Onder de ontelbare belagers en belasteraars van de bolschewiki is er
voor zoover ik weet niet één geweest, die de beide groote leiders der
russische en tevens der wereldrevolutie, Lenin en Trotzky, in ernst
heeft durven beschuldigen van wreedheid,[1] eigenbaat, of
onbekwaamheid[2]. En dit feit is zóó merkwaardig, dat het wel de
moeite waard is, het nader onder de oogen te zien en de oorzaken ervan
te ontleden. Hier zijn een paar mannen, die het initiatief hebben
genomen tot een omwenteling--na deze jaren lang agitatorisch en
organisatorisch voorbereid te hebben--wier doel ingaat tegen de
denkbeelden, de gewoonten en de instinkten, bij de groote meerderheid
der menschen door eeuwen van privaatbezit aangekweekt en tegen de
klassebelangen der heerschenden van alle landen. In den loop van een
vreeselijke worsteling tegen de burgerlijke regeeringen van andere
staten en tegen de reaktionaire, de half reaktionaire en de onzekere
elementen van het eigen land, zijn die mannen herhaaldelijk
genoodzaakt geweest een schrikbewind in te voeren, duizenden hunner
landgenooten te laten opsluiten in gevangenissen of terecht te
stellen. Zij zijn verder genoodzaakt geweest een groot leger te
scheppen, van de arbeiders en boerenbevolking reusachtige bloedoffers
te eischen in den strijd tegen de reaktie, en zelfs eenige malen het
leger te gebruiken tegen verleide matrozen of volksmassaas. Er is niet
één hunner ontelbare vijanden, die op goede gronden durft zeggen:
»deze mannen zijn bloeddorstig«. Hun gezag over honderdveertig
millioen menschen is ontzaglijk groot, immers hun voorstellen en
meeningen beinvloeden in de hoogste mate de vertegenwoordigers dier
honderdveertig millioen, bij wie het politieke initiatief berust, zij
die over den koers van het schip van staat beslissen. En er is niemand
van hun haters, die in ernst durft beweren, dat hun voorstellen, hun
raadgevingen, vermaningen en waarschuwingen zijn ingegeven door liefde
tot de macht, of bezorgdheid voor hun persoonlijke positie en hun
persoonlijke veiligheid. De inhoud van hun voorstellen en
waarschuwingen is uiterst wisselend al naar de omstandigheden, den
aard der gevaren, waaraan Sowjet-Rusland allereerst het hoofd moet
bieden en de ontelbare, onophoudelijk wisselende faktoren der
binnenlandsche en buitenlandsche politiek. Herhaaldelijk hebben zij
zelf moeten oproepen tot maatregelen, die zij kort tevoren voor
verderfelijk hadden verklaard en vóór moeten gaan bij den terugtocht,
na den aanval te hebben bevolen; zij hebben zelven het werk hunner
handen moeten afbreken, het sein moeten geven tot het afdragen van de
steenen, die op hun bevel ten koste van ontzaglijke offers waren
saamgebracht. En ook deze proef heeft hun reputatie doorstaan, hun
politiek zoowel als hun moreel gezag is onaantastbaar gebleken en
wanneer uit de onoverzienbare rijen der vijanden heden enkele stemmen
opkomen, hen beschuldigend van kortzichtigheid en onbekwaamheid, zoo
vormen die stemmen als het ware het kleine zwakke bijgeluid in het
groote koor, dat gedwongen is hun genialiteit als organisatoren en
politici te erkennen.
Hoe komt dit alles? Wat is de oorzaak van het zeldzame, misschien
unieke verschijnsel in de geschiedenis, dat de laster die, zou men
zeggen, zoo overvloedig stof moest vinden om deze beide mannen te
besmeuren, hen niet vermag aan te randen en hun vijanden over de
geheele wereld vol innerlijke woede gedwongen zijn, de grootheid
hunner gaven, de onbaatzuchtigheid hunner daden en de onwankelbaarheid
van hun wil te erkennen?
Voor een zeer groot deel is dit het gevolg van de volkomene,
onloochenbare, niet te betwijfelen overeenstemming hunner daden met
hun woorden, de huidige zoowel als de vroegere. Na hun
machtsverheffing zijn zij gebleven, wat zij volgens hun beginsel
moesten zijn: de voorgangers der arbeiders en arme boeren, de
voorvechters der sociale revolutie. Elk hunner dagen en uren bracht
een nieuw bewijs hoe zij niets zochten buiten haar dienst, haar
redding en haar bevestiging. Elk hunner maatregelen, hetzij op het
gebied der binnenlandsche of buitenlandsche staatkunde, der
leger-organisatie of der voedselverschaffing was volkomen gefundeerd
in den bodem der revolutionaire, politieke noodzakelijkheid, wanneer
men daaronder verstaat de verzoening der eischen van het oogenblik met
die van de toekomst. Nooit schroomden zij om de fundamenten van hun
politiek bloot te leggen; elke nieuwe maatregel, waartoe zij rieden of
waarop zij aandrongen werd door hen in redevoeringen of geschriften
uiteengezet, verklaard, toegelicht in haar oorsprong en gevolgen. Hun
politiek was zoo eerlijk en zoo vast, dat zij nimmer den schijn van
onvastheid, inkonsekwentie en bedriegelijkheid had te vreezen. Wie
zich de moeite wilde geven hun uiteenzettingen te volgen en te
doordenken, moest, hoe vreemd, onwenschelijk, verkeerd of gevaarlijk
de nieuwe koers, waartoe zij opriepen, hem aanvankelijk toescheen, ten
slotte erkennen, dat door zulk een koers de belangen van vandaag en
van morgen, van de russische en de wereldrevolutie het best werden
gediend. Sedert vele geslachten--misschien sedert de dagen der
fransche omwenteling van 1789,--waren zij de eerste groote politici,
die wat zij voorgaven te willen, ook werkelijk wilden, volkomen en
onverdeeld. Het gefundeerd zijn hunner politiek in waarachtigheid--wat
niets te maken heeft met de toepassing der kunst den vijand door list
of misleiding te verschalken--dringt zich zoozeer op, dat elkeen, ook
de ergste tegenstander, het moet erkennen.
Hun positie wordt daarbij in hooge mate gesteund door hun persoonlijk
leven. Ook op dit punt zijn hun vijanden genoodzaakt de wapens te
strekken door de erkenning, dat de russische revolutie aan Lenin en
Trotzky persoonlijk niets anders gebracht heeft dan een ontzettende,
verpletterende arbeidslast en een bijna niet in te denken
verantwoordelijkheid. Hun materieel bestaan onderscheidt zich niet
noemenswaard van hun leven als ballingen vóór de wereldkatastrofe, die
hen omhoog hief, noch van het bestaan van tienduizenden hunner
landgenooten. De ijdelheid en de machtswaan, die voldoening vinden in
praal en pronk, in zinledige ceremoniën en uiterlijke teekenen van
verheffing en onderscheiding, zijn hun ten eenenmale vreemd. Het gezag
dat zij doen gelden is het gezag van hun schitterende begaafdheid, hun
uitzonderlijke vermogens en hun groote ervaring, niet dat hunner
uiterlijke positie. Voor hen is »gezag« en »verantwoordelijkheid«
feitelijk één en hetzelfde begrip. Ondanks het sterke zelfvertrouwen,
waarvan hun uitingen blijk geven, is in hen niets van opgeblazenheid,
aanmatiging of hoogmoed. Op de verwonderlijke hoogte waarop de
wereld-gebeurtenissen hen hieven, hun eigen genialiteit en de wil der
massaas hen handhaafde, zijn zij de oude »kameraden« gebleven. Een
uiterlijke, wereldsche, konventioneele scheidsmuur tusschen hen en den
eenvoudigsten partijgenoot bestaat niet; niets anders dan de
innerlijke afstand, het resultaat van hun onbetwiste en onbetwistbare
meerderwaardigheid. Een dergelijke verhouding, een dergelijk absoluut
ontbreken van alle oude heerschersattributen in deze beide machtigste
menschen ter wereld--immers zij belichamen, zij drukken uit in hun
persoonlijke lijflijkheid den nieuwen levenswil, de nieuwe aspiraties
van vele millioenen--is iets ongehoords in de geschiedenis, een
verschijnsel zonder precedent, de eerste aanloop tot den overgang der
menschheid in het rijk der gelijkheid. Zij inkarneeren het geweten,
het inzicht, de intuitie, het hoogste redelijke willen van millioenen;
geen heerschers zijn zij, boven de massa verheven, van haar gescheiden
door een breede klove, maar de eersten onder gelijken. Zij zijn zooals
zij zijn niet uit berekening, uit effektbejag, uit vrees door
anders-zijn afgunst op te wekken, maar omdat zij niet anders kúnnen
wezen. Zij leven volgens hun beginsel, omdat hun beginsel hen geheel
heeft doordrongen,--het beginsel van de sociale gelijkheid der
menschen, als het naastbij liggende doel van de groote worsteling voor
een betere aarde. Zij zijn zooals zij zijn, niet uit christelijke
nederigheid of ootmoed; nog minder omdat zij nederig en ootmoedig
willen +verschijnen+, maar omdat zij de uiterlijke, sociale,
menschelijke gelijkheid erkennen, belijden en doorleven. Wie zich het
hoofd breekt--een vrij onnut werk trouwens--over de positie der
hooger-begaafden in een maatschappij, waarin de economische en sociale
gelijkheid is doorgevoerd, vindt in de positie van Lenin en Trotzky in
Sowjet-Rusland vele aanknoopingspunten ter oplossing van dit probleem.
Er is, wat geeft het dit te verhelen, iets angstigs in de mate, waarin
Lenin en Trotzky door het, in twee zoozeer verschillende individuen,
zeldzame komplex van genialiteit, wilskracht, onbaatzuchtigheid,
innerlijke waarachtigheid en zedelijken moed, boven al hun helpers
uitrijzen. Enkele anderen mogen hen in bepaalde eigenschappen ter
zijde treden of overtreffen, hun algemeen evenwaardig is niemand. Hen
aanziend en aanhoorend voelt men somtijds een smartelijke onrust
opstijgen bij de gedachte, hoe broos het menschelijk leven is, hoe
afhankelijk van tallooze kleine omstandigheden. Op de hem eigen
spontane en trouwhartige wijze sprak Loenacharsky die onrust eens
tegen mij uit in de volgende woorden: »ik ben een goed Marxist, maar
toch... zoo men mij vroeger gezegd zou hebben, dat personen een zoo
ontzaglijken invloed kunnen hebben op het sociale geschieden als Lenin
en Trotzky, dan had ik het niet geloofd. Wie onzer wist niet in dezen
winter, dat het roer omgegooid moest worden, wilden wij niet
ondergaan? Maar enkel Lenin had den moed, om een nieuwe koers voor te
stellen«.
Wanneer men mij zou vragen, wie van de andere bekende russische
communisten Lenin en Trotzky het naast staat, niet in deze of gene
eigenschap maar als menschentypus, dan zou ik zonder aarzelen
Boecharin noemen, ofschoon ik hem in Moscou voor het eerst ontmoette
en slechts enkele malen sprak. Zeker schijnt hij, de veel jongere,
thans minder groot aangelegd dan deze beide, zijn geest kleiner en
meer naar het spitsvondige gericht. Maar iets in zijn wezen verraadt
dezelfde innerlijke vastheid en eenvoud en een misschien nog grootere
louterheid dan de hunne en daarom lijkt het mij mogelijk toe, dat hij
zal uitgroeien tot eene aan hen gelijkwaardige persoonlijkheid. Het
trof mij op een keer toen de gelegenheid zich aanbood, om de
voornaamste leiders der russische en der internationale revolutie tot
één groep vereenigd gade te slaan, hoe duidelijk éénzelfde geestelijke
dampkring de hoofden van deze drie omgaf, hen afzonderend niet enkel
van ons, westerlingen, maar van hun eigen vrienden en makkers.
Het was op het kongres, gedurende de behandeling van het
tjecho-slowakische vraagstuk door de taktiekkommissie, die bij
uitzondering haar eerste zitting hield in de groote troonzaal--een om
meer dan een reden zeer belangrijke zitting, waarover ik in een ander
verband al geschreven heb[3]. Lenin, Trotzky en Boecharin zaten met
eenige andere bekende leiders aan een afzonderlijk tafeltje, dicht bij
de vensterrij, die evenwijdig loopt met het breede terras, vanwaar men
neerziet op een deel van het Kreml en de westelijke voorsteden van
Moskou. Aandachtig luisterden zij naar Smerals zoetvloeiende rede,
bogen nu en dan over in fluisterend spreken, soms tot elkaar, soms tot
Zinowiew's half lijdenden, half energieken kop aan de andere zijde van
het tafeltje. De spottende lach verdween niet van Lenin's gezicht,
Trotzky keek ernstig en een weinig geërgerd; Boecharin's gelaat droeg
die wonderlijke uitdrukking van »jenseits von gut und böse«, die mij
trof van het eerste oogenblik af aan, dat ik hem zag. Toen,
onverwachts, verscheen op het podium rechts boven hen een allerliefst
kind: het zoontje van Eugen Varga, dat zijn vader zocht. Fluks sprong
de slanke Boecharin de trappen van het podium op om het kind te halen,
nam het in zijn armen en droeg het naar hun tafeltje, waar hij het
neerzette en het een oogenblik bij zich hield aan zijn knie. Toen
wenkte Trotzky het jongetje tot zich, nam het aan zijn borst en
streelde het. Lenin's masker van spottenden faun was plotseling
verzacht tot de uitdrukking van die zuivere, menschelijke mildheid,
welke uit zijn geschriften tusschen vele harde, meedoogenlooze
mokerslagen door, soms zoo ontroerend opstijgt. Wat was zij schoon, de
groep van die drie mannen met dat kind, zoo anders in hun zuivere
spontaniteit dan ons gezelschap troebele westerlingen aan de lange
tafel, zoo vol kracht en zekerheid en zoo eenvoudig menschelijk onder
elkaar. Lenin geleek toen een Pan, een zuiver natuurwezen, vol
wonderbaarlijke intuitie en waar de oerkracht van talloozen in leeft.
Trotzky zat stil en recht in die schoone harmonie van superieure
intelligentie en onverzettelijke wilskracht, die zijn wezen is en
Boecharin's helder gelaat stond zacht en open als een bloem.
Toen wij dien dag van de zitting naar huis terugkeerden, ik en de
beide makkers, die plachten met mij de wandeling in het zachte blanke
licht van de niet-eindigende avondklaarte te verkiezen boven het gehos
over de keien in de volgepakte lastauto's, spraken wij tot elkaar in
bewogen woorden over dat oogenblik, waarin het menschelijke wezen dier
drie mannen zich zoo schoon en stil had geuit, over hun gedragingen
onder de zitting en over dat geheimzinnige +iets+, rondom en boven
hen, wat hen van alle anderen onderscheidde. En vol vertrouwen in wat
de menschheid ging baren, zeiden wij tegen elkaar: »Waarlijk, zij zijn
de apostelen; waarlijk, tusschen hen in staat, voor anderen nog
onzichtbaar, de nieuwe Heiland, het Communisme, blaast hen zijn geest
in en sterkt hen met zijn kracht«.
* * * * *
De hierboven beschreven zitting is natuurlijk niet de eenige geweest
waarbij de gelegenheid zich voordeed om de leiders der
wereld-revolutie te observeeren. Maar in den regel schroomde ik dit te
doen, althans voor wat Lenin betreft. Het leek mij onbescheiden, zijn
gelaat te bespieden om te pogen daarop sporen te ontdekken van een
innerlijke worsteling, als deze heldhaftige mensch ongetwijfeld heeft
doorgemaakt, eer hij besloot tot een politieke koersverandering die,
ook in het gunstigst geval, een lange, gevaarlijke omweg op de vaart
naar het communisme beteekent. Het besef van het tragische lot van den
held, worstelend tegenover overmachtige omstandigheden, tegen de
wereldreaktie en niet minder tegen de verblinding, de zelfzucht, de
lafheid, de geestelijke onrijpheid van het grootste deel der
internationale arbeidersklasse, dit besef was altijd pijnlijk levend
in mij, wanneer ik Lenin zag. Het weerhield mij vaak het woord tot hem
te richten en hield er mij ook van terug een persoonlijk onderhoud aan
te vragen. Iets anders was dit met Trotzky. Te Zimmerwald hadden wij
den band van sympathie en vertrouwen gesloten, die, naar ik tot mijn
vreugde bemerkte, ook voor hem in de daarna verloopen jaren, de jaren,
dat hij wereldgeschiedenis maakte, was blijven bestaan. Het onderhoud,
dat ik met hem had in zijn werkkamer--een ruim, licht, rustig en
welgeordend vertrek in de vroegere Keizerlijke Militaire Akademie,
thans de zetel van het Volkskommissariaat voor Nationale
Verdediging--liet als sterkste herinnering bij mij na den indruk van
onwrikbare vastheid, ruimheid van inzicht en gematigdheid van oordeel,
vereenigd tot schoone en sterke harmonie. Het terugdenken daaraan
blijft voor mij een bron van kracht en heldere vreugde.
Maar ook mijn denken aan Lenin, al trof het tragische in zijn lot mij
sterker dan het geval was met Trotzky, is vrij van elk deprimeerend of
zwaarmoedig nevengevoel. Immers ik weet, dat zijn kracht hem in geen
enkele omstandigheid zal verlaten, dat geen nederlaag, geen
teleurstelling en geen mislukking hem ooit het besef kan ontnemen van
wat de russische revolutie als historisch verschijnsel beteekent, van
haar waarde als een nieuw uitgangspunt in den bevrijdingsstrijd van de
verdrukten en uitgebuiten der geheele aarde.
Anders gaat het mij ten opzichte van een anderen grooten belichamer
der ziel van het russische volk, dien ik te Moskou voor het eerst
ontmoette: Maxim Gorky. Wanneer ik aan hem denk, wordt het in mijn
hart donker, omdat ik de smart en de wanhoop voel van edele
menschelijke harten, die zich niet kunnen verzoenen met de ontzaglijke
wreedheid van het geschieden op aarde, niet kunnen aanvaarden de
vreeselijke offers, waarmee elke stap vooruitgang moet worden gekocht.
Jaren en jaren lang had ik verlangend uitgezien naar een ontmoeting
met Gorky, had ik gehoopt van zijn lippen woorden te hooren, die voor
mij een ander licht zouden doen opgaan over de moeilijke problemen,
waarmee wij, te vroeg of te laat geboren kunstenaars, staande op de
kentering der tijden, dagelijks worstelen. Maar ik ben daarin
teleurgesteld geworden en toen ik de trappen afdaalde van het groote
naargeestige steengevaarte in de smalle straat, waar het Moskousche
Roode Kruis zijn zetel heeft en waarin Gorky tijdelijk een klein
kamertje op de vierde verdieping bewoonde[4], voelde ik mij, voor het
eerst gedurende mijn verblijf te Moscou, beklemd en bijna wanhopig. En
dit was niet--behoef ik het te zeggen--omdat Gorky, met heel de
suggestieve kracht van zijn sterke persoonlijkheid, in mij had
gehamerd het besef van de vreeselijke ramp ginds in Wolgagebied. Het
was niet om wat hij mij met een uitdrukking van ontzetting in zijn
oogen had verhaald over den honger, de paniek en de cholera, over de
wanhoop der boeren die alles neergooiden en enkel dachten aan
vluchten. Het was ook niet wat hij zeide over de machteloosheid der
sowjet-organen om aan de ramp het hoofd te bieden, wat mij zoozeer
beklemde; ik had dat alles in partijkringen nog sterker gehoord; noch
de afkeurende blik, waarmee hij mij vroeg, of ik goed vond, wat de
regeering deed: duizenden gasten naar Moskou halen en rijkelijk eten
geven, terwijl er honger geleden werd door millioenen; dergelijke
gedachten had ik immers herhaaldelijk in mijzelf voelen opkomen.
Neen wat voor mij het onderhoud met Gorky zoo pijnlijk maakte, was het
duidelijk gemis bij dezen grooten zoon van zijn volk van het
besef,--een besef, uit de leiders der revolutie als een innerlijk
licht naar buiten stralend--dat door de arbeidende massaas van Rusland
een werk beproefd werd, dat niet kon falen, omdat ook het geringste
succes bij dit werk, elk begin van zelfordening en zelfbestuur, van
vestiging eener economische demokratie, van ontzaglijk belang was voor
het geheele wereldproletariaat. Met bittere woorden sprak hij tot mij
over den afkeer van het russische volk van geregelden arbeid, over de
achterlijkheid en de apathie van dat volk en de voordeelen der
westersche kultuur. Het was duidelijk, dat van de tallooze heldhaftige
daden, door dat volk in de laatste jaren begaan, den diepsten indruk
op hem gemaakt had de moed en de toewijding van sommige geleerden, die
in uiterst ongunstige en kwellende omstandigheden hun gewonen
beroepsarbeid hadden voortgezet. »Dat zijn helden, helden«, herhaalde
hij met een warmte in zijn stem, die mij weldadig aandeed. Maar voor
de heldhaftigheid der roode arbeiders en der roode soldaten vond hij
geen enkel woord; hun lijden scheen hem te diep ter neer te slaan, dan
dat hij zich over hun daden kon verheugen. En toen ik hem vroeg of hij
dacht, dat een groote revolutionaire opleving in Europa Rusland zou
helpen de zware geestelijke krisis te boven te komen, antwoordde hij
treurig: »Wat zou de revolutie kunnen doen? Brood is het wat wij
noodig hebben«. En opnieuw bezwoer hij mij te pogen de groote en rijke
arbeidersorganisaties van West-Europa en Amerika op te wekken tot het
zoo snel mogelijk verleenen van stoffelijken hulp. Het was duidelijk,
dat zijn ziel in smart verbloedde: de gedachte aan het vreeselijke
lijden van millioenen wezens had in haar het vertrouwen in de
scheppende kracht der massaas gedood.
Ik vroeg hem naar zijn letterkundigen arbeid; hij antwoordde mij,
zonder iets van bitterheid of spijt, dat het hem niet mogelijk was
geweest sedert het begin van de revolutie iets te scheppen; hij was al
te zeer in beslag genomen door het vele andere werk, dat hij het zijn
plicht voelde te verrichten. De ongewilde tragiek van dat antwoord
sneed als een dolk door mijn hart. Weer een, de grootste der levende
russische kunstenaars, die als zoovelen voor hem, als Tolstoi zelf, de
grootste van allen, aan zijn waarachtige menschelijkheid, aan de
diepte van zijn tot daden dringend medegevoel, zijn kunstenaarschap
opofferde. Ik dacht aan de velen in alle landen, die zich
»revolutionnaire kunstenaars« noemen, omdat zij in hun werk zekere
thema's, die met de revolutie in uiterlijk verband staan, behandelen,
zonder ooit zelfs een flauwe poging gedaan te hebben, haar ontzaglijke
tragiek innerlijk te doorleven, laat staan in zich zelf te overwinnen.
Maar ook dacht ik aan anderen, aan enkele uit het volk voortgekomen
jonge russische dichters, wier eerste pogingen, hoe gebrekkig ook,
iets hadden van den glans van een dagbegin in het vroegste voorjaar.
Ik dacht aan de uitdrukking van Gorky's gelaat, toen hij mij gesproken
had van den grooten honger naar kennis en schoonheid in de massaas; in
zijn oprechte oogen, om zijn sterke en toch sensitieve mond had een
oogenblik een glans gespeeld; die glans was weer gedoofd en met een
zucht had hij gezegd: »maar wij hebben geen papier; er kunnen geen
boeken meer verschijnen en die nog verschijnen zijn te slecht gedrukt;
de ongeletterde boeren kunnen dien kleinen druk niet lezen. Zóó
moesten de letters zijn«;--en hij sloeg een boekje open en toonde het
mij met groote, duidelijke letterteekens bedrukt, als een eerste
leesboekje voor kinderen.
Het leek mij, dat zoo hij slechts had kunnen vasthouden het
vertrouwen, dat de honger naar kennis en schoonheid in de massaas ten
leste over hun apathie, hun onwetendheid, hun afkeer van geregelden
arbeid zouden zegevieren;--goed had kunnen vasthouden de overtuiging,
dat alle smart en alle verschrikkingen der revolutie niet nutteloos
zijn, zoo zij in de massaas den drang tot hooger leven, tot
aktieviteit en persoonlijke zelfbeschikking opwekken, +en enkel de
revolutie dien drang opwekken kan+, misschien langen tijd eer zij hem
kan voldoen,--hij niet zoo vertwijfelend gestaan zou hebben bij het
lijden van zijn volk. Wellicht had hij dan ook beelden kunnen vinden,
dat volk troostend over zijn lijden, door het de schoonheid en de
waarde ervan voor de menschheid voor oogen te stellen. Maar noch ik,
noch wie ook, kon hem dat vertrouwen geven: het is de gave die geen
mensch een ander te schenken vermag. Ik kon hem niet troosten, hij kon
mij geen bron zijn van krachten. Wij reikten elkaar de hand en gingen
zwijgend uiteen.