't Was in den nazomer, op een mooien dag in 't laatst van Augustus. Ze
waren 's morgens naar Beverwijk gespoord, daar hadden ze koffie
gedronken, en ze wandelden nu verder, naar Wijk-aan-Zee.
Eerst hadden ze lang, stil-vertrouwelijk, loopen praten, maar toen was
er een zwijging ingevallen. En Bernard, nu en dan kijkend naar zijn
meisje -- en dan keek ze hem ook altijd aan! -- voelde dat ze, zoo
zwijgende, nog meer onafgebroken samen waren dan straks, toen ze, om
beurten, moesten luisteren en zelf zinnetjes maken, zoekend naar de
juiste woorden. 't Was of 't praten stoorde hun dieper samen-zijn, dat
hoog-opbloeide in 't emotievolle zwijgen.
Sinds weken had Bernard zich overgegeven aan 't groote genot van de
liefde, die nog dagelijks scheen toe te nemen in omvang en kracht. Hij
had nooit te voren vermoed, dat één gevoel hem zoo zou kunnen bezitten.
Met bewondering had hij 't in zich voelen groeien tot een rijk, nieuw
leven, al 't andere omvattend.... De menschen waren hem nu niet meer
ergerlijk....
Maar nog had hij zich niet zóó licht, zoo wijd-gelukkig gevoeld als
dezen dag. Hij wist niet waar 't door kwam, een prikkelend bevreemden
verhoogde zijn stil genot. Mooier dan ooit waren de helle zonnevelden en
de volle boomen, de rijke overvloed van vredigend donkergroen. En toen
hij de blonde, golvenden duinen zag, kwam er een juichend uitwuiven van
wijde verlangens in zijn ziel, en zijn meisje aankijkend met lichten
vreugde-blik begon hij gauwer te loopen; hij werd gejaagd van onbestemde
verwachting, vage begeerte....
Ze gingen eerst naar de zee. Zittend aan 't strand tuurden ze lang in
de wijde oneindigheid van diep-blauwende lucht, wazig wolkende lucht en
zee, wiegende zee, waarover de kleuren, de wisselende tinten schenen te
drijven in eeuwig bewegen. En ze luisterden naar 't diepe geruisch, dat
gedurig vulde de hooge lichte lucht.
Over 't gladde strand waarlangs 't ebbende water was weggevloeid, met
vreemd verdwijnen, liepen ze noordwaarts, een heel eind, totdat ze de
koetsjes en de tentjes van de badplaats in de verte zagen. En weer
bleven ze staren in zee en luisteren naar 't eeuwig geruisch.
En toen, met een enkel woord afsprekend, liepen ze recht van de zee 't
hooge duin op, en verder 't eenzaam duinenland in, de stille valleien
van lichtgroen, en rossig-groen, bruin en violet, tusschen de
naakt-zandige toppen, waar de wind over streek.
Daar gingen ze liggen, in een ronde kom van duintoppen, tegen de snelle
helling op, in de schaduw van een boschje donkergroene struiken, dat
glansde in de zon. En toen ze er een poosje gelegen hadden stond Lucie
op om een bouquetje viooltjes te plukken. Hij zag haar gaan, gebukt,
over de zonnige hellingen aan den overkant, plukkend met een
blij-ernstig gezicht, gaande in stil-gracelijk bewegen, zonder geluid.
En hij voelde zich vreemd-heerlijk, wonder-zoet gestemd. 't Was of hij
haar zag in een droom, een hel visioen van liefde, zomer, zaligheid!....
O! 't genot van weten, dat 't geen droom was maar tastbare
werkelijkheid, dat ze ging daar, bewoog daar, dat ze leefde, en hem lief
had en van hem was....
En opkijkend zag hij de wolkgevaarten, als hemeltronen, drijvend over 't
strakke blauw....
Toen dacht hij aan zijn leven. Zijn dagen gingen aan zijn herinnerenden
geest voorbij, met verre ruisching van stemmen, met snel-verschietende
droomgezichten. En al zijn stemmingen van vroeger leken hem zoo
dom-dwaas, zoo nietig en onvolwassen zijn opwindingen, en zoo gering
zijn falen en dwalen, zijn jongensachtige zonden. Ook aan dien nacht in
't bordeel dacht hij terug met een koelen, stil-minachtenden glimlach.
Arme goeie jongen die hij geweest was, wat had hij zich dat toen
aangetrokken! Toch beteekende 't minieme feitje niet veel meer dan, nog
wat langer geleden, dat liegen toen op school -- of eigenlijk was dat
liegen een beetje erger.... Maar o! wat was ook in dit voorjaar, vooral
na die teleurstelling van Edward, zijn arme jongensziel, die hij
zoo groot en bloeiend had gewaand, in droog gedachteleven verdord,
verschrompeld.... Zóó zelfs, dat zij, Lucie, zijn bruid, zijn redster,
had kunnen verschijnen in zijn leven, zonder dat hij dadelijk had
begrepen wie zij was, wat haar verschijnen beduidde....
Met onbewuste wijsheid had hij zich toch aan haar gegeven.... en
langzaam was de hemel toen open gegaan.... En nu vandaag begon 't
eigenlijk pas, zijn leven, zijn nieuwe, eigenlijke leven....
Hij lag aldoor naar haar te turen, zijn blik was niet af te wenden van
't teere bewegen van haar slank vrouwelijf. En hij riep haar, genietend
den zoeten klank van haar naam. Toen keek ze naar hem om, en hij lachte
haar toe uit de verte, en dadelijk kwam ze aanloopen, vlug en met
vreugde-stralend gezicht. Hij stak zijn armen naar haar uit, en zij
vlijde er zich willig in neer, en kuste hem, en keek hem lang in de
oogen. Wild drukte hij haar toen tegen zich aan en zoende haar mond,
haar wangen, oogen, haar haar en hals, en haar kleine handen, die hem
liefkoosden.
Lang bleven ze nog liggen daar, in 't stille duindal, terwijl de wind
suizend over de toppen streek.
Ze lagen midden onder den blauwen hemelkoepel waarlangs de reuzige
wolken gingen, midden in 't heilige zonneland, en daar om heen was de
wereld, wijd-rondom.
Maar de gouden middag gleed over de stille vallei van groene duinen naar
de ongedurige zee. De rossige zon stond recht boven den horizon, toen ze
langs de duinenhelling afdalen kwamen, terug naar 't breede strand, dat
aan den zeekant, als een mes zoo glad, glom in de zon. En, van 't strand
af, liep ver in zee, een verblindend-schitterende phalanx van zon-in-'t
water.
Toen liepen ze langzaam terug naar 't verre badplaatsje, hand in
hand....
Zij liep rechts van hem, aan den zeekant, goudomglansd.
En eindeloos...., wijder dan de horizon die rondde om de zee, dieper dan
't sereene blauw dat tusschen de wolken, en lichter, o! veel lichter nog
dan de laaiende lucht, die tusschen de zon en de zee en 't meisje
was.... zóó stond in hem de hooge vreugde.
+Amsterdam+, 1895-'97.