XVIII.

't Was in den nazomer, op een mooien dag in 't laatst van Augustus. Ze

waren 's morgens naar Beverwijk gespoord, daar hadden ze koffie

gedronken, en ze wandelden nu verder, naar Wijk-aan-Zee.

Eerst hadden ze lang, stil-vertrouwelijk, loopen praten, maar toen was

er een zwijging ingevallen. En Bernard, nu en dan kijkend naar zijn

meisje -- en dan keek ze hem ook altijd aan! -- voelde dat ze, zoo

zwijgende, nog meer onafgebroken samen waren dan straks, toen ze, om

beurten, moesten luisteren en zelf zinnetjes maken, zoekend naar de

juiste woorden. 't Was of 't praten stoorde hun dieper samen-zijn, dat

hoog-opbloeide in 't emotievolle zwijgen.

Sinds weken had Bernard zich overgegeven aan 't groote genot van de

liefde, die nog dagelijks scheen toe te nemen in omvang en kracht. Hij

had nooit te voren vermoed, dat één gevoel hem zoo zou kunnen bezitten.

Met bewondering had hij 't in zich voelen groeien tot een rijk, nieuw

leven, al 't andere omvattend.... De menschen waren hem nu niet meer

ergerlijk....

Maar nog had hij zich niet zóó licht, zoo wijd-gelukkig gevoeld als

dezen dag. Hij wist niet waar 't door kwam, een prikkelend bevreemden

verhoogde zijn stil genot. Mooier dan ooit waren de helle zonnevelden en

de volle boomen, de rijke overvloed van vredigend donkergroen. En toen

hij de blonde, golvenden duinen zag, kwam er een juichend uitwuiven van

wijde verlangens in zijn ziel, en zijn meisje aankijkend met lichten

vreugde-blik begon hij gauwer te loopen; hij werd gejaagd van onbestemde

verwachting, vage begeerte....

Ze gingen eerst naar de zee. Zittend aan 't strand tuurden ze lang in

de wijde oneindigheid van diep-blauwende lucht, wazig wolkende lucht en

zee, wiegende zee, waarover de kleuren, de wisselende tinten schenen te

drijven in eeuwig bewegen. En ze luisterden naar 't diepe geruisch, dat

gedurig vulde de hooge lichte lucht.

Over 't gladde strand waarlangs 't ebbende water was weggevloeid, met

vreemd verdwijnen, liepen ze noordwaarts, een heel eind, totdat ze de

koetsjes en de tentjes van de badplaats in de verte zagen. En weer

bleven ze staren in zee en luisteren naar 't eeuwig geruisch.

En toen, met een enkel woord afsprekend, liepen ze recht van de zee 't

hooge duin op, en verder 't eenzaam duinenland in, de stille valleien

van lichtgroen, en rossig-groen, bruin en violet, tusschen de

naakt-zandige toppen, waar de wind over streek.

Daar gingen ze liggen, in een ronde kom van duintoppen, tegen de snelle

helling op, in de schaduw van een boschje donkergroene struiken, dat

glansde in de zon. En toen ze er een poosje gelegen hadden stond Lucie

op om een bouquetje viooltjes te plukken. Hij zag haar gaan, gebukt,

over de zonnige hellingen aan den overkant, plukkend met een

blij-ernstig gezicht, gaande in stil-gracelijk bewegen, zonder geluid.

En hij voelde zich vreemd-heerlijk, wonder-zoet gestemd. 't Was of hij

haar zag in een droom, een hel visioen van liefde, zomer, zaligheid!....

O! 't genot van weten, dat 't geen droom was maar tastbare

werkelijkheid, dat ze ging daar, bewoog daar, dat ze leefde, en hem lief

had en van hem was....

En opkijkend zag hij de wolkgevaarten, als hemeltronen, drijvend over 't

strakke blauw....

Toen dacht hij aan zijn leven. Zijn dagen gingen aan zijn herinnerenden

geest voorbij, met verre ruisching van stemmen, met snel-verschietende

droomgezichten. En al zijn stemmingen van vroeger leken hem zoo

dom-dwaas, zoo nietig en onvolwassen zijn opwindingen, en zoo gering

zijn falen en dwalen, zijn jongensachtige zonden. Ook aan dien nacht in

't bordeel dacht hij terug met een koelen, stil-minachtenden glimlach.

Arme goeie jongen die hij geweest was, wat had hij zich dat toen

aangetrokken! Toch beteekende 't minieme feitje niet veel meer dan, nog

wat langer geleden, dat liegen toen op school -- of eigenlijk was dat

liegen een beetje erger.... Maar o! wat was ook in dit voorjaar, vooral

na die teleurstelling van Edward, zijn arme jongensziel, die hij

zoo groot en bloeiend had gewaand, in droog gedachteleven verdord,

verschrompeld.... Zóó zelfs, dat zij, Lucie, zijn bruid, zijn redster,

had kunnen verschijnen in zijn leven, zonder dat hij dadelijk had

begrepen wie zij was, wat haar verschijnen beduidde....

Met onbewuste wijsheid had hij zich toch aan haar gegeven.... en

langzaam was de hemel toen open gegaan.... En nu vandaag begon 't

eigenlijk pas, zijn leven, zijn nieuwe, eigenlijke leven....

Hij lag aldoor naar haar te turen, zijn blik was niet af te wenden van

't teere bewegen van haar slank vrouwelijf. En hij riep haar, genietend

den zoeten klank van haar naam. Toen keek ze naar hem om, en hij lachte

haar toe uit de verte, en dadelijk kwam ze aanloopen, vlug en met

vreugde-stralend gezicht. Hij stak zijn armen naar haar uit, en zij

vlijde er zich willig in neer, en kuste hem, en keek hem lang in de

oogen. Wild drukte hij haar toen tegen zich aan en zoende haar mond,

haar wangen, oogen, haar haar en hals, en haar kleine handen, die hem

liefkoosden.

Lang bleven ze nog liggen daar, in 't stille duindal, terwijl de wind

suizend over de toppen streek.

Ze lagen midden onder den blauwen hemelkoepel waarlangs de reuzige

wolken gingen, midden in 't heilige zonneland, en daar om heen was de

wereld, wijd-rondom.

Maar de gouden middag gleed over de stille vallei van groene duinen naar

de ongedurige zee. De rossige zon stond recht boven den horizon, toen ze

langs de duinenhelling afdalen kwamen, terug naar 't breede strand, dat

aan den zeekant, als een mes zoo glad, glom in de zon. En, van 't strand

af, liep ver in zee, een verblindend-schitterende phalanx van zon-in-'t

water.

Toen liepen ze langzaam terug naar 't verre badplaatsje, hand in

hand....

Zij liep rechts van hem, aan den zeekant, goudomglansd.

En eindeloos...., wijder dan de horizon die rondde om de zee, dieper dan

't sereene blauw dat tusschen de wolken, en lichter, o! veel lichter nog

dan de laaiende lucht, die tusschen de zon en de zee en 't meisje

was.... zóó stond in hem de hooge vreugde.

+Amsterdam+, 1895-'97.

De roman van Bernard Bandt · 第 27 / 40 题