SCHADUWEN OVER HET LAND.

Wanneer men mij vraagt, of ik in Moskou den grooten honger gezien heb,

of de uitputting en de ellende van het volk zich opdrongen aan de

oogen, dan moet ik antwoorden: neen. Ik zag geen ontvleeschde

gezichten, geen vermagerde wankelende gestalten; ik zag geen menschen

neervallen op straat. Bedelaars zag ik, maar naar mij dacht niet veel

meer dan in de groote steden van het »welvarende« Nederland en zeker

veel minder dan in Berlijn. Dien Zondagmorgen dat Kalinina mij meenam

op haar inspektie-tocht door de stad, zag ik vele duizenden kinderen

bijeen. Men zei mij, dat ze tot de allerarmste behoorden, tot de

onderste lagen der bevolking. Zeker waren er bij die er smal en

teertjes uitzagen. Zeker waren vele van deze kinderen, die enkel de

gewone uitdeeling op de scholen kregen, niet het betere, rijkelijke

voedsel, dat in de kolonies gegeven wordt, min of meer ondervoed.

Kollontay zelve vertelde mij, dat de schoolvoeding niet voldoende is.

Maar deze kinderen gaven niet den indruk van honger te lijden, men

werd niet akelig van naar ze te kijken, integendeel. Velen zagen er

frisch en blozend uit en bijna allen waren netjes in de kleeren, niets

minder dan een troep arbeiderskinderen ten onzent die moeder hun beste

spullen aantrekt om naar een schoolfeest te gaan en zeker veel beter

dan de allerarmsten, de verschoppelingen uit de ellende-wijken in ons

land bij zoo'n gelegenheid zouden verschijnen. Naar wat ik zag en

hoorde is de arbeidersbevolking in de steden er wat kleeding aangaat

in 't algemeen beter aan toe dan voor de revolutie, doordat in de

eerste jaren van de diktatuur veel linnen en wollen stof uitgedeeld is

geworden.

Toch zag men tamelijk veel havelooze, of heel armoedig gekleede

menschen. Onder de bedelaars natuurlijk en dan onder de jongetjes, die

laat op den avond en tot midden in den nacht op de boulevards, waar

juist een alles behalve stichtelijk »nachtleven« weer begon op te

komen, sigaretten verkochten. Erge schooiertjes waren daaronder, te

nauwernood bekleed met armzalige lompen. Maar de zieligste indruk

maakten de lange rijen mannen, vrouwen en kinderen, die voor de

koöperatieve winkels hun beurt afwachtten om hun karig rantsoen zwart

brood, hun dunne soep, hun beetje vet en haring te halen. Daar, in die

»polonaises« zag men veel ellende; veel menschen in lompen, met een

versufte, gedeprimeerde uitdrukking en uitgedoofde oogen. Natuurlijk

waren de meeste van deze stumperds barrevoets.

De voeten waren het lichaamsdeel, waaraan de behoeftigheid van het

russische volk het treffendst bleek. Wat ik zelf opmerkte dekte zich

op dit punt volkomen met wat ik in de reisindrukken van anderen, o.a.

die van Goode, Ransome, Goldschmidt, L. Bryant had gelezen. Men zag

vele zeer behoorlijk en zelfs elegant geschoeide voeten. Maar men zag

ook vele kinderen en volwassenen blootsvoets gaan. In het heerlijke

zomerweer, dat wij genoten,--warm en zonnig en toch telkens weer juist

regen genoeg om het stof van de straten en boulevards weg te

spoelen,--maakte dit volstrekt geen ellendigen of onpleizierigen

indruk. Het leek heel gewoon en natuurlijk, vooral bij kinderen en had

zelfs iets grappig ongegeneerds, als boven de bloote voeten een keurig

linnen rokje en een nette lichte russische blouse uitkwamen. Dan werd

men aan de overtuigden van het een of ander Kneipsch sanatorium

herinnerd en moest glimlachen. Maar de glimlach verstierf, zoodra men

zich indacht, wat er in den herfst met al die bloote voeten gebeuren

zou, als de straten vol dikke, ijzige modder waren en in den winter,

wanneer de sneeuwval begon. En deze gedachte kwam telkens boven als de

oogen de vele, vele voetenparen opmerkten, die niet bloot waren, maar

in versleten kapotte schoenen gestoken--schoenen, die op den

vuilnishoop thuishoorden--of bedekt met wonderlijke, zelf in elkaar

geflanste bekleedsels van vilt of stof of de hemel weet wat. Niet

iedereen heeft lust om barrevoets te loopen en niet voor allen is het

raadzaam. Ook zullen, dunkt mij, velen zich geneeren dit te doen. Er

waren in Moscou blijkbaar duizenden menschen--arbeiders, beambten,

intellektueelen, mannen zoowel als vrouwen--die om de een of andere

reden niet barrevoets wenschten te gaan en geen behoorlijk schoeisel

bezaten. Sommigen van hen droegen schoenen, zoo ellendig, zoo geheel

en al verteerd door den tijd en zoo zichtbaar op het punt hun dragers

te begeven, dat ik er haast niet naar durfde kijken. Zulk een paar

schoenen zag ik telkens aan de voeten van een buitengewoon

intelligente en sympathieke vrouw, administratrice van een groote

inrichting voor toegepaste opvoedkunde. Die schoenen hinderden mij,

geneerden mij, gaven mij een onbehagelijk, schuldig gevoel. De

direkteur zelf der inrichting droeg eigen vervaardigd schoeisel

gemaakt uit een soort trijp.

Hoe de toestand precies was in Moskou in die Junimaand wat de

voedselvoorziening aangaat, kan ik niet zeggen. Beter dan in het

voorjaar, verzekerde men mij; de transporten kwamen geregeld aan en de

vastgestelde rantsoenen konden verstrekt worden. Van Juli af begonnen

er ook meer aardappelen beschikbaar te komen, men zag ze op straat op

de stalletjes. Men zag daar trouwens ook overvloed van lichtbruin

boere(tarwe) brood en zwart regeeringsbrood, maar hoevelen konden het

koopen? Drie à vierduizend roebel per pond was de gewone prijs. Toch

zag men altijd koopers bij die stalletjes; ook vruchten, eieren, zure

melk werden veel gekocht, ondanks de exorbitante prijzen. Dikwijls

waren het zeer eenvoudige lieden die kochten, kleinburgers en

arbeiders. Herhaaldelijk heb ik gevraagd, hoe zij aan 't geld kwamen;

ik kreeg verschillende verklaringen. In het begin der revolutie was op

groote schaal huisraad, linnen, zilverwaren gestolen uit de woningen

der rijken en nu werd telkens iets daarvan in levensmiddelen omgezet.

Een andere verklaring was het veel voorkomende stelen in de fabrieken,

hetzij van grondstoffen of van fabrikaten, die dan werden verkocht of

verruild. Nog een andere: (het officieel-toegestane) vervaardigen in

de fabrieken en werkplaatsen, gedurende een deel van den arbeidstijd,

van kleine gebruiksvoorwerpen, die als ruilobjekten voor

levensmiddelen dienst deden. Het een met het ander kan dunkt mij

eenigszins verklaren hoe een groot deel van de bevolking van Moskou er

zich doorslaat. Maar zeker waren er ook menschen, die zich op

geenerlei wijze extra levensmiddelen konden verschaffen en uitsluitend

of bijna uitsluitend op de rantsoeneering aangewezen waren. Die leden

dan honger. Dat er dezen zomer veel honger geleden werd in Moskou en

in een groot deel van Rusland, ook buiten het geteisterde gebied,

daaraan twijfelde niemand. Ik heb geen proletariërs-gezin gezien bij

den maaltijd en weet niet precies waaruit het gewone rantsoen bestaat,

maar wie zijn oogen niet met opzet sloot en zijn ooren dichtmetselde,

zag en hoorde den honger ook in Hotel Lux[1], waar een groot deel van

de kongresafgevaardigden logeerden en waar ook vele Russen aten, die

op de een of andere wijze in betrekking stonden tot de Commintern. Een

aantal van de buitenlandsche afgevaardigden, vooral de vrouwen,

bewaarde een gedeelte van hun brood en hun boterrantsoen om het te

geven aan russische vrienden, of aan buitenlandsche kameraden die te

Moskou woonden. Men kreeg ontstellende dingen te hooren over de nood

onder de beide kategorieën. Van de Russen zelf, die in Lux aten namen

+zeer velen+ een deel van hun voedsel mee; de getrouwden onder hen

waren zoo in de gelegenheid hun vrouw en kinderen een extra hapje te

verschaffen. »Voor mijn zieke vrouw«, zeide een partijgenoot uit

Zuid-Slavië eens aan tafel tegen mij, terwijl hij zijn hompje vleesch

zorgvuldig inpakte en in zijn tasch borg. »Wat scheelt uw vrouw«,

vroeg ik. »Zij heeft een miskraam gehad en kan niet op haar verhaal

komen,« luidde het antwoord en somber, half wanhopig, voegde hij eraan

toe: »Het is de honger, die haar ziek maakt; zij moest goed gevoed

worden, zegt de dokter: eieren, melk, vleesch, maar dat is immers

onmogelijk, het zou honderdduizenden roebels kosten. Het zwarte brood

en de zoute haring, zij kàn ze niet eten, zij walgt er van«....

Het was afschuwelijk om te weten, dat de honger overal rondom ons was

en hem zelf niet te voelen. In Hotel Lux was het eten

overvloedig--onnoodig rijkelijk zelfs in sommige opzichten--en

behoorlijk toebereid. Natuurlijk waren er toch nog gasten, die

klaagden; er zijn altijd van die zonderlinge menschen, die zich

ongelukkig voelen als al hun dierbare behoeftetjes niet precies op de

minuut bevredigd worden. Ook onder de communisten vindt men ze. Maar

de anderen en dat waren gelukkig de meesten, schaamden zich over wat

het uitgeputte Rusland voor ons deed. Wij kregen onze drie maaltijden

per dag en, verwende westerlingen als wij waren, voelden wij ons

hongerig en flauw wanneer het een enkele keer gebeurde, dat er niet

voor vijf of zes uur gelegenheid was het middagmaal te gebruiken. We

schaamden ons maar we aten, het ongerantsoeneerde brood, de boter en

de kaas en het vleesch, we dronken de thee-met-suiker, alles dingen,

die de massaas van de russische arbeiders en intellektueelen in jaren

niet hebben gezien. We schaamden ons over een gastvrijheid, die een

paar duizend menschen had genoodigd naar de hoofdstad van een

uitgemergeld land, hen daar spijzigde en laafde met het allerbeste,

wat in dat land te vinden was en om hen behoorlijk onder te brengen

zelfs de min kostbare meubels uit eenige van de musea sleepte[2], een

gastvrijheid, te onbedachtzaam, te zorgeloos, te grand seigneur

misschien voor de omstandigheden, maar getuigend van een grootheid van

hart en een edelmoedigheid die de zakenmoraal in de oude

kapitalistische landen grondig heeft uitgeroeid.

Wat onze schaamte nog erger maakte, was de bijna pijnlijke

onbaatzuchtigheid van onze russische genooten zelven. Ik heb jonge

meisjes, wien ik een plak chocolade aanbood, met een instinktief

gebaar van afweer, als bevreesd voor de verleiding van dit kostbare,

de handen naar den rug zien brengen; bijna altijd was het eerste woord

van degeen, wie men iets van dien aard wilde geven: »maar is het niet

te veel?« En toen wij Moskou verlieten moesten we bijna smeeken, eer

we onze genooten er toe konden bewegen de kleeren, het schoeisel enz.

aan te nemen, dat wij zoo gaarne gaven en zij zoo zeer behoefden. Al

de verteederde bewondering, die zich in de weken van ons verblijf had

opgezameld in ons hart voor deze zuivere, volkomen onzelfzuchtige

wezens, steeg als een vloed in ons op wanneer wij hun zachte stemmen

hoorden vragen: »maar kunt ge dit waarlijk wel missen?«

* * * * *

In de eerste dagen van Juli begonnen de jobstijdingen over de

mislukking van den oogst in het Wolgagebied te Moskou algemeen bekend

te worden. Iswestia en Prawda bevatten de eerste ontstellende opgaven

over den omvang van den misoogst, vele partijgenooten spraken er over

met angst in hun stem en bezorgdheid in hun oogen en een hunner, een

vrouwelijke propagandist zeide tegen mij: »dit is de genadeslag. Ons

volk is uitgeput, het kan niet meer volhouden; het zal tegen ons

opstaan uit wanhoop. Enkel zoo in den loop van den winter de

proletarische revolutie in Midden-Europa zegeviert zullen wij ons

kunnen handhaven; in dat geval zal een nieuwe golf van geestdrift en

hoop door de massaas gaan; zij zullen bereid zijn nog verder voor het

communisme te lijden.«[3] In 't algemeen echter kreeg ik den indruk,

dat de beteekenis van de ramp in het zuidoosten, tot de meesten met

wie ik erover sprak, gewone partijgenooten, nog niet geheel was

doorgedrongen. Wat de leiders aangaat, zij wachtten blijkbaar tot na

den afloop van het communistisch congres, om met de buitenlanders een

plan van internationale aktie te beramen. De maatregelen, die in

Rusland zelf zouden worden genomen, begonnen juist bekend te worden,

toen ik Moskou verliet. Kolontay sprak mij over de Alrussische

commissie voor hulp aan het hongergebied; het verdroot haar, dat

daarin burgerlijke, antisowjet-elementen zoozeer op den voorgrond

traden. Zij met haar prachtig geloof aan de onuitputtelijke kracht der

massaas betreurde het, dat de regeering niet allereerst een beroep had

gedaan op het initiatief en de solidariteit van het volk. Reeds de

naaste toekomst zou leeren, dat zij én wat de onbetrouwbare gezindheid

van de meerderheid der burgerlijke commissieleden én wat de

broederlijke offervaardigheid der massaas aanging, zich niet vergiste.

Wat natuurlijk niet wegneemt, dat Lenin gelijk had, den goeden wil van

het Sowjetbewind, om met alle burgerlijke elementen samen te werken,

te demonstreeren.

De eenige man van gezag, die geheel open en zonder terughouding tot

mij sprak over den misoogst in het Wolgagebied en zijn gevolgen, was

Maxim Gorki. Van hem vernam ik voor het eerst, dat er toen reeds

vreeselijke nood heerschte in Samara, Saratow, Simbirsk en andere

provincien. Vernam ik de droevige waarheid over de afmetingen der

cholera-epidemie en de paniek onder de bevolking der geteisterde

streken. Hij schudde mij wakker en deed mij beseffen dat voor de

organisatie van een groote hulpaktie onder de massaas van West-Europa

te werken, nu de eerste plicht was van elken communist.

* * * * *

De groote behoeftigheid van het russische volk, het groote tekort aan

voedsel en kleeren is,--niemand die in Rusland was, kan er aan

twijfelen,--de meest algemeene oorzaak van de veel voorkomende

korruptie en de betreurenswaardige overwoekering der samenleving door

de bureaukratie. Natuurlijk spelen andere bijkomstige oorzaken ook een

rol, maar het feit, dat, waar één paar schoenen beschikbaar is voor

vijftig paar slecht geschoeide of ongeschoeide voeten, een dubbele en

driedubbele kontrole waken moet, dat dit eene paar schoenen ook

werkelijk de voeten bereikt, die het langst ongeschoeid zijn geweest

of het meest hebben geloopen in dienst van de sowjetrepubliek,--dit

feit dringt zich op aan elk niet door haat of wantrouwen beneveld

oordeel. Insgelijks dat de bezitters van al deze voeten het mogelijke

zullen doen om te bewijzen dat hún nood het grootst is en hun

aanspraken op schoeisel het klemmendst zijn. En wie niet uitblinkt

door een hooge mate van onzelfzuchtigheid en rechtvaardigheid, dat is,

wie niet behoort tot de uitzonderingsmenschen, zal de verleiding niet

kunnen weerstaan om, zoo hij in een der vele kontrole-instellingen

»vrindjes« heeft, te pogen door hun hulp het zoozeer begeerde paar

schoenen machtig te worden. Zoo is de behoefte de moeder van intrige,

gekonkel, nijd, baantjesjagerij en bederf. En wat voor de kleeding

geldt, geldt natuurlijk in nog hoogere mate voor het voedsel. Eten

moet de mensch: uit den tijd der distributie kan ieder Hollander zich

nog herinneren welk een obsessie het denkbeeld, meér voedsel machtig

te worden dan waarop men recht heeft wordt, zoodra de toegemeten

hoeveelheid kwantitatief en kwalitatief als onvoldoende wordt gevoeld.

Daarom hebben in Rusland thans alle instellingen, waar uit den aard

der zaak het voedsel iets overvloediger en beter van kwaliteit is,

zooals scholen, zuigelingen- en kindertehuizen, enz. een

aantrekkingskracht voor hongerige magen, te vergelijken met die, welke

de kelken van lelies of andere honingrijke bloemen in een bloemen-arm

jaar hebben voor de bijen. In al dergelijke instellingen stroomen de

hulpkrachten toe, zij zijn aanwezig vaak vér boven het aantal, dat

werkelijk noodig is; de persoonlijke arbeidsprestatie zinkt en de

dagdieverij burgert zich in. Dergelijke verschijnselen zijn, hoe

betreurenswaardig ook, eenvoudig onvermijdelijk zoolang het

voedsel-tekort blijft nijpen; enkel de terugkeer van normale

verhoudingen, dat is van verhoudingen, waarbij genoeg voedsel

beschikbaar is voor allen, die willen werken, kan ze doen ophouden.

Een ergerlijker en minder vergeeflijk korruptie-verschijnsel is de

voortdurende groei van de bureaukratie, het steeds toenemen van het

aantal sowjetambtenaren (in de eerste plaats vrouwen) die in ruil voor

vrije voeding en een kleine geldelijke toelage, een minimale

arbeidsprestatie vervullen. Men behoeft maar een of twee

sowjet-bureaux gezien te hebben om te weten dat wáár is, wat

»iedereen« over het uiterst sloome arbeidstempo in deze broeiplaatsen

van luiheid weet te vertellen. Er is tijd te veel en werk te weinig;

ook vaak een bedroevend gebrek aan hart voor het werk, aan toewijding

en gemeenschapszin. Honderdduizenden handen die produktief werk konden

en behoorden te verrichten, doen niets als wat half noodig of onnoodig

schrijfwerk, dat den bureaukratischen rompslomp nog vermeerdert en den

ingewikkelden toestel der administratie met nieuwe radertjes belast.

Het vraagstuk hoe de sowjet-bureaukratie te vereenvoudigen en het

aantal ambtenaren te verminderen hield vele hoofden te Moskou, waar

het centrum van het euvel is, in den afgeloopen zomer bezig. Men

hoopte, dat de vrijlating van handel en kleinbedrijf automatisch

gunstig zouden werken, doordat het vooruitzicht op grooter verdienste

in den handel of de kleinindustrie een aantal ambtenaren er toe zou

brengen, aan den staatsdienst den rug toe te keeren. Men sprak ook van

een beperking van het aantal ambtenaren van hoogerhand.

Echter, bedenkelijker nog dan het feit op zich zelf van de

overwoekering der sowjet-republiek door de bureaukratie, ofschoon

daarmee nauw verbonden, oordeelden de beste partijgenooten dit andere

feit te zijn: het op groote schaal binnendringen van bureaukraten en

baantjesjagers in de communistische partij zelve.

Gedurende de eerste jaren der revolutie was de communistische partij

niet enkel de politieke motor, maar ook de moreele ruggegraat der

revolutie geweest. De heldenmoed, de werkdrift, de grenzelooze

toewijding en zelfopoffering der communisten hadden de

sowjet-republiek herhaaldelijk gered in desperaat schijnende

omstandigheden, zooals een geniaal geneesheer een zwaar zieke telkens

opnieuw door een gevaarlijke crisis haalt. Maar in den ongelijken

strijd tegen het wereldkapitaal waren tienduizenden der besten

gevallen, andere duizenden geveld door de typhus, door overwerk

gesloopt. Hun plaatsen waren ingenomen zeker ten deele door nieuwe

geestdriftige proletariërs, vol verlangen hen die heengegaan waren te

volgen op het roemvolle pad, maar jong en zonder ervaring. Echter ook

anderen waren toegestroomd: niet weinigen uit de rijen der arme

boeren, onder dezen waren zeer waardevolle elementen; maar meerderen

uit die der sowjetbureaukratie, den nieuwen middenstand, voor een

groot deel uit den ouden gerekruteerd. Men had ze niet verwijderd

kunnen houden. De gapingen in de gedunde gelederen waren gemakkelijk

aangevuld geworden, ja meer dan dat: in getalsterkte was de partij

gegroeid. Maar zij was achteruit gegaan in innerlijke kracht, in

eenheid, in zuiverheid en in idealisme, in al datgene wat haar in

staat had gesteld haar taak zoo schitterend te volvoeren. Van de

nieuwe leden waren vele tot haar gekomen uit eigenbelang, in de hoop

op voordeel of vrijstelling van bepaalde lasten. Zij gebruikten de

partij als een werktuig van hun eerzucht en hun eigenbaat. Op tal van

plaatsen beheerschten deze soort »nieuw-communisten« de partij reeds;

de oude garde, voor zoover zij nog leefde, morde; eerlijke beproefde

proletariërs voelden zich verbitterd in hun hart en smadelijk

achteruitgezet door de kersversche communisten van het

sowjet-intellekt; er waren kloven en scheuren in de partij geslagen;

er was de groep, die zich arbeiders-oppositie noemde, zelfs waren er

een of tweemaal pogingen tot afsplintering, tot vorming eener nieuwe

communistische partij geweest.

Over al deze dingen en wat er mee samenhing werd door russische en

buitenlandsche communisten gedurende het kongres veel gesproken,

wanneer zij vertrouwelijk bijeen waren. Wie ze wist en de beklemming

van dit weten ondervond, stond met gemengde gevoelens bij de

diagrammen op de tentoonstelling van de Commintern, die den snellen

groei der partij sedert 1918 en het bereikte hoogtepunt van meer dan

700.000 leden aangaven.

Maar toen ik de laatste maal, kort voor mijn vertrek, voor dat diagram

stond, dacht ik weer met meer vertrouwen aan de toekomst der partij.

Het besluit van het centraal-comité was juist bekend geworden dat een

»nieuwe registratie« voorschreef, gelijk reeds een paar keer voordien

was geschied. Ditmaal echter zou de zuivering grondig zijn; er werd

beweerd, dat de partij zich van ongeveer een vijfde van haar leden zou

ontdoen. De voorwaarden der nieuwe inschrijving waren opzettelijk zóó

gekozen, dat zij voor in de laatste jaren toegetreden intellektueelen

en sowjetbeambten veel strenger waren, dan voor gewone arbeiders. Wie

deelgenomen hadden aan spekulatie en dergelijke oncommunistische

praktijken zouden van de ledenlijst geschrapt worden, zoo zij

burgerlijken waren; voor proletariërs werden kleine vergrijpen door de

vingers gezien. Het effekt van dit besluit tot reiniging der partij

werd onder de vooraanstaanden zeer verschillend beoordeeld, al naar de

beoordeelaars optimisten of pessimisten waren. De eenen zagen de

partij reeds hersteld in haar oude innerlijke kracht en tot nieuwen

luister herboren; de anderen zeiden mistroostig, dat het proces van

bureaukratizeering waarschijnlijk te ver voortgeschreden was, dan dat

herstel mogelijk zou zijn. De partijmachinerie was in de macht der

bureaukratie geraakt; zij zou de uitvoering van den maatregel weten te

beletten of dien saboteeren. Of tot deze uitvoering intusschen

geschreden en hoe zij verloopen is, weet ik niet met zekerheid[4]. Ik

voor mij blijf vertrouwen dat de leiders der partij, in samenwerking

met het waarlijk communistische arbeiders- en boerenelement, er in

zullen slagen het euvel meester te worden, dat de partij bedreigt. En

een der goede kanten van de mislukking der samenwerking van het

Sowjetbestuur met de vertegenwoordigers der groote russische

bourgeoisie in de bestrijding van den hongersnood lijkt mij het

hervonden inniger verband met de volksmassaas, van die mislukking

onafscheidelijk. Van onderen moet de kracht komen, die de partij met

nieuw zuiver bloed verrijkt.

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 11 / 43 题