DE TERUGREIS.

Het kongres, dat reeds vroeger had zullen eindigen, hield zijn laatste

avondzitting toen ik vertrok. Ik wilde niemand storen, ging weg zonder

afscheid te nemen, beklemd door de gedachte zoovele voornemens

onuitgevoerd te hebben gelaten, zoo weinige goudkorrels slechts te

hebben kunnen oprapen van de al schatten, die liggen verstrooid en

vaak verscholen tusschen de chaotisch-dooreengeworpen elementen van

het russische leven. Het was een van die dagen, dat alle rijke

lieflijkheid van den zomer plotseling en ontijdig op de vlucht schijnt

gejaagd door de barsche voorboden van den herfst. Windvlagen omgierden

den trein, zoodra wij uit den kap van het station wegstoomden; tegen

de raampjes van den waggon kletterde de regen. Vaarwel Moscou, gij

schoone blanke stad met de gouden koepels uwer duizend kerken, vaarwel

Kreml met uw fantastisch-italiaansche pracht. En gij dappere russische

genooten, groot van moed, onbuigzaam van wil en teeder van hart,

vaartwel en moge de toekomst u lichter zijn dan het heden is. Of ik

tot u weer zal komen weet ik niet, maar wel, dat ik altijd naar weer

te komen zal verlangen.

De treinvaart naar Reval, in de komfortabele russische waggons en met

gezellige reismakkers, was een verpoozing na het enerveerende leven te

Moskou met zijn onvermijdelijke spanningen, teleurstellingen en

inzinkingen. Wij waren onder de eerste buitenlandsche gasten, die

vertrokken: de zwitsersche delegatie, de zweedsche, een paar duitsche

partijgenooten en ik. Ook reisde in onzen wagen een russische

ingenieur met zijn gezin, die opdrachten der sowjet-regeering te

vervullen had te Stockholm en te Londen.

Met de zwitsersche delegatie: de magere, levendige Rosa Grimm, den

dikken zwaarmoedigen Schaffner (nooit zag ik hem glimlachen, maar ik

wist dat hij dag en nacht met plannen bezig was, hoe Sowjet-Rusland te

helpen), beide redacteurs van de »Basler Vorwärts«, en hun

mede-afgevaardigde Lindau, een dappere, toegewijde proletariër,

propagandist onder de hardleersche bevolking van Basel-land,--deelde

ik de koupee. Af en toe bezochten wij de Zweden in de hunne, of wel

deze vriendelijke kameraden zochten ons op en brachten ons een

geurigen, zelfgezetten kop koffie. Vooral de vrouwen van hun

gezelschap waren in hooge mate aantrekkelijk, zoo zuiver, rustig en

zacht: een hunner had een russisch oorlogskind bij zich, dat over

Stockholm verder zou reizen naar Parijs, om zijn moeder terug te zien,

waarvan oorlog en blokkade het vele jaren gescheiden hadden.

's Avonds, den 13den Juli, kwamen wij te Petrograd aan. De trein hield

slechts een paar uur stil; er was geen gelegenheid, den wagen te

verlaten. Somber en dood lag de stad onder de grauwe hemelen; de eene

harde kletterbui joeg de andere; zelden, heb ik het zóó lang achtereen

zoo hevig zien regenen, als op de treinreis van Moskou naar Reval. Wat

waren de moeslanden met kool en aardappels, die de stad met hun

breeden gordel van groen omringden, in de weken, verloopen sedert wij

de reis maakten in omgekeerde richting, welig gegroeid! De kollektieve

arbeid van vele vlijtige handen had die moeslanden aangelegd, bezaaid

en zorgvuldig onderhouden; het resultaat scheen uitnemend. Gelukkig,

dat de tuinbouw een goede oogst beloofde. Met heimelijken angst

zochten onze blikken het woud der tallooze fabrieksschoorsteenen af,

om na te gaan, hoevele daarvan rookten: het waren er slechts enkele,

een half dozijn misschien.[1]

»Toen ik verleden jaar December uit Londen terugkwam,« vertelde de

ingenieur, terwijl de trein langzaam in een wijden boog om de stad

reed van het zuid-oosten naar het baltische station in het

westen,--»toen ik verleden winter terugkwam en wij Petrograd naderden,

was ik ten hoogste verbaasd. Haast alle fabrieksschoorsteenen rookten:

er scheen een wonder gebeurd. Maar wij hebben ons optimisme en onzen

overmoed duur moeten betalen, reeds een paar weken later begonnen de

moeilijkheden met de brandstoffen en de levensmiddelen. Wij hadden het

vermogen van onze transportmiddelen vèr overschat.«

Ik herinnerde mij mijn gesprek met Pierre Pascal, den intelligenten

schranderen Franschman met het wel-gedokumenteerde en gefundeerde

oordeel, een der zeer enkele buitenlanders die mij, ook door zijn

grondige kennis van de russische taal, tot oordeelen werkelijk bevoegd

leek. Ook hij zocht den sleutel voor de huidige weinig bevredigende

situatie ten deele in de gevolgen van de vreeselijke brandstoffen- en

voedselkrisis van den vorigen winter. Als een bliksemstraal, komend

uit den helderen hemel, was die geweest. Men had zoo vast vertrouwd,

de ergste moeilijkheden te boven te zijn, werkelijk op weg naar het

communisme te wezen en toen ineens die ineenstorting. Nog waren haar

moreele gevolgen van neerslachtigheid en ontmoediging niet geheel

overwonnen, toen het hongerspook dreigend aan de kimmen

verscheen......

»Het eerstnoodige«, ging de ingenieur voort, »is nu het herstel van

den landbouw en de vermeerdering der voedselvoorraden. Wij

intellektueelen hebben ons onze vroegere weelde-behoeften grondig

afgewend; wij zijn tevreden als we onzen kinderen voldoende brood

kunnen geven, maar de zekerheid van geen honger te zullen lijden, diè

moet er zijn, eer van toeneming der industriëele productie sprake kan

wezen. Zooals de toestand thans is, moeten de technici en andere

intellektueelen veel te veel tijd besteden aan improductieven arbeid.

Ook in de regeling van het stedelijk verkeer moet verbetering komen.

Thans verricht een ingenieur b.v. dagelijks niet meer dan 2 à 3 uur

arbeid in zijn speciaal vak, de rest van den dag heeft hij noodig voor

allerlei werk, zooals hout aansleepen en kleinhakken voor den winter,

er op uittrekken om op het platteland levensmiddelen te koopen, enz.

Daarenboven moet hij dagelijks te voet den langen weg heen en terug

afleggen naar zijn bureau. Dit alles is verspilling van

arbeidsvermogen. Daarom heeft de regeering gelijk, om door de nieuwe

belastingregeling den arbeidslust der boeren te prikkelen; de

vermeerdering van de levensmiddelen zal gunstig werken op het herstel

der kleinindustrie. Wij hebben de vreemde kapitalisten daarvoor niet

noodig; in Rusland zelf is nog kapitaal genoeg. Enkel om de

grootindustrie weer op de been te helpen is de hulp van het

buitenlandsche kapitaal en de buitenlandsche techniek onontbeerlijk.

Maar alles zal in langzaam tempo en voorzichtig moeten gaan; zoo men

ons op het oogenblik b.v. plotseling duizend lokomotieven op ons dak

stuurde, wij zouden er niets mee kunnen aanvangen. Immers het mangelt

ons niet enkel aan locomotieven, maar ook aan waggons, aan steenkool,

aan dwarsliggers, aan technici; kortom aan alles. Daarom kàn men het

herstel van het ekonomische leven niet forceeren; wij moeten eerst

b.v. 5 of 10 of 20 pCt. van de vroegere productie in bepaalde takken

van bedrijf herstellen en deze dan allengs hooger opvoeren; alleen zoo

zullen nieuwe katastrophen voorkomen worden. Wij zitten ingeklemd in

den betooverden cirkel van het gebrek-aan-alles, maar het eenige punt,

waarop die booze cirkel doorbroken kan en moet worden, dat is de

landbouw.«

Deze ingenieur was naar mij verteld werd, evenmin lid der

communistische partij als de dokter van het model-zuigelingen tehuis

en de leider der proefschool in de bosschen. Maar hij scheen mij den

geest der nieuwe dekreten, zoowel als de noodzakelijkheid waaruit ze

geboren werden, beter te begrijpen dan menig buitenlandsch

partijgenoot!......

Tusschen Petrograd en de grens, niet ver van Gatschina, kwam de

prowoznik ons roepen, om van uit het gangetje achter in den wagen een

typisch-russisch tafereeltje te zien. Op den rand van den waggon

achter den onzen zaten tegen elkaar aangedrukt, met de voeten rustend

op den koppelstang en de ruggen steunend tegen de wand, twee meisjes,

haveloos, zichtbaar verkleumd en toch met al den overmoed der jeugd

ons toelachend! »Ze zijn te Gatschina stilletjes op de treeplank

geklauterd,« vertelt de prowoznik, »nu reizen ze als blinde passagiers

mee tot het volgend station; daar gaan ze melk en eieren van de boeren

koopen, keeren, als ze kunnen, weer op dezelfde manier terug, om hun

waren met een zoet winstje van de hand te doen. Kleine spekulanten

zijn het, zooals er thans duizenden door Rusland trekken.«

Ik zou zeker groot medelijden met de kinderen voelen, die daar zitten,

slecht beschut tegen den nog altijd neerstroomenden regen en den guren

noord-westenwind, zoo ze ons niet zoo zielsvergenoegd met hun

blinkende tandjes toelachten. Ze maken heelemaal geen zieligen indruk.

Maar Rosa Grimm, blijkbaar weeker van hart dan ik, smeekt onzen

prowoznik de kleine avonturiersters in onzen wagen op te nemen. Hij

echter weigert beslist; zijn open gelaat, zijn vaste heldere stem,

alles aan hem ademt onvermurwbaarheid. »Wij, die den diplomatieken

waggon begeleiden«, zegt hij, »staan onder ijzeren militaire

discipline«. Tweemaal herhaalt hij met grooten nadruk »jeliozni

militaricheski disziplin«. En of partijgenoote Grimm ook buiten zich

zelf raakt van boosheid, hij houdt voet bij stuk. »Gij, die de oude

bureaucratie vernietigd hebt, drijft nu zelf een bureaucratischen

vormendienst,« zegt het driftige vrouwtje verontwaardigd. »Ik mag het

niet doen«, antwoordt hij, en schudt het hoofd. »Als het dan

onmogelijk is, ze hier op te nemen, mogen ze dan niet in een der

andere waggons binnengehaald worden? Ze zijn heelemaal blauw van de

kou.« »Over de andere waggons heb ik niets te zeggen«.--Het einde is

dat de kinderen blijven waar ze zijn; een van ons brengt hun brood met

boter en kaas; hun lachende gezichtjes glunderen nu nog meer en ze

zetten hun tanden in de dikke hompen zwart sowjet-brood, onverschillig

voor den gierenden wind en den kletterenden regen. Een kwartier later

stopt de trein: vlug als katten springen ze de treeplank af en

verdwijnen in het gewoel.

Donderdag, den 15den Juli tegen den avond kwamen wij te Reval aan;

ternauwernood staan wij stil, of er wordt getikt tegen het raampje van

den wagen. Een der hollandsche kameraden, een paar dagen voor mij uit

Moskou vertrokken, knikt mij lachend toe. »Nog hier?«--»Ja, er gaat

geen boot voor morgen. Gaat u met mij mee? Er is nog plaats in het

hotel«. Het vooruitzicht, om na een reis van 48 uur een warm bad te

kunnen nemen en in een »echt bed« te slapen, lokt mij wel aan. Ik neem

afscheid van mijn reisgenooten, die er de voorkeur aan geven in den

wagen te overnachten, en ga mee. Maar het hotel, waar mijn kameraad

mij heen brengt, maakt een zoo afschuwelijken indruk op mij, dat ik

direkt spijt krijg, niet te zijn gebleven waar ik was. Het water, wat

uit de kraan in het bad stroomt, is vuil donkergeel en de kamer......

beter niet rond te kijken! Niet naar den vloer en niet naar de sofa en

de smerige antimakassars op de stoelen en vooral, neen vooral niet

naar de muren! Beter maar gauw in bed te kruipen--oppassen dat de

deken niet tegen je gezicht komt--en gauw je oogen dicht te doen. Ach,

het was in Moskou nu ook niet precies, wat een ouderwetsche

hollandsche huisvrouw onberispelijk netjes noemt. Het water uit de

leiding was vaak zandig; arme russische genooten, het gebrek aan

materiaal en technici neep ook op dit punt; een groot aantal buizen en

pijpen waren defekt en men kon ze niet repareeren; de ingenieur op de

roode kommandantenschool zei me, dat van de 13 millioen per etmaal

opgepompte emmers water er 6 à 7 verloren gingen.[2] En het

schoonhouden van onze kamer geschiedde ook op een beetje een

eigenaardige manier: de vrouwen, die met dit werk belast

waren--vriendelijke, aardige towaritschi met heldere witte

hoofddoeken,--hadden de gewoonte, eerst alle ramen dicht te doen, en

dan met bezemen het stof van den vloer naar de lage bedden op te

jagen.... Mijn kraakzindelijke kamergenoote doorstond telkens, als ze

het zag, met heroïschen moed ware kwellingen des geestes. »In

Sowjet-Rusland mag men niet klagen«. Maar in elk geval: de kamers

werden min of meer schoongehouden; af en toe kwamen ineens een paar

mannen met boenwas en lappen en wreven den vloer spiegelglad. Ze

schenen zelf schik in 't werk te hebben. »Jammer, dat we zoo weinig

was mogen gebruiken, maar ge weet wel, towaritsch, er is niet meer«,

zeiden ze en lieten ons hun bijna leege bussen zien. Men deed, wat men

kon, ook tegen de luizen. Wie daarvan last had, behoefde enkel de

»opzichters van het huis«--voor Lux waren dat onze vriend Jansen en

Mevrouw Rosmer--te waarschuwen, en nog denzelfden dag kwam de

»brigade« met terpentijn of iets dergelijks en nam de boel onder

handen. Dan was het weer voor een heelen tijd goed.

Maar deze kamer in Reval...... en dat heele hotel.... Daar wàs geen

schoonmaken meer aan; het eenvoudigst leek mij het heele zaakje te

verbranden. Ik zag er tegen op, daar te slapen. Niet enkel om de

fysieke smerigheid, maar vooral omdat een atmosfeer je benauwde van

zoo ellendige moreele degradatie, dat de weerzin je naar de keel

steeg.[3] »In godsnaam«, troostte ik mij, »het is maar voor één

nacht«. Maar dat zou anders uitkomen.

Den volgenden morgen moesten wij naar het duitsche gezantschap (een

konsulaat is er te Reval niet), voor de visa. De Zwitsers kregen de

hunnen direkt, de Duitschers ook natuurlijk. Toen kwam mijn beurt....

Pasboekje geven, lijsten invullen.... In Reval werken ze nog met de

oude formulieren van 't eerste jaar na den oorlog. Ze moeten alles

weten, wie je vader en moeder waren en waar die geboren werden, en zoo

voort, tot in 't vierde geslacht. De ambtenaar-aan-'t-tafeltje neemt

mijn ingevulde formulier aan, kijkt het door, staat op en gaat naar de

andere kamer.... Wat blijft hij lang weg...... dat lijkt mij geen goed

teeken. Eindelijk komt hij, geeft mij het boekje terug: »ich kann

Ihnen das Visum nicht geben.... Fahren Sie über England zurück, wenn

Sie nach Hause wollen.«

Weer een stilte, zooals die keer op het passenbureau te Rotterdam,

enkele maanden geleden. Maar nu van een andere soort. Mijn kameraden

zijn verontwaardigd en vol sympathie. Ze vinden het beroerd, dat ik

hier in die muizenval moet achterblijven. »En wat gaat u nu

doen?«--vragen ze belangstellend. »Ja, dat weet ik nog niet. Er zal

wel uitkomst komen.«

En de uitkomst kwam werkelijk gauw genoeg: enkele dagen na hen ben ik

ook »gefahren«.... niet over Engeland.... Meer zal ik niet zeggen.

Door den dwazen angst der duitsche autoriteiten werd mijn verblijf te

Reval onvrijwillig een paar dagen verlengd.

Het was niet prettig de kameraden te zien weggaan en alleen achter te

blijven. Al was de stad nog zoo schilderachtig en belangwekkend, de

atmosfeer van woedenden winsthonger, schrille demoralisatie en

slampamperij waarvan zij doortrokken was, stond mij ditmaal nog

heviger tegen dan op de heenreis. Men kon de peperdure lekkernijen in

de volle winkelkasten niet zien lokken, de matrozen niet stomdronken

over de straat zien rollen en de vuile schieber- en spekulantenbende

's avonds in de café's champagne zuipen tot zinneloosheid toe, zonder

vol bitterheid te bedenken, dat het niet enkel het Entente-goud was,

waardoor het esthische volk gedemoraliseerd en bedorven werd.

Sowjet-Rusland mòest levensmiddelen en werktuigen invoeren tot elken

prijs: de kleine, machtelooze roofstaat aan de zee, sterk door het

bezit van de beste haven in den Baltischen Golf, en door den steun der

machtige imperialistische landen van het westen, profiteerde

schaamteloos van den grooten nood der boeren- en arbeidersrepubliek.

In die dagen van gestrand-zijn te Reval ondervond ik veel

vriendelijkheid en hulp. Ten eerste, natuurlijk, van de leden der

russische missie, en verder, wat minder natuurlijk schijnt voor een

communist die uit Sowjet-Rusland terugkeert, van een paar burgerlijke

landgenooten, nl. den nederlandschen konsul en diens vrouw. Ik ging

naar het konsulaat om een hollandsch visum te halen, en vond tot mijn

blijde verrassing in den heer Van den Bosch een man, die zijn ambt

opvat op ruimhartige en humane wijze, iets wat nu juist niet van alle

hollandsche konsuls gezegd kan worden. »Het behoort tot mijn taak om

Nederlanders, die terug willen naar hun land, daarbij behulpzaam te

zijn«, dat was zijn stelregel, en hij hield zich daaraan zonder

aanzien des persoons. Toen hij van mij vernam, in welke moeilijkheid

ik door de kleinzieligheid der duitsche autoriteiten gekomen was,

telegrafeerde hij onmiddellijk voor mij naar Riga en Libau, of vandaar

wellicht in de eerste dagen een nederlandsch schip naar Holland zou

vertrekken. En toen de chikaneuze politie-autoriteiten te Reval

dreigden 't mij lastig te maken bij 't verkrijgen van een

toestemming-tot-verblijf en een uitreis-vergunning, gaf hij mij een

met 't opknappen van dergelijke zaakjes vertrouwd Esthlander mee,

zoodat alles direkt in orde kwam.

In den heer Van den Bosch en zijn vrouw leerde ik landgenooten kennen,

die, ofschoon burgerlijk denkend en zelfs zonder de minste neiging tot

communistische beginselen, de dwaze, bekrompen en mallotige

opvattingen van den gewonen nederlandschen bourgeois over revolutie en

bolschewiki geenszins deelden. Bij hen, die, tot groote ontsteltenis

hunner familieleden en vrienden in Nederland, den geheelen duur van

den oorlog en van de omwenteling te Reval gebleven waren, vond ik een

ruimen blik op de gebeurtenissen en een begrip van historische

oorzaken en werkingen, als ten onzent ook bij menschen van hooge

ontwikkeling en onbetwistbare superieuriteit al te vaak ontbreekt.

Deze beide interprenante Nederlanders,--in November '18 op weg naar 't

vaderland te Berlijn aankomend op 't eigen oogenblik dat daar de

omwenteling uitbrak, besloten zij er voorloopig te blijven »omdat het

zoo interessant was, de midden-Europeesche met de russische revolutie

te kunnen vergelijken«; één zoo'n trekje typeert--spraken over den

afkeer van den doorsnee-Hollander voor alles wat zijn behagelijke rust

stoort, zijn ziekelijke gehechtheid aan zijn pietluttigste gewoonten,

zijn doodsangst voor de stormen en gevaren van het groote, wilde leven

buiten zijn landje met een lichte ironische verwondering. Zij

gevoelden Holland een kooitje te zijn, waarin zij het onmogelijk op

den duur meer zouden kunnen uithouden.

De heer Van den Bosch bewoont 's zomers de villa Mariënberg, een

landhuis van graaf Orlow-Dawidow, vóór de revolutie een der rijkste

russische grondbezitters, eigenaar van eenige tienduizenden desjatinen

grond, verdeeld over zeven-en-twintig groote en kleine landgoederen.

Mariënberg zelf, met zijn siertuin, zijn boerderij en zijn prachtig

park, zijn gazons en boschages, was geen landgoed maar enkel een

»datscha«, waar de graaf zoo af en toe eens kwam neerstrijken. Voor

mij, die in de buurt van Moskou slechts de bescheiden datschas der

vroegere middenklasse had leeren kennen, was het bijzonder interessant

nu ook nog dit typisch russische zomerverblijf van een lid der

eigenlijke heerschende klasse uit het voorrevolutionnaire tijdperk te

zien.

Mariënberg ligt een klein uur gaans ten noorden van Reval, aan den

straatweg die langs den zeeboezem naar het dorpje Kosch voert. De weg

loopt een meter of wat boven de zee; beneden zingt de branding haar

doffe klacht, brekend tegen rotsblokken en steenen. Heerlijk is het

gezicht voor wie van Reval naar Marienberg wandelt op de grijsblauwe

baai en de gebogen kustlijn met haar zoom van donkergroene bosschen en

parken. Aan den voet van den heuvelkam, die boven de baai oprijst,

liggen de zomerverblijven der oude heeren van het land, tusschen zwaar

geboomte, meest eschdoorns, berken en linden. Wie de wandeling in

omgekeerde richting maakt, geniet van het uitzicht op de stad, met

haar slanke, spitse kerktorens en glinsterende koepeldaken, haar oude,

massieve muren, en op de eilandjes in de baai, waar het tsarisme, kort

vóór den wereldoorlog, groote vestingwerken aanleggen liet.... Op een

mooien zomerschen middag aan het einde der week, zooals ik te Reval

trof, is de weg naar Marienberg en Kosch vol vroolijke troepjes

menschen en kinderen, die er op uittrekken om ergens in de bosschen te

kampeeren en den heelen Zondag in de vrije natuur door te brengen. Hun

proviand nemen ze mee in langwerpige ronde trommels van licht hout,

met riemen om de schouders bevestigd, zoodat het er uitziet of zij

allen verwoede plantenverzamelaars zijn. Het volk is gehard en dol op

natuursport; jong en oud geniet zooveel mogelijk van den korten zomer.

Half Augustus reeds beginnen de koude noordelijke winden te waaien, de

vogels vliegen naar het zuiden, het loof verschrompelt en valt af.

Links van den weg, vlak tegenover het hek dat toegang geeft tot

Mariënberg, had graaf Orlow-Dawidow een vorstelijke landingsplaats

voor zijn motorboot laten aanleggen; van een breed steenen bordes

daalt een dubbele trap naar het water af. De trappen en het bordes

zijn nog in goeden staat, maar de boven de baai uitgebouwde houten

brug is in den revolutietijd vernield en verdwenen. Het zware ijzeren

hek wordt aan weerskanten bekroond door twee groote leelijke ijzeren

adelaars. Een meter of tien verder, aan 't eind van een laantje, ligt

het grijze steenen huis, half landhuis, half kasteel, plomp, grauw,

massief, meer duitsch dan russisch. In den muur is het wapen der

Orlow-Dawidows uitgehouwen.

Bij het binnenkomen staat men verbaasd over de kolossale afmetingen

van gangen en kamers. In de vestibule hangen jachttrofeeën; twee

reusachtige bruine beren staan op hun achterpooten ter weerszijden van

de lange, breede gang. Aan den eenen kant geeft deze toegang tot een

suite van vier kamers, alle groot en ruim, en een dichte waranda; aan

den anderen kant ligt een reusachtige biljartkamer, zoo groot als een

kleine concertzaal. Daar kwamen 's avonds, na een zeilwedstrijd of een

dag jagen, de talrijke gasten van graaf Orlow bijeen, daar werd

gedanst en gekaart en werden de groote feesten gegeven.... Het lijkt

alles onnoemelijk lang geleden, een verhaal van oude, oude dagen. In

de jaren van den wereldoorlog en de revolutie en kontra-revolutie

heeft deze zaal als »kasino« voor de officieren der zeer verschillende

troependeelen gediend, die hier achtereenvolgens ingekwartierd waren:

Kaukasiërs met hun buffelkudden, duitsche infanteristen en

artilleristen, esthische en engelsche vliegeniers. Voor het eerst

sedert 1919 waren de heer en mevrouw Van den Bosch dezen zomer vrij

van inkwartiering: de groote zaal was afgesloten, verlaten en kil.

In alle vertrekken, ook in die dagelijks gebruikt werden, droegen, op

zijn russisch, de meubels hun hoezen van effen of gebloemd katoen, dat

de sleten en scheuren van het oude overtrek genadig voor het oog

verbergt. Een deel van die meubels dateerde nog uit den tijd van

Katharina, zij waren rijk gebeeldhouwd of met inlegwerk kwistig

versierd. Russische nabootsing van fransche stijlen, alles werk van

hoorige ambachtslieden, vaardige en vlijtige slaven, maar de gratie en

bevalligheid der fransche origineelen ontbraken er volkomen aan. Het

trof me dat in dit vorstelijk ingerichte buitenverblijf van een der

aanzienlijkste russische geslachten niet één enkel ding van werkelijke

schoonheid was, behalve een paar antieke kleedjes uit Beloedsjistan,

die mevrouw Van den Bosch had meegebracht. Opnieuw werd mij

aanschouwelijk gemaakt, hoe de russische adel evenmin als de russische

bourgeoisie ooit een eigen bouwstijl, in de ruimste beteekenis van het

woord, hebben bezeten. Sedert de dagen van Peter den Groote hebben zij

niet anders gedaan dan innerlijk-onbegrepene, bij hun zijn en

bewustzijn niet passende, westersche stijlvormen overnemen en naäpen.

Alleen de boeren zijn in de laatste eeuwen de dragers van een

eigendommelijken, met land en leven saamgegroeiden stijl geweest.

Ondertusschen leek Mariënberg mij een heerlijk huis om te bewonen, met

zijn overvloed van ruime kamers, zeewind en zon. Een heerlijk huis

voor de drie allerliefste dochtertjes van mijn gastheer--alle drie

oorlogskinderen, één er van geboren op 't oogenblik dat een bom, door

een vijandelijken vlieger op de buitenste vestingwerken van Reval

geworpen, ontplofte vlak vóór het huis--om in te ravotten en

verstoppertje en verlos te spelen. Een heerlijk huis óók, als ik zelve

ervoer, om te logeeren in een van die lichte, witte kamers, zooals men

ze ook in oude hollandsche buitenhuizen vindt, waar de groene takken

der boomen van het park bijna de ramen binnengroeien en ge 's morgens

onder het aankleeden met welbehagen de zuivere, prikkelende

ochtendlucht insnuift. Het kontrast met mijn weerzinwekkende kamer in

het hotel was werkelijk groot.

Terzijde van het huis, door een gang er mede verbonden, staat het

groote bijgebouw waarin zich de oude »herrschaftliche« keuken bevond,

die thans niet meer gebruikt wordt. Twaalf koks, keukenmeisjes en

helpsters, ruim een derde deel van het totale dienstpersoneel van

graaf Orlow, waren hier in de oude dagen van den morgen tot den avond

in de weer om korhoenders en faizanten te plukken, groenten schoon te

maken, »warenie« (vruchtenmoes) en wodka naar de oude familierecepten

te koken, »pirogs« (pasteien) te bakken en alle mogelijke verdere

lekkernijen te bereiden voor den heer en zijn gasten. Uit die groote

keuken werden alle spijzen de gang door gedragen naar een kleinere,

die met de eetzaal in verbinding stond: daar werden ze voor zoover

noodig opgewarmd en kunstig opgemaakt, om den smaak der verwende,

overvoede gasten te prikkelen.... Het was of de gastronomische

genietingen, in de eerste hoofdstukken van »Oblomoff« beschreven, pas

goed levend voor mij werden toen ik die gargantuaansche keuken zag. In

het geheel had de graaf te Mariënberg 35 bedienden. Welk een verleden

van verspilling van arbeidskracht, opvoeding tot luiheid en

dagdieverij ligt achter het Russische volk! Welk een zelfoverwinning

en zelfopvoeding zullen noodig zijn om te komen tot ordelijke,

gedisciplineerde samenwerking!

In het park van Mariënberg staan een aantal bijgebouwen, zooals men

die bij alle russische landhuizen vindt: stallen en schuren, het

waschhuis, de woningen voor de getrouwde bedienden, enz. Thans waren

die gebouwtjes bijna allemaal in beslag genomen door vluchtelingen uit

Rusland, tschinowniki en grondbezitters, die tegen het sowjet-bestuur

gekonspireerd hebben of willen konspireeren, spekulanten en schieber,

die angst voor het waakzaam oog en de strenge hand der Tscheka over de

grenzen drijft. Sommigen leven hun armzalig leventje, terend op

meegebrachte kostbaarheden, die zij stuk voor stuk verkoopen; anderen

hebben in Estland het een of ander baantje weten machtig te worden,

enkelen geven lessen of vormen strijkjes. Toen ik met den heer Van den

Bosch Maandagmorgen vroeg naar de stad terugkeerde, liet hij

halverwege de auto even stoppen om den ex-gouverneur van Kiew, dien

wij inhaalden, op te pikken. Een klein mannetje met een baard,

hoffelijk en opgewekt, en die vloeiend fransch sprak.... Zoo heb ik

dan toch in Rusland met één ci-devant kennis gemaakt.

Van de baltische baronnen zelf zijn de meesten in den aanvang van de

revolutie gevlucht en niet teruggekeerd, sommigen van hen die bleven

wonen nog in hun oude landhuizen. Men heeft hun die, met een weinig

grond erbij gelaten: de boeren zelf konden er toch niets mee doen.

Voor het overige heeft de agrarische revolutie hier denzelfden loop

gevolgd als elders in Rusland: de boeren hebben de bezittingen van den

adel onteigend en onder elkaar verdeeld. De grond is niet zeer

vruchtbaar, en daar hun de kennis en het kapitaal ontbreekt om in

veeteelt en landbouw verbeteringen in te voeren, is de opbrengst van

het land na de revolutie snel gezonken. De betere methoden van

bewerking, door enkele grootgrondbezitters toegepast, zijn op de

kleine bedrijven van de arme boeren niet in zwang. Vleesch is goedkoop

in Estland, maar dat is een veeg teeken: de boeren slachten hun vee,

omdat zij geen voeder genoeg hebben. Een groote agrarische krisis is

in de toekomst onvermijdelijk.

Hij die mij dit alles vertelde was een esthisch ingenieur,

mede-direkteur van een groote papierfabriek, evenmin neigend tot het

bolschewisme als mijn gastheeren, maar ruimdenkend als zij.

Ruimdenkend genoeg ook om de ultra-nationalistische gezindheid niet te

deelen waar de doorsnee-burgerman in Estland thans mee te koop loopt.

Estland met zijn 1 à 2 millioen inwoners, oordeelde hij, kon geen

staat op zichzelf blijven vormen, het had er de stof niet voor,

economisch-afhankelijk van Rusland als het was. Reval leefde thans van

den doorvoerhandel naar Rusland. Maar ook de industrie, voornamelijk

papierfabrikage, produceerde voornamelijk voor de russische markt. De

fabrieken hadden bijna den geheelen oorlog door kunnen werken:

grondstof zoowel als brandstof leverden de Estlandsche bosschen. Maar

nu in den laatsten tijd, begon een zware concurrent op te komen in

Finland. De finsche papierindustrie beschikte als motorische kracht

over de vele wateren en stroomen van »het land der duizend meren«;

daarenboven was zij veel meer geconcentreerd; de grootste finsche

papierfabriek had alleen evenveel machines in werking als alle

estlandsche te zamen. Vóór den oorlog was de finsche concurrentie niet

gevaarlijk geweest, doordat Rusland inkomende rechten hief op de

finsche industrieproducten; na den oorlog had de esthische nijverheid

een tijdlang geprofiteerd van den papierhonger van Rusland, dat geen

handelsbetrekkingen met Finland onderhield. Nu echter was een

handelstraktaat tusschen beide landen tot stand gekomen: wilden de

esthische papierfabrikanten op den duur de russische markt niet

verliezen, dan zouden zij het bedrijf moeten moderniseeren, de

productiviteit van den arbeid opvoeren door betere machines.

De meer verstandige leden der esthische bourgeoisie, meent mijn

zegsman, zien zelven wel in, dat nauwe aaneensluiting met

Sowjet-Rusland noodig en op den duur onvermijdelijk is. Zij droomen

van een toekomst, waarin Estland, zijn eigen regeerings- en

bestuursvorm behoudend, in alles wat het verkeerswezen, het postwezen,

het muntwezen enz. betreft, met de sowjet-republiek een eenheid vormen

zou.

Ik heb geen lust om een politieke discussie te beginnen, waarvan ik de

onvruchtbaarheid inzie. Dus ik zwijg. Maar in mij zelf denk ik: een

sowjet-staat kan onmogelijk staatjes in zich opnemen, die nog op grond

van den burgerlijk-parlementairen regeeringsvorm geregeerd worden; zij

zouden vreemde lichamen in zijn lichaam zijn. De vereeniging der

verschillende randstaten met Sowjet-Rusland kan enkel een vrucht zijn

der revolutionnaire ontwikkeling.

Al pratend waren wij den hollen, steilen weg opgestegen, omhoogvoerend

van den achterkant van het park naar de hoogvlakte, die, van den

straatweg af gezien, mij een langen heuvelkam had toegeschenen. Voor

onze oogen lag het eentonige plateau: steenige, armoedige heidegrond;

hier en daar graasden enkele schapen of runderen; ver weg aan de

kimmen, rezen de daken van een paar boerenhofsteden omhoog. Wanneer

wij ons omkeerden zagen wij in de diepte onder ons de zee, wier

staalblauwe tint al tot staalgrijs verdonkerde; ook het wijnrood en

purper der goudgerande avondwolken in het westen vergrauwde snel....

* * * * *

De laatste dag van mijn verblijf te Reval was een Zondag. Over de stad

hing, toen ik in den stillen, grijzen morgen trad, een stemming van

rust en vrede. De winkels waren gesloten, de straten leeg van

menschen, een enkele verlate kerkganger repte zich over het smalle

trottoir. Op de markt bruiste, komend uit een der nauwe straatjes die

op haar toeloopen, krachtig, helder koorgezang mij tegen. Ingeklemd

tusschen de oude huizen stond een Luthersche kerk; ik trad binnen en

luisterde met genot naar den psalmzang der gemeente, niet

zeurderig-gerekt als ten onzent, maar vol rythmische kracht. Maar toen

een gebefte, betogaadde dominee den kansel besteeg, kreeg ik het

benauwd en vluchtte, bang voor de verveling van de preek. Een

trappensteeg bracht mij op de bult in het hart der oude stad, waar de

groote russische kerk stond. De dienst zou net beginnen. Te Moskou had

ik aldoor plan gehad een kerkdienst bij te wonen, maar geen

gelegenheid gevonden. Ik was blij dat die zich nu toch dien laatsten

dag nog voordeed.

Het was de eerste keer in mijn leven, dat ik een grieksch-katholieke

lithurgie hoorde en ik had mij die niet voorgesteld van een zóó

ontroerende schoonheid. Een heerlijke, diepe basstem zingt het

recitatief, een hoogere respondeert, telkens valt het onzichtbare koor

in, getuigend en smeekend. De klanken zwellen en nemen weer af, het is

een voortdurend vloeden en terugstroomen, een deining zonder einde,

als een lied der natuur. Maar een natuurlied verdiept door menschelijk

hunkeren en smachten; een uitstorting en reiniging van het menschelijk

gemoed, beheerscht toch en vol melancholie van berusting. Een

oneindige mildheid, een zachte vertroosting, een heerlijke innigheid

doorruischt dien zang, maar alles verdroomd en los van de aarde. De

ziel wordt uitgevoerd boven smarten en twijfelingen; zoete rust keert

tot haar in. Telkens vervloeit een hoogtepunt van pathos tot een nieuw

gemurmel, dat dan, op zijn beurt in zich opnemend de ongestilde

verlangens en geheime droomen van het menschenhart, weer uitstroomt in

rijke bewogenheid, als een rivier, door duizend verborgen bronnen en

liefelijke beken gevoed.

Na afloop van den dienst zoek ik een bank in een der groene

plantsoenen, de vroegere bolwerken, om ongestoord mijn gedachten na te

gaan. Het is, als begrijp ik nu pas goed het waarschuwend woord, dat

het sowjet-bestuur te Moskou aanplakken liet boven de oude Iberische

kapel bij het Kremlin met het wonderdadige Moedergodsbeeld: »De

godsdienst is opium voor het volk«. Ja waarlijk is het zoo: die

heerlijke muziek is thans gevaarlijk; zij verzwakt den

werkelijkheidszin, zij sust het hart tot rust over de slechte dingen

dezer wereld, in plaats van het te wekken tot daadkracht; zij effent

den gang van het bloed tot verdroomde maten, in stee van het staal toe

te voeren tot den strijd. De schoonheid der oude kerkmuziek, wij mogen

van haar bedwelming niet te diep drinken....

Terwijl ik daar zit, eenzaam op mijn bankje, komt het oude verlangen

naar een nieuwe schoonheid als een vloed in mij op, schoonheid die zal

zijn de verpuurde essence van onze eigen smarten en vreugden, onze

aspiraties en onze zelfverzakingen, de gouden bekroning van onzen

levensbouw, de nieuwe hemel boven onze nieuwe aarde. Mijn hart trekt

samen in smachtend begeeren naar haar stralende klaarte, haar

jubelende verrukkingen en haar verstilde droefheid. Hoe zal zij zijn,

de nieuwe gemeenschapskunst? Welke vormen zal de nieuwe, broederlijke

mensch vinden om te beelden zijn vertrouwen in makkers, welke klanken,

welke tonen zullen uitzingen zijn liefde voor het ongedeelde,

oneindige leven? Ach, kon ik haar slechts éénmaal doorleven in haar

volle, zachte vervulling, de nieuwe gemeenschapskunst, niet enkel haar

eerste rauwe stamelingen opvangen en onzekere omtrekken zien dagen,

maar genieten haar vol dragen pracht. Genieten een ritueel, door den

stroom des levens verzuiverd en geslepen, als de steen door het

schuren van ontelbare wateren geslepen wordt. Genieten de

verbeeldingen, die de ervaringen en verlangens van vele geslachten in

zich opzogen, en het allerkostelijkste daarvan laagje na laagje hebben

verpuurd tot parelzuivere schoonheid. Hoe zal zij zijn, de kunst van

het communisme? Ik weet dat zij de deemoedige overgave van vroeger

geslachten aan het onbegrepene niet meer zal kennen, dat zij de fiere

levenshouding zal terugstralen van den vermaatschappelijkten mensch,

heerscher over zelfgeschapen krachten. Maar ik weet ook dat zij de

grondelooze diepten des levens niet schuwen en aan de donkere

labyrinten der smart niet voorbijgaan zal. Hoe zal zij zijn?....

* * * * *

Den dag daarna ben ik naar Holland teruggekeerd, over een

moiree-zijden zee, waar het ploegende schip een kleine borreling van

groen en wit schuimsel in opriep. Aan weerszijden van de vore die het

trok liepen lange zilvergrijze rimpelingen, en zilverwitte meeuwen

omzwierden met sierlijke vleugelslagen zijn boeg. Het was een vaart

vol vredige schoonheid.

Ik was de eenige bolsjewiek aan boord; de gesprekken der anderen--over

valuta-spekulaties en vermakelijke of buitensporige voorbeelden van

bedriegelijkheid--interesseerden mij weinig. Ik had alle gelegenheid

mij te bezinnen op het doorleefde, de opgezamelde indrukken te

verbinden tot een algemeen beeld en naar de stemmen, die het hart

opzond, te luisteren. Er was iets in mijzelve, wat ik niet begreep.

Als alle oprechte communisten in en buiten Rusland doorleef ik een

brandend leed van teleurstelling, de bitterheid er van stijgt bij

oogenblikken van mijn hart, naar mijn oogen, mijn wangen, mijn

voorhoofd.

Het communisme, dat even vlak bij scheen, wijkt weer naar verdere

verschieten; de objectieve en de subjektieve krachten der geschiedenis

roepen opnieuw den titanischen wil en de heroïsche zelfopoffering

eener voorhoede een onverbiddelijk: »tot hiertoe en niet verder« toe.

De Communistische Internationale is als een organisme te schielijk

gegroeid, vol zwakke plekken en voosheden, en tusschen het

fanfaregeschal der nieuwe namen en leuzen kan men al te veelvuldig de

bedachtzame influisteringen hooren van den ouden geest. Ik weet terug

te gaan naar een land, waar het leven een kleine en trage pols heeft,

een land van sektarisme en zieligheid. Het bloedelooze denken ziet er

uit ijle hoogten neer op elke poging van de bloeddoorstroomde

daadkracht; de sterke rythmen van een massalen wil doordreunen er het

communisme niet. De dorst naar makkerschap blijft er ongelescht, en de

wereldstrijd over de taktiek wordt er doorleefd als een opeenvolging

van verbeten half-persoonlijke twisten.

Ik weet dit alles; illusies heb ik zeker verloren, »geestdriftig

gestemd« in den letterlijken zin keer ik niet terug. Het heroïsch

avontuur der wereldrevolutie eischt te veel bloed en tranen, zijn

wezen en zijn verloop zijn te tragisch, zijn blij-einde verschemert te

ver weg, achter schuimende maalstroomen en bittere zeeën, om den

mensch, die de jaren zijner jeugd achter zich heeft gelaten, nog tot

»geestdriftigheid« te kunnen vervoeren.

Niet geestdrift zoozeer leerde ik in Rusland, als wel geduldige

standvastigheid.

In de nederlaag, en in de reeks van nederlagen, vast te houden het

vertrouwen in eindelijke overwinning; het wrange van teleurstelling en

ontgoocheling te verdragen met een ongeschokt gemoed; door het op- en

neervloeden van den strijd te gaan rustig als een, dien de goden een

heerlijk geheim hebben toevertrouwd: dit is de

gemoedsgesteldheid,--leerde ik daar ginds--die het communisme van zijn

belijders eischt en waartoe het ze opvoedt.

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 39 / 43 题