AANTEEKENINGEN

[1] 14 Maart 1896. Letterkundige Opstellen. IX.

[2] De „i” in Yin lang uit te spreken, de „a” in Kwan kort.

[3] Deze was geboren uit het hoofd van den Dhyâna boeddha Amitâbha, in

China de allerhoogst erkende boeddha, genaamd O-Bi-Tô.

[4] Ook deze werd voorgesteld als zittende op een berg, nederziende

naar de wereld.

[5] De roomsch-katholieke zendelingen zagen in haar een spel van den

Satan, die de Mariafiguur wilde namaken.

[6] Meisjes worden dan ook slechts bij uitzondering in China onderwezen

in andere vakken dan vrouwelijke handwerken, decoreeren, huishouden

enz. en kunnen lezen noch schrijven.

[7] Wat men „taoïsme” noemt heeft niets te maken met de oorspronkelijke

leer over Tao van Lao Tsz’. Dwaze discipelen, die Lao Tsz’s boek niet

begrepen, haalden er allerlei absurde dingen uit, gingen den steen der

wijzen zoeken enz. en creëerden later een geheel pantheon van goden.

Geheel ten onrechte wordt dan ook van „taoïsme” gesproken.

[8] Het boekje, dat voorgesteld wordt door Kwan Yin zelf gemaakt te

zijn, is geen echte soetra, en is geschreven gedeeltelijk in proza en

gedeeltelijk in verzen. Het is getiteld; „Oorspronkelijke, echte soetra

van het overvoeren (naar Nirvana) van Kwan Yin” en is veel beter

geschreven en van veel ernstiger karakter dan de „Volledige traditieën

omtrent de Kwan Yin der zuidelijke zeeën”, waaruit andere schrijvers

wel eens hebben geput.

[9] De Chow dynastie bloeide vanaf 1122 v. C. en verviel vanaf

1079 v. C.

[10] Confucianisme, taoïsme en boeddhisme.

[11] Zooals bekend is gelooven de boeddhisten aan tallooze incarnaties

door transmigratie, en, zooals ik verder in dit stuk nader zal

beschrijven, wordt door omwenteling van een wiel de ziel telkens weer

in het leven gewenteld.

[12] Eene niet-boeddhistische godheid, vermoedelijk van oud-chineeschen

oorsprong, die in allerlei legenden en taoïstische verhalen een groote

rol speelt.

[13] Hiermede wordt bedoeld de „Sing” waarvan Confucius spreekt, „dat

wat de hemel als natuur verleend heeft.” (Zie „Chung Yung”.) Deze

„Sing” is het essentieel reine van den hemel in den mensch, en haar

rein te houden is het geheim van een goed leven. Alle zonde komt door

verduistering van de „Sing.”

[14] Boeddha, Dharma, Sangha, d.i. Boeddha, de Wet, en de

Priesterschap.

[15] „Het schip der liefde.” Andere naam voor Kwan Yin. Met „schip” is

bedoeld het vaartuig, dat de zielen over de zee des levens voert naar

Nirvana.

[16] „De zee der bitterheden,” „het roode stof” enz. is het leven.

[17] Jên Teng (sanskriet Dipankara) is een oude boeddha, die al vóór

Shakyamuni’s incarnatie als Siddharta dezen onder zijne discipelen

telde.

[18] Volgens prof. de Groot een land ten Z. van Siam en ten O. van

Indië.

[19] Miao Yin = het Schoone Geluid, Miao Yuen = het Schoone Begin.

Tsjoang is de Schoone, Versierde.

[20] Er zijn vijf planten, die als onrein worden beschouwd, (o. a.

uien) als zijnde wedergeboorte als plant van een hond.

[21] Op dien gelukkigen dag werd in oude tijden een trap gereed gemaakt

en met bloemen versierd. De prinses stond op de trap met een zijden bal

in de hand, die zij neerwierp. Wie de bal opving werd haar echtgenoot.

[22] De eerste is de gehoorzaamheid aan den vader (ongehuwd zijnde), de

tweede die aan den man (gehuwd zijnde), de derde die aan den oudsten

zoon (weduwe zijnde).

[23] Goed gedrag, gepaste woorden, nederigheid, gepaste bezigheden.

[24] Het hoofdprincipe van Confucius’ leer. Die van vader tot zoon en

omgekeerd, vorst tot onderdaan, echtgenoot tot echtgenoot, oudere

broeder tot jongere en omgekeerd, vriend tot vriend, zijn de vijf

betrekkingen.—Deze leer heeft geruimen tijd het boeddhisme in den weg

gestaan dat niet familieleven maar ascetisme voor het hoogste leven

hield.—

[25] Dat hare ouders koning en koningin waren was de belooning voor in

vroegere levens gedane goede daden.

[26] „Yama,” de koning der hel.

[27] Naam voor eene prinses.

[28] Dit zijn dezelfde (in Amoy Kim Tong en Giok Lu genoemd) die in

mijn stuk over het chineesche tooneel voorkomen (Zie Wijsheid en

Schoonheid uit China).

[29] Deze bijl, oorspronkelijk de scepter van Indra (vadjrna), wordt nu

nog door de priesters gedragen bij ceremonieën, en is een symbool van

de macht van Boeddha, die door wijsheid (pradjna) onoverwinlijk is.

[30] Cypres en pijnboom zijn symbolen van onsterfelijkheid.

[31] Wierook-Berg.

[32] Eene dergelijke legende wordt van Shakyamuni verhaald.

[33] „Love here pronounces itself lord of Fate,” zegt Samuel Johnson

hiervan terecht. (Oriental Religions. India.)

[34] Ook Avalokiteshvara zwoer: „zich te manifesteeren in elk schepsel

in het heelal; alle menschen van de gevolgen der zonde te bevrijden, en

nooit het boeddhaschap te bereiken tot allen zijn geboren in de eeuwige

rust en vervulling hebben gekregen van hunne gebeden.” (Beal. Catena of

Buddhist Scripture.)

[35] Correspondeerende met den berg Potala, waar Avalokiteshvara

woonde.

[36] „Fung Shui” zou men de wetenschap van de astronomische en

religieuze ligging eener plaats kunnen noemen. Uitweiding zou hier te

ver voeren.

[37] Er zijn vier zulke Zee-Draken-Koningen, Hai Lung Wang, in de

noordelijke, westelijke, zuidelijke en oostelijke zee elk één. Zij

worden door de Chineezen zeer in eere gehouden en krijgen offeranden in

zee geworpen.

[38] Dit is niet in het boek vermeld. Maar de vegetariërs hebben er

eene geheele mystieke filosofie op gebaseerd, en verklaren de geheele

kunst van de bevrijding der ziel door overwinning der hartstochten, uit

dit boek. Er bestaan geheele boeken van vegetariërs over de z.g.

ziele-verreining, waarin alle in de See Yiü voorkomende personen als

gedeelten van het menschelijk lichaam worden voorgesteld.

[39] Men zij niet te veel verwonderd, dat deze verklaring van Shen

Ts’ai en Lung Nü zoo geheel en al verschilt met die, welke Prof. de

Groot ervan geeft in zijn „Jaarlijksche feesten en gebruiken der

Emoy-chineezen” (1e deel bl. 155 v.v.), en die hij vermoedelijk uit

tooneelvoorstellingen heeft geput. Ik heb mij gehouden aan mijne editie

van See Yiü, maar teeken er bij aan, dat vele edities daarvan

aanmerkelijk verschillen.

[40] 1023–1063 n. C.

[41] Als dit echt is, is het uit de 15e eeuw, de regeering van Süan

Tsung (1426–1435) der Ming-dynastie. Het merk Süan Teh, dat de Goncourt

(Cabinet de l’extrême Oriënt) zoo dikwijls aanhaalt, is echter geen

bewijs van echtheid, daar het op moderne vazen en vaten ook staat.

[42] Dikwijls ziet men dan ook op platen of in tempelbeelden de ziel

afgebeeld in het lichaam van een beeld, als een klein boeddhaatje,

zittende in meditatie. Ook zag ik dit bij oude duitsche primitieven,

maar dan de ziel in den vorm van een engel.

[43] Hierover later, bij de beschrijving der porseleinen.

[44] „Kachâya” (sanskriet).

[45] Zie de afbeelding tegenover den titel.

[46] Vóór een beeld gaaf uit het verhittingsproces komt, zijn meestal

eerst eenige exemplaren gesprongen, waarna telkens weer van voren af

aan moest begonnen worden.

[47] Gelukkig zijn juist de gewone armen over, die zij op andere

beelden heeft, zoodat het schijnt, of er niets aan ontbreekt.

[48] Voor een chinees heeft een „puh ts’ üen,” dat is defect, stuk heel

veel van zijn waarde verloren, al is het maar één klein barstje. Groot

was de verwondering van een antiquair wien ik vertelde, dat de Venus

van Milo een beeld is, dat niet voor goud te koop is, maar geen armen

meer heeft!

[49] Peh Ting porselein is zoo kostbaar in China, dat zelfs scherven

van gebroken dingen duur worden betaald. Men denkt namelijk, dat het

tot poeder gemalen, een geneesmiddel is voor ooglijders, en verhaalt

van dit poeder, dat het blinden het licht kan teruggeven.

[50] Het is in China gebruikelijk om gedurende de huwelijksdagen de

bruid aan belangstellenden te laten zien (kh’oà sin nioê). Deze staat

dan rechtop in de bruidskamer, in groot gala.

[51] Zooveel als: „Ik feliciteer u!”

[52] Zie het eerste stuk in dezen bundel: „Kwan Yin”.

[53] De chineezen schrijven n.l. niet met een pen, maar met een

penseel.

[54] Yen Lo (Sanskriet: Yama) of Yen Kiün is eigenlijk de algemeene

naam voor alle hellekoningen.

[55] De chineezen dachten dat visschen uit water geboren worden.

[56] De lezer zal opgemerkt hebben, dat de chineesche verteller hier

een beetje in de war is, want waar blijven nu de insecten „uit

gedaanteverwisseling geboren”?

[57] Zie voor détails Prof. de Groot’s „Jaarlijksche feesten en

gebruiken der Emoy-chineezen”, 2e deel, van af blz. 333.

[58] In Indië heet dit feest „reboetan-feest”, omdat sommige der tafels

later door de armen mogen geplunderd worden. In Tandjong Pinang (Riouw)

kan men b.v. dit feest goed bijwonen. Het wordt daar op tamelijk groote

schaal aangericht.

[59] Deze Rivier-Draken-Koning heeft de stroomen en rivieren, met al

hunne bevolking van visschen enz. tot zijn gebied, en veroorzaakt, op

last van den Hemel, de regens.

[60] Literator van den eersten graad, ongeveer „bachelor of arts”.

[61] De chineezen hebben twaalf uren in een etmaal. Het uur Ch’an

correspondeert met ons 7–9 ’s m., het uur Sz’ met ons 9–11 ’s m., het

uur Wu met ons 11–1 ’s nam., en het uur Wei met ons 1–3 ’s nam.

[62] Van 3–5 ’s nam.

[63] T’ai Tsung was toen nog koning, maar later werd hij keizer, de

tweede keizer der Thang-dynastie die regeerde van 618–913 n. C.—T’ai

Tsung regeerde van 627–649 n. C.

[64] Men bedenke hierbij, dat een keizer (later werd T’ai Tsung keizer)

ook in de hel recht heeft op de noodige égards, als zijnde de Zoon des

Hemels.

[65] Dit kon heel gemakkelijk gebeuren. Dertien schrijft men in ’t

chineesch één tien drie. De voorste één, in ’t chineesch door één

liggend streepje: 一 voorgesteld, is door toevoeging van nog twee

streepjes te veranderen in drie: 三.

[66] Hoe hij dit deed, door Saan Tsang de Soetra zonder karakters te

doen zoeken, heb ik in „Kwan Yin” verhaald.

[67] Het was in den tijd der eerste nieuwe maan na chineesch nieuwjaar

(Februari), wanneer de bergbewoners gewoon zijn vuren in de bergen te

ontsteken.

[68] Een chineesche „set” van kopjes bestaat uit vier, en somtijds tien

of acht, maar niet zes of twaalf.

[69] Ló-Han’s = Arhats, adepten.

[70] Staat hier voor: „eindeloos velen.”

[71] Uit den aanhef der „Sukhâvatî-vynha-mahayana-sûtra (iets verkort

in dit citaat).

[72] 10 cents engelsch = 100 chineesche cash.

[73] O-Bi-Tô (Amitâbha) is de gewone zegswijze der priesters, die zij

voor alle gevallen en als antwoord op alle mogelijke gezegden

gebruiken. Zij denken dat het eindeloos uitspreken van dit heilige

woord hun door transcendenten, mystieken invloed tot Nirvâna kan

brengen.

[74] De chineezen in Canton noemen het „slapende boeddha”, maar dit is

verkeerd. Het beeld komt geheel overeen in houding met de siameesche en

birmaansche, die den stervenden boeddha voorstellen.

[75] In September 1894 is deze geheele bootenbuurt door brand vernield.

Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel · 第 12 / 12 题