Forrest reisde in 1774 tot 1776. Valentijn in zijne in 1726

+----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |

| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |

| |

| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |

| _cursief_. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |

| accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie. Ook |

| de diverse schrijfwijzen van geciteerde werken zijn behouden. |

| De vermelde Errata zijn verwerkt in de lopende tekst. |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

+----------------------------------------------------------------+

UIT OOST EN WEST.

Uit Oost en West.

VERKLARING VAN

EENIGE UITHEEMSCHE WOORDEN,

DOOR

Dr. P. J. Veth,

_Oud-Hoogleeraar._

[drukkersmerk: Peritia Gratia Qve.]

ARNHEM.—P. GOUDA QUINT.—1889.

Gedrukt bij G. J. Thieme, te Arnhem.

_Toen ik in 1864 als hoogleeraar aan de Rijksinstelling voor opleiding

van Indische ambtenaren naar Leiden kwam, bestond daar eene, sedert,

helaas maar al te zeer verflauwde geestdrift voor het woordenboek der

Nederlandsche taal, waarvan de Heeren De Vries en Te Winkel destijds de

eerste afleveringen in het licht gaven._

_Voor de verklaring der uit vreemde talen overgenomen woorden werd de

hulp gevraagd, en met ingenomenheid verleend, van Professor R. Dozy,

die in zijne in 1867 uitgegeven „Oosterlingen” eene verklarende lijst

gaf van de woorden, die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch,

Perzisch en Turksch in de Nederlandsche taal zijn overgenomen._

_Maar hiermede was nog niet alles verricht. Ook andere talen, zooals het

Maleisch, Javaansch, Malabaarsch, Chineesch enz. hadden tot de vorming

onzer taal bijgedragen._

_In mijne aankondiging van Dozy's „Oosterlingen” in „de Gids” van

1867 No. 3, gaf ik over die Oostersche woorden eenige algemeene

beschouwingen, die ik met eenige meer bekende voorbeelden toelichtte;

en toen ik bespeurde, dat ook deze zwakke poging om tot de _origines_

der Nederlandsche taal door te dringen, algemeene bijval vond, besloot

ik eene verzameling van zoodanige woorden aan te leggen, waarin ik

gedurende ruim een twintigtal jaren opteekende, de merkwaardigste door

Dozy niet behandelde, bij Nederlandsche schrijvers voorkomende woorden

van vreemde afkomst; inzonderheid de zoodanige, die wij aan ons

handelsverkeer in vreemde werelddeelen en onze koloniën verschuldigd

zijn, en daaronder vooral ook de woorden, die wij op dezelfde wijze

hadden verkregen, maar die in de landen, welke voor ons de landen van

herkomst waren, reeds vóór ons door de Portugeezen, Spanjaarden en

Arabieren waren ingevoerd._

_Aan scherpe grenslijnen was hier natuurlijk niet te denken, daar

telkens en in alle richtingen zich woorden uit de eene taal naar de

andere verbreiden. Ook was het zeker niet vreemd, dat, toen eenmaal eene

menigte Spaansche en Portugeesche woorden uit de koloniën afkomstig,

waren opgenomen, ook aan andere, waarmede dit niet het geval was, eene

plaats werd gegeven._

_Nu en dan werd ook wel eens een uit andere talen afkomstig woord

behandeld, wanneer ik meende daarover eenig nieuw licht te kunnen

verspreiden. Het merkwaardigste voorbeeld van dien aard, is zeker

wel het woord _tor_, dat, daar het van echt Germaansche afkomst is,

eigenlijk hier geene plaats had mogen innemen._

_In den aanvang van het jaar 1888 werd deze verzameling—naar aanleiding

van een gesprek over het woord _fiche_,—toevallig bekend aan den

Heer G. Keller, redacteur der Arnhemsche Courant, die na inzage

terstond toonde veel lust te hebben van tijd tot tijd eenige van mijne

woordverklaringen, ten einde aan zijne lezers eenige verscheidenheid van

lectuur te verschaffen, in zijn dagblad op te nemen. Daar ik vroeger

meermalen was aangezocht om de proeven van dit werk, die ik reeds hier

en daar had geleverd, te vermenigvuldigen, besloot ik den geheelen

voorhanden voorraad tot zijne beschikking te stellen. Enkele woorden

werden als minder geschikt uitgeworpen, vele andere werden bij de

omwerking, die nu de verzameling onderging, van tijd tot tijd toegevoegd

of breeder toegelicht._

_Om den weg voor gedurige bijvoeging zoolang mogelijk vrij te laten,

besloot ik mij van alle systematische rangschikking te onthouden. Deze

toch zou alleen mogelijk geweest zijn, indien het werk in eens als een

afgerond geheel aan de pers ware geleverd, maar kon niet in aanmerking

komen, nu ik de gelegenheid wilde openhouden om nieuwe woorden bij te

voegen, wanneer mij zoodanige in den loop van het afdrukken mochten

voorkomen._

_Daar mijn arbeid thans op verzoek van den tegenwoordigen uitgever,

waaraan ik gaarne gevolg gegeven heb, als afzonderlijke uitgave het

licht ziet, zijn de woorden echter gemakkelijk te vinden door middel van

het alphabetisch register, dat ik aan het einde wensch te plaatsen.

Dit register bevat niet enkel de in afzonderlijke artikelen behandelde

woorden, maar ook de voornaamste dergenen, waarover iets in het

voorbijgaan gezegd is._

ARNHEM, _Februari 1889_.

P. J. VETH.

De bijzondere richting mijner studiën heeft mij dikwijls genoopt te

snuffelen in weinig bekende boeken en handschriften en onze reizigers in

gedachten over den Oceaan te volgen tot in de afgelegenste gewesten van

den aardbodem. Niet zelden is het mij daarbij gebeurd te ontdekken, dat

zij uit die gewesten woorden hadden medegebracht, die in onze volkstaal,

dikwijls zelfs in onze schrijftaal, waren ingeslopen. Die woorden waren

dan niet zelden in onze woordenboeken geheel verkeerd verklaard, terwijl

van andere nooit eene verklaring beproefd of althans gevonden was. De

woorden die ik bedoel zijn nu eens uit Amerika, dan eens uit Afrika,

dan weder uit Azië, en voornamelijk, zooals te verwachten was, uit den

Indischen Archipel afkomstig. Zij behooren evenwel lang niet altijd tot

de eigen talen van die gewesten, maar zijn dikwijls daar ingevoerd door

onze Arabische, Portugeesche en Spaansche voorgangers, en werden dus in

de gewesten die onze reizigers bezochten, opgevangen uit den mond der

kolonisten, of waren reeds sedert lang van dezen tot de inboorlingen

overgebracht, zoodat zij deel van hunne taal schenen uit te maken. Zoo

zijn er b. v. onderscheidene Arabische en Perzische woorden, ook nu

nog bij ons in gebruik, die niet rechtstreeks uit West-Azië tot ons

kwamen, maar die door den trechter van het Maleisch of Javaansch in

onze taal werden overgegoten. Prof. Dozy, die voor eenige jaren in zijne

„Oosterlingen” eene vrij volledige lijst en eene zeer scherpzinnige

verklaring heeft gegeven van de woorden die in onze taal uit het

Arabisch, Perzisch en Turksch stammen, heeft echter de woorden van de

hier bedoelde soort overgeslagen, dewijl ze naar zijne meening meer

behoorden in eene (ons nog steeds ontbrekende) lijst der woorden uit

Insulinde afkomstig.

De woorden, die in mijne aanteekeningen een plaats hebben gevonden,

kunnen moeilijk tot bepaalde klassen worden gebracht. Het is een

allerlei, dat door geen anderen band wordt samengehouden, dan dat het

vreemdelingen zijn in onze taal, die daarin als gasten zijn opgenomen.

Er zijn er misschien zelfs enkele onder, die ofschoon in een vreemd

gewaad tot ons gekomen, echter van onze taal niet zoo ver afstaan als

men hun zou aanzien. Dit schijnt onder andere het geval te zijn met het

woord _Fiche_, dat ik reeds eenigen tijd geleden bij wijze van proeve in

de _Arnhemsche Courant_ behandeld heb. Men houdt (zie van Dale, wiens

verklaring nog onlangs door prof. Beets werd overgenomen) dit woord voor

het Spaansche _fichas_, rekenpenningen. Ik meen te hebben aangetoond

dat _fichas_ in die taal volstrekt niet _rekenpenningen_ in het

algemeen beteekent, maar juist die bepaalde soort van rekenpenningen,

die wij in het kaartspel gebruiken en, den in het Fransch gebruikelijken

vorm aannemende, _fiches_ noemen. Onze landgenooten hebben altijd het

zwak gehad om alle vreemde woorden voor Fransch te houden en op Fransche

wijze uit te spreken. Zij hebben soms zelfs aan zuiver Nederlandsche

woorden een Franschen vorm en Fransche schrijfwijze gegeven, en

getracht ze als vreemdelingen voor te stellen. Zoo ontstond o. a. het

belachelijke, en in het Fransch, waar de stof _nacre_ heet, geheel

onbekende _perle d'amour_, waarin de Nederlander die de betrekking kent

tusschen de parelschelp en de parel, onmogelijk het echt Nederlandsche

_parelmoeder_, bij samentrekking _parelmoer_ (Duitsch _Perlmutter_,

Engelsch _Mother of Pearl_), kan miskennen. Op soortgelijke wijze meende

nu ook onze van Lennep in _fiche_ het Hollandsche _vischje_ weder te

vinden, en volkomen terecht herinnerde hij zich daarbij dat in de

Japansche fichesdoozen, die men nog zeer dikwijls zag in mijne jeugd,

maar die thans vrij zeldzaam zijn geworden, de speelmarkjes, van

parelmoer vervaardigd, inderdaad den vorm van _vischjes_ hadden. Toch

houd ik ook die verklaring niet voor volkomen juist; 't is haast niet

denkbaar dat een Hollander _vischje_ als _fiche_ zou gaan uitspreken. Ik

vermoed dat die speelmarken, die vooral bij het whistspel gebruikelijk

zijn, met dit spel uit Engeland tot ons zijn gekomen, want nog worden

ze in Engeland _fishes_ genoemd, en dat dit woord later voor Fransch

gehouden en als _fiches_ uitgesproken werd, is zeer natuurlijk. De

juistheid dezer verklaring heb ik eenigermate door het woordenboek der

Spaansche Academie, maar vooral door het Portugeesche van Moraes Silva

(in v. _fixa_) bevestigd gevonden.

Lang heb ik het voornemen gekoesterd, zoo niet alles wat ik verzameld

heb, dan toch het belangrijkste daarvan, in het licht te geven, en

terwijl ik daartoe thans overga, vlei ik mij dat de lectuur niet al te

dor of vervelend zal gevonden worden. De woorden hebben soms wonderlijke

en verrassende lotgevallen, waarin zelfs een komisch element niet altijd

ontbreekt.

Ik begin met een drietal woorden, die men den vreemden oorsprong niet

zoo dadelijk kan aanzien, en die daardoor tot verkeerde opvattingen

aanleiding hebben gegeven, de woorden _negerij_, _oorlam_ en

_kwispedoor_, waarvan wij de beide eerste aan het Maleisch, het derde

aan de Portugeezen in Indië verschuldigd zijn. Voor het overige zal ik

mij aan geene bepaalde orde binden, maar aan het _varietas delectat_

gedachtig zijn.

Negerij of Negorij.

Omtrent dit woord heerschen zonderlinge dwalingen, die onmiddellijk

worden ingezien, als men den waren oorsprong heeft erkend. Op den klank

af brengt men het doorgaans in verband met _neger_ (van _niger_, zwart),

zooals wij de zwarte Afrikanen noemen. Zoo lezen wij bij Weiland in het

art. _neger_: „van hier _negerij_, een aantal hutten, als een dorp bij

elkander gezet, waarin negers wonen, b. v.: _die landwaarts in hunne

negerijen of dorpen hebben_. Bogaert.” Hier is echter de beteekenis

_dorp_ niet geheel miskend; maar veel erger maakt het van Dale, „Nieuw

Ned. Woordenboek”, die eerst, op _negerij_, dit gelijk stelt met

_negerhuis_, maar tegelijk naar den tweeden vorm _negorij_ verwijst,

waarvan hij zegt: „_Negorij_, _negerij_ (oudtijds), plaats, waar negers

verkocht worden.” In deze weinige woorden zijn drie kapitale fouten

bevat: want kennelijk wordt het woord met _neger_ in verband gebracht,

de beteekenis is geheel verkeerd opgegeven, en het wordt zeer ten

onrechte als verouderd vermeld. Het woord is nooit menigvuldiger

gebruikt geworden dan in de laatste jaren, nu zooveel over onze

Oostindische bezittingen geschreven wordt. Doch die soort van boeken

schijnen onze taal- en letterkundigen zelden in te zien. In het

Nederlandsch-Fransch Woordenboek van prof. Heremans, doorgaans met

zooveel zorg bewerkt, lees ik ook al: „_Negorij_, village habité par

des nègres”, en in het Nederlandsch-Hoogduitsch Woordenboek van dr.

Sicherer vind ik zelfs aan _negorij_ twee beteekenissen toegekend: 1o.

Negerdorp, negerkraal, 2o. Negermarkt, plaats waar negers als slaven

verkocht worden. Klaarblijkelijk heeft hij de verklaringen van Weiland

en van Dale gecombineerd.

Voor hen, die met de talen onzer Oostindische bezittingen in het geheel

niet bekend zijn, moet men erkennen dat de uiteenloopende vormen, waarin

dit woord voorkomt, en het verloop zijner beteekenis iets verwarrends

en misleidends hebben. Zoo schrijft b. v. de heer Verkerk Pistorius

in zijne „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche

bovenlanden”, bestendig _negari_, waarin men niet zoo dadelijk hetzelfde

woord herkent. Ook moet men, om het gebruik van het woord goed te

begrijpen, met de filiatie der beteekenissen goed bekend zijn. Ik zal

daarover zoo kort mogelijk het noodzakelijkste zeggen.

Het woord is eigenlijk het Sanskrietsche _nagara_ of, in vrouwelijken

vorm, _negari_. Van deze beide vormen is de eerste in laag-, de tweede

in hoog-Javaansch gebruikelijk. Ook de Maleische vormen verschillen

hiervan niet veel; in het laag-Maleisch spreekt men doorgaans _negeri_

of _negri_ uit.

Aan dit laatste is de Nederlandsche vorm _negerij_ of beter _negerie_

ontleend. Hoe men aan _negorij_ is gekomen kan ik niet zeggen;

misschien vond men het welluidender.

De beteekenis van het woord is eigenlijk: de plaats waar een vorst zich

met zijn volk gevestigd heeft. Soms wordt er het geheele vorstendom,

land of rijk, soms alleen het binnenste hoofddistrict door den vorst in

persoon bestuurd, soms ook alleen zijn hoofdstad of residentie door

bedoeld; maar ook de zetel der vazallen of regenten kan zoo genoemd

worden. Deze beteekenissen vindt men in het Javaansch. In het Maleisch

is de beteekenis nog verder verloopen en duidt het woord, althans in den

vorm _negri_, iedere stad of aanzienlijk dorp, iedere verzameling van

één gemeente vormende kampongs of buurten aan.

In het Nederlandsch schijnt mij de vorm _negerie_ de verkieslijkste,

omdat die het meest overeenkomt met den gewonen Maleischen vorm, waaraan

wij het woord ontleend hebben. _Negerie_ heeft overigens, ofschoon

verreweg het meest gebruikt waar wij van onze Oostindische bezittingen

spreken, bij ons de meer algemeene beteekenis gekregen van een stad of

dorp bij onbeschaafde of half-beschaafde volken, zooals uit het door

Weiland aangehaalde voorbeeld blijkt.

Oorlam.

Dit woord beteekent volgens van Dale: 1o. een ervaren zeeman, 2o. een

rantsoen jenever aan boord der schepen, en in het algemeen een borrel of

slok. De eerste beteekenis zou volgens hem rechtstreeks ontleend zijn

aan het Maleische _orang lama_, dat een _ervaren, handig, bekwaam man_

zou beteekenen. Dit laatste is zeker volkomen onjuist. _Lama_ beteekent

in het Maleisch _lengte_ of _duur van tijd_, en, als adjectief, _oud_,

_uit den ouden tijd_. _Orang lama_ is in goed Maleisch _een mensch van

den ouden tijd_, maar in laag Maleisch, als verkorte spreekwijze voor

_orang lama datang_, een _mensch die lang geleden gekomen is_, _een

oudgast_, in tegenstelling met een _orang baroe datang_ of _orang

baroe_, een pas aangekomene, een _baar_ (van _baroe_, nieuw, afkomstig),

een nieuweling.

Het woord _Oorlam_ schijnt vooral aan de Kaap de Goede Hoop in gebruik

te zijn geweest. In Deel VII van de „Historische beschrijving der

reizen”, bl. 231, lezen wij daaromtrent het volgende: „De Europeesche

inwoners van de Kaap zijn gewoon alle aankomende Europeanen door twee

bijzondere Maleische woorden te onderscheiden. Die regelrecht uit

Holland komen, doopen ze met den naam van _Baar_, komende van _Oram

bari_” [moet zijn _Orang baroe_] „en die uit Indië wederkeert met den

naam van _Orlam_. Den orlammen-tijd” [hierdoor wordt de tijd verstaan,

waarop de retourschepen op de terugreis naar het vaderland de Kaap

aandeden] „houdt men daar voor een kermis, waarop schippers, boekhouders

en matrozen zich van voorraad ontdoen, dien zij duchten dat in Holland

niet door den beugel zal kunnen” [als op oneerlijke wijze, b. v. door

morshandel, verkregen]. Een weinig verder wordt gezegd, dat „de matroos,

hier in een luilekkerland vallende, de schoonste gelegenheid had om al

het opgespaarde te verteren en door den lekkeren Kaapschen wijn op hol

te raken.”

Men ziet hieruit dat de _oorlammen_ veelal echte liefhebbers van de

flesch waren, en als men zich die tallooze avontuurlijke uitdrukkingen

herinnert, die onze in dat opzicht maar al te zeer ontwikkelde volkstaal

voor de dronkenschap en hare oorzaak, den jeneverborrel, heeft

uitgedacht, zal men het misschien niet ondenkbaar vinden, dat in

_oorlam_ de beteekenis van _borrelaar_ in die van _borrel_ is

overgegaan.

Die nieuwe beteekenis is hoofdzakelijk in gebruik aan boord der schepen,

en vooral voor het rantsoen jenever, dat op vaste tijden aan de matrozen

wordt uitgereikt. „Wanneer het wasschen is afgeloopen”, zegt Olivier,

„Land- en Zeetochten in Indië”, D. III, bl. 332: „is de naastvolgende

roep van des bootmans fluitje de ware blijde boodschap. Tot driemaal,

met eenige niet onaardige roulades, bijna gelijk het gezang van een

kanarievogel, klinkt de nu dubbel welkome scheepsmuziek den zonen van

Neptunus in de ooren. Het is „_oorlam_.””

Aan de Kaap heeft _oorlam_ ook de beteekenis gekregen van een man van

ervaring en scherpzinnigheid. Deze hangt onmiddellijk samen met die

van _oudgast_. Terwijl de _baren_, nog geheel vreemd aan de zeden en

gebruiken van het Oosten, dikwijls werden bespot en als erg onnoozel

uitgekreten, was de _oorlam_ of oudgast in dat alles volkomen te huis,

en daardoor ver boven den nieuweling verheven. De Namaqua's, een

Hottentotsche stam, noemen zich gaarne _oerlams_, omdat zij eene

uitstekende meening van hunne eigen schranderheid hebben. Vandaar dat

men soms onder de volksstammen van Zuid-Afrika ook de _Orlams_ of

_Oerlams_ vermeld vindt.

Die Namaqua's onderscheiden zich echter inderdaad door domheid en

onkunde. Hierop slaat het volgende verhaal bij Schüssler, Zuid-Afrika,

bl. 77: „Aron vertelde ons, zeer ondeugend, dat, daar de Namaqua's veel

van „soopie” houden, het woord _oorlam_, hetwelk zij door hunne domheid

niet eens goed konden uitspreken, het eenige woord was, dat ze van een

gedeserteerd zeevarende hadden geleerd en onthouden, en door beduiding

met de hand ook verstaan en _begrepen_; want, zeide hij, als zij het

uitspreken, keeren zij tegelijk het plat van de hand naar den mond—wat

werkelijk het geval is—en denken daarbij: veel „soopies” of „oorlams”

maken domme menschen slim—oorlamsch.”

Er is dus wel iets waars in de meening van van Dale, dat _oorlam_ ook

een _ervaren, handig man_ kan aanduiden, maar die beteekenis is uit de

oorspronkelijke van _oudgast_ afgeleid en volstrekt niet de meest

gewone.

Kwispedoor.

Van dit woord heeft niemand ooit eene verklaring uit het Germaansch

kunnen geven, ook niet in den vorm _kwispeldoor_, waardoor men het ons

meer naar den mond heeft gemaakt; want wat toch zou _kwispelen_, een

onbetwist Hollandsch woord, met een spuwbekken te maken hebben?

De ware verklaring van het woord gaf prof. de Vries in den _Taalgids_;

het is hem evenwel daarbij ontgaan, dat hij dezelfde verklaring van mij

in eene vergadering der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde

gehoord had. Ik had intusschen die verklaring ook reeds vóór hem

gepubliceerd, namelijk in het _Tijdschrift voor Ned.-Indië_, Jaarg.

1867, D. I, bl. 296. Wat ik daar schreef zal ik hier eerst letterlijk

herhalen, om er daarna nog eenige opmerkingen aan toe te voegen.

„Gemeenlijk neemt men aan, dat dit woord bij ons van Spaanschen

oorsprong is en verbasterd uit _escupedor_ of _escupidero_, en dat het

in onze taal is ingedrongen in het tijdvak der Spaansche heerschappij.

Daarentegen houd ik mij verzekerd, dat het woord Portugeesch is, dat

wij het in Indië van de Portugeezen geleerd hebben en dat het uit Indië

naar Europa is overgebracht. Ziehier mijne gronden. Baldaeus spreekt

in zijne „Beschrijvinge van Malabar en Choromandel”, bl. 160, van een

Naïk, die _cuspidoordrager_ was in het rijk van Carnatica, en van een

tweeden, dien hij 's Konings _betelgever_ noemt. De beteldoos en het

spuwbekken zijn inderdaad van elkander onafscheidelijk. Bij het woord

_cuspidoordrager_ teekent Baldaeus op den kant aan: „Cuspidoor is een

spuwbekken of -pot.” Nu heet werkelijk in het Portugeesch een spuwbekken

_cuspideira_ of _cuspidòr_, van het werkwoord _cuspir_ of _cospir_,

het Latijnsche _conspuere_. De vorm _cuspideira_ is de beste en meest

gebruikelijke; _cuspidòr_ beteekent, volgens het Portugeesch woordenboek

van Moraes Silva, eigenlijk _Pessoa que cospe muito_ (een persoon die

veel spuwt); maar hij kent het toch ook in de beteekenis van _vaso de

cuspir_, d. i. een spuwbekken, en hij haalt daarvoor eene plaats aan uit

Castanheda's „Historia da India” I, f. 39: „_hum cuspidòr de oiro_”

(_oiro_ = _ouro_), d. i. een gouden spuwbekken.

„Hieruit trek ik de volgende besluiten: 1o. het spuwbekken dat de

Indische vorsten bij het betelkauwen gebruiken, noemden de Portugeezen

_cuspidòr_; 2o. dit woord hebben wij in Indië van hen overgenomen,

maar tot _kwispedoor_ verbasterd; 3o. dit woord is uit Indië naar het

moederland overgebracht. De afleiding uit het Spaansch verwerp ik:

1o. omdat Baldaeus, in 1669–1671, in welke jaren hij zijn werk te boek

stelde, nog noodig had _cuspidoor_ voor zijne lezers te verklaren,

wat wel het geval niet zou geweest zijn, indien dit woord reeds in de

Spaansche tijden in onze taal was gekomen; 2o. omdat _kwispedoor_ met

het Portugeesche _cuspidòr_ nog meer overeenkomt dan met het Spaansche

_escupedor_.”

Tot dusverre mijne vroegere verklaring. Ik voeg er nu nog de vrij

afdoende opmerking bij, dat wij, zooals later blijken zal, in Indië de

namen van een aantal zaken van onze Portugeesche voorgangers hebben

geleerd en ons toegeëigend, maar dat wij in onze taal geen enkel woord

hebben, dat onze voorouders vóór of gedurende onzen vrijheidsoorlog van

de gehate Spanjaarden hebben overgenomen. In het geheel is onze taal aan

het Spaansch al zeer weinig verschuldigd, doch daarop kom ik later wel

eens terug.

Toen ik bovenstaande verklaring van het woord kwispedoor publiceerde,

maakte ik aan het slot de opmerking dat _cuspidòr_ misschien alleen op

het vasteland van Indië en niet op de eilanden in gebruik was geweest.

Doch dit is stellig verkeerd. Forrest, in zijn „Voyage to New-Guinea”,

p. 135, gebruikt het woord ook, waar hij spreekt van Mindanao, en wel

als _inlandsch_ woord, waarvan hij eene verklaring noodig acht. Hij

schrijft het woord, op het gehoor af, _cuspadore_, en zegt in eene noot:

„an utensil well known to those who smoak tobacco and chew betel.”

De Fransche vertaling van Forrest, die veel meer verspreid is dan het

oorspronkelijke, heeft bl. 265 voor _cuspadore_ eenvoudig _crachoir_, en

laat de noot weg,—wel een waarschuwing, dat, wie gelegenheid heeft het

oorspronkelijk in te zien, zich nooit met de raadpleging eener vertaling

moet vergenoegen.

De plaats van Forrest bevestigt alleszins, dat _cuspidòr_ een

Indisch-Portugeesch woord is; het verdient echter opmerking, dat het

nooit vermeld wordt onder de vele Portugeesche woorden die in de

inlandsche talen van de Molukken, de Minahassa enz. zijn opgenomen.

Forrest reisde in 1774 tot 1776. Valentijn in zijne in 1726 verschenen

„Beschrijving van Groot-Java” (Oud- en Nieuw Oost-Indië, IV. 1),

schrijft op bl. 61, dat een der grooten van den Vorst van Mataram

hem een _cuspidoor_ of spuwpotje nadraagt. Ook deze plaats leert ons,

dat _cuspidòr_ op de eilanden evenzeer als op het vasteland bekend

was; merkwaardig is het bovendien, dat ook hij het woord nog in den

Portugeeschen vorm geeft en van eene verklaring doet vergezeld gaan.

Dit bewijst wel, dat zoowel het algemeen gebruik van het woord als zijn

verhollandschte vorm _kwispedoor_, van recenten oorsprong zijn.

Adat.

_Adat_ stamt van den Arabischen wortel _ʾâda_, die _terugkeeren,

herhalen_ beteekent, en duidt aan _het gedurig terugkeerende_, de

_gewoonte_, het _gebruik_. In de rechtstaal van den Islam (dus bij

Arabieren, Perzen, Turken enz.) wordt het woord gebruikt om het

gewoonterecht, le droit coutumier, aan te duiden, in tegenstelling van

het bij de wet geregelde en beschreven recht. „Het Mohammedaansche

recht”, zegt mr. L. W. C. van den Berg, in zijne _Beginselen van het

Mohammedaansche Recht_, „heeft twee hoofdbronnen, de wet (sjar') en de

gewoonte, _ʾâdat_ of _ʾorf_. Deze laatste mag alleen worden gevolgd,

wanneer de wet zwijgt, of er uitdrukkelijk naar verwijst.”

In die Mohammedaansche landen, die eerst laat voor den Islam gewonnen

zijn, toen het machtig Rijk der Khalifen lang was uiteengespat, en waar

dus geen krachtig centraal gezag de inrichting der maatschappij in

alle opzichten onder de heerschappij der wet kon brengen, werd aan het

bestaande gewoonterecht zeer veel grooter plaats gelaten, dan er naar de

beginselen van den Islam aan toekomt. Dit is inzonderheid ook het geval

in den Indischen Archipel. Het staatsrecht, het strafrecht, de meeste

rechtsbetrekkingen der individuen onderling, worden er door de âdat

beheerscht, ja er zijn zelfs streken waar ook het personen- en erfrecht

zich niet geheel aan de voorschriften van den Islam hebben onderworpen.

Wel staat er overal tegenover de adat het goddelijke, op den Koran en de

Sonnah rustende recht, gemeenlijk door de woorden _sarat_ of _sarengat_

(Arab. _sjar'_ of _sjaríʾah_) aangeduid; wel moet, volgens de inlandsche

begrippen, de adat steeds aan de sarat ondergeschikt blijven; maar dat

overwicht der sarat bestaat meestal alleen in theorie. Nooit is door

eenig openbaar gezag de grens tusschen het gebied van sarat en adat met

juistheid aangewezen, en het inlandsch recht verkeert dienvolgens in

Ned.-Indië in een staat van onzekerheid, die tot gedurig geharrewar

aanleiding geeft. Doch over de rechtstoestanden in Ned.-Indië is het

hier de plaats niet te spreken.

Bestaat er geen vaste grens tusschen de zaken waarin de sarat, en die

waarin de adat beslist, even weinig bestaat er een vaste grens tusschen

hetgeen al of niet tot de adat behoort. Het is er verre van af, dat,

wat als adat geëerbiedigd wordt, steeds tot vroegere geslachten zou

opklimmen; nieuwe instellingen worden dikwijls reeds na weinige jaren

met het gezag der adat bekleed of, om juister te spreken, door de

Europeesche gezaghebbers den inlander als adat opgedrongen. Zoo

zegt de heer Gevers Deynoot in zijne „Herinneringen eener reis naar

Nederl.-Indië”, bl. 78: „De Javaan is gesteld op oude gebruiken, maar

men bestempelt dikwijls veel met den naam van _adat_, waarvan de

inlander gaarne bevrijd zou zijn”, en de heer J. C. Baud, bij van

Deventer, „Bijdragen tot de kennis van het landelijk stelsel”, II, bl.

190: „De Javaan is een slaaf der gewoonte (_adat_), maar voor hem is

nu _adat_ geworden, wat sedert 16 jaren bestaan heeft, terwijl hetgeen

vroeger bestond, nu heeft opgehouden _adat_ te zijn.”

Sommigen schrijven dit woord _hadat_, b. v. de heer Verkerk Pistorius,

„Studien over de inlandsche huishouding in de Padangsche Bovenlanden”,

bl. 87: „_Hadat_ is de algemeene naam voor wetten, zeden, instellingen,

gewoonten, gebruiken en inzettingen”. Deze schrijfwijze is te verklaren

uit den aard der eerste letter van het Arabische woord, die door de

inlanders evenmin als door de Europeanen kan uitgesproken of met

juistheid in het schrift wedergegeven worden. Onlangs in de _Arnhemsche

Courant_ de door prof. Dozy in zijne „Oosterlingen” en elders gegeven

verklaring van het woord _averij_ tegen eene nieuwe, weinig aannemelijke

verklaring handhavende, merkte ik op, dat ook in dat uit het Arabisch

stammende woord, en juist om dezelfde reden, wel eens _haverij_ wordt

geschreven. Echter verdient mijns inziens _adat_, als meer met de

gewone Mal.-Javaansche uitspraak overeenkomend, de voorkeur.

Op Celebes heeft het woord _adat_ (in het Makassaarsch en Boegineesch

_ada_ uitgesproken) nog eene gewijzigde beteekenis gekregen. Het wordt

er ook gebezigd van hen die gesteld zijn om de adats des lands te

handhaven, alzoo de Rijksgrooten, de Raadsheeren, coll. de Rijksraad.

Zie Matthes, „Makassaarsch Wdbk.”, bl. 650. Het is zeker niet meer dan

toeval dat juist in deze beteekenis door de Europeanen zoo dikwijls de

vorm _hadat_ gebezigd wordt, en men zoo vaak van de _hadat_ van Boni,

de _hadat_ van Gowa enz. leest. Men heeft waarschijnlijk daarin het

voorbeeld van den een of anderen schrijver gevolgd, die met den heer V.

Pistorius den vorm _hadat_ verkoos. Men zou dwalen indien men meende,

hier met een ander woord dan het gewone adat, of met eene uitspraak met

scherper aspiratie op Celebes te doen te hebben.

In de tot dusverre gegeven voorbeelden is het woord _adat_ steeds van

Ned.-Indische toestanden gebruikt, en bleef het daartoe bepaald, dan zou

het, hoe gemeenzaam het ons ook geworden is, nog geen aanspraak maken

om als genaturaliseerd in onze taal te worden beschouwd; maar het heeft

meer recht dan _dessa_, en minstens evenveel recht als _prauw_, om in

een Nederlandsch woordenboek te worden opgenomen. Van Limburg Brouwer,

„Akbar”, bl. 108, gebruikt het met betrekking tot Hindostan, waar hij

van verkorting van de rechten der gemeenten tegen de adat gewaagt.

Maar vindt men dit voorbeeld nog niet sterk genoeg, zeker zal men

overtuigd worden, als men in populaire geschriften plaatsen als de

volgende aantreft: „Eene vrouw mag niet kiezen, en zelfs geen man; dit

verbiedt nu niet de kieswet, maar de maatschappelijke usance, de adat.”

(_Uilenspiegel_ van 18 Jan. 1872). Het Nederlandsch Woordenboek van van

Dale, dat zoowel _dessa_ als _prauw_ heeft opgenomen, zal dus in een

volgende uitgave voor _adat_ een plaatsje behooren in te ruimen.

Het is niet geheel overbodig te vragen, welk geslacht aan het woord

_adat_ moet worden toegekend. De talen van Insulinde, die geen

grammaticaal geslacht kennen, laten dit onbeslist. Maar sommige

Nederlandsche schrijvers gebruiken het woord als mannelijk, b. v.

„spoorwegen in de Oost—is er wel iets dat meer strijdt tegen den adat?”

(_Uilenspiegel_ van 14 Oct. 1871). Maar dat is stellig eene fout. In het

Arabisch is het woord vrouwelijk en wordt door den uitgang als zoodanig

gekenmerkt.

Hadji.

Over dit woord kan ik zeer kort zijn. Het duidt de personen aan die de

_hadj_ verrichten, d. i. de bedevaart naar Mekka, die door den Islam

van iederen geloovige, minstens eenmaal in zijn leven, gevorderd wordt,

wanneer hij in de gelegenheid is ze te volbrengen en het hem niet door

force majeure belet wordt. In zoo ver van den hoofdzetel van den Islam

verwijderde gewesten als ons Insulinde, is de massa der bevolking van

de gelegenheid tot het doen der bedevaart verstoken, ofschoon zij

toch jaarlijks door eenige duizenden, en vooral in de laatste jaren,

tengevolge der zooveel gemakkelijker en veiliger reisgelegenheden, in

sterk toenemend aantal volbracht wordt. De betrekkelijke zeldzaamheid

der hadj is oorzaak, dat in Ned.-Indië zij, die haar volbracht hebben,

levenslang den naam van Hadji als onderscheiding blijven voeren, en door

de bevolking met veel eerbied behandeld worden. Het sterk toenemend

aantal heeft echter het aanzien der hadji's doen tanen.

Moeson.

Moesons heeten bij ons de periodieke winden die tusschen de keerkringen

waaien. De spelling met dubbele _s_, in de Vries en te Winkel's

„Woordenlijst” en van Dale's „Nieuw Ned. Woordenboek” aangenomen,

verliest allen grond, zoodra men met die schrijvers _Pruisen_, _geesel_

en dergelijke schrijft. In het Fransch is die dubbele _s_ noodig, om

aan te duiden dat de _s_ scherp is en niet den klank van _z_ heeft; maar

als men den regel aanneemt in § 105 van te Winkel's „Grondbeginselen

der Ned. spelling” gesteld, moet men in onze taal _moeson_ schrijven.

Te meer is dit het geval, daar er niet de minste waarschijnlijkheid

bestaat, dat wij het woord uit het Fransch hebben ontvangen. Dat

sommigen zelfs _mousson_ spellen, moet alleen worden verklaard uit de

gewoonte van schier alle in taalquaesties minkundige Nederlanders, om

alle vreemde woorden voor Fransche te houden en als Fransche woorden te

schrijven.

Het woord _moeson_, op verschillende wijzen gespeld, is bij ons zeer

oud, en ongetwijfeld hebben wij het in Indië van de Portugeezen

geleerd, van wie het ook tot alle andere zeevarende natiën van Europa

is overgebracht. Het verdient daarbij opmerking, dat het bij de

Portugeesche schrijvers in twee hoofdvormen voorkomt, namelijk _mouçâo_

(_mousâo_) en _monçâo_, waarvan de eerste misschien de oudere, maar

de andere stellig de meer algemeene is. In het woordenboek van Moraes

Silva zijn beide vormen opgenomen. Bij de Barros, „da Asia”, vindt men

in de uitgave van 1553 nu eens _moucâo_, dan eens _monçâo_ (bij welk

laatste men echter wellicht aan een drukfout zou kunnen denken); maar

in de uitgave van 1628 vindt men reeds overal _monçâo_, dat de meer

gebruikelijke vorm in het Portugeesch was gebleven. Intusschen heeft de

oudere vorm _mouçâo_ het Fransche _mousson_, het Italiaansche _mussone_

en ons _moeson_ voortgebracht, terwijl daarentegen de vorm _monçâo_

wordt wedergevonden in het Spaansche _monzon_, het Engelsche _monsoon_

en het Duitsche _monsun_ of _monsuhn_. Ook zijn in het Fransch de vormen

_monson_ en _monçon_ niet geheel onbekend, en in van Linschoten's

„Itinerario” lees ik eveneens, bl. 24, van _monsoyns_.

Ik heb vroeger aan de mogelijkheid gedacht, dat de geheele vorm met _n_

uit drukfouten kon ontstaan zijn; maar toch scheen mij dat wat al te

avontuurlijk, zoodat ik die _n_ liever uit de zoo gewone inlassching

eener liquida (_n_ of _m_) tusschen een klinker en medeklinker[1] meende

te moeten verklaren, welke inlassching, zoo zij achter een langen

klinker of tweeklank plaats heeft, dien tevens noodwendig verkort,

zooals in _komfoor_ voor _chauffoir_, of in _planzier_, gelijk het

volk zegt voor _pleizier_. Later evenwel is het mij waarschijnlijker

voorgekomen, dat de beide vormen in den grond een verschillenden

oorsprong hebben, en dat de ééne door het Javaansch uit het Sanskriet,

de andere door het Maleisch uit het Arabisch tot ons is gekomen,

ofschoon tevens eene verwarring en vermenging van beide toevallig zoo

weinig van elkander verschillende woorden heeft plaats gegrepen.

[1] Ik zal daarover nader spreken bij het woord _amfioen_.

In het Javaansch heeten de periodieke winden _môngsô_, welk woord

eenvoudig de Javaansche uitspraak is van het Sanskrietsche _mângsa_,

tijd, verwant met _mâsa_, maand[2]. Eigenlijk beteekent dit môngsô dan

ook _tijd_, _getijde_, _tijdperk_, _seizoen_, en de Javanen zijn gewoon

het natuurlijke of zonnejaar, met het oog op de werkzaamheden van den

landbouw, in 12 môngsô's of tijdperken van ongelijken duur te verdeelen.

De 11e en 12e môngsô vormen met de vier eerste van het volgende jaar het

droge, de zes overige het natte jaargetijde, en deze grootere tijdperken

worden insgelijks môngsô's genoemd. Maar daar het verschil tusschen deze

tijdperken geheel van de periodieke winden afhankelijk is, wordt de naam

môngsô als van zelve ook op die winden toegepast.

[2] Masa komt ook in het Maleisch voor in den zin van _tijd_,

_tijdperk_, _seizoen_.

In het Maleisch dragen de periodieke winden den naam van _moesim_. Dit

woord is het Arabische _mausim_, maar de tweeklank _au_, dien de Maleier

niet goed kan uitspreken, is daarin, evenals in _moeloed_, _moelâ_ enz.,

met de vokaal _oe_ verwisseld. _Mausim_ beteekent in het Arabisch een

_bepaalden_ of _gezetten tijd_, en vandaar ook dikwijls een _feest_,

dat op een gezetten tijd van het jaar plaats heeft. Zie de voorbeelden

van dit gebruik des woords, aangehaald in Dozy's „Glossaire des mots

Espagnols et Portugais, dérivés de l'Arabe”, p. 317. Intusschen is

het klaar dat een woord dat _gezette tijden_ beteekent, evenzeer kon

worden toegepast op de jaarlijks tusschen de keerkringen regelmatig

terugkeerende tijden van droogte en vochtigheid, en daarmede gepaarde

meerdere warmte of koude, en zoo verkreeg ook _mausim_ de beteekenis

van _jaargetijde_ of _seizoen_. De Arabische zeevaarders gebruikten

_mausim_ meer bepaaldelijk voor het seizoen dat hun gunstig was om naar

Indië te varen, of, zooals wij ons uitdrukken, voor den westmoeson.

Zie b. v. Niebühr, „Reize naar Arabië”, D. I, bl. 421. Evenzoo is

ook bij de Maleiers de ware beteekenis van moesim _jaargetijde_, en

zij onderscheiden, gelijk de natuur van hun land met zich brengt, een

_moesim kĕring_ of _panas_, d. i. een droog of warm jaargetijde, en

een _moesim oedjan_ of _dingin_, een vochtig of koel jaargetijde. Doch

daar, zooals ik reeds opmerkte, in die gewesten de jaargetijden geheel

bepaald worden door de periodieke winden, die met verwonderlijke

regelmatigheid waaien, is het al zeer natuurlijk dat men den naam

_moesim_ (evenals de Javanen dien van _môngsô_) op de regelmatig

afwisselende ooste- en westewinden toepaste, zoodat men thans ook van

een _moesim barat_ of westmoeson en een _moesim timor_ of oostmoeson

spreekt.

De Portugeezen nu hebben, naar mijne meening, van _môngsô_ en _moesim_,

welke beide woorden zij met elkander verwarden, omdat zij, bij

toevallige overeenkomst in vorm, geheel dezelfde beteekenis hadden

erlangd, hun _monçâo_ of _mouçâo_ gemaakt. Ook bij hen beteekenen die

woorden nu eens _jaargetijde_ of _seizoen_, en dan eens de _periodieke

winden_, die in Indië de jaargetijden beheerschen. Zoo zegt b. v. de

Barros op de ééne plaats: „Estes taes tempos por serem geraes pera

navigar a certas partes, e nâo a outras, commummente os mareantes

nossos, conformando-se com os daquelle Oriente, chamam-lhe monçâo, que

quer dizer tempo pera navigar pera tal parte” [d. i. „Zoodanige tijden,

omdat zij voortdurend geschikt zijn om naar zekere streken te varen, en

niet naar andere, noemen onze zeelieden, in overeenstemming met die van

het Oosten, gewoonlijk _moeson_, hetgeen wil zeggen een tijd om te varen

naar deze of gene streek.”] Maar op andere plaatsen van denzelfden

schrijver heeft _monçâo_ geheel de beteekenis van den vasten wind

(_vento geral_) die gedurende dat jaargetijde waait. In de gewone

Portugeesche spreekwijze _fora da monçâo_ heerscht weer de eerste

beteekenis. Zij stemt letterlijk overeen met het Fransche _hors de

saison_.

Ook in de andere Europeesche talen, waarin dit woord uit het Portugeesch

is overgenomen, heeft het denzelfden dubbelen zin behouden. Zoo vinden

wij den eersten in de in Dozy's Glossaire aangehaalde plaats uit de

reizen van Thévenot: „Depuis ce temps plusieurs vaisseaux viennent à

Bassora, chargés de marchandises des Indes, et le temps ou _monson_,

comme ils l'appellent, auquel viennent les vaisseaux, est au mois de

juillet; et ils y demeurent jusqu'à la fin d'Octobre, passé lequel temps

ils ne pourraient plus sortir du fleuve, à cause des vents contraires;

et justement alors commence la monson pour passer aux Indes, qui dure

jusqu'au commencement de Mai.” En eveneens zegt Baldaeus, „Beschrijving

van Ceylon,” bl. 63: „Mousson is een gety ende zaizoen des jaars”,

ofschoon hij elders het woord ook van de periodieke winden gebruikt.

Maar bepaaldelijk in deze laatste beteekenis vinden wij het woord

reeds in van Linschoten's Itinerario, bl. 24, waar hij de _monsoyns_

omschrijft als: „winden die op haer tydt wayen.”

Bij ons hoort men tegenwoordig in den dagelijkschen omgang niet zelden

de uitdrukking, „het is er de rechte moeson niet voor,”—een bewijs dat

het woord ook in de volkstaal doordringt in den zin van „_de geschikte

tijd_.”

Soebatten.

Het is jammer dat Prof. Dozy zich omtrent den oorsprong van dit woord,

dat hij in de voorrede zijner „Oosterlingen” als van Arabische herkomst

vermeldt, niet nader verklaard heeft. Wij zouden dan wellicht meer

zekerheid hebben van die afkomst, die mij wel zeer waarschijnlijk

voorkomt, maar niet historisch kan bewezen worden. Maar het schijnt

hopeloos een Germaanschen oorsprong voor het woord te ontdekken, en daar

het toch den vorm heeft van een Nederlandsch werkwoord, ligt het voor

de hand het te vergelijken met die menigte verbaalvormen, die, door

toevoeging van de lettergreep _en_, al of niet door een verdubbeling

der sluitconsonant van de vorige lettergreep voorafgegaan, dagelijks

door de Europeanen in Indië van Javaansche en Maleische woorden gevormd

worden. Men denke aan _tombokken_ voor rijststampen, _tandakken_ voor op

Javaansche wijze dansen, _batikken_ voor op Javaansche wijze katoenen

stoffen verven, _amokken_ voor amok maken, _patjollen_ voor met de

patjol bewerken, _pikelen_ voor op de schouders dragen, _pikeren_ voor

denken, en ontelbare andere. Zoo er in het Maleisch of Javaansch een

woord mocht gevonden worden dat op _soebat_ gelijkt, kan daarvan, als de

beteekenis voegt, zonder twijfel het werkwoord _soebatten_ gevormd zijn.

Zulk een woord bestaat nu inderdaad, maar het is een woord dat, schoon

in de genoemde talen zeer gebruikelijk, aan het Arabisch is ontleend.

Het is het woord _tsohbat_, dat, in het Maleisch overgegaan, als

_sohbat_, en in het laag Maleisch geheel als _sobat_ wordt uitgesproken,

waarvan _soebat_ slechts een geringe wijziging is. _Sobat_ beteekent

eigenlijk _vriendschap_, maar wordt, door een in de Maleische taal zeer

begrijpelijken overgang, ook in den zin van _vriend_ gebezigd. Daar de

Maleiers, wanneer zij iets te verzoeken hebben, veelal zeer mild zijn

met vleiende vriendschapsbetuigingen, en daarbij, vooral in den aanvang

hunner brieven, menigvuldig van het woord _sobat_ gebruik maken, vormden

de Europeanen daarvan het werkwoord _sobatten_ of _soebatten_, met de

beteekenis van _steeds het woord sobat in den mond hebben_, en vandaar,

zooals van Dale het verklaart, _vleiend vragen_, _aanhouden om iets door

vleiende woorden gedaan te krijgen_. Van _soebatten_ of _sobatten_,

heeft men dan verder _soebatter_, _soebatster_ en _soebattery_

afgeleid. Het gebruik in Indië is duidelijk uit het volgende, aan het

_Soerabajasch Handelsblad_ van 23 Aug. 1871 ontleende voorbeeld: „De

hoofddjaksa is in zijne plaats tot ronggo benoemd, welke keuze men

algemeen gunstig acht, daar deze ambtenaar bij de bevolking niet erg

getapt is, waarvan men voor de politie meer goeds verwacht, dan van die

_sobattery_ tusschen hoofden en geregeerden.”

In Nederland behoort het woord _soebatten_ met zijne derivata schier

uitsluitend tot de volkstaal. Behalve bij die _would-be_ komische

schrijvers, die geestigheid in platheid zoeken, zal men het in gedrukte

schriften zelden aantreffen. Prof. de Vries wees mij een voorbeeld in de

„volgeestige werken” van S. van Rusting (Amst. 1712), waarin op bl. 97

de volgende woorden voorkomen:

„Daar stond hij nu gelijk een aap,

„Die zoebat.”

Kras.

De vrij talrijke woorden die in onze taal uit het Maleisch stammen, zijn

deels namen van voorwerpen van natuurlijke historie, die in de Maleische

landen te huis behooren, of handelswaren die vandaar worden uitgevoerd,

deels woorden die betrekking hebben op het leven der Maleische

bevolkingen, b. v. hunne woningen, kleeding, gebruiken en instellingen,

vooral ook hunne scheepvaart; maar niet weinige ook zijn uitdrukkingen

uit het dagelijksch leven, die, door matrozen of militairen

overgebracht, zijn ingedrongen in de volkstaal en doorgaans in het

geheel niet, of slechts in komische en satirieke geschriften, ingang

hebben gekregen tot de schrijftaal. Deze laatste worden dikwijls

miskend. Daar onze Germanisten zich niet veel met het Maleisch en

verwante talen inlaten, denken zij er zelden aan daarin den oorsprong

te zoeken van volksuitdrukkingen, waarvoor zij met veel moeite eene

verklaring uit den Germaanschen taalschat trachten op te sporen,

terwijl eene verklaring uit het Maleisch voor de hand ligt.

Een der meest gebruikelijke van die woorden is _kras_ in de beteekenis

van _sterk_, _flink_, _krachtig_. Is men geheel vreemdeling in het

Maleisch, dan is men natuurlijk geneigd daarbij aan het Latijnsche

_crassus_, dik, stevig, te denken, of met Franck, „Etymologisch

Woordenboek der Ned. taal”, aan het Fransche _crasse_, een slechts in

dezen vrouwelijken vorm gebruikelijk adjectief, dat geheel aan _crassus_

beantwoordt. Het Maleische _kras_ (eig. _kĕras_, in welk woord

evenwel, gelijk in honderden andere, de toonlooze ĕ-klank tusschen

de zich gemakkelijk vereenigende consonanten _k_ en _r_ in de uitspraak

doorgaans verloren gaat), komt echter in beteekenis en gebruik veel meer

met het Nederlandsche kras overeen, zoozeer zelfs, dat het volstrekt

overbodige moeite schijnt naar een anderen oorsprong te zoeken. Men zie

slechts het Maleisch Woordenb. van Pijnappel, waar de beteekenissen dus

worden opgegeven: „hard, stijf, onbuigzaam; stevig, vast; sterk, ook

zooals wij _kras_ gebruiken, b.v. _tjoekei di bĕnoewa Tjina itoe

terlaloe kras_”, d. i. de tollen zijn in het Chineesche rijk heel kras.

Uitdrukkingen als een _krasse_ kerel, een _kras_ wijf, of „dat is wat

_kras_, Keesje”, zooals Hildebrand in de „Camera obscura” tot het

diaconiehuismannetje zegt, komen geheel met het Maleisch gebruik van

_kras_ overeen.

Daarbij bedenke men dat _kras_ in dezen zin in geen andere Germaansche

taal voorkomt, dat het geen oud woord schijnt te zijn (het ontbreekt o.

a. bij Kiliaan), en dat het, in overeenstemming met hetgeen boven over

woorden van Maleischen oorsprong werd opgemerkt, in deftigen stijl niet

gebruikelijk is. Het Javaansch heeft hetzelfde woord en in dezelfde

beteekenis.

Amper.

Evenals over _kras_ denk ik over het bijwoord _amper_, thans gewoonlijk

bij ons gebruikt in den zin van _nauwlijks_, _ternauwernood_. Ofschoon

mij bekend is, dat prof. de Vries, onze groote taalkenner, na gezette

overweging een ander gevoelen is toegedaan, schijnt mij toch zooveel

voor de herkomst van dit woord uit het Maleisch te pleiten, dat het mij

wenschelijk voorkomt mijne gronden aan de toetsing mijner lezers te

onderwerpen.

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 1 / 22 段