!"
»Wel! vriend Hod," antwoordde Banks, »'k zou 't volkomen met je eens
zijn, als...."
»Als?...." vroeg de kapitein, het hoofd schuddende.
»Als in de vlucht naar vooruitgang, je niet plotseling onderweg waart
blijven stilstaan."
»Zou er dan nog iets beters te doen zijn?"
»Oordeel zelf. Je stelt het rollende huis ver boven den waggon, zelfs
boven het salonrijtuig, zelfs boven den slaapwaggon der spoorwegen. Je
hebt gelijk, kapitein, als men tijd te verliezen heeft, als men voor
zijn pleizier en niet voor zaken reist. 'k Geloof dat we 't allen in
dit opzicht geheel eens zijn?"
»Allen!" antwoordde ik.
Kolonel Munro boog het hoofd, bij wijze van goedkeuring.
»Toegestemd dus," antwoordde Banks. »Goed! 'k Vervolg. Je hebt je
gewend tot een rijtuigmaker, die den raad van een architect heeft
ingewonnen en hij heeft je een rollend huis gemaakt. Het is sterk, goed
ingericht en voldoet aan al de eischen van gemak en weelde. Het is niet
te hoog, waardoor het niet licht kan ombuitelen, het is niet te groot,
zoodat het alle wegen kan begaan; het is vernuftig opgehangen, zoodat
het gemakkelijk en zacht rijdt. Uitstekend! Uitstekend! 'k Veronderstel
dat het vervaardigd is voor onzen vriend den kolonel. Hij ontvangt er
ons gastvrij. We gaan, als je wilt, de noordelijke streken van Indië
bezoeken, weliswaar op de wijze van slakken, maar als slakken, wier
staart niet onafscheidelijk aan hunne schelpen vast zitten. Alles is
gereed. Men heeft niets vergeten.... zelfs niet den kok en de keuken,
die de kapitein zoo lief heeft. De dag van het vertrek is gekomen,
men gaat werkelijk vertrekken! Alles is in order!.... En wie zal het
voorttrekken, uw rollend huis, mijn beste vriend?"
»Wie?" riep kapitein Hod uit! »wel, muilezels, ezels, paarden,
ossen!..."
»Bij dozijnen?" zei Banks.
»Olifanten!" antwoordde kapitein Hod, »olifanten! Dat zou trotsch en
statig zijn! Een huis voortgetrokken door een bespanning olifanten,
goed gedresseerd, met fieren gang, die draven en galoppeeren als de
beste koetspaarden van de wereld!"
»Dat zou prachtig zijn, kapitein!"
»Een rajah-trein te velde, ingenieur!"
»Ja, maar...."
»Maar.... wat? Is er nog een maar?" riep kapitein Hod uit.
»Een groote maar!"
»Die ingenieurs! overal zien ze moeielijkheden in!..."
»Die ze weten te overwinnen, als ze niet onoverkomelijk zijn,"
antwoordde Banks.
»Welnu, geef dan raad!"
»Wat is het geval, mijn waarde Munro. Al die trekdieren, die de
kapitein opsomde, dat loopt, dat trekt, dat sleept, maar dat vermoeit
zich ook. Daarenboven zijn ze koppig, weerspannig en hebben vooral veel
voedsel noodig. Zoodra nu de weiden ontbreken en men geen vijfhonderd
bunders weiland op sleeptouw kan nemen, staat de bespanning stil, put
zich uit, valt, sterft van honger, het rollende huis rolt niet meer
en blijft even onbeweeglijk als de bungalow waar we op dit oogenblik
zitten te praten. Er volgt dus uit, dat het genoemde huis dan eerst
praktisch bruikbaar zal zijn als het een stoomhuis zal zijn."
»Dat op rails zal loopen!" riep de kapitein uit, de schouders
ophalende.
»Neen, op wegen en getrokken door een tot volkomenheid gebrachte
weglocomotief."
»Bravo!" juichte de kapitein, »bravo! zoodra je huis geen spoorweg
noodig heeft en zich naar willekeur kan richten, zonder genoodzaakt
te zijn een ijzeren spoor te volgen, ben ik je man."
»Maar," deed ik Banks opmerken, »als muilezels, ezels, paarden, ossen,
olifanten eten, een machine eet ook, en uit gebrek aan brandstof zal
je ook onderweg blijven staan."
»Een stoompaard," antwoordde Banks, »staat in kracht gelijk met drie of
vier gewone paarden en dit vermogen kan nog toenemen. Een stoompaard
is niet aan vermoeienis noch aan ziekte onderhevig. Ten allen tijde,
onder alle breedten, in de zon, in den regen, in de sneeuw, altijd
gaat het voort, zonder ooit uitgeput te raken. Het behoeft zelfs
de aanvallen der wilde beesten niet te vreezen, noch den beet der
slangen, noch den steek der horzels en andere geduchte insecten. Het
heeft noch den prikstok der ossendrijvers, noch de zweep der geleiders
noodig. Rust is overbodig en slaap kan het missen. Het stoompaard,
door de hand van den mensch vervaardigd, is, met het oog op zijne
bestemming en bij de onmogelijkheid dat het eenmaal tot voedsel zal
verstrekken, te verkiezen boven al de trekdieren, die de Voorzienigheid
ter beschikking van den mensch gesteld heeft. Een weinig olie en
vet, een weinig steenkolen of hout, is alles wat het verteert. En,
ge weet het, mijne vrienden, aan bosschen is geen gebrek op het
Indische schiereiland en het hout is er het eigendom van iedereen.
»Goed gesproken!" riep kapitein Hod uit. »Hoera voor het stoompaard! 'k
Zie reeds in mijne verbeelding het rollende huis van den ingenieur
Banks, in beweging op de groote wegen van Indië, door de wilde
kreupelbosschen zich een weg banende, doordringende onder de boomen
van het woud, zich wagende tot in de holen der leeuwen, der tijgers,
der beeren, der panters, der luipaarden, en wij achter zijne muren
verscholen, een slachting makende onder de wilde dieren om al de
Nimrods, de Andersons, de Gérards, de Pertuisets, de Chassaings
van de wereld van ergernis te doen barsten! Zeg, Banks, 'k moet er
van watertanden en je doet het me bitter betreuren, dat ik niet een
vijftig jaren later geboren ben!"
»En waarom dat, kapitein?"
»Omdat je droom over een vijftig jaar zal verwezenlijkt worden en
eerst dan het stoomrijtuig zal gereed zijn."
»Het is gereed," antwoordde eenvoudig de ingenieur.
»Gereed! en door u vervaardigd misschien?...."
»Door mij, en om de waarheid te zeggen vrees ik maar eene zaak,
dat het je verwachting overtreft."
»Op weg, Banks, op weg!" riep kapitein Hod uit, die zich oprichtte
als door den schok eener electrische ontlading. Hij was gereed om
te vertrekken.
De ingenieur bracht hem tot bedaren; daarna, op ernstiger toon zich
tot sir Edward Munro wendende, zeide hij:
»Edward, als ik een rollend huis ter uwer beschikking stel, als ik
over een maand, zoodra het seizoen er geschikt toe is, je kom zeggen:
Daar is je kamer, die zich zal verplaatsen en gaan zal waarheen je
wilt, daar zijn je vrienden, Maucler, kapitein Hod en ik, die niets
liever willen dan je vergezellen op een tocht door het noorden van
Indië, zal je me dan antwoorden: Laten we vertrekken, Banks, laten
we vertrekken, en dat de God der reizigers ons bescherme!"
»Ja, mijne vrienden," antwoordde kolonel Munro, na een oogenblik
nagedacht te hebben. »Banks, beschik over het noodige geld. Doe,
wat je belooft. Breng ons dat ideale stoomhuis, dat de stoutste
verwachtingen zou overtreffen en we zullen geheel Indië doorkruisen!"
»Hoera! Hoera! Hoera!" juichte kapitein Hod, »en wee de wilde dieren
op de Népaulsche grenzen!"
Op dit oogenblik verscheen sergeant Mac Neil, aangetrokken door de
hoera's van den kapitein, aan de deur der woning.
»Mac Neil," zei kolonel Munro tot hem, »we vertrekken binnen een
maand naar het noorden van Indië. Je maakt immers de reis mee?"
»Natuurlijk, kolonel, omdat u gaat!" antwoordde sergeant Mac Neil.