VOORGANGERS EN BELICHAMERS.

Onder de ontelbare belagers en belasteraars van de bolschewiki is er

voor zoover ik weet niet één geweest, die de beide groote leiders der

russische en tevens der wereldrevolutie, Lenin en Trotzky, in ernst

heeft durven beschuldigen van wreedheid,[1] eigenbaat, of

onbekwaamheid[2]. En dit feit is zóó merkwaardig, dat het wel de

moeite waard is, het nader onder de oogen te zien en de oorzaken ervan

te ontleden. Hier zijn een paar mannen, die het initiatief hebben

genomen tot een omwenteling--na deze jaren lang agitatorisch en

organisatorisch voorbereid te hebben--wier doel ingaat tegen de

denkbeelden, de gewoonten en de instinkten, bij de groote meerderheid

der menschen door eeuwen van privaatbezit aangekweekt en tegen de

klassebelangen der heerschenden van alle landen. In den loop van een

vreeselijke worsteling tegen de burgerlijke regeeringen van andere

staten en tegen de reaktionaire, de half reaktionaire en de onzekere

elementen van het eigen land, zijn die mannen herhaaldelijk

genoodzaakt geweest een schrikbewind in te voeren, duizenden hunner

landgenooten te laten opsluiten in gevangenissen of terecht te

stellen. Zij zijn verder genoodzaakt geweest een groot leger te

scheppen, van de arbeiders en boerenbevolking reusachtige bloedoffers

te eischen in den strijd tegen de reaktie, en zelfs eenige malen het

leger te gebruiken tegen verleide matrozen of volksmassaas. Er is niet

één hunner ontelbare vijanden, die op goede gronden durft zeggen:

»deze mannen zijn bloeddorstig«. Hun gezag over honderdveertig

millioen menschen is ontzaglijk groot, immers hun voorstellen en

meeningen beinvloeden in de hoogste mate de vertegenwoordigers dier

honderdveertig millioen, bij wie het politieke initiatief berust, zij

die over den koers van het schip van staat beslissen. En er is niemand

van hun haters, die in ernst durft beweren, dat hun voorstellen, hun

raadgevingen, vermaningen en waarschuwingen zijn ingegeven door liefde

tot de macht, of bezorgdheid voor hun persoonlijke positie en hun

persoonlijke veiligheid. De inhoud van hun voorstellen en

waarschuwingen is uiterst wisselend al naar de omstandigheden, den

aard der gevaren, waaraan Sowjet-Rusland allereerst het hoofd moet

bieden en de ontelbare, onophoudelijk wisselende faktoren der

binnenlandsche en buitenlandsche politiek. Herhaaldelijk hebben zij

zelf moeten oproepen tot maatregelen, die zij kort tevoren voor

verderfelijk hadden verklaard en vóór moeten gaan bij den terugtocht,

na den aanval te hebben bevolen; zij hebben zelven het werk hunner

handen moeten afbreken, het sein moeten geven tot het afdragen van de

steenen, die op hun bevel ten koste van ontzaglijke offers waren

saamgebracht. En ook deze proef heeft hun reputatie doorstaan, hun

politiek zoowel als hun moreel gezag is onaantastbaar gebleken en

wanneer uit de onoverzienbare rijen der vijanden heden enkele stemmen

opkomen, hen beschuldigend van kortzichtigheid en onbekwaamheid, zoo

vormen die stemmen als het ware het kleine zwakke bijgeluid in het

groote koor, dat gedwongen is hun genialiteit als organisatoren en

politici te erkennen.

Hoe komt dit alles? Wat is de oorzaak van het zeldzame, misschien

unieke verschijnsel in de geschiedenis, dat de laster die, zou men

zeggen, zoo overvloedig stof moest vinden om deze beide mannen te

besmeuren, hen niet vermag aan te randen en hun vijanden over de

geheele wereld vol innerlijke woede gedwongen zijn, de grootheid

hunner gaven, de onbaatzuchtigheid hunner daden en de onwankelbaarheid

van hun wil te erkennen?

Voor een zeer groot deel is dit het gevolg van de volkomene,

onloochenbare, niet te betwijfelen overeenstemming hunner daden met

hun woorden, de huidige zoowel als de vroegere. Na hun

machtsverheffing zijn zij gebleven, wat zij volgens hun beginsel

moesten zijn: de voorgangers der arbeiders en arme boeren, de

voorvechters der sociale revolutie. Elk hunner dagen en uren bracht

een nieuw bewijs hoe zij niets zochten buiten haar dienst, haar

redding en haar bevestiging. Elk hunner maatregelen, hetzij op het

gebied der binnenlandsche of buitenlandsche staatkunde, der

leger-organisatie of der voedselverschaffing was volkomen gefundeerd

in den bodem der revolutionaire, politieke noodzakelijkheid, wanneer

men daaronder verstaat de verzoening der eischen van het oogenblik met

die van de toekomst. Nooit schroomden zij om de fundamenten van hun

politiek bloot te leggen; elke nieuwe maatregel, waartoe zij rieden of

waarop zij aandrongen werd door hen in redevoeringen of geschriften

uiteengezet, verklaard, toegelicht in haar oorsprong en gevolgen. Hun

politiek was zoo eerlijk en zoo vast, dat zij nimmer den schijn van

onvastheid, inkonsekwentie en bedriegelijkheid had te vreezen. Wie

zich de moeite wilde geven hun uiteenzettingen te volgen en te

doordenken, moest, hoe vreemd, onwenschelijk, verkeerd of gevaarlijk

de nieuwe koers, waartoe zij opriepen, hem aanvankelijk toescheen, ten

slotte erkennen, dat door zulk een koers de belangen van vandaag en

van morgen, van de russische en de wereldrevolutie het best werden

gediend. Sedert vele geslachten--misschien sedert de dagen der

fransche omwenteling van 1789,--waren zij de eerste groote politici,

die wat zij voorgaven te willen, ook werkelijk wilden, volkomen en

onverdeeld. Het gefundeerd zijn hunner politiek in waarachtigheid--wat

niets te maken heeft met de toepassing der kunst den vijand door list

of misleiding te verschalken--dringt zich zoozeer op, dat elkeen, ook

de ergste tegenstander, het moet erkennen.

Hun positie wordt daarbij in hooge mate gesteund door hun persoonlijk

leven. Ook op dit punt zijn hun vijanden genoodzaakt de wapens te

strekken door de erkenning, dat de russische revolutie aan Lenin en

Trotzky persoonlijk niets anders gebracht heeft dan een ontzettende,

verpletterende arbeidslast en een bijna niet in te denken

verantwoordelijkheid. Hun materieel bestaan onderscheidt zich niet

noemenswaard van hun leven als ballingen vóór de wereldkatastrofe, die

hen omhoog hief, noch van het bestaan van tienduizenden hunner

landgenooten. De ijdelheid en de machtswaan, die voldoening vinden in

praal en pronk, in zinledige ceremoniën en uiterlijke teekenen van

verheffing en onderscheiding, zijn hun ten eenenmale vreemd. Het gezag

dat zij doen gelden is het gezag van hun schitterende begaafdheid, hun

uitzonderlijke vermogens en hun groote ervaring, niet dat hunner

uiterlijke positie. Voor hen is »gezag« en »verantwoordelijkheid«

feitelijk één en hetzelfde begrip. Ondanks het sterke zelfvertrouwen,

waarvan hun uitingen blijk geven, is in hen niets van opgeblazenheid,

aanmatiging of hoogmoed. Op de verwonderlijke hoogte waarop de

wereld-gebeurtenissen hen hieven, hun eigen genialiteit en de wil der

massaas hen handhaafde, zijn zij de oude »kameraden« gebleven. Een

uiterlijke, wereldsche, konventioneele scheidsmuur tusschen hen en den

eenvoudigsten partijgenoot bestaat niet; niets anders dan de

innerlijke afstand, het resultaat van hun onbetwiste en onbetwistbare

meerderwaardigheid. Een dergelijke verhouding, een dergelijk absoluut

ontbreken van alle oude heerschersattributen in deze beide machtigste

menschen ter wereld--immers zij belichamen, zij drukken uit in hun

persoonlijke lijflijkheid den nieuwen levenswil, de nieuwe aspiraties

van vele millioenen--is iets ongehoords in de geschiedenis, een

verschijnsel zonder precedent, de eerste aanloop tot den overgang der

menschheid in het rijk der gelijkheid. Zij inkarneeren het geweten,

het inzicht, de intuitie, het hoogste redelijke willen van millioenen;

geen heerschers zijn zij, boven de massa verheven, van haar gescheiden

door een breede klove, maar de eersten onder gelijken. Zij zijn zooals

zij zijn niet uit berekening, uit effektbejag, uit vrees door

anders-zijn afgunst op te wekken, maar omdat zij niet anders kúnnen

wezen. Zij leven volgens hun beginsel, omdat hun beginsel hen geheel

heeft doordrongen,--het beginsel van de sociale gelijkheid der

menschen, als het naastbij liggende doel van de groote worsteling voor

een betere aarde. Zij zijn zooals zij zijn, niet uit christelijke

nederigheid of ootmoed; nog minder omdat zij nederig en ootmoedig

willen +verschijnen+, maar omdat zij de uiterlijke, sociale,

menschelijke gelijkheid erkennen, belijden en doorleven. Wie zich het

hoofd breekt--een vrij onnut werk trouwens--over de positie der

hooger-begaafden in een maatschappij, waarin de economische en sociale

gelijkheid is doorgevoerd, vindt in de positie van Lenin en Trotzky in

Sowjet-Rusland vele aanknoopingspunten ter oplossing van dit probleem.

Er is, wat geeft het dit te verhelen, iets angstigs in de mate, waarin

Lenin en Trotzky door het, in twee zoozeer verschillende individuen,

zeldzame komplex van genialiteit, wilskracht, onbaatzuchtigheid,

innerlijke waarachtigheid en zedelijken moed, boven al hun helpers

uitrijzen. Enkele anderen mogen hen in bepaalde eigenschappen ter

zijde treden of overtreffen, hun algemeen evenwaardig is niemand. Hen

aanziend en aanhoorend voelt men somtijds een smartelijke onrust

opstijgen bij de gedachte, hoe broos het menschelijk leven is, hoe

afhankelijk van tallooze kleine omstandigheden. Op de hem eigen

spontane en trouwhartige wijze sprak Loenacharsky die onrust eens

tegen mij uit in de volgende woorden: »ik ben een goed Marxist, maar

toch... zoo men mij vroeger gezegd zou hebben, dat personen een zoo

ontzaglijken invloed kunnen hebben op het sociale geschieden als Lenin

en Trotzky, dan had ik het niet geloofd. Wie onzer wist niet in dezen

winter, dat het roer omgegooid moest worden, wilden wij niet

ondergaan? Maar enkel Lenin had den moed, om een nieuwe koers voor te

stellen«.

Wanneer men mij zou vragen, wie van de andere bekende russische

communisten Lenin en Trotzky het naast staat, niet in deze of gene

eigenschap maar als menschentypus, dan zou ik zonder aarzelen

Boecharin noemen, ofschoon ik hem in Moscou voor het eerst ontmoette

en slechts enkele malen sprak. Zeker schijnt hij, de veel jongere,

thans minder groot aangelegd dan deze beide, zijn geest kleiner en

meer naar het spitsvondige gericht. Maar iets in zijn wezen verraadt

dezelfde innerlijke vastheid en eenvoud en een misschien nog grootere

louterheid dan de hunne en daarom lijkt het mij mogelijk toe, dat hij

zal uitgroeien tot eene aan hen gelijkwaardige persoonlijkheid. Het

trof mij op een keer toen de gelegenheid zich aanbood, om de

voornaamste leiders der russische en der internationale revolutie tot

één groep vereenigd gade te slaan, hoe duidelijk éénzelfde geestelijke

dampkring de hoofden van deze drie omgaf, hen afzonderend niet enkel

van ons, westerlingen, maar van hun eigen vrienden en makkers.

Het was op het kongres, gedurende de behandeling van het

tjecho-slowakische vraagstuk door de taktiekkommissie, die bij

uitzondering haar eerste zitting hield in de groote troonzaal--een om

meer dan een reden zeer belangrijke zitting, waarover ik in een ander

verband al geschreven heb[3]. Lenin, Trotzky en Boecharin zaten met

eenige andere bekende leiders aan een afzonderlijk tafeltje, dicht bij

de vensterrij, die evenwijdig loopt met het breede terras, vanwaar men

neerziet op een deel van het Kreml en de westelijke voorsteden van

Moskou. Aandachtig luisterden zij naar Smerals zoetvloeiende rede,

bogen nu en dan over in fluisterend spreken, soms tot elkaar, soms tot

Zinowiew's half lijdenden, half energieken kop aan de andere zijde van

het tafeltje. De spottende lach verdween niet van Lenin's gezicht,

Trotzky keek ernstig en een weinig geërgerd; Boecharin's gelaat droeg

die wonderlijke uitdrukking van »jenseits von gut und böse«, die mij

trof van het eerste oogenblik af aan, dat ik hem zag. Toen,

onverwachts, verscheen op het podium rechts boven hen een allerliefst

kind: het zoontje van Eugen Varga, dat zijn vader zocht. Fluks sprong

de slanke Boecharin de trappen van het podium op om het kind te halen,

nam het in zijn armen en droeg het naar hun tafeltje, waar hij het

neerzette en het een oogenblik bij zich hield aan zijn knie. Toen

wenkte Trotzky het jongetje tot zich, nam het aan zijn borst en

streelde het. Lenin's masker van spottenden faun was plotseling

verzacht tot de uitdrukking van die zuivere, menschelijke mildheid,

welke uit zijn geschriften tusschen vele harde, meedoogenlooze

mokerslagen door, soms zoo ontroerend opstijgt. Wat was zij schoon, de

groep van die drie mannen met dat kind, zoo anders in hun zuivere

spontaniteit dan ons gezelschap troebele westerlingen aan de lange

tafel, zoo vol kracht en zekerheid en zoo eenvoudig menschelijk onder

elkaar. Lenin geleek toen een Pan, een zuiver natuurwezen, vol

wonderbaarlijke intuitie en waar de oerkracht van talloozen in leeft.

Trotzky zat stil en recht in die schoone harmonie van superieure

intelligentie en onverzettelijke wilskracht, die zijn wezen is en

Boecharin's helder gelaat stond zacht en open als een bloem.

Toen wij dien dag van de zitting naar huis terugkeerden, ik en de

beide makkers, die plachten met mij de wandeling in het zachte blanke

licht van de niet-eindigende avondklaarte te verkiezen boven het gehos

over de keien in de volgepakte lastauto's, spraken wij tot elkaar in

bewogen woorden over dat oogenblik, waarin het menschelijke wezen dier

drie mannen zich zoo schoon en stil had geuit, over hun gedragingen

onder de zitting en over dat geheimzinnige +iets+, rondom en boven

hen, wat hen van alle anderen onderscheidde. En vol vertrouwen in wat

de menschheid ging baren, zeiden wij tegen elkaar: »Waarlijk, zij zijn

de apostelen; waarlijk, tusschen hen in staat, voor anderen nog

onzichtbaar, de nieuwe Heiland, het Communisme, blaast hen zijn geest

in en sterkt hen met zijn kracht«.

* * * * *

De hierboven beschreven zitting is natuurlijk niet de eenige geweest

waarbij de gelegenheid zich voordeed om de leiders der

wereld-revolutie te observeeren. Maar in den regel schroomde ik dit te

doen, althans voor wat Lenin betreft. Het leek mij onbescheiden, zijn

gelaat te bespieden om te pogen daarop sporen te ontdekken van een

innerlijke worsteling, als deze heldhaftige mensch ongetwijfeld heeft

doorgemaakt, eer hij besloot tot een politieke koersverandering die,

ook in het gunstigst geval, een lange, gevaarlijke omweg op de vaart

naar het communisme beteekent. Het besef van het tragische lot van den

held, worstelend tegenover overmachtige omstandigheden, tegen de

wereldreaktie en niet minder tegen de verblinding, de zelfzucht, de

lafheid, de geestelijke onrijpheid van het grootste deel der

internationale arbeidersklasse, dit besef was altijd pijnlijk levend

in mij, wanneer ik Lenin zag. Het weerhield mij vaak het woord tot hem

te richten en hield er mij ook van terug een persoonlijk onderhoud aan

te vragen. Iets anders was dit met Trotzky. Te Zimmerwald hadden wij

den band van sympathie en vertrouwen gesloten, die, naar ik tot mijn

vreugde bemerkte, ook voor hem in de daarna verloopen jaren, de jaren,

dat hij wereldgeschiedenis maakte, was blijven bestaan. Het onderhoud,

dat ik met hem had in zijn werkkamer--een ruim, licht, rustig en

welgeordend vertrek in de vroegere Keizerlijke Militaire Akademie,

thans de zetel van het Volkskommissariaat voor Nationale

Verdediging--liet als sterkste herinnering bij mij na den indruk van

onwrikbare vastheid, ruimheid van inzicht en gematigdheid van oordeel,

vereenigd tot schoone en sterke harmonie. Het terugdenken daaraan

blijft voor mij een bron van kracht en heldere vreugde.

Maar ook mijn denken aan Lenin, al trof het tragische in zijn lot mij

sterker dan het geval was met Trotzky, is vrij van elk deprimeerend of

zwaarmoedig nevengevoel. Immers ik weet, dat zijn kracht hem in geen

enkele omstandigheid zal verlaten, dat geen nederlaag, geen

teleurstelling en geen mislukking hem ooit het besef kan ontnemen van

wat de russische revolutie als historisch verschijnsel beteekent, van

haar waarde als een nieuw uitgangspunt in den bevrijdingsstrijd van de

verdrukten en uitgebuiten der geheele aarde.

Anders gaat het mij ten opzichte van een anderen grooten belichamer

der ziel van het russische volk, dien ik te Moskou voor het eerst

ontmoette: Maxim Gorky. Wanneer ik aan hem denk, wordt het in mijn

hart donker, omdat ik de smart en de wanhoop voel van edele

menschelijke harten, die zich niet kunnen verzoenen met de ontzaglijke

wreedheid van het geschieden op aarde, niet kunnen aanvaarden de

vreeselijke offers, waarmee elke stap vooruitgang moet worden gekocht.

Jaren en jaren lang had ik verlangend uitgezien naar een ontmoeting

met Gorky, had ik gehoopt van zijn lippen woorden te hooren, die voor

mij een ander licht zouden doen opgaan over de moeilijke problemen,

waarmee wij, te vroeg of te laat geboren kunstenaars, staande op de

kentering der tijden, dagelijks worstelen. Maar ik ben daarin

teleurgesteld geworden en toen ik de trappen afdaalde van het groote

naargeestige steengevaarte in de smalle straat, waar het Moskousche

Roode Kruis zijn zetel heeft en waarin Gorky tijdelijk een klein

kamertje op de vierde verdieping bewoonde[4], voelde ik mij, voor het

eerst gedurende mijn verblijf te Moscou, beklemd en bijna wanhopig. En

dit was niet--behoef ik het te zeggen--omdat Gorky, met heel de

suggestieve kracht van zijn sterke persoonlijkheid, in mij had

gehamerd het besef van de vreeselijke ramp ginds in Wolgagebied. Het

was niet om wat hij mij met een uitdrukking van ontzetting in zijn

oogen had verhaald over den honger, de paniek en de cholera, over de

wanhoop der boeren die alles neergooiden en enkel dachten aan

vluchten. Het was ook niet wat hij zeide over de machteloosheid der

sowjet-organen om aan de ramp het hoofd te bieden, wat mij zoozeer

beklemde; ik had dat alles in partijkringen nog sterker gehoord; noch

de afkeurende blik, waarmee hij mij vroeg, of ik goed vond, wat de

regeering deed: duizenden gasten naar Moskou halen en rijkelijk eten

geven, terwijl er honger geleden werd door millioenen; dergelijke

gedachten had ik immers herhaaldelijk in mijzelf voelen opkomen.

Neen wat voor mij het onderhoud met Gorky zoo pijnlijk maakte, was het

duidelijk gemis bij dezen grooten zoon van zijn volk van het

besef,--een besef, uit de leiders der revolutie als een innerlijk

licht naar buiten stralend--dat door de arbeidende massaas van Rusland

een werk beproefd werd, dat niet kon falen, omdat ook het geringste

succes bij dit werk, elk begin van zelfordening en zelfbestuur, van

vestiging eener economische demokratie, van ontzaglijk belang was voor

het geheele wereldproletariaat. Met bittere woorden sprak hij tot mij

over den afkeer van het russische volk van geregelden arbeid, over de

achterlijkheid en de apathie van dat volk en de voordeelen der

westersche kultuur. Het was duidelijk, dat van de tallooze heldhaftige

daden, door dat volk in de laatste jaren begaan, den diepsten indruk

op hem gemaakt had de moed en de toewijding van sommige geleerden, die

in uiterst ongunstige en kwellende omstandigheden hun gewonen

beroepsarbeid hadden voortgezet. »Dat zijn helden, helden«, herhaalde

hij met een warmte in zijn stem, die mij weldadig aandeed. Maar voor

de heldhaftigheid der roode arbeiders en der roode soldaten vond hij

geen enkel woord; hun lijden scheen hem te diep ter neer te slaan, dan

dat hij zich over hun daden kon verheugen. En toen ik hem vroeg of hij

dacht, dat een groote revolutionaire opleving in Europa Rusland zou

helpen de zware geestelijke krisis te boven te komen, antwoordde hij

treurig: »Wat zou de revolutie kunnen doen? Brood is het wat wij

noodig hebben«. En opnieuw bezwoer hij mij te pogen de groote en rijke

arbeidersorganisaties van West-Europa en Amerika op te wekken tot het

zoo snel mogelijk verleenen van stoffelijken hulp. Het was duidelijk,

dat zijn ziel in smart verbloedde: de gedachte aan het vreeselijke

lijden van millioenen wezens had in haar het vertrouwen in de

scheppende kracht der massaas gedood.

Ik vroeg hem naar zijn letterkundigen arbeid; hij antwoordde mij,

zonder iets van bitterheid of spijt, dat het hem niet mogelijk was

geweest sedert het begin van de revolutie iets te scheppen; hij was al

te zeer in beslag genomen door het vele andere werk, dat hij het zijn

plicht voelde te verrichten. De ongewilde tragiek van dat antwoord

sneed als een dolk door mijn hart. Weer een, de grootste der levende

russische kunstenaars, die als zoovelen voor hem, als Tolstoi zelf, de

grootste van allen, aan zijn waarachtige menschelijkheid, aan de

diepte van zijn tot daden dringend medegevoel, zijn kunstenaarschap

opofferde. Ik dacht aan de velen in alle landen, die zich

»revolutionnaire kunstenaars« noemen, omdat zij in hun werk zekere

thema's, die met de revolutie in uiterlijk verband staan, behandelen,

zonder ooit zelfs een flauwe poging gedaan te hebben, haar ontzaglijke

tragiek innerlijk te doorleven, laat staan in zich zelf te overwinnen.

Maar ook dacht ik aan anderen, aan enkele uit het volk voortgekomen

jonge russische dichters, wier eerste pogingen, hoe gebrekkig ook,

iets hadden van den glans van een dagbegin in het vroegste voorjaar.

Ik dacht aan de uitdrukking van Gorky's gelaat, toen hij mij gesproken

had van den grooten honger naar kennis en schoonheid in de massaas; in

zijn oprechte oogen, om zijn sterke en toch sensitieve mond had een

oogenblik een glans gespeeld; die glans was weer gedoofd en met een

zucht had hij gezegd: »maar wij hebben geen papier; er kunnen geen

boeken meer verschijnen en die nog verschijnen zijn te slecht gedrukt;

de ongeletterde boeren kunnen dien kleinen druk niet lezen. Zóó

moesten de letters zijn«;--en hij sloeg een boekje open en toonde het

mij met groote, duidelijke letterteekens bedrukt, als een eerste

leesboekje voor kinderen.

Het leek mij, dat zoo hij slechts had kunnen vasthouden het

vertrouwen, dat de honger naar kennis en schoonheid in de massaas ten

leste over hun apathie, hun onwetendheid, hun afkeer van geregelden

arbeid zouden zegevieren;--goed had kunnen vasthouden de overtuiging,

dat alle smart en alle verschrikkingen der revolutie niet nutteloos

zijn, zoo zij in de massaas den drang tot hooger leven, tot

aktieviteit en persoonlijke zelfbeschikking opwekken, +en enkel de

revolutie dien drang opwekken kan+, misschien langen tijd eer zij hem

kan voldoen,--hij niet zoo vertwijfelend gestaan zou hebben bij het

lijden van zijn volk. Wellicht had hij dan ook beelden kunnen vinden,

dat volk troostend over zijn lijden, door het de schoonheid en de

waarde ervan voor de menschheid voor oogen te stellen. Maar noch ik,

noch wie ook, kon hem dat vertrouwen geven: het is de gave die geen

mensch een ander te schenken vermag. Ik kon hem niet troosten, hij kon

mij geen bron zijn van krachten. Wij reikten elkaar de hand en gingen

zwijgend uiteen.

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 14 / 43 题