In Berlijn begon de geduldproef: ettelijke honderden afgevaardigden
van verschillende landen, communisten, roode vakbonders en roode
jeugd, waren daar verzameld. Allen wilden naar Moskou voor de
kongressen, maar het gelijktijdig overbrengen van zoovele pelgrims
ging niet gemakkelijk. Men moest wachten op passen, visa,
reisgelegenheid,--dagen lang, somtijds weken. En het wachten verdroot.
De tropische hitte in de ontzaglijke steenwoestenij, die Berlijn is,
matte af en enerveerde. Daarbij kwam de innerlijke onrust. Allen
voelden haar; het meest zij, die voor de eerste keer gingen. Tusschen
hen en het doel hunner wenschen lagen talrijke kwade kansen. Nog
minder dan een gewoon mensch, is een communist ooit zeker, werkelijk
te komen, waar hij komen wil.
Berlijn was als een oven in die dagen; een paar maal ratelde het
onweer door de straten en gudste de regen, maar die buien brachten
geen verkoeling en weldra brandde de zon weer als te voren.
Op het weeke asfalt, tusschen de gloeiende steengevaarten, stonden of
zaten de oorlogsinvaliden met hun bedelnap, het opzij-gesmeten
wrakhout van den grooten oorlog. Velen hadden hun standplaats aan den
hoek van een straat of voor den ingang der groote warenhuizen, anderen
onder de spoorwegbruggen van de Stadtbahn, waar de treinen
onophoudelijk overheen donderen. Het aangrijpendst zijn die met de
doode oogen; hun beeld laat u niet los. Eén paar van zulke
menschelijke wrakken is mij vooral bijgebleven. De een, een blinde,
bespeelt een soort miniatuur-orgeltje; zijn handen glijden over de
toetsen, zijn beenen maken onophoudelijke, gejaagde trapbewegingen.
Naast hem staat zijn makker, die zien kan en fiedelt. Een allerliefst
gezicht heeft de vedelaar, zacht, gevoelig en melancholisch, een
gezicht om nooit te vergeten. En allebei zijn ze zóó jong, zóó
jong.... Je hart krimpt ineen als je denkt hoelang ze nog kunnen
leven, hoe lang nog staan spelen onder de spoorwegbrug, het geluid van
hun spel verloren gaande in het geratel der treinen.
Ik zou het aantal dier invaliden met een vaste standplaats niet durven
schatten; het zijn er honderden en honderden, en zij vormen slechts
een klein deel van het totaal. De meesten trekken rond, in troepjes,
van straat tot straat en van huis tot huis; op de binnenplaatsen der
groote woonkazernen zingen ze een lied en wachten of barmhartige
menschen hun uit een der vele vensters daarboven wat zullen toewerpen.
Mijn Wirtin, de weduwe van een goed strijder in de oude beweging,
zegt: »de meeste arbeiders geven iets: een paar groschen, een stukje
brood. Meer kàn men niet geven; er komen er te velen, soms den
geheelen morgen achtereen. De bourgeoisie geeft dikwijls heelemaal
niets. Ach, wat een ellende«. De tranen schieten haar in de keel. Mijn
Wirtin is zelf een gebroken stakkerd. De oorlog heeft haar den man
geroofd en den oudsten zoon. De man, die een hartkwaal had, kwijnde
weg; de zoon bezweek in een veldhospitaal in Frankrijk aan een hevige
longontsteking. Hij was sterk, vroolijk en begaafd, de oogappel zijner
moeder. De tweede zoon, een zachte, zwakke jongen met een gezicht als
een meisje, een geboren idealist en pacifist--»ik heb op niemand
geschoten«, verzekert hij mij en ik voel, dat hij waarheid spreekt--,
kreeg óók longontsteking, in Rusland. Op een open slede moest de zwaar
zieke worden vervoerd. Hij is er nooit geheel bovenop gekomen. »Toen
mijn broer dood was, heb ik aan mijn moeder gezworen, dat ik niet weer
terug zou gaan«, vertelt hij; »ik wist, dat ze krankzinnig zou worden
van verdriet, zoo ze mij ook nog moest verliezen.« Een heelen winter
lang verborg hij zich thuis; bij een klopjacht op deserteurs werd hij
gevonden, meegenomen en voor den krijgsraad gebracht. Hij kreeg een
jaar vestingstraf en is gedurende dat jaar chronisch verhongerd.
»Zoo'n honger, als wij gevangenen geleden hebben«, zegt hij, met een
hulpeloozen blik in zijn zachte oogen, »dat is iets verschrikkelijks.
Wij voelden niet meer, dat we een buik hadden van den honger«. Vóór
het einde van zijn straftijd werd hij ziek; ondervoeding en pleuris
hebben hem voorgoed een knak gegeven; tot werken is hij niet meer in
staat....
De bedelende oorlogsinvaliden zijn wel het schokkendste verschijnsel
in de Berlijnsche straten, maar daarom nog het droevigste niet.
Misschien zijn dat de vele oude vrouwen, die kranten of bloemen of
lucifers verkoopen, arme oudjes, sjofel maar toch proper in de
kleeren, met oneindig moede, oneindig treurige en oneindig bezorgde
gezichten, geen sprankje meer van protest of hoop in blik en houding,
pathetisch in hun stomme, half versteende gelatenheid. Of misschien
zijn het de jonge kinderen van dertien, veertien jaren, die men 's
avonds bij bosjes tegenkomt--meisjes kan men ze niet noemen, maagden
zijn het niet meer--geblanket en half naakt, cynisch lachend tegen
oude verdorvelingen, die hen tegen zich aandrukken en wier lusten ze
moeten voldoen.
Ja, dat is, geloof ik, wel het droefst van alles; al die jonge levens
te zien, in den knop aangevreten door afschuwelijk bederf en het zelf
niet beseffend.
Zoo was Berlijn; ordelijk en voor den oppervlakkigen blik zelfs
levenslustig, met de bloemenslingers, als in de jaren vóór den oorlog,
weer kleurig afhangend van de balkons der deftige huizen, de parken
welverzorgd als goed gekamde en geschuierde menschen, de uitstalkasten
der winkels weer vol verleidingen van lekker eten en mooie kleeren en
de bierhuizen met muziek, in den warmen avond vol naar verstrooiing
dorstig volk. Maar onder het bedriegelijk masker van levenslust
grijnzen ellende, verarming en ontbinding u allerwegen aan.
Eindelijk, na negen dagen is onze wachttijd ten einde; te Stettin
schepen wij ons in. De groote meerderheid der passagiers zijn
»bolschewiki«. »Was de verhouding in de voornaamste kapitalistische
landen zoo, als zij hier op 't schip is«, zegt onze geleider, »dan had
de revolutie gewonnen spel«. Een internationaal gezelschap zijn wij:
Duitschers, Hollanders, Hongaren, Franschen, Italianen, Spanjaarden,
Grieken en Australiërs. Bij de overige eerste-klasse passagiers zijn
een paar »Baltische baronnen« met hun familie, die naar Estland
terugkeeren. Zij en wij beloeren elkaar met verholen vijandelijkheid.
Als tusschendekpassagiers voert de boot een heel transport duitsche
kinderen mee, onder geleide van een paar verpleegsters op weg naar
Finland, om daar den zomer door te brengen. Alles kinderen van witte
gardisten, die geholpen hebben de finsche revolutie neer te slaan. Een
gelijk aantal finsche kinderen zal de zomervakantie in Duitschland
doorbrengen. Zoo versterkt de bourgeoisie haar banden van
internationale saamhoorigheid.
Welk een bekoring ligt er in zulk een zeevaart, wanneer men, met vele
strijdmakkers te zamen, op weg is naar het land waar het eerste
schemerende gloren der communistische gemeenschap is opgegaan! Velen
van ons hadden elkaar nooit ontmoet, maar men weet van elkaar, men
kent elkaars denkbeelden, men weet, waarin men overeenstemt en waarin
verschilt. Op het dek worden de linnen stoelen uit elkaar gehaald;
gemakkelijk achterover geleund, de oogen gevestigd op de witte kuiven
der aanrollende golven of de strakke lijn der langgerekte eilanden,
waaraan we voorbij varen, beginnen de gesprekken: een zacht, gedempt
praten in groepjes van twee of drie. Men weet nooit, wie aan boord is:
de geleider heeft ons op 't hart gedrukt om voorzichtig te zijn. Op de
boot en ook nog te Reval behooren wij ons zoo te gedragen, dat men zoo
min mogelijk op ons let. Maar zijn raad wordt allesbehalve stipt
opgevolgd. Velen van ons groot gezelschap--er zijn tusschen de vijftig
en zestig »bolschewiki« aan boord--zijn jong, overmoedig en
luidruchtig. Er wordt geschertst en gelachen en luid geboomd en heftig
geredetwist. In Reval gebeuren erger dingen, die den geleider woedend
maken. »Zoo'n ongedisciplineerde bende heb ik nog nooit naar Moscou
gebracht«, zegt hij verontwaardigd. Zijn energiek gezicht met den
nerveuzen mond en de felle oogen vertrekt in toorn.
* * * * *
De russische revolutie heeft noodig verschillende vormen van
zelfopoffering en het bestaan der »groote koeriers« is er ééne, zeer
eigenaardige, van. Een koerier der Sowjet-republiek moet een mensch
zijn met vele bijzondere eigenschappen; hij moet zijn voorzichtig en
beleidvol; hij moet beschikken over takt, geduld en menschenkennis,
een groot verantwoordelijkheidsgevoel, een energie, die alle bezwaren
en belemmeringen enkel ziet als zoovele puzzles om op te lossen, en
een vindingrijkheid, die ze op te lossen vermag; een tegenwoordigheid
van geest, die nooit faalt, ook niet in de meest onverwachte
omstandigheden, en een onverschrokkenheid, die elk gevaar rustig onder
de oogen ziet. Onze geleider bezat al deze eigenschappen in hooge
mate. Van kleinen jongen af aan in illegaal werk--het over de grens
brengen van revolutionaire literatuur--geschoold, was hij sedert de
Oktober-revolutie koerier in dienst der Sowjet-republiek. Hij vervulde
zijn taak met groote toewijding en werkelijk meesterschap. Inspannend
en zenuwsloopend was die taak ook nu nog, ofschoon niet in alle
opzichten te vergelijken met wat zij geweest was in de eerste
bestaansjaren der republiek, toen zijn weg hem vaak voerde door
verwoeste streken tusschen de linies van den vijand heen, de jaren,
toen hij te voet, te paard, per rijtuig, per slede, soms honderden
kilometers afleggen moest. Onder de huidige omstandigheden is de
fysieke inspanning voor de »groote koeriers« tot een minimum
teruggebracht, de zenuwsloopende verantwoordelijkheid echter is erger
geworden, nu zij geregeld de »diplomatieke post« van en naar Moscou
moeten overbrengen, waartoe niet enkel goederen, maar ook menschen
behooren, zooals wij. Wie onze energieke kameraad aan het werk zag bij
vertrek en aankomst te Stettin en Reval om alles te regelen en te
bestieren voor zijn groot »transport«, wie wist hoe hij 's nachts in
den trein, wanneer wij rustig lagen te slapen op onze breede
gemakkelijke bedden, om beurt met een paar anderen de wacht hield bij
de bagage, die verwonderde zich niet over zijn holle oogen, zijn
lichtgeprikkeldheid en zijn nerveuze manieren; die wenschte hem, vol
stille bewondering voor zooveel toewijding en wilskracht, spoedig een
paar weken verpoozing toe in een rusthuis diep in het woud... Maar
misschien had zijn leven hem onontvankelijk gemaakt om de stilte der
natuur te voelen als een weldaad of zelfs om haar te verdragen.
Misschien is zichzelven daarvoor onontvankelijk te maken, het grootste
offer dat zij brengen, die jaar in jaar uit hun werk verrichten in
geroezemoes en gewoel.
Den 7den Juni 'smorgens heel vroeg kwamen wij te Reval aan.
Verrukkelijk lag de diepe, breede baai in de zuivere morgenklaarte en
in het midden der baai rees de stad, een feest voor de oogen,
verrassend door haar half-russischen, half-Europeeschen bouwtrant. De
slanke, sobere torens der Duitsche gothiek boorden de lucht in,
uitrijzend hoog boven de zware goudglinsterende koepels der
Byzantijnsche kerken. De vroegere wallen waren in boulevards en groene
parken herschapen, maar een groot gedeelte van den ouden stadsmuur
stond nog overend, door de massieve, vierkante torens der
middeneeuwsche vestingwerken onderbroken. Daar, waar vlak achter het
marktplein, het oudste stadsdeel op een steilen kegel omhoog rees,
hadden vroegere geslachten den hoogen loodrechten rotswand aan één
zijde als muur gebruikt: boven zijn ongenaakbare steilte troonden de
oude domkerk, de groote nieuwe Russische kathedraal en de vroegere
citadel.
Het schip legde aan; aan de kade stonden de vuile, smalle, verhavende
russische wagentjes met baardige koetsiers in lange jassen. Maar wij
hadden ze niet noodig; toen, een paar uur later, de tijd gekomen was
om van boord te gaan, marcheerden we in groepjes naar Hotel Petrograd,
de zetel der russische missie. De Sowjet-vaan, verrafeld en
verschoten,[1] woei uit van het dak. Het gebouw doet denken aan een
eenvoudig hotel in een of ander afgelegen zwitsersche provincieplaats,
men verwacht de diligence met de postpaarden te zien aanrijden.
Het is bijna geheel door de bureaux der missie ingenomen; logeeren kan
men er niet, maar wel eten, en wij kregen een goed ontbijt voor de
helft van den prijs, dien men ons elders zou hebben afgenomen. Onze
geleider liet geld voor ons wisselen en gaf ons aanwijzingen over het
koopen van proviand voor de reis naar Moscou; verder waren wij vrij om
ons dien dag, zoo goed wij konden, in Reval te vermaken, mits wij
zorgden, 's avonds op den bepaalden tijd aan den trein te zijn.
Reval is vol schilderachtigheden. Het oude stadsdeel is zoo goed als
ongerept gebleven; het is een genot te lanterfanten op het rustige,
wel-omslotene marktplein, of te dwalen langs de nauwe straten en
steegjes met de deftige patriciershuizen uit vroeger eeuwen, of, onder
een der oude poorten door, langs trappen omhoog te stijgen, zoekend
een plaats in de bovenstad, waar het heerlijke uitzicht opengaat naar
de benedenwijken, de haven, de lange kustlijn van de baai met haar
landhuizen en parken, en, ver weg, achter de spiegelgladde baai, de
groote, donkerblauwe zee. De nieuwe stad is heel anders, banaal en
zonder karakter, maar toch behoorlijk op een zomerschen dag, wanneer
de rijkbloeiende lindenlanen op de breede boulevards de lucht ringsom
geurig maken en de groote pleinen fleurig zijn van bloemen en gazons.
Aan de haven is druk vertier van overzeesche booten en vrachtschepen:
de snel toenemende doorvoerhandel naar Sowjet-Rusland brengt er de
stad weer bovenop.
Maar ondanks den toover van het verleden en de bekoring van ligging en
omgeving, is Reval een allerellendigste stad. De moreele atmosfeer is
ondragelijk. Men voelt overal de korruptie, het bederf, dat het
Entente-goud verspreidt. Men ruikt den stank ervan, men voelt de
rustelooze pogingen eener internationale bende schavuiten, om zich
door woeker en bedrog, door het uitbuiten der ellende van
Sowjet-Rusland, te verrijken, als een sterken alom tegenwoordigen wil
om zich heen. Dronkenschap is op straat, in de café's en restauraties
een zoo gewoon verschijnsel, dat niemand er op let; het volk zuipt
gemeenen brandewijn, de rijkaard fijnen franschen wijn of champagne.
Alles is te krijgen in Reval, als men betalen wil. De winkels liggen
propvol met allerlei delicatessen, zuidvruchten, zoetigheden en
weelderig gebak. Een bijzonderheid is het fijne, sneeuwblanke
tarwebrood, uit amerikaansch patentmeel vervaardigd; het wordt overal
aan stalletjes en kraampjes verkocht; een broodje, zoo groot als een
nederlandsch kadetje kost 10 Esthische mark, een chinaasappel veertig
à vijftig, een middagmaal in een der hotels op zijn minst honderd, een
slaapkamer, zoo vies, dat je niet durft rondkijken en vol ongedierte,
175 à 250 mark.[2]
Maar met de Revalsche hotels behoefden wij ditmaal geen kennis te
maken; tegen middernacht vertrok onze trein, en hoezeer apprecieerden
wij, na een dag, die om half vier 's morgens begonnen was, den
geriefelijken Russischen »diplomatieken wagen«!
Wij strekten ons behagelijk neer en sliepen.
Zacht wiegend rijden de russische treinen. Zij hebben niet zoo'n haast
als de onze en maken minder geraas; ook de fluitjes en toeterseinen
klinken gedempter en zachter. Men richt zich in op een reis van eenige
dagen, beschouwt den trein als zijn tijdelijk tehuis, men keuvelt,
drinkt thee, eet en babbelt. Soms stopt de trein in geen uren en als
hij stopt, is het dikwijls aan een klein stationnetje of in 't vrije
veld en voor een lang oponthoud; men kan zich vertreden, bloemen gaan
plukken in de wei, een wandeling maken in het bosch. Dit alles maakt
het reizen in Rusland veel minder vermoeiend dan bij ons; of, om het
nog juister te zeggen, een treinreis van een paar dagen in Rusland
(altijd in de gunstige omstandigheden, waarin wij reisden) rust uit en
ontspant.
Van Narwa, het Esthische grensstation, waar wij den 8sten Juni 's
morgens aankwamen, zal ik mijn leven lang onthouden, hoe erg ik mij er
heb geschaamd. Onze trein zou een uur stilstaan, niet langer. Wie de
stad in wilde, om brieven te verzenden of nog leeftocht te koopen, kon
gaan, mits hij zorgde op tijd terug te zijn. Maar een der poolsche
afgevaardigden naar het kongres, dien ik op de boot had leeren kennen,
lachte om de aanbevelingen van den koerier. »Jawel, ik ken dat; als
men zegt, één uur in Rusland, dan bedoelt men er drie. Gaat u gerust
met mij mee; ik zal u een prachtig uitzicht laten zien op de rivier en
de oude vesting van Peter de Groote.«--»Ja, ik zou graag willen: maar
als we nu niet in tijds terug zijn?«
»Och kom, wat bent u toch angstig: ik heb het, toen ik drie maanden
geleden naar Moscou ging, ook gedaan; we hebben hier toen minstens een
paar uur stilgestaan; u begrijpt toch wel dat alléén het nazien van de
bagage langer dan een uur duurt.« Mijn verleider is een van de meest
invloedrijke leden der Poolsche partij; een man tusschen de veertig en
vijftig, die fransch spreekt als een boulevardier, en er uitziet om
door een ringetje te halen, keurig gesoigneerd en met lichte
handschoenen. Hij heeft een jaar gezeten in de citadel te Warschau,
maar is er, bij gelegenheid van den russischen opmarsch, toen de
politieke gevangenen naar elders werden overgebracht, in geslaagd te
ontvluchten. »Och, een gevangenis is een eigenaardig ding. Als je er
komt, heb je eerst het gevoel van alles afgesneden te zijn, maar na
een poosje merk je, dat ook van daar allerlei draden uitgaan tot de
buitenwereld.«
Geestig en gevat is mijn Pool, vol zelfbewustzijn en zekerheid; het
zou eenvoudig aanstellerig van mij zijn, niet met hem mee te gaan;
daarenboven wil ik dolgraag de brug en de vesting zien. Prachtig is
het gezicht op de rivier, die in een diepe kloof aan onze voeten
schuimt en met een scherpen elleboog ombuigt naar den langen, grijzen
muur der oude vesting. Terwijl wij kijken en bewonderen, vertelt mijn
geleider mij van de gevechten die in deze buurt geleverd zijn; dan
keeren wij op ons gemak door de breede, armoedige hoofdstraat terug.
»Zouden we ons niet wat haasten? Ik vind het toch vreemd, dat niemand
van onze menschen meer hier schijnt te zijn.«--»Alle tijd, alle tijd,
als u soms nog iets wilt koopen... ga gerust uw gang.« Ik koop nog een
paar chinaasappelen, dan gaan wij doodkalm verder, naar het spoor,
waar onze trein staat. Van ver zien wij de kameraden van uit de
raampjes heftige gebaren maken. Zijn die seinen voor ons? Zouden we
toch te lang weggebleven zijn? Ja; ze wenken ons toe, om spoed te
maken en nu we dichter bij komen, hooren we hen schreeuwen in alle
talen »haast je wat«; »schneller«; »allons vite.« We zetten het op een
drafje, klauteren hijgend de treeplank op. »Waar blijven jullie in
godsnaam? Zijn jullie gek?« »Bijna een half uur te laat. De koerier is
woedend, hij wou den trein al laten vertrekken, maar Genosse A, en
Genosse B. en C. hebben gezegd, dat dat niet mocht; ze wilden jullie
niet achterlaten in Estland, en dan zonder pas[3].« Ach, beste
Genossen A. B. en C. wat zijn we jullie dankbaar, dat die dierbare
trein niet zonder ons verder is gestoomd.... Stilletjes neem ik mijn
plaats weer in, maak mij klein in mijn hoekje. Wat schaam ik mij
tegenover den koerier. Zeker zal hij weer met een vloek hebben gezegd,
nog nooit zoo'n ongedisciplineerde bende vervoerd te hebben. Dat de
jongelui wel eens uit den band springen, spreekt vanzelf, maar op mijn
jaren.... Die Polen ook met hun gladde tong; nooit zal ik er meer een
gelooven, al is hij ook zesmaal uit Warschau ontsnapt.... Zoo vliegen
de gedachten door mijn hoofd heen en weer. Ondertusschen staat de
trein nog altijd stil. Zachtjes waag ik het te vragen, waarom we nu
niet vertrekken. »O, toen jullie er toch niet waart, is het personeel
maar gaan theedrinken.« Mijn schaamte begint een beetje te zakken; zij
zakt nog meer, als we vlak voor de grens een poos midden in 't veld
blijven stil staan, om op de russische lokomotief te wachten. Ik
gebruik de gelegenheid, om den koerier mijn verontschuldigingen aan te
bieden; hij lacht, schijnt het geval niet heel erg te vinden. Als we
om 1 uur te Jamburg aankomen en ik hoor, dat we er tot omstreeks
middernacht zullen blijven, word ik weer wat monterder; dat half uur
kwam er dan toch niet zoo vreeselijk op aan, dunkt me. Met dat al
heeft deze geschiedenis gemaakt, dat het maar half tot mij
doorgedrongen is, toen we de grens passeerden. Ik heb het gevoel of
iets, waar ik mij lang op verheugde, mij is ontgaan.
Zoodra de trein te Jamburg stil houdt, komen een aantal soldaten
aanhollen. Zij vormen spalier voor onzen wagon, juichen ons toe en
zingen de Internationale. De eerste soldaten van het Roode Leger,
jonge frissche gezichten en op de muts de Sowjetster! De spontane
hartelijkheid dier kameraden ontroert ons, maar maakt ons ook
onrustig, want we voelen in haar--hoe vaak zullen we het nog
voelen--het aanroepen van de Europeesche revolutie.
Bij de soldaten bevindt zich een klein tenger ventje, jong nog, in
uniform, maar zonder wapen. Dat is de politieke commissaris van de
afdeeling; hij zal onze gids zijn op onzen rondgang door het dorp. Hij
spreekt een paar woorden duitsch en fransch, en waar zijn woordenschat
te kort schiet, vult hij die aan met uitroepen, gebaren, lachen en een
uiterst expressieve mimiek. Een wonderlijk kereltje is die minuscule
commissaris, met energie en geestdrift voor tien in zijn tengere
jongenslijf. De Witte Legers, zegt hij, hebben hem een paar tanden
uitgeslagen; hij spert zijn mond wijd open, om ons de gaten te laten
zien. Vol afschuw vertelt hij van de groote communistenslachting te
Jamburg, toen Joedenitsch het plaatsje binnentrok. Hij laat ons de
plek zien waar honderd-acht-en-zestig genooten vermoord werden. Zijn
felheid en strijdlust, zijn kinderlijk enthousiasme en kinderlijke
naïveteit, het is alles nieuw voor ons en verwonderlijk. In hem voelen
wij voor het eerst de frischheid van ziel, waarmee de russische
arbeiders het communisme omhelzen, en voelen ook de onstuimigheid van
hun strijdlust, hun liefde en hun haat.
Jamburg is een oninteressant, armoedig plaatsje, zooals er zeker
duizenden en duizenden in het Sowjetrijk zijn. Maar wij zullen ons
bezoek van dien middag nooit vergeten, want daar in Jamburg zagen wij
voor het eerst de fundamenten der nieuwe maatschappij, de
instellingen, die de russische boeren en arbeiders in broederlijken
arbeid scheppen, verzorgen en in stand houden. Van al wat ik er zag
maakten deze twee dingen het meeste indruk op mij: de school voor
ongeletterde soldaten en de vergadering van de Roode Jeugd in haar
eigen clubgebouw. Wij hadden de kazerne gezien; de kamers waren
zindelijk en luchtig, maar dit was het bijzondere niet, het bijzondere
was, dat men voelde: zoo'n kazerne bestaat niet als iets
afzonderlijks, buiten aanraking met het maatschappelijk leven, maar
zij staat er midden in. Overal hingen kleurige affiches, spotprenten
en agitatorische voorstellingen, de meeste zonder artistieke waarde,
maar zeker geschikt voor hun doel: den soldaten bepaalde eenvoudige
waarheden omtrent de klasse-tegenstellingen, de rol van het
Entente-kapitaal, de noodzakelijkheid den strijd vol te houden, enz.
in te prenten. Nadat wij een aantal kamers doorgeloopen waren, opende
onze geleider een deur en zeide: »In dit lokaal krijgen onze
ongeletterde kameraden les.« Op schoolbanken, over hun lessenaars
gebogen, zaten een paar dozijn jonge mannen, ijverig aan 't werk; op
de lessenaars lagen de a.b.c. boekjes, waaruit ze lezen leerden en de
schriften, waarin hun stijve sterke vingers geduldig de lettervormen
nabootsten. Ze hadden nog slechts enkele weken les gehad, maar ze
lazen al kleine lesjes en schreven al woordjes en ze toonden ons hun
schriften met zekeren trots. Het a.b.c. boekje was speciaal voor
volwassenen samengesteld; de lessen waren geen flauwe kinderpraat,
maar handelden over menschen en dingen, waarnaar hun belangstelling
uitging.
Tusschen hen in stond de meester, een zachte, vriendelijke man, niet
ouder dan zij zelf, met bloote voeten, in een russische kiel. Hij had
een glimlach om nooit te vergeten, zuiver als bronwater en zacht als
de morgenlucht. Ik kan mij geen schooner en passender binnenkomen in
Sowjet-Rusland voorstellen, dan ons bezoek aan die soldatenschool; wat
wij zagen was zoo kinderlijk, hoopvol en ontroerend naïef, en tevens
maakte het zoovele gedachten wakker over den onmetelijken arbeid, die
nog moet worden verricht...
In de Jeugdclub was dien avond vergadering te onzer eere; wij hadden
eenige afgevaardigden van jeugdorganisaties bij ons en die moesten
worden begroet. Het lage, armelijke lokaal liep vol met jongens en
meisjes tusschen 14 en 18 jaar; in dit kleine plaatsje telde de
jeugdorganisatie een paar honderd leden. Aan de wanden hingen
portretten van leiders en martelaars der wereldrevolutie; Lenin,
Trotzky, Zinowiew, Liebknecht en Luxemburg vindt men in Rusland
overal, waar arbeiders bijeenkomen. Er werd gezongen en gespeecht in
allerlei talen, maar wat mij het meest interesseerde, was de
bekwaamheid en het zelfvertrouwen, waarmee de voorzitter der
jeugdafdeeling, een heel jonge jongen nog, bijna een kind, de
bijeenkomst leidde; hij sprak met het gemak en de zekerheid van een
ervaren propagandist en toch met al de onstuimigheid der jeugd. Er
moest natuurlijk vertaald worden en een der vertalers, een Pool of een
Hongaar, hield zelf ook nog een toespraak; hij vertelde, hoe de
regeering van zijn land zijn vrouw en hun kindje, om wraak te nemen
over zijn vlucht, in een concentratiekamp hadden opgesloten en hoe hij
sedert maanden geen enkel bericht van hen ontvangen had.... De tranen
liepen hem over de wangen, zijn stem stokte; een groot meegevoel met
de smart van dezen eenzame hing door de zaal.
Toen we terugkeerden naar het station, vonden we aan den berm van den
weg op het stoffige gras een heel troepje kinderen gelegerd. Twee
vrouwen, een jonge en een oudere, waakten over hen. Het waren de
oudste klassen van een school daar in de buurt; ze gingen een
uitstapje maken naar Petrograd en hadden dien dag vier of vijf uur
geloopen om aan het station te komen; een paar wonderlijk primitieve
boerenkarren--ze stonden er nog, toen we aankwamen--hadden hun bagage
vervoerd. Voor logies was gezorgd en proviand moesten ze meenemen naar
de stad. Ze hadden bij zich groote zakken met hompen zwart brood; dit
was op reis zoowat hun eenige voedsel. Ze hadden gehoopt met den
nachttrein naar Petrograd te kunnen reizen, maar nu maakte de chef
bezwaar. »Wat ze dan zouden doen?« Ja, dat wisten ze niet; hier
wachten, waarschijnlijk tot den volgenden trein. De kinderen kauwden
hun brood en keken ons aan met hun ronde, onnoozele oogen en de beide
vrouwen, de jonge en de oudere, spraken met ons, lief en rustig en
blijmoedig, als hadden ze dien dag geen 20 K.M. geloopen en waren ze
niet gelegerd aan den stoffigen weg met een troep kinderen.
's Nachts tegen 12 uur, eer de trein vertrok, woonden we aan het
station nog een meeting bij voor gedemobiliseerde soldaten. Een
laatste maning kregen ze mee naar hun dorpen, ver weg in de steppe, om
trouw te blijven aan de groote beginselen van Sowjet-Rusland en op te
treden als pioniers daarvan onder hun makkers thuis. De schemer viel,
toen de meeting gesloten werd; het was al over middernacht, maar we
waren nu in het land, waar men, om licht te sparen, de klokken drie
uur vooruit had gezet. Pas tegen éénen stoomde onze trein weg, onder
gezang de duisternis in; voor onzen wagon stond de dappere kleine
commissaris, na een dag van zestien uren, te trappelen en te zingen
met onverminderde energie.
Toen wij den volgenden morgen tegen 9 uur Petrograd naderden, waren de
zijgangen van onzen wagon nog leeg. Allen waren bezig met aankleeden
en inpakken, want de bagage moest klaar staan om overgebracht te
worden naar een anderen trein. Er was geen gelegenheid om acht te
slaan op de verwoestingen, door de Witte Benden te Gatschina en op
andere plaatsen aangericht, waar de prikkeldraadversperringen nog aan
weerskanten van de spoorlijn zichtbaar zijn, noch om zich voor den
geest te roepen de dagen van angst en ontzetting en exaltatie in
November '19, toen het leger van Joedenitsch op de hoofdstad aantrok,
en het aan de opperste inspanning eener heldhaftige schare gelukte, de
indringers terug te werpen. Zoo somtijds de stoffelijke werkelijkheid
ons beter in staat stelt, groote historische gebeurtenissen te
realiseeren, vaak ook verhinderen juist kleine, bijkomstige
omstandigheden, als verstrooiing, materieele zorgen, vermoeidheid,
ons, om dit op de plaats zelf te doen en doorleven wij de meest
intense verwerkelijking van dergelijke gebeurtenissen thuis, in
alleenheid.
Aan het Baltische station, waar wij aankwamen, was een groot geloop en
samengehok van honderden menschen; mannen, vrouwen, kinderen, allen
beladen met zakken en pakketten. Men zeide ons, dat zij--zooals sedert
eenigen tijd geoorloofd was--levensmiddelen hadden opgehaald bij de
boeren. Het leek mij onbegrijpelijk, want men ziet zeer weinig
landbouwbedrijf in de buurt van Petrograd, uitgezonderd de breede
gordel aardappel- en groentetuinen, door de arbeiders aangelegd rondom
de stad en die uiterst zorgvuldig bewerkt schenen. Maar toen wij naar
Moskou reisden, waren de veldvruchten in het noorden nog lang niet
rijp.
In Petrograd bleven wij slechts enkele uren; net lang genoeg om een
maaltijd te gebruiken in Hotel International en een wandeling te maken
langs het Admiraliteitskwartier, het Winterpaleis, de Hermitage en
over den Newsky-Boulevard terug. Het brood smaakte ons bitter, immers,
wij wisten dat het volk honger leed. De breede straten lagen leeg en
stil in den fellen zonneschijn, tusschen de steenen schoot het gras
hoog op. Ik zag enkel het kil-pompeuze Petrograd der militaire
despotie, niets van de arbeiderswijken, niet de tehuizen voor
geleerden en kunstenaars, niets van de rusthuizen op de eilanden der
Newa. Ik was voornemens dit alles te bezichtigen op den terugkeer maar
er kwam niet van. Verschillende omstandigheden verhinderden mij mijn
voornemen uit te voeren maar misschien lag de diepste grond der
verhindering in mijzelve, in een laffen angst om mij te verdiepen in
het tragische lot der kwijnende stad. Immers, dit is de vreeselijke
waarheid: Petrograd, de wieg der proletarische wereldrevolutie, zooals
Parijs de wieg der burgerlijke revolutie is geweest, de stad van den
grootsten proletarischen heldenmoed en den sterksten revolutionairen
wil, gaat voortdurend achteruit in aantal inwoners, beteekenis en
invloed voor de revolutie, omdat zij geen rol meer speelt als centrum
van productie. De stad als industrie-centrum was een kunstmatige
schepping van de militaire monarchie, van het politiek-overmatige
centraliseerende despotisme. Het Sowjet-bewind kàn en màg Petrograd
niet kunstmatig groot houden. Niet alleen, dat de onmogelijkheid, om
de bevolking van voldoende levensmiddelen te voorzien, de autoriteiten
noodzaakt, het terugvloeien dier bevolking naar het platteland in de
hand te werken... maar het druischt tegen alle regels eener rationeele
ekonomie in, om te pogen de stad als grootindustriëel centrum te
behouden. Hoe meer de productie geleid zal worden naar de nieuwe
inzichten, die verlangen dat elk groot bedrijf verrijst zooveel
mogelijk in de buurt der grondstoffen, die het bewerkt, of althans zoo
gelegen dat die grondstoffen gemakkelijk kunnen worden aangevoerd, des
te zekerder is Petrograd veroordeeld om weg te kwijnen. De opheffing
der groote steden, die vreeselijke erfenis van het burgerlijke
tijdperk, door decentralisatie en rationeele verlegging van de
standplaatsen der grootindustrie, kan onmogelijk bereikt worden--welke
vooruitgang kan het wel?--zonder pijnlijke breuken met diepgewortelde
gehechtheden en schoone tradities. Maar in het geval van Petrograd
wordt de breuk voor ons bewustzijn haast ondragelijk verscherpt door
het onmiddellijk op elkaar volgen van revolutionaire glorie en
reddeloos verval.
Van Petrograd naar Moscou duurt de reis 16 à 18 uur. Om drie uur
vertrekken wij; dien geheelen middag en avond, tot eindelijk, lang na
middernacht de schemering valt, sporen wij door een dun bewoond land
van wouden en woeste gronden, soms vlak als Holland, soms in flauwe
golvingen hellend en dalend, soms doorsneden van beken en kleine,
traagvlietende rivieren. Hier schijnt nog ruimte voor vele millioenen
menschen, de arbeid van geslachten schijnt noodig om dit nog vage,
vormelooze land naar der menschen wil en voor hun behoeften te
herscheppen, om die moerassen droog te leggen, die eindeloos ons
vergezellende bosschen te stempelen met het merk eener rationeele
kultuur. Bij enkele stadjes en dorpen stoppen wij; rondom hen
onderbreekt een kleine ring van akkerland en weide de eentonige
wijdheid van het ongecultiveerde land.
Tweemaal op dien rit genieten wij een feest van kleuren. Het eerste is
de zonsondergang. Wij hangen uit de raampjes en strekken de halzen
uit, om rechts achter ons in het noordwesten, de heerlijkheid der
karmozijnen en violette eilanden in de gouden luchtzee te zien
opfonkelen voor onze gretige oogen, zoolang tot hun gloed, als van
robijnen en amethysten, allengs versombert en verdooft. Het tweede is
de verschijning, op het perron van een stationnetje in de wildernis,
van een groep vrouwen in de felle kleurharmonie hunner feestelijke
kleeren, als zomerbloemen, schitterend schoon. Het wit en rood, wit en
goudgeel, wit en heldergroen der pronkgewaden verschijnt en verdwijnt,
een sprookje op het grauwe perron. »Boerinnen in Zondagsche dracht...
vandaag is een hooge heiligendag,« zegt glimlachend Krebelskaya, de
beminnelijke vrouw van den bekenden vakvereenigingsman Belinsky, met
wie wij van Stettin af reizen. »Men ziet de oude volksdracht anders
niet veel meer; ze past niet bij het nieuwe leven, waartoe de boeren
ontwaken«, voegt zij er aan toe.
Om 10 uur 'smorgens, precies op tijd, komen wij aan te Moskou. Wij
halen onze koffers en tasschen uit den wagon, zetten ze op een hoop
bij elkaar, gaan er op zitten en wachten af. Er is een oponthoud of
een misverstand met de auto's die ons zouden komen halen, in elk geval
ze zijn er niet. Onze koerier windt zich op en vloekt, dan gaat hij
naar den chef en telefoneert aan Trotzky. »Ik ben aan het station met
een groot transport kongresafgevaardigden en een belangrijke post en
kan niet verder.« De auto's zullen dadelijk hier zijn.... Wij,
ongeduldige Europeanen, hebben al een weinig geduld geleerd en wachten
rustig, tot zij komen. Maar als wij ons herinneren de verhalen van
onze makkers, die verleden jaar hier waren, over de opgetogenheid der
bevolking, haar uitbundige ontvangst van de buitenlandsche
afgevaardigden naar het kongres der Derde Internationale, dan voelen
wij toch een lichte pijn van teleurstelling. Scherp dringt het
onherroepelijke dóór tot ons bewustzijn: de wittebroodsweken der
revolutie zijn lang voorbij.