EEN VOGELVRIJVERKLAARDE.

»Eene belooning van duizend gulden aan hem, die dood of levend een

der oude hoofden van den opstand der Sipayers uitlevert, gezien in

het presidentschap van Bombay, den nabob [1] Dandou-Pant, meer bekend

onder den naam van...."

Dit was de bekendmaking, die de inwoners van Aurungabad konden lezen

in den avond van den 6n Maart 1867.

De laatste naam,--door sommigen verfoeid en voor altijd vervloekt,

door anderen in het geheim bewonderd,--ontbrak aan de afkondiging,

die voor korten tijd was aangeplakt op den muur van een bouwvalligen

bungalow, aan den oever der Doudhma.

Die naam ontbrak, omdat de onderste hoek van het aanplakbiljet,

waar hij in groote letters gedrukt stond, was afgescheurd door de

hand van een fakir (Mohamedaanschen bedelmonnik), die dit op den

toen verlaten oever onopgemerkt had kunnen doen. Tegelijk met dien

naam was ook de naam verdwenen van den gouverneur-generaal van het

presidentschap van Bombay, die met den onderkoning van Indië de

afkondiging onderteekend had.

Wat zou den fakir toch tot deze handeling bewogen hebben? Hoopte

hij door het verscheuren van deze bekendmaking, dat de opstandeling

van 1857 aan de algemeene vervolging en bestraffing van zijn persoon

zou ontsnappen? Kon hij werkelijk gelooven, dat zulk een vreeselijke

beroemdheid met de verscheurde stukjes van dat papier in het niet

zou verdwijnen?

Dat ware dwaasheid geweest, want andere aanplakbiljetten in menigte

verspreid, prijkten overal op de muren der huizen, der paleizen, der

moskeeën, der hotels van Aurungabad. Daarenboven liep een omroeper

door de straten der stad en las met luider stemme het besluit van

het gouvernement. De bewoners der geringste gehuchten in de provincie

wisten reeds, dat een gansch fortuin was toegezegd aan hem, die dien

Dandou-Pant in handen van het gerecht zou stellen. Zijn naam was

nutteloos vernietigd en zou, voordat er twaalf uren verloopen waren,

de rondte van het geheele presidentschap gemaakt hebben. Indien de

inlichtingen juist waren, indien de nabob werkelijk een schuilplaats

in dit gedeelte van Hindostan gezocht had, leed het geen twijfel of

hij zou weldra in de handen vallen van hen, die er groot belang bij

hadden hem te vangen.

Welk gevoel had dien fakir dan toch wel bezield bij het verscheuren

van een aanplakbiljet, waarvan reeds verscheidene duizenden exemplaren

getrokken waren?

Een gevoel van toorn zeker,--misschien ook had hij toegegeven aan

een opwelling van minachting. Hoe het zij, na de schouders te hebben

opgehaald, drong hij door tot het volkrijkste, maar armoedigst bewoonde

kwartier der stad.

Men noemt Dekan het uitgestrekte gedeelte van het Indische

schiereiland, dat begrepen is tusschen de westelijke Ghatta (passen

of gassen, straten) en de Ghatta van de golf van Bengalen. Dit is

de naam, die gewoonlijk aan het zuidelijk gedeelte van Indië, aan de

andere zijde van den Ganges, gegeven wordt. Dit Dekan, waarvan de naam

in het Sanskriet »Zuid" beteekent, telt in de presidentschappen van

Bombay en Madras, een zeker aantal provincies. Een van de voornaamste

is de provincie van Aurungabad, welker hoofdstad eertijds die van

geheel Dekan was.

In de XVIIe eeuw bracht de beroemde Mongoolsche keizer Aureng-Zeb zijn

hof in die stad over, welke in de vroegste tijden van de geschiedenis

van Hindostan onder den naam van Kirkhi bekend was. Zij had toen

eene bevolking van honderd duizend inwoners. Tegenwoordig bezit

zij er slechts eene van vijftig duizend, onder de heerschappij

der Engelschen, die haar besturen uit naam van den Nizam (een

vorstentitel) van Hyderabad. Toch is het een der gezondste steden

van het schiereiland, tot nog toe gespaard door de zoozeer gevreesde

Aziatische cholera en die zelfs nooit bezocht was geweest door de in

Indië zoo geduchte koortsen.

Aurungabad heeft prachtige overblijfselen van haar vroegeren luister

overgehouden. Het paleis van den grooten Mogol, aan den rechteroever

van de Doudhma, het praalgraf van de begunstigde sultane van Shah

Jahan, vader van Aureng-Zeb, de moskee, gebouwd volgens den sierlijken

Tadje d'Agra, die zijn vier minarets rondom een bevallig geronden

koepel ten hemel richt, nog andere monumenten, kunstig gebouwd, rijk

versierd, getuigen van de macht en de grootheid van den beroemdsten

overwinnaar van Hindostan, die dit koninkrijk, waarbij hij Kaboel en

Assam voegde, tot een ongekenden trap van grootheid bracht.

Alhoewel de bevolking van Aurungabad, zooals wij reeds zeiden, sterk

verminderd was, kon toch een man te midden van de zoo verschillende

typen, waaruit zij was samengesteld, zich nog gemakkelijk verborgen

houden. De fakir, hij mocht dan waar of valsch zijn, onderscheidde

zich in niets van die volksmassa. Het krioelt van zijne gelijken in

Indië. Zij maken met de »Sayeds" (muzelmannen uit het geslacht van

den profeet) een lichaam uit van de godsdienstige bedelaars, die te

voet of te paard een aalmoes vragen en deze weten te eischen, als men

haar niet goedschiks geeft. Zij versmaden ook de rol van vrijwillige

martelaars niet en genieten in de lagere rangen van het Hindoesche

volk een groot vertrouwen.

De fakir, van wien hier sprake is, was een rijzig man van vijf

Engelsche voeten negen duim. Indien hij ouder dan veertig was, bedroeg

dit op zijn hoogst een paar jaar. Zijn gelaat herinnerde aan de schoone

Mahratten-type, vooral door den glans zijner zwarte, levendige oogen;

maar moeielijk zou men anders op dat door de kinderpokken vreeselijk

geschonden gelaat de fijne trekken van zijn ras herkend hebben. De

man was overigens in de kracht van zijn leven en vlug en sterk. Als

kenmerkend teeken ontbrak hem een vinger aan de linkerhand. De haren

rood geverfd, ging hij half naakt, barrevoets, een tulband op het

hoofd, nauwlijks bedekt met een versleten, gestreept wollen hemd,

om het middel toegehaald. Op zijn borst waren in levendige kleuren de

zinnebeelden te zien van de twee behoudende en verwoestende beginselen

der Hindoesche godenleer, de leeuwenkop van de vierde incarnatie

(vleesch-mensch-wording) van Vishnoe, de drie oogen en de symbolische

drietand van den woesten Çiva.

Evenwel heerschte er in de straten van Aurungabad een licht te

begrijpen drukte, meer bijzonder in die waarin de cosmopolitische

bevolking der geringe wijken zich samendrong. Daar krioelde het

buiten de armzalige stulpen, die haar tot woning strekten. Mannen,

vrouwen, kinderen, grijsaards, Europeanen of inboorlingen, soldaten der

koninklijke of inlandsche regimenten, allerlei soorten van bedelaars,

boeren uit den omtrek, ontmoetten elkander, praatten, gesticuleerden,

behandelden de afkondiging en berekenden de kansen om de énorme som,

door het gouvernement uitgeloofd, te winnen. De opgewondenheid der

gemoederen zou niet grooter hebben kunnen zijn bij het rad eener

loterij, waarvan de grootste prijs duizend gulden zou bedragen

hebben. Men kan er zelfs nog bijvoegen, dat er ditmaal niemand was,

die niet een goed briefje kon nemen: dit briefje namelijk was het

hoofd van Dandou-Pant. Het is waar, dat men al zeer gelukkig moest

zijn om den nabob te ontmoeten en daarenboven stoutmoedig genoeg om

zich van hem meester te maken.

De fakir,--blijkbaar de eenige, die niet door de hoop bezield werd de

uitgeloofde belooning te winnen,--bewoog zich te midden der groepen,

bleef tusschenbeiden eens staan om te hooren wat men zeide, als iemand,

die er misschien zijn voordeel mede kon doen. Maar hij mengde zich

niet in de gesprekken, die gevoerd werden en, mocht zijn mond al stom

blijven, zijn oogen en ooren liet hij niet ongebruikt.

»Duizend gulden om den nabob op te sporen!" riep er een uit, zijne

kromme vingers ten hemel heffende.

»Niet om hem op te sporen," antwoordde een ander, »maar om hem te

vatten, dat een groot verschil maakt!"

»Dat zal waar zijn, want 't is geen man om zich maar zoo weerloos te

laten gevangen nemen."

»Maar vertelde men onlangs niet, dat hij in de jungles van Népaul

aan de koorts gestorven was?"

»Daar is niets van waar! De slimme Dandou-Pant heeft zich voor dood

laten doorgaan, om met meer zekerheid in 't leven te kunnen blijven!"

»Er had zelfs een gerucht geloopen, dat hij te midden van zijn kamp

aan de grenzen begraven was!"

»Valsche lijkdienst om iedereen om den tuin te leiden!"

De fakir had geen spier van zijn gelaat vertrokken, toen hij dit

laatste feit hoorde bevestigen op een wijze, die geen den minsten

twijfel overliet. Doch wel rimpelde zich onwillekeurig zijn voorhoofd,

toen hij een van de luidruchtigste Hindoes van de groep, waarbij

hij zich gevoegd had, de volgende bijzonderheden hoorde vermelden,

bijzonderheden, die al te juist waren om niet waar te zijn.

»Dat is zeker," zeide de Hindoe, »dat in 1859 de nabob met zijn broeder

Balao Rao en den ex-rajah van Gonda, Debi-Bux-Singh de wijk genomen

had in een kamp, aan den voet van een der bergen van Népaul. Toen de

Engelsche troepen hen aldaar te dicht op de hielen zaten, besloten ze

alle drie de Indisch-Chineesche grens te passeeren. Doch, alvorens

deze over te gaan, hebben de nabob en zijn twee metgezellen, om het

gerucht van hun dood des te beter ingang te doen verschaffen, hunne

eigen begrafenis bezorgd; maar 't eenige wat men van hen begraven

heeft, is een vinger van de linkerhand geweest, die ze zich op het

oogenblik der plechtigheid hebben afgehouwen."

»En hoe weet je dat?" vroeg een der toehoorders dien Hindoe, die met

zooveel zekerheid sprak.

»'k Was tegenwoordig bij de begrafenisplechtigheid," antwoordde de

Hindoe. »De soldaten van Dandou-Pant hadden me gevangen genomen en

eerst zes maanden later heb ik kunnen ontvluchten."

Terwijl de Hindoe dit met allen schijn van waarheid vertelde,

verloor de fakir hem geen oogenblik uit het gezicht. Zijn oogen

schitterden. Hij had zijn verminkte hand voorzichtig onder de wollen

lap verborgen, die hem de borst bedekte. Hij hoorde toe zonder een

woord te zeggen, maar zijn lippen trilden en lieten zijne scherpe

tanden bloot.

»Dus ken je den nabob?" vroeg men den ouden gevangene van Dandou-Pant.

»Ja," antwoordde de Hindoe.

»En zou je 'm dadelijk herkennen, als het toeval je eens met hem

samenbracht?"

»Zoo zeker als ik me zelven zou herkennen!"

»Dan heb je wel eenige kans om den prijs van duizend gulden te

winnen!" antwoordde een der omstanders, niet zonder een gevoel van

kwalijk verborgen spijt.

»Misschien...." hernam de Hindoe, »als het althans waar is, dat de

nabob de onvoorzichtigheid gehad heeft zich tot in het presidentschap

van Bombay te wagen, 't geen me zeer onwaarschijnlijk voorkomt!"

»Wat zou hij er ook doen!"

»Zeker een nieuwen opstand trachten te bewerken," zei een van de

personen uit de groep, »zooal niet onder de Sipayers, dan toch onder

de bevolking van de middenstaten."

»Omdat het gouvernement verzekert, dat zijn tegenwoordigheid in de

provincie gesignaleerd is," hernam een der sprekers, tot die klasse

van menschen behoorende, die meenen dat de overheid zich nooit kan

vergissen, »moet het gouvernement in dit opzicht goed ingelicht zijn!"

»Welnu!" antwoordde de Hindoe. »Brahma (Brahmanen zijn de halfvergode

priesters en wetgevers bij de Indiërs) geve dat Dandou-Pant mijn weg

kruise, en mijn fortuin is gemaakt!"

De fakir trad eenige schreden terug, maar hij verloor den ex-gevangene

van den nabob niet uit het oog.

Het was nu volkomen duister geworden, en toch verminderde de woeligheid

in de straten van Aurungabad niet. Nog drukker deden de praatjes over

den nabob de rondte. Hier zeide men, dat hij in de stad zelve gezien

was, daar, dat hij reeds ver weg was. Men verzekerde ook, dat een

renbode uit het noorden der provincie, den gouverneur de tijding van

de inhechtenisneming van Dandou-Pant was komen berichten. Ten negen

ure 's avonds hielden de best ingelichten vol, dat hij reeds in de

gevangenis zat in gezelschap van eenige Thugs, die er reeds langer

dan dertig jaren wegkwijnden, en dat hij den volgenden dag, met het

opgaan der zon zou gehangen worden, met niet meer formaliteiten dan

dit met Tantia-Topi, zijn beruchten medeopstandeling geschied was,

op het plein van Sipri. Doch, te tien uur, een andere tijding, geheel

in strijd met de eerste. Het gerucht verspreidde zich namelijk, dat

de gevangene bijna dadelijk had kunnen ontsnappen, hetgeen de hoop

verlevendigde van allen, wien de premie van duizend gulden toelachte.

Werkelijk waren al die verschillende geruchten slechts praatjes. De

best ingelichten wisten er niets meer van dan zij, die niet zoo goed

of slecht op de hoogte waren. Het hoofd van den nabob was nog altijd

den uitgeloofden prijs waard, het was nog altijd een benijdenswaardige

buit.

Intusschen was de Hindoe, door het feit dat hij Dandou-Pant persoonlijk

kende, beter dan iemand anders in staat de uitgeloofde belooning te

winnen. Weinigen slechts, vooral in het presidentschap van Bombay,

waren in de gelegenheid geweest het woeste opperhoofd van den grooten

opstand te ontmoeten. Meer noordelijk en meer in het midden, in

Scindia Bundelkund, in Oude, in de omstreken van Agra, van Delhi,

van Cawnpore, van Lucknow, op het voornaamste tooneel der op zijn

bevel bedreven wreedheden, zou de geheele bevolking zich tegen hem

verzet en hem aan de Engelsche rechtspleging overgeleverd hebben. De

bloedverwanten zijner slachtoffers, echtgenooten, broeders, kinderen,

vrouwen, beweenden nog steeds hen, die de nabob bij honderden had doen

ombrengen. Een tijdvak van tien jaren was niet voldoende geweest om

de rechtmatigste gevoelens van wraak en haat uit te dooven. Het was

dan ook niet mogelijk, dat Dandou-Pant onvoorzichtig genoeg geweest

was zich juist in die provincie te wagen waar zijn naam door iedereen

verfoeid werd. Indien hij dus, zooals men zeide, de Indisch-Chineesche

grens weder was overschreden, indien een of andere onbekende drijfveer,

zooals plannen van oproer of andere, hem bewogen hadden de veilige

schuilplaats te verlaten, waarvan het geheim door de Engelsch-Indische

politie nog niet ontdekt was, dan waren het alleen de provincies van

Dekan, die hem een soort van veiligheid konden verschaffen.

Men ziet evenwel, dat de gouverneur de lucht van zijn verschijning

in het presidentschap verkregen en dadelijk een prijs op zijn hoofd

gesteld had.

Nu moeten wij echter doen opmerken, dat de leden der hoogere klassen,

overheidspersonen, officieren, ambtenaars, de inlichtingen, door

den gouverneur ingewonnen, wel eenigszins betwijfelden. Reeds zoo

dikwijls was het gerucht verspreid geworden, dat de moeielijk te vatten

Dandou-Pant gezien en zelfs gevangen was! Zoovele valsche tijdingen

hadden ten zijnen opzichte de rondte gedaan, dat er een soort van

legende in omloop was over de gave van alomtegenwoordigheid van den

nabob en over zijn behendigheid om de bekwaamste agenten van politie

om den tuin te leiden; maar onder het volk twijfelde men niet.

Onder de minst ongeloovigen bevond zich natuurlijk de oud-gevangene van

den nabob. Die arme duivel van een Hindoe, uitgelokt door de belooning

en daarenboven bezield door een behoefte aan persoonlijke wraak, dacht

nergens aan dan om de campagne te beginnen en beschouwde zijn succes

bijna als verzekerd. Zijn plan was zeer eenvoudig. Den volgenden

dag reeds, stelde hij zich voor den gouverneur zijne diensten aan

te bieden; daarna, na nauwkeurig vernomen te hebben waarop de in de

afkondiging vermelde inlichtingen berustten, was hij van plan zich

naar de plaats zelve te begeven waar de nabob gezien was.

Tegen elf uren 's avonds, na zooveel verschillende praatjes gehoord

te hebben, die weliswaar zijn denkvermogen in de war brachten, maar

hem in zijn voornemen versterkten, dacht de Hindoe er eindelijk aan

eenige rust te nemen. Hij had geen andere woning dan een schuit aan

een der oevers van de Doudhma vastgelegd en hij richtte zich naar

dien kant, droomende, met de oogen half gesloten.

Zonder dat hij er iets van merkte, had de fakir hem niet verlaten;

hij zette hem na zonder zijn aandacht te wekken en volgde hem slechts

in de schaduw.

Aan het einde van de volkrijke buurt van Aurungabad, waren de straten

om dezen tijd minder druk. De voornaamste uitgang dezer buurt eindigde

in eenige ledige terreinen, waarvan de eene zijde gevormd werd door

een der oevers van de Doudhma. Het was een soort van woestijn, aan het

uiteinde der stad. Zij werd slechts bezocht door eenige achterblijvers,

die haar haastig doorliepen om zich naar de meer bezochte wijken te

begeven. Weldra liet zich het geluid der laatste voetstappen hooren,

maar de Hindoe merkte niet op, dat hij niet de eenige was, die langs

den oever der rivier liep.

De fakir volgde hem altijd en koos de donkere plekken van het terrein,

hetzij onder bescherming der boomen, hetzij dicht langs de sombere

muren der hier en daar verspreide in puin gevallen woningen.

De voorzorg was niet overbodig. De maan was zooeven opgekomen en

verspreidde een onzeker licht. De Hindoe zou dus hebben kunnen zien,

dat hij bespied en zelfs dicht achtervolgd werd. De schreden van den

fakir te hooren, ware onmogelijk geweest. Deze gleed op zijn bloote

voeten voort eerder dan hij liep. Niet het geringste geluid verried

zijn tegenwoordigheid aan den oever van de Doudhma.

Vijf minuten waren op deze wijze verloopen. De Hindoe bereikte als

werktuiglijk de armzalige schuit, waarin hij gewoon was den nacht

door te brengen. De richting, die hij volgde, was voor geen andere

uitlegging vatbaar. Hij liep als iemand, die gewoon was elken avond

deze verlaten plaats te bezoeken; hij was geheel verdiept in de

gedachte van den stap, dien hij den volgenden dag bij den gouverneur

ging doen. De hoop zich op den nabob te wreken, die zijne gevangenen

nooit bijzonder zacht behandeld had, gevoegd bij de hevige begeerte

den uitgeloofden prijs te winnen, maakte hem blind en doof.

Hij had dan ook niet het minste bewustzijn van het gevaar, dat hij

door zijn onvoorzichtig gebabbel liep.

Hij zag niet, dat de fakir hem langzamerhand naderde.

Maar plotseling sprong als een tijger een man op hem toe, met iets

bliksemends in de hand. Het was het maanlicht, dat het lemmer van

een maleischen dolk bescheen.

De Hindoe viel, in de borst getroffen, met een doffen slag op den

grond.

Evenwel was de ongelukkige, hoewel de stoot met een zekeren arm was

toegebracht, niet dood. Eenige half uitgesproken woorden ontsnapten

met een golf bloeds zijne lippen.

De moordenaar bukte zich naar den grond, pakte zijn slachtoffer aan,

lichtte het in de hoogte, en, zijn eigen gelaat door het volle licht

der maan latende beschijnen, zeide hij:

»Herkent ge me?"

»Hij!" prevelde de Hindoe.

En de vreeselijke naam van den fakir zou zijn laatste woord zijn,

toen hij plotseling stikte en den laatsten adem uitblies.

Een oogenblik later verdween het lijk van den Hindoe in den stroom

der Doudhma, die het nooit zou teruggeven.

De fakir wachtte totdat de rimpels aan de oppervlakte des waters

verdwenen waren. Daarna trad hij terug, ging de ledige terreinen weder

over, vervolgens door de wijken waar de stilte begon en richtte zich

met snelle schreden naar een van de poorten der stad.

Doch juist op het oogenblik dat hij daar aankwam, had men de poort

gesloten. Eenige soldaten van het koninklijke leger bezetten de wacht,

die den toegang verdedigde. De fakir kon Aurungabad niet meer verlaten,

zooals hij van plan geweest was.

»Ik moet er toch uit en dezen nacht nog.... of ik zou er nooit meer

uit komen!" mompelde hij.

Hij keerde dus op zijne schreden terug, liep den muur van binnen langs

en beklom twee honderd passen verder het talud, ten einde boven op

de borstwering te komen.

Deze borstwering verhief zich een vijftig voet boven het niveau van

de gracht, die tusschen de escarp en contrescarp gegraven was. Het

was een loodrechte muur, zonder eenig uitsteeksel om tot steunpunt

voor den voet te dienen. Ook was het ten eenemale onmogelijk, dat

iemand zich langs de bekleeding kon laten afglijden. Met een touw

was de nederdaling ongetwijfeld te beproeven geweest, maar de gordel

om de lendenen van den fakir was nauwlijks eenige voeten lang en dus

niet voldoende om hem aan den voet van het talud te brengen.

De fakir bleef een oogenblik staan, sloeg een blik in het rond en

dacht na over hetgeen hem nu te doen stond.

Boven de borstwering stak een donker koepeldak van gebladerte uit,

gevormd door het loof der groote boomen, die Aurungabad als in een

groene lijst omvatten. Van dit koepeldak bogen lange buigzame en

sterke takken naar buiten uit, waarvan men misschien gebruik zou kunnen

maken om, niet zonder groot gevaar, den bodem der gracht te bereiken.

Nauwlijks was dit denkbeeld bij den fakir opgekomen of hij aarzelde

niet. Hij begaf zich onder een dezer koepeldaken en kwam weldra buiten

den muur weder te voorschijn, aan het uiteinde van een langen tak

hangende, die allengs onder zijn gewicht boog.

Zoodra de tak genoeg gebogen was om den bovensten zoom van den muur

even aan te raken, liet de fakir zich langzaam zakken, alsof hij een

touw met knoopen tusschen de handen had. Hij kon op die wijze tot de

halve hoogte van de inwendige escarp afdalen, doch hij bevond zich

nog op een hoogte van dertig voet boven den grond, dien hij moest

bereiken om te kunnen ontvluchten.

Hij hing dus te slingeren tusschen hemel en aarde en zocht met den voet

een of andere ongelijkheid, die hem tot steunpunt kon verstrekken.....

Eensklaps schitterde geweervuur in de duisternis en deden zich

losbarstingen hooren. De soldaten der wacht hadden den vluchteling

opgemerkt en op hem gevuurd, doch zonder hem te raken. Toch trof een

kogel den tak waaraan hij hing, twee duim boven zijn hoofd.

Twintig seconden later brak de tak en viel de fakir in de droge

gracht.... Een ander ware dood geweest, maar hem deerde niets.

Op te staan, te midden van een kogelregen, waarvan geen een hem trof,

tegen het talud van de escarp op te klauteren en in de duisternis

weg te sluipen, was voor den vluchteling slechts spel.

Twee mijlen verder passeerde hij ongezien het kantonnement der

Engelsche troepen, die buiten Aurungabad gelegerd waren.

Een paar honderd schreden verder bleef hij staan, keerde zich om,

stak zijn verminkte hand naar de stad uit en uitte deze woorden:

»Wee hen, die nog in de handen zullen vallen van Dandou-Pant! Gij

Engelschen, uw rekening met Nana Sahib is nog niet vereffend!"

Nana Sahib! Nogmaals had de nabob dien naam, den geduchtsten onder al

de namen, die in den opstand van 1857 zulk een bloedige vermaardheid

verwierven, den veroveraars van Indië als een laatste uitdaging voor

de voeten geworpen!

Het Stoomhuis: De IJzeren Reus (1/2) · 第 2 / 38 题