HET UITZICHT DER DINGEN.

Zoo de lezers van dit boekje de onzinnige verwachting mochten

koesteren, hierin »de waarheid over Sowjet-Rusland« te vinden, dan

waarschuw ik hen nu meteen, dat zij teleurgesteld zullen worden. En

zoo ik zelf met iets van een dergelijke dwaze verwachting naar Rusland

ging, dan ben ik daarvan in Moskou grondig genezen.

Wat is dan toch wel »de waarheid« over Sowjet-Rusland, die ik had

moeten mee naar huis brengen? Een wel-onderlegd, omvangrijk weten,

omtrent wat? Omtrent alles? Alle toestanden, verhoudingen en

verschijnselen in een oneindig groot rijk, waarvan de grensgebieden in

uiterst gebrekkige verbinding staan met het centrum? Of is het enkel

de waarheid omtrent Moskou, die mijn lezers verwachten? Maar Moskou is

Rusland niet, noch de spiegel daarvan! Integendeel, in vele opzichten

moet, dunkt mij, Moskou een averechtsch beeld van Rusland geven.

Of is het misschien enkel »de waarheid« over eenig bepaald punt, die

minder veel-eischende lezers hopen te vernemen? Over de armoede? Over

den honger, den gezondheidstoestand, de prostitutie? Over de

arbeidsprestatie en de stemming der arbeiders? Over de tcheka en de

terreur? Over opvoeding en onderwijs?

Over geen enkel van deze of andere punten zou ik durven beweren »de

waarheid« in pacht te hebben. Over geen enkel van deze punten kan ik

met zekerheid zeggen: »Zoo en zoo is de toestand in Rusland of zelfs

in Moskou«. Wie, na een verblijf van eenige weken in een reusachtig

land, waarvan bijna geen enkele vreemdeling, die er voor het eerst

komt, de taal voldoende verstaat, om een gesprek tusschen Russen te

kunnen volgen, en waar de geheele samenleving zich bevindt in een

toestand van uiterst labiel evenwicht, van desorganisatie, verval en

ontbinding aan den eenen kant, reorganisatie, groei en binding aan den

anderen--durft beweren, »de« waarheid omtrent eenig bepaald

verschijnsel te kennen, die bedriegt zichzelf of anderen. Hij zal het,

bij een eerste bezoek, op zijn hoogst zoover brengen dat hij iets van

de waarheid benadert, een paar tonen opvangt en begrijpt van haar

ingewikkeld symphonisch weefsel, een paar glinsterende korrels opraapt

van haar opgehoopte goudbergen.

Laat ik, om geen indruk te wekken van valsche bescheidenheid, hier

dadelijk aan toevoegen, dat ik mijzelf reken onder hen, wien het

gelukt is een paar tonen waarheid op te vangen, een paar korreltjes

waarheid op te rapen. En dit op grond hiervan, dat ik marxistisch

denk, revolutionnair voel, en eenige kennis bezit van de geschiedenis

van het russische volk.

Wie burgerlijk denkt en kontrarevolutionnair voelt, die zal in Rusland

geen korrel waarheid oprapen, al doorkruist hij het groote rijk in

alle richtingen, jaren lang. Zijn kontrarevolutionnaire gezindheid

sluit hem hermetisch van de waarheid af. Hij ziet enkel de hardheid,

de armoede, de armzaligheid van het leven onder de proletarische

dictatuur; de verschijnselen, die zijn als een stijve korst om het

nieuwe worden, om het warme, zachte, lenige begin. Hij ziet enkel het

hinderlijke tekort, niet de bizondere waarde van het weinige wat

bereikt werd, omdat dit bereikt werd ondanks zeer ongunstige

omstandigheden en met behulp van het initiatief, de scheppende energie

der massaas.

Wie naar Rusland komt, zonder de geschiedenis van het russische volk

onder het tzarisme en de geschiedenis der laatste jaren te kennen, wie

niet in zich draagt dat weten als algemeene synthese, het weten van

het regiem van den knoet, van de onkunde en het bijgeloof, van het

revolutionnair ontwaken en den revolutionnairen strijd, de ontzaglijke

verwachtingen, de herhaalde ontgoochelingen, de smart en de

bloedoffers en de tranen en al de inzinkingen en oplevingen en al de

spanning en overspanning; wie niet elke kleine ervaring, elk nietig

voorval, elke inlichting hem verstrekt, kan zetten in het licht van

een algemeen begrijpen, die behoeft niet te probeeren, ook maar één

korreltje van de waarheid over Sowjet-Rusland op te rapen... het zal

hem niet lukken. Enkel aan wie het bizondere ziet in het licht van het

algemeene, in het oogenblikkelijke den maatgang voelt van een algemeen

worden, enkel aan hen, die het naderen met inzicht en sympathie, geeft

Sowjet-Rusland iets van zijn schatten. Want dat iets, die korreltjes

waarheid, zij zijn schatten van groote waarde. Zij maken ons zeer rijk

aan smartelijk geluk, zij openbaren ons, in vlammende scherpte, weer

die wonderbaarlijke worsteling der menschheid om naar omhoog te leven,

die worsteling waar niemand van weet, noch in welke diepten zij begon,

noch tot welke onzichtbare toppen zij heenvoert.

* * * * *

In den beginne viel Moskou mij erg tegen; ik had zooveel gehoord en

gelezen van de schoonheid der stad en ik vond haar rommelig,

oninteressant en onharmonisch, behalve dan natuurlijk het betooverende

Kreml in zijn eigendommelijke, met niets ter wereld te vergelijken,

byzantijnsch-italiaansche pracht. De straat waar wij logeerden,

Twertskaja Oelitza, had niet de minste bekoring, zij was rauw en

banaal tegelijkertijd en een enkel mooi oud kerkje deed vreemd en

bijna misplaatst aan tusschen de groote leelijke steengevaarten.

Maar, nadat ik een tijdje in Moskou geweest was, voelde ik de stad mij

aan het hart groeien, en toen ik wegging, scheidde ik haast even noode

van haar als van de vrienden, die ik er weergevonden of gekregen had.

De schoonheid van Moskou dringt zich niet onmiddellijk op; zij

overweldigt u niet plotseling. Zij ligt niet voor u gereed in een

omsloten beeld, zooals bijvoorbeeld de schoonheid van Reval. Men moet

haar zoeken en opspeuren tusschen de disharmonieën van den oneindigen

baaierd van straten, tusschen de brutaal-moderne dor-zakelijke

skyscrapers en de nog veel verfoeilijker, monsterlijke paleizen »in

oud-russischen stijl« der ploertige kooplui. In de stille zijstraten

is zij te vinden, waar de kleine, blanke huizen van een of twee

verdiepingen schuil gaan in hun krans van groene tuinen; de oude

liefelijke kapellen en kerken omhangt zij, die in stille, afgelegen

hoekjes, sommige klein als kinderspeelgoed, staan. Zij glanst u tegen

in het licht dat in de onvolprezen Junimaand, die wij te Moskou

doorbrachten, vol afwisseling van zwervende wolkschaduwen en

stralenden zonneschijn was.

Naar den maatstaf van een West-Europeesche stad, maakt Moskou zeker

een vervallen indruk. Bijna alle huizen zijn wit of lichtkleurig

gekalkt; de kalk die men daarvoor gebruikt is, naar men ons meedeelde,

van slechte kwaliteit en brokkelt al na een paar jaar af. Men moet dus

aldoor repareeren, maar sedert het begin van den oorlog was dat niet

gebeurd; men begrijpt met welk resultaat. Triest doen ook de vele

half-gesloopte houten huizen aan, slachtoffers van het gebrek aan

brandstof; ook tamelijk veel steenen huizen zijn afgebroken of

ineengestort; hier en daar werd het puin opgeruimd, elders bleef het

liggen. Weken, maanden of jaren? Ik weet het niet. Muren, door vele

kogels geschonden; vensters, die niet anders zijn dan gapende zwarte

gaten, vindt men op vele plaatsen in Moscou; sommige straathoeken en

kruispunten vertoonen nog geheel het tragische beeld van den morgen,

volgend op den dag van een volksopstand. In de Bolschaja Nikitskaja

staan twee hooge moderne huizen met balkons van gegoten ijzer, van

wier gevels niets over is als een naakt geraamte van ijzer en steen.

Een droevigen indruk maakt ook de verlatenheid van groote bouwwerken,

huizenblokken of fabrieken, voor den oorlog of althans voor de

revolutie begonnen. Wegens gebrek aan materiaal heeft men den bouw

moeten staken: skeletten die nooit geleefd hebben, bouwvallen, die de

tijd met zijn gaven niet verrijkt, verzacht noch getooid heeft, staan

de doellooze rompen in triestige verlatenheid. Zij wekken wrange

gedachten, want er is woningnood in de stad; er zijn nog veel slechte,

ongeschikte woningen, die men niet onbewoonbaar kàn verklaren omdat

men geen andere heeft.

Men kan geen wandeling maken door Moskou zonder te merken, dat het

regelmatig proces van aanbouw en onderhoud der stad sedert jaren zoo

goed als onderbroken is. En men went er aan, dit op te vatten als een

onderdeel van de algemeene stremming in de productie, die op haar

beurt een onvermijdelijk verschijnsel in de sociale revolutie is. Op

welke wijze, door welke middelen, de groote achterstand op het gebied

van aanbouw en onderhoud van woningen, een achterstand die

waarschijnlijk in alle russische steden bestaat, ingehaald zal kunnen

worden, ook dat is een onderdeel van het algemeene vraagstuk, hoe

Sowjet-Rusland zijn diepe uitputting te boven zal komen.

Vuil was Moskou niet. De straten werden goed schoongehouden, de

»hoopen vuilnis« waarover burgerlijke bladen in Europa af en toe

sensatieverhalen opdisschen, zag ik nergens, ook niet op de

binnenplaatsen der huizen, waar ik toevallig kwam. Een bulgaarsche

doktores, die een speciaal onderzoek naar de hygiënische dingen

instelde, vertelde mij, dat de rioleering goed in orde was. Dat de

waterleiding niet te vertrouwen was, wist iedereen. Waarschuwingen, om

geen ongekookt water te drinken, hingen op tal van plaatsen door de

geheele stad. In de kongreszalen en op de arbeidersvergaderingen die

ik bezocht, werd overal gekookt water beschikbaar gesteld. De

voortdurende zorg van het volkscommissariaat voor gezondheidswezen

voor de sociaal-hygiënische opvoeding der massaas bevond ik nog

intenser en omvattender te zijn dan ik mij, na alle berichten

dienomtrent, had voorgesteld. Sprekende gegevens, treffende diagrammen

en teekeningen van den bouw van het menschelijk lichaam, van de

vijanden die het bedreigen, van de verwoestingen der tuberculose en

andere ziekten, afbeeldingen van alle mogelijke bacillen en mikroben

waren in de uitstalkasten der sowjetwinkels tentoongesteld, alles

voorzien van duidelijke verklarende bijschriften. Op weg van het Hotel

naar het Kreml kwamen wij dagelijks zoo'n winkel voorbij; er stonden

altijd menschen van elken leeftijd en elken stand: jonge arbeiders,

soldaten, sowjet-mamsels, boeren, vol aandachtige belangstelling te

kijken en te lezen, soms een geheele rist. Al die platen en diagrammen

werden telkens vernieuwd; zij getuigden van den vasten, verlichten

wil, om bijgeloof, domheid en vuilheid te bestrijden en het volk

begrip van hygiënische levensvoorwaarden bij te brengen. Het kan dunkt

mij niet anders, of dit voortdurende inhameren en inprenten van meer

kennis omtrent de levensverschijnselen en de wijze waarop epidemieën

en ziekten door den eenling en de gemeenschap bestreden kunnen worden,

zal op den duur grooten invloed uitoefenen. Het spreekt vanzelf, dat

deze hygiënische opvoeding door beeld en woord niet enkel geschiedt op

straat, maar overal waar het pas geeft; in alle klinieken,

konsultatiebureaux, sanatoriums, enz. Zoo zag ik twee aardige,

eenvoudige en uiterst begrijpelijke prenten, om jonge moeders te

leeren, hoe ze behooren na te gaan of de flesch voor hun kindje de

goede temperatuur heeft, in een model-instelling voor zuigelingen, die

ik bezocht.

In de zoogkamer hingen naast elkaar een voorstelling van een moeder,

die de zuigflesch aan de lippen brengt en een andere, die ze tegen de

wang aandrukt. Onder de eene stond: »Zoo moet ge niet doen«; onder de

andere: »Zoo is het goed«. Natuurlijk wordt aan de vrouwen die daar

komen, door den dokter en de zusters ook verklaard, waarom het eene

fout en het andere goed is. Het gesproken woord en de voorstelling

vullen elkaar aan en maken te zamen een indruk, die beklijft.

Het spreekt vanzelf, dat Sowjet-Rusland in vele opzichten op

hygiënisch gebied zeer ten achter is bij West-Europa. De taak om het

volk hygiënisch op te voeden, de verpleging van zieken en kraamvrouwen

te organiseeren, is reusachtig. Zij gaat de krachten der

Sowjet-organen heden nog ver en ver te boven. Het ontbreekt evenzeer

aan geschikte personen, als aan stoffelijke hulpmiddelen. Maar de wil,

het streven om alles wat de wetenschap bereikt heeft in het bestrijden

van ziekten, en vooral ook in het kweeken van gezonde menschen met

gezonde kinderen, aan te wenden tot heil der gemeenschap, die wil en

dat streven, zijn in de raden-republiek aanwezig in een mate, zooals

zij het in geen burgerlijken staat kunnen zijn.

Ik had Moskou nooit eerder bezocht en weet dus niet, welk een indruk

de straten vóór den oorlog en de revolutie maakten; het publiek is

natuurlijk veranderd en er zullen meer equipages, auto's en trams

gereden hebben, maar drukker, levendiger, woeliger, kan de stad

moeilijk geweest zijn. Op alle uren van den dag en zelfs van den

nacht, waren de voornaamste straten vol menschen, de meesten

behoorlijk, sommigen zelfs keurig en met zekere elegantie gekleed. Dit

feit op zichzelf weerlegt al de dwaze, telkens weer opduikende

geruchten over de terreur, die te Moskou zou heerschen; ware dat het

geval, dan zou het natuurlijk onmogelijk zijn, dat een talrijk publiek

van mannen, vrouwen en kinderen zich geheel vrij beweegt. Politie ziet

men niet; er schijnt een soort stedelijk politiekorps te bestaan, maar

ik heb maar ééns een politieagent gezien, die onder veel

belangstelling der toeschouwers een straatdief arresteerde, dikke

pakken puilden den man zijn zakken uit. De regeeringsgebouwen en de

ingang naar het Kreml worden bewaakt door de jonge blonde russische

soldaatjes. Een soldaat controleerde ook onze propoesks bij den ingang

van het hotel, een paar soldaten bewaakten de tentoonstellingen; bij

de toegangen van schouwburgen, vergaderingen, enz. staan er insgelijks

een paar op post. Kortom, de soldaten verrichten in Rusland

politiediensten en, voor zoover ik gelegenheid had te zien, doen zij

het rustig, gemoedelijk en goed. De manier, b.v. waarop zij de

opdringende massa terughielden, bij de groote parade op het Roode

Plein, was uiterst taktvol, kameraadschappelijk en toch flink. Eéns

heb ik een soldaat een jongen, die het opdringen niet wilde laten, wat

ruw terug zien duwen; dat is de eenige en ergste ruwheid die ik in

Rusland zag. En ééns heb ik een troepje arrestanten, mannen en

vrouwen, door een afdeeling soldaten zien opbrengen; dat was de eenige

dwang-maatregel, dien ik in die maand zag. Ik was eens toevallig op de

markt, op het uur dat die moest worden gesloten; een fluitje klonk,

een soldaat te paard reed langzaam door de menigte, die mannetje aan

mannetje stond, wenkte met de hand, dat het uit moest zijn met koopen

en verkoopen en in een oogwenk waren de stalletjes en kraampjes

afgebroken, de menschen stroomden uit elkaar. Alles ging bijzonder

snel, rustig en geregeld. Wanneer het russische volk in vele opzichten

nog ordelijkheid, stiptheid en organisatie moet leeren, dan lijkt het

mij toch wel zeker, dat het dit leeren zal.--Ja, die markten in

Moskou. Zij waren nog niet zoo lang heropend, toen wij aankwamen en

waren veel interessanter en, men merkte het onmiddellijk, voor het

leven van het volk oneindig belangrijker dan de winkels. De winkels

werden ook heropend, elken dag kwamen er eenige bij. Maar--met

uitzondering van de koöperaties en de sowjet-winkels--hadden de meeste

iets schimmigs, iets onreëels. Om de behoeften van welke

maatschappelijke groep te bevredigen werden zij eigenlijk geopend? Wat

beteekende in Moskou een heel magazijn vol monsterlijk-leelijke

bloemenvaasjes? Die modieuze hoedjes, en fijne trippelschoentjes, en

dat verdacht-elegante ondergoed,--wie begeerde dat alles in Moskou?

Neen, die winkels waren geen prettig gezicht: men zag schimmen van het

verleden, die men overwonnen had gewaand, herrijzen; men zag het

bestaan van prostituées en weelde-dames en rijke leegloopers weer

gewettigd worden, met de geheele sfeer die ze omgeeft; sfeer van

uitbuiting en roof, van-leegheid-van-hoofd en ruwheid-van-gemoed, van

verveling en corruptie. Men besefte, dat de opening der winkels een

stap achteruit was, een schrede terug naar de verburgerlijking, en dat

veel inspanning, veel strijd, veel energie noodig zouden zijn, om

opnieuw vooruit te komen.

Maar de markten, dat was een andere zaak. Daar leefde en schuifelde,

en schreeuwde en blèrde, daar kocht en verkocht, daar at en daar dronk

het Russische Volk, boeren en kleinburgers en arbeiders. Alles kon men

er krijgen: wittebrood en zonnepitten, suiker en koekjes,

galanterieën, kleeren, naaigerei, antikiteiten zelfs wanneer men maar

veel geld had en dikwijls terugkeerde, zooals sommige

kongresafgevaardigden deden, die door de mogelijkheid van zùlke

koopjes (1000 roebel = 14 cent) als betooverd waren. Het was er warm

en druk en vroolijk en gezellig. Alles voor wie niet nadacht. Wie het

wél deed, meed liever de markten, want hij voelde er den angstigen

twijfel, erger dan elders, woelen in zijn hart. Den twijfel, of het

Sowjet-bewind er in slagen zou, dit ééne te volvoeren, wat geen

dwangmaatregel--hetzij dan de automatisch-werkende dwang van den

honger--te volvoeren vermag: de massaas der stedelijke bevolking weer

aan het werk te brengen. De markten waren zoo vol en gezellig, omdat

de fabrieken en werkplaatsen ten deele ontvolkt waren.

Ook buiten de markten werd op straat veel verkocht, meest

levensmiddelen, als brood, sigaretten, zure en zoete melk, ook wel

veldbloemen en op een paar plaatsen stonden boekenstalletjes. Het

waren meest oude vrouwen en kinderen, die verkochten, terwijl de niet

zeer talrijke bedelaars meest mannen waren, verminkten uit den oorlog.

Opvallend weinig kinderen zag men op straat; toen wij onze

verwondering daarover uitdrukten, zeide men ons, dat bijna alle

stadskinderen op het land waren, in de kolonies. Dat was sterk

overdreven, het waren er 40 %. Maar van elke 100 kinderen 40 weg, dat

maakt natuurlijk al een groot verschil, en dan is, ondanks alle zorg

en inspanning, de kindersterfte hoog geweest in deze jaren van ellende

en het geboortecijfer achteruitgegaan.

Dat er nog talrijke kinderen in Moskou waren, daarvan kon ik mij

overtuigen op een Zondagmorgen toen Kalinina, de inspektrice van alle

instellingen voor kinderen in het goevernement mij inviteerde haar te

vergezellen op een rondrit door de stad. In verschillende wijken waren

dien morgen kinderfeesten georganiseerd; wij hadden moeite genoeg de

plaatsen van samenkomst in publieke tuinen, schoolgebouwen, enz. te

vinden; het groote Moskou is een ware doolhof van straten en stegen en

de tawaritsch-bestuurder van onze auto was pas voor kort uit Petrograd

aangekomen. De aardigste plaats van samenkomst was in den zoölogischen

tuin; de kinderen, in groepen verdeeld en met hun geleidsters,

dribbelden vergenoegd rond en keken naar de watervogels in de vijvers,

in afwachting dat ze allen samen naar het feestlokaal zouden trekken.

Eén meisje, dat haar makkertjes verloren had, zat op een bank

erbarmelijk te huilen--het eenige huilende kind, dat ik in die vier

weken in Moskou heb gezien. Russen schijnen zacht tegen kinderen en

teeder. Veel teederder dan Hollanders of Duitschers. De groote liefde

en ontroerende zorg der sowjet-organen voor de kinderen, is niet iets,

dat van boven af gemaakt of bevolen wordt; het is een uitdrukking en

uitvoering van den algemeenen volkswil. Hoe dikwijls erger ik mij in

Holland aan het ongeduldige, ruwe optreden van

moeders-met-veel-kinderen, op reis in een derde klas. Humeurig,

onophoudelijk verbieden, en als dat niet helpt, heen en weer schudden,

een duw en een stomp--alles erg begrijpelijk bij oververmoeide,

overprikkelde arbeiders- of burgervrouwen. Maar daarom toch erg weinig

beminnelijk. Iets dergelijks zag ik in Moskou niet[1].

»De kinderen zijn de bloemen des levens«, deze bekoorlijke spreuk

staat niet enkel aan den ingang van vele kindertehuizen en kolonies

geschreven, zij leeft in het hart van het volk. Misschien meer dan

ooit in deze jaren, nu het leven zoo ontzettend hard, zwaar en

tragisch is geworden. Misschien is het de behoefte, zich zelf te

troosten over de ontberingen, de bitterheid der ontgoochelingen en de

altijd weer nieuw aanstormende smarten, die maken, dat het russische

volk zich met zooveel hartstocht werpt op alles, wat kinderen gelukkig

kan maken en op kinderen betrekking heeft. Waar ter wereld, behalve in

Rusland, bestaat een museum van kinderspeelgoed? Wie zou het voor

mogelijk houden, dat een mensch er onder de stormen der revolutie zijn

levenstaak van maakt, al dat oude of moderne, karakteristieke of

banale gerei, uit het heele rijk bij elkaar te sleepen?

»Misschien voelt men gedurende een aardbeving juist het eerst de

behoefte om de vlinders te redden«, zei glimlachend tegen mij de man,

die dit onwaarschijnlijke volbracht had. Vol animo en liefde liet hij

ons de bijeengebrachte schatten zien, vertellend en verklarend, en

toen om twaalf uur de eerste kleine bezoekers kwamen, gleed een glans

over zijn gezicht.

»'s Zondags is het hier vol kinderen; ze komen alleen, zonder geleide,

en zeggen: »dit is ons museum«. Wij hebben ook een werkplaats, waar

het oude boerenspeelgoed gerepareerd en modellen vervaardigd worden«.

Het »museum voor kinderspeelgoed«, ver weg op een afgelegen boulevard

ingericht, is een plek vol teedere troost voor het hart in het

rumoerige, ontredderde Moskou. Maar er is een andere plek, waar troost

van uitgaat en vrede van hoogere orde, vol plechtige wijding en toch

rustig en mild. Er is een plek, waar men voorbijkomend, altijd weer

gestemd wordt op den toon van eerbied voor de besten der menschen, van

liefde voor hun gouden hart. Die plek is het groene gazon, dat aan den

rechterkant van het uitgestrekte Roode Plein loopt, langs den muur van

het Kremlin, waar de gemeenschappelijke graven zijn der martelaars van

de revolutie en waar ook John Reed en Swerdloff begraven liggen.

Bloemen zijn schaarsch te Moscou--behalve de veldbouquetten, die

meisjes van buiten te koop aanbieden. De bloemenwinkels zijn haast

leeg, de perken in de openbare tuinen armzalig. Enkel op het square

voor het groote Theater was er wat meer werk van gemaakt. Maar de

mooiste bloemen, die ik te Moskou zag, zijn die staan op de graven der

gevallen strijders; veelkleurige violen, reseda, leeuwenbekjes, alles

fleurig en frisch. De bloemranden en perken werden daar geregeld

begoten, de gazons zorgvuldig onderhouden als nergens anders in de

heele stad. Evenwijdig met het gazon vlak onder den hoogen

Kremlin-muur vol kogelgaten, loopt een beschaduwd weggetje. Daar is

altijd koelte en lommer, zacht geritsel van bladeren en vogelgekweel.

Op de banken zitten jongens, verdiept in hun boek,--men ziet veel

lezende menschen in Moskou--, koetsiers, die op een vrachtje wachten,

soldaten en jonge arbeiders-moeders, kijkend naar hun spelende

kinderen. Waarlijk aan het hart van het volk zijn deze dooden gebed;

waarlijk leven zij in zijn hart; waarlijk staan zij op door zijn

gedachte; waarlijk groeien zij mee met den groei van het leven in de

worstelende stad.

Haast elken dag liep ik dat weggetje onder den Rooden Kremlin-muur, de

vier weken lang, die ik te Moskou doorbracht. Alleen of met kameraden.

In den zonnigen morgen naar de vrouwenconferentie of het kongres,

terug in den zilverblanken avond. Van Twerskaja recht op het

kapelletje toe dat met zijn altijd brandend lichtje staat voor de

Iberische poort, en waarin voortdurend oude vrouwen en baardige boeren

staan te bidden, onbewust van de waarschuwing, links boven hen op den

muur geschreven: »de godsdienst is opium voor het volk«. Dan de poort

door en meteen rechtsaf, aan het monument van John Reed voorbij, langs

den kogeldoorschoten Kremlin-muur. Over het Roode Plein aan mijn

linkerhand razen de auto's en zware vrachtwagens; zij brengen de vele

afgevaardigden naar de kongreszaal, die het loopen schijnen te haten

of te vreezen. Waarom? Ik begrijp het niet. Hier is het stil en koel,

elken dag gaan nieuwe bloemkelken open, zonnestralen flitsen door het

flappend, wuivend eschdoornblad. Als wij terug komen van het kongres,

is de zon onder en de bloemen slapen. Hoe heerlijk is die wandeling

dan! Eerst langs het wijde terras van het vroegere keizerlijk paleis,

waar het uitzicht opengaat op de rivier, het westelijk deel van de

stad en de Musschenbergen. Dan langs de twee mooie Byzantijnsche

kerken met haar oude frescoschilderingen van Madonna's en Heiligen,

onder de eerste poort door, waar de wacht staat, die de propoesk's

controleert, als men het Kremlin binnenkomt, en onder de tweede, waar

de kontrole is voor de uit het Kremlin komenden. En dan weer het pad

langs de graven, waar op de banken, stilletjes opdeinend uit de

schemering, nu geen moeders zitten, maar verliefde paartjes.

Schoonheid was daar altijd, de gedachte aan het bittere verleden, aan

het tragische heden en de ongewisse toekomst, maakten het hart niet

onrustig en stoorden zijn vrede niet.

En nu ik dit schrijf, in den grijzen najaarsdag op mijn stille kamer,

voel ik tusschen het verlangen dat herinnering altijd opwekt, weer in

mij den grooten, sterken vrede, dien ik zooveel malen voelde, gaande

het pad langs de groene graven der helden, dat loopt evenwijdig met

den Kremlin-muur.

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 8 / 43 题