Leemgeel, zacht verroodend in avondglans, lag Hongkong tegen het
rossige, statig-rijzende rotsgebergte. Dit sombere gevaarte stijgt met
immenze lijnen omhoog, hier en daar vrediger golvend, met glooiende
dalen, en schiet dan rechtop in een hoogen, steilen piek. De rotsen
zijn donkergoud, met rood als van fel avondrood, de stad is leemgeel
van een stil, heilig geel.
Beneden, klein tegen het roodgouden hooge, ligt de drukke stad met een
front van lang-rijende, gele huizen tegen de zee. Zij ligt in een damp
van witten schijn, opstijgend uit de electrisch verlichte straten, en
er ruischt rumoer van stemmen en ratelende ricksha’s. Hooger, hier en
daar, tegen kuische hellingen, rustig-eenzaam staan de gele bungalows,
met hun door de avondzon in brand gegloeide ramen uitziende ver over de
zee.
De lange kadestraat is in wit licht van hoog opgehangen ballons met
gloeilampen, waaruit melancholieke, intenze manestralen de hooge
facades van hotels en offices doodsbleek slaan in het gloeiende geel
alom. Klein en wriemelend onder dat witte licht van boven gaan proppen
menschen, in schelle kleuren, hel rood en blauw, van de tulbanden der
Sikhs, van de engelsche soldatenjassen, van wuivende chineesche
gewaden.
Ik stond op het dek van de „Hankow”, de groote rivierstoomboot naar
Canton. Overal, wijd in het rond, de booten in de haven; met een
sereene kalmte lagen zij op het vlakke water, heel stil. Het tuig om
hunne masten stond ragfijn in de ijle atmosfeer, als teêre takjes van
dunne boomen, en alles aan hen was zacht-duidelijk te zien en stond
zich stil te geven in den langzaam dalenden avond. Zij lagen vertrouwd
en moê in de wijde, wijde haven, alsof zij, eindelijk gekomen, daar
nooit weer weg zouden gaan en alles daar goed was.
Op de fransche mailboot, vlak over ons, werd en seinlichtje in de
voorste mast geheschen; het wiegelde even zwaaiend omhoog en bleef toen
peinzen over de zee. Alleen het vage geruisch van de kade verbrak de
heilige zeeëstilte, waar alle winde-adem ingehouden.
Plotseling een hoog, droef-klagend geluid,—dit is in een stille haven
als een bange smart over de ziel, die huivert,—een ver echoënd galmen
over de bergen in het Westen,—en langzaam verdween een groote, donkere
boot, uitvarend naar den rooden horizon als een sombere, zwarte vogel.
Toen een knarsend geratel van ankerkettingen, en een nieuw, snijdend
fluitgeluid vlak bij mij. Nog in den vrede van de stilte vooraf voelde
ik pijn van dit felle. Langzaam draaide onze boot, en ook wij stoomden
de haven uit, naar hooge, roode bergen in het Zuidwesten.
En opeens zag ik de stad als iets moois dat weggaat.—O! het
roodomgloeide geel, het heilige geel van die avondstad tegen de rossig
gouden rots! De lantarenvlammetjes flikkerden vér-rijend weg, de witte
ballonnen straalden fel-weenende lichtbundels over de zee, en een
blanke damp beefde boven de huizen. Een groote wijding lag over de gele
bungalows, hoog tegen hellingen. Zij stonden als matgouden tempels in
den avond.
Verder en verder stoomde de boot weg naar de Paarlrivier, en niets meer
bleef over schijnen van Hongkong dan een droom van geel en rood.
In de verte van de havenkom gloeiden de lichtjes der booten, als roode
oogen die ons nà-tuurden.
De sereene, rustig-ruischende zee, waarin ik zacht vooruit zweefde. Nu
waren wij in den mond der Paarlrivier, met álom de bergen. De bergen,
de goede, vertrouwde bergen van China, die de vrienden zijn van mijne
ziel, die ik ken, alsof zij heel intieme menschen waren met oude, lieve
namen, zóó innig heb ik gevoeld hun diepste wezen, zoo eerlijk en
oprecht hebben zij aan mij gegeven de luchtige reinheid van hunne
droomende lijnen, het statig rijzen van hun stijgenden wil, het
hoog-deemoedige van hun roerlooze, vrome rust.
Dichtbij, aan den rechter oever stonden zij steil-hoog, rood-goud in de
donkerende lucht, en op hunne toppen brandden vlammende vuren, die de
hemelen deden beven van rossigen weerschijn. Statig rezen de vlammen in
die hooge regionen. [67]
Maar aan den linkeroever was het wezen der bergen zachter, en droomden
de vredige vormen liefelijk op in de schemering, met de teedere lijnen
van hunne omtrekken bevende van gevoel in de ijle atmosfeer. De avond
daalde met zacht-suizende schaduwen, en van uit de zee stegen fijne,
aetherische nevelen, wolkend tegen de bergen, stil vergaand tegen het
rood-goud, met groote innigheid. Alles begon te wuiven, te weifelen, te
deinzen. Een sneeuwwit zeiltje lichtte ergens op in de verte, intens
rein, en was weer weg, of het te ongelooflijk was, zóó wit-puur. Het
landschap werd een eindelooze droom. De kleuren vervloeiden, goud
gloeide langzaam weg in geel-wit, rood verschemerde in grijs, in de
hooger rijzende nevelen, die wijd en wijd uitwaaiden hunne wuivende
gewaden. Het zacht-melodieuze ruischgeluid der golven was
zalig-vibreerende van gevoel. Overal was fluisteren, suizen, ruizelen,
verdroomen, en dat alles in een absolute rust. De zee was een groote,
groote ziel. En in een wijding van kuisch getemperd avondlicht daalde
een immenze liefde van den Hemel neder.....
Ik stond zwijgend op het dek. Wèl kende ik dien plechtigen tijd van
bidstonde in de chineesche zeeën, als alles luidloos verglijdt in
droomen, als de witte nevel puur en blank over het water gaat, en de
innigste essence van de natuur éven klaar op durft schijnen in de
eerwaardige schemering, vlak voor de oogen van de verwante
menschenziel, die in haar wil vergaan. Ik huiverde. Want dit kan een
mensch niet lang dragen, het wijd-strekkend uitspreiden van de ziel,
het rekkend reiken om in eindelooze liefde het Al te omvatten. Dit is
de alleruiterste spanning van het wereld-verlangen. En bevend ging ik
naar beneden, in de kajuit.
Hier was alles weer gewoon. Een deftige, gedekte tafel, met blinkend
zilver en kristal. Roode rustbanken. Alles hôtel-achtig. Heel gewoon
even een bittertje drinken en een courant lezen. En toen een uitstekend
diner met een alleraangenaamst causeerenden kapitein. Het had nu niet
heel veel meer van China. Alleen, op den achtergrond, een staand rek
met geweren en revolvers, met het opschrift „loaded,” deed een beetje
unheimisch aan. Er konden eens zeeroovers onder de
tusschendekspassagiers zijn, wat wel eens gebeurd is.
Na afloop van het diner ging de kapitein weer naar boven, op de brug.
De kajuit was behagelijk warm, en hel verlicht met electrische
gloeilampen. En nu dat speciaal oostersche genot te savoureeren, om na
het diner een bizonder fijne Manila te rooken, half droomend op een
zachte rustbank, onder het dreunen van de machine! Zoo veilig, zoo
héélemaal-er-uit, zoo heerlijk ver van het gedoe en gescharrel thuis
over kunst en literatuur, zoo geen kwestie meer van kibbelen en
leuteren over dát is mooi en dat niet, zoo goddelijk in je ééntje in
een heel vreemd land overal mooie dingen te gaan zien, met menschen in
blauwe en gele zijden gewaden om je heen! Dingen van architectuur, van
beeldhouwkunst, van schilderkunst, en oude, oude literatuur van groote
wijzen, die nooit het woord artiest hebben gehoord! En dan dat
in-gezellig egoïstische, er niets van behoeven te zeggen, maar héél
alleen en vrij te zijn—het gaat hun allemaal niets aan—, er zoo
schijnbaar onverschillig bij te blijven en een fijne sigaar op te
steken, terwijl toch in de ziel van binnen alles in uiterst reinen
staat in essence is bewaard! Later vertel je ’t dan wel eens, zoo bij
gelegenheid. Er is niets geen haast bij, zoo met al die vredige bergen
om je heen, en al dat groote van zee en horizonnen.
Ik heb daar zoo heel lang op die bank liggen genieten, onder den
exquizen geur van allerfijnste sigaren, van tijd tot tijd eens
uitziende door een raampje, en dan overal omhoog sterren, sterren,
sterren, en alom zachte bergen in weinig, vaag maanlicht, waar alles
goed was en tevreden. En een bizonder reine schittering op heel zacht,
egaal water. Zoo alsof alles zoo hoorde in die kalme rust, en zoo is
het overal, en anders is er niets in de wereld. En o! zoo veilig, want
zoo vér van alles, ongenaakbaar..... En toen ik daarna op mijn bed lag
in mijn hut, was al het geziene van de avondschemering weer voor mijn
ziel. Zij verdroomde in die vage zaligheid, als de bergen en de zee.
En, ik wil het wel bekennen, dit is voor mij het allerhoogste genot
geworden, het niet-uiten, maar het heel stille ondergaan, het
onmerkbaar zweven tusschen bewustheid en vergeten, een zielestemming
lucht en aetherisch, als in een avondlandschap, als de nevelen hunne
wijde, vage gewaden spreiden over de slapende bergen en de zachte,
vlakke zee.....
’s Ochtends vroeg het ontwaken in helder daglicht, in een groot geluid
van stemmen, hooge, schelle keelgeluiden van sjouwers en roeiers. De
„Hankow” lag voor Canton, vlak aan de kade. Een nette kade, europeesch,
met stemmige rijen boompjes, langs europeesche huizen, waartusschen een
kerkje. Maar verderop de donkere chineesche stad, eenvormig laag, met
hier en daar de sombere, vierkante torens der pandjeshuizen, of de
sierlijke oprijzing van een slanke, smalle pagode, als een vreemde,
hoog-ranke bloem met veel klokjes.
Aan de andere zijde de wijde, breede rivier, vol sampans en andere
schuiten, een aparte stad van bootjes op het water, vol wriemeling van
menschen, en rumoer van schreeuwen. Links buigt zich een zijstroom
landwaarts in, een enorme zilveren streep, schitterend vér door de
vlakte, met hier en daar een groot gouden zeil glorieus in de zon.
De rivier was luid levend van stemmen en beweging; het lawaai kwam op
mij af als een wind. En nu, in den vroegen morgen, een licht blij zijn,
een verlangen om óók hevig meê te doen, vooruit te gaan, óók te gebaren
en te spreken. De nevelen van droom wuiven wèg van de ziel, die stil en
zwijgend blijft van binnen; het gewone, krachtige leven trilt in het
lichaam, gretig ademt de mond de frissche ochtendlucht, en de zintuigen
trillen scherp, en voelen intens.
Na een uitstekend ontbijt stapte ik aan wal, en bracht de beleefde
„purser” van de boot mij naar hôtel Shameen. Een donker hôtel, quasi
first class, met muffe kamers. Na eene kleine wandeling door de
europeesche nederzettingen in Shameen (het europeesche gedeelte van
Canton), bestaande uit eenvormige, saaie boulevards, stapte ik vóór het
hôtel in een draagstoel, een nauw, vuil hokje van bamboe op
bamboestokken, gedragen door drie smerige kerels. De gids van ’t hôtel,
een poenerige, vereuropeeschte chinees, die slecht engelsch sprak,
voorop.
En toén de tocht door de chineesche stad Canton, een stad als alle
andere in China die ik gezien heb, niet mooier, niet leelijker. De
straten eng en smal en donker door de overneigende daken der huizen,
die elkaar van weerszijden raken, en overal een benauwing van
onbestemde, maar verdachte stanken. Wie er voor het eerst komt wordt er
geslagen van walging, zoo sterk dat hij niet meer in staat is, het
mooie overal te zien. Maar reeds kende ik dien schijn van benauwing en
rotting, van vroeger, uit zooveel andere chineesche steden.
En er is een zeer schoone ziel in die sombere donkere chineesche steden
vol vuil en stanken. Zij liggen treurig en grauw, als de half-vergane
ophooping van een verdoemd volk, en het lijkt er alles slijk en duister
en slechtheid. Maar ik weet, onder al dat hideuze liggen schatten van
schoonheid verborgen, en leeft een ziel van glans en schitterende
kleur.
Hier ging ik weer langs de winkels van zijde en goud, waar de rijkste
couleuren ópfonkelen in het half-duister, waar de blinkende gouden
draken glorieus uitgloeien op intens rood, waar aandachtig, als vroom
geziene werklieden stil gebogen zitten over lappen blauwe, gele,
groene, roode zijde, met teêre hand het goud en zilver bordurend tot
precieuze bloemen en bizarre vogels, fijn en gevoelig als trokken zij
etsen. Hier ook weêr de winkels van houtsnijders, en lakwerkers, en
antiquairs, vol dingen van kunst en hooge industrie, als wel
onbestaanbaar lijken in die omgeving van stof en modder. En waar het
zonlicht niet door kan dringen vlamt het helle rood van lappen en
neêrhangende tabletten, en schittert het goud van stijlvolle karakters.
Beestachtige, gekromde koelies loopen als gevloekten onder zware
lasten, met schelle kreten, maar hier en daar wuift statig het langzaam
waaiende gewaad van een gegoeden chinees, die met voorname stappen van
zijn geel zijden pantoffelschoenen over den beslijkten grond gaat, als
liep hij over rozen. Zóó, door geschreeuw en gelach, door duisternis en
stank, door ópschittering van sublieme kleuren, wuiving van hemelsblauw
en lichtgroen en vurig paarsch, ging het in het bedompte, overhuifde
stoeltje een klein uur lang door de nauwe straten, somtijds hooge
trappen op en af, op de schommelende beweging der dragers, als op een
deining van zee.
Ik liet even ophouden vóór den winkel van een sjacheraar in
antiquiteiten. De draagstoel met een schok neer, en voorzichtig uit het
nauwe hokje gekropen. Een hoop volk nieuwsgierig achter mij aan. Een
bejaarde chinees wachtte mij voor den drempel op, met diepe buiging, en
groet van op de borst saâmgebrachte handen. Even zag ik in spanning
door den winkel, met de mij eigen geworden flair van verzamelaar, en
wist toen al direct, wat ik ook verwachtte, dat de antiquiteiten hier
evenzooveel noviteiten waren. En weêr als zooveel keeren stond ik in
bewondering voor de kostbare gebaren van den beleefden chinees, en voor
den sereenen ernst op zijn gezicht, toen hij mij het met zware eeden
voorzette, dat deze—piksplinternieuwe—Kangsai vaas een antiquiteit was
uit de Handynastie, van fabelachtige waarde, dat dit blinkend
geschuurde koperen wierookvaatje een schat was uit de dynastie der
Soeng, en dat dit gewone theekopje, waarvan hij de éénig bestaande vier
exemplaren bezit, [68] afkomstig was uit het paleis te Peking. Want het
is eigenlijk niet om boos te worden, het is eerder om voor te knielen,
die sublieme gave van fantazie, die de chinees bezit, en ik was
volkomen zeker, dat de antiquair op dat moment zelf geloofde wat hij
zeide, zoo liefdevol zagen zijne oogen door een enormen bril al die
dingen aan, en zoo teêr en gevoelig ging zijn magere, lang-genagelde
hand er streelend over. O! die heerlijke gave om de emotie van iets in
waarheid te kunnen doorvoelen en te gebaren door de enkele fantazie er
van, hoe zalig moet een leven daarmede zijn, wat een immens geluk moet
zoo’n chinees zich daar altijd meê kunnen geven!
En dan, al is alles nieuw, hoe mooi zijn al die dingen hier, hoeveel
voornamer dan bijna alles in een galanteriewinkel in Holland! Die
wierookbakjes met hun teêre pootjes, die simpele speksteentjes met die
kleine, maar grandioze lijntjes, die gracieuze poppetjes met die
gevoelige gebaartjes, die glanzende witte vazen als blanke bloemkelken!
En nu dat fijne Kwan Yin beeldje, dat de sjacheraar mij voorhoudt, wat
is dat weêr een keurig figuurtje, hoe mooi is het opgerezen uit die
fraai gestyleerde lotusbloem, hoe lucht en rein wuift het lichte
gewaadje in zachte plooien er om heen, hoe subliem is het gebaartje,
waarmee twee vingertjes der linkerhand prediking wijzen! En ik kocht
het elegante poppetje, dat hoogstens vijf en twintig cents waard was,
voor drie dollars, omdat ik wist dat ik, in Canton onbekend zijnde,
voor een globetrotter werd aangezien, en het dus toch niet voor minder
zou krijgen. En nóg zie ik het verslagen gezicht vóór mij van den
chinees, die jammert, dat hij er zoo’n schade bij heeft, en op die
manier zijn zaak op de flesch zal gaan. Die fantazie, dat
representatie-vermogen, die kostelijke mimiek in dit land, waar elk
wezen een volleerd, eminent tooneelspeler is, een land van opperste
kunstenaars! Is China misschien niet één immens tooneel?....
En nu weer verder, door slijk, modder en drek, langs smerige,
fielterige gezichten, door getier en gevloek, half ziek van den
walgelijken stank overal, en in beraad om in Godsnaam maar liever terug
te keeren....
Tot dat men mij weer neêrzet voor een tempel. De tempel der vijfhonderd
Ló-Han’s. [69]
Eerst een paar poorten door, waar menschenmassa’s krioelen om
stalletjes van vruchten en stinkende eetwaren, en dán een labyrinth van
lange, rechte alleeën.
Het was er vol blauwigen wierookdamp, en in dien zachten schijn blonk
overal donkerrood van oud goud. Aan weerszijden in lange, lange rijen
zaten op steenen terrassen, dicht naast elkaar, kolossale gouden
beelden, en de gangen openden zich rechts en links tot andere, overal
uniforme alleeën, waarin de roerlooze, plechtige samenkomst van
mysterieuze, heilige wezens. Voor elk der vijfhonderd beelden stond een
groot wierookvat en een kandelaar; wierook brandde in de vaten, en zóo
droomde overal een blauwe damp op, waarin het goud lichtte van een
vreemden, mystieken glans. Op elk kruispunt van gangen stond een
pagode, in den vorm van een lotusterras, waarin een oud, zwart
boeddhabeeld aan elk der vier zijden statig nederziet op de eerwaardige
vergadering van wijzen daar beneden. Op de hoeken bloeiden slanke
porseleinen vazen, als bloemkelken.
Vijfhonderd expressieve gezichten van hooge wijsheid, devoot biddend in
roerlooze rust, of verdroomd in zalige meditatie, vér van de dingen der
wereld, of enkelen verschrikkelijk stormend, in woedenden haat tegen de
doodsvijanden, de passies, met afschuwelijk verwrongen trekken!
Het was er plechtig, van een sombere, gewijde stilte. Dat kwam
plotseling uit de benauwing en het leven van zooeven als een wijding
van droom.
O, die eindeloos kalme, gouden wijzen, hoe ontzaglijk zaten zij, in een
sfeer van vreemde zaligheid, hoe passieloos was veler gelaat, hoe
wonder was die roodgulden glans, lichtend in die hooge, koude stilte!
Naast mij, bóven, waar ik laag onder stond, zag een mat-gouden Ló-Han
vreemd-lachend mij aan, zooals ik nooit weêr zal vergeten, met een
lach, die over andere dingen in andere werelden gaat, en met een
subliem gebaar wees hij op zijn open-gegane borst, waar een heel klein,
schitterend beeldje zat, de voetjes op een lotus gevouwen, de oogen
starende op de punten van twee opgestoken vingers, verloren in immenze
zaligheid; zoo wees hij mij met een wonderen lach op zijn bevrijde,
pure ziel van binnen!
Voor en achter, links en rechts, overal liepen de alleeën door, en in
alle richtingen, zoover ik zien kon waar ik stond, waren de statige
wijzen, in onbeweeglijke rijen, peinzende donkergoud in een droom van
zachtwolkend blauw.
En het was als een stuk uit een oude Soetra:
„Alzoo hebbe ik gehoord: Toen der tijde woonde de Gezegende (Boeddha)
in Srâvastî, in de allee van Geta, in den tuin van Anathapindika, te
zamen met een gezelschap van Boeddha’s, dertienhonderd, met ouderen,
groote discipelen en Arhats, zooals Sáriputra, Mahamaudgalyama,
Mahakasyapa, Mahakapphina, Suddhipanthaka, Nanda, Ananda, Râhula,
Bharadvâga en Arismuddha. Hij woonde te zamen met dezen en vele andere
groote discipelen en vele nobele Boddhissatva’s, als Mangrusî, den
prins, en alle anderen.
„En hij woonde te zamen met Sakra, den Indra, den koning der Dewa’s en
met den Brahmaan Sahârupati. Met dezen, en vele anderen,
honderdduizenden Naguta’s [70] van godenkinderen, woonde Bhagavat in
Srâvastî. [71]....”
En deze tempel was als een gezicht in heel oude, vervlogen tijden, toen
de sereene Shakyamuni zijne onsterfelijke predikingen zeide, met
duizenden vrome discipelen in roerlooze rijen devoot om hem heen. Hoe
groot, hoe gelukkig, zoo pas uit al die menschen; de menschen leken nu
als vér uit een nachtmerrie, krioelende wezentjes; wat veilig, hier zoo
vér van allen, in die koude laan met gouden goden!
„O-Bi-Tô,” zeide een schelle keelstem.
Een smerig, gluiperig kereltje, miserabel in een vuil grijs
lompenkleed. Een puntig dievensnoet, vér, vér van beneden.
Ik wist wat hij hebben moest, en gaf hem een „kah” [72].
Gretig greep de vieze hand mijn geldstuk.
„Gegroet, vrome Bikshu,” zeide ik, met een sneer, dien hij voelen
moest.
Maar onverstoorbaar kalm, zijn vuile snuit in een plooi van
Nirvâna’sche rust, antwoordde hij weder:
„O-Bi-Tô”, „O-Bi-Tô”..... [73]
Amitâbha, de Dhyâni Boeddha, de in-zich-zelf bestaande, vóór de
formatie der wereld, Amitâbha, de „abstracte Wijsheid”!
En ik voelde een grooten angst, nu deze havelooze schooier dien
subliemen naam op de lippen had, zooals ik zelf wel van véél sublieme
dingen spreek, ik, die mijzelf van binnen nauwelijks durf zien, in de
duistere afgronden der onbewustheden. Is daarom China mij zoo
sympathiek, of liever, zoo vreemd verwant, omdat het een symbool is van
een menschenziel? Omdat er van uit het sombere en droeve van duistere
onbewustheden de hoogste wijsheid wordt gezongen, en in de gure,
donkere wijken een roerloos, statig Boeddhabeeld de handen biddend op
de borst vouwt, in allerdiepste contemplatie?
Angstig peinzend ging het weer door de sombere straten, en ik wist niet
eens meer wat ik zoeken kwam, ik, droomende zwerver, ver van de dingen
van mijn land.
Het liefs van zonnige duinen was nu zoo lang reeds weg, en de weiden
met gouden koeien, en de weggetjes waar een wagen met paard aankomt in
de verte. Het is hier alles somber en tragisch, alles roept hier van
den dood, en mijn grootste geluk was hier immers altijd doodstil liggen
aan de zee, met vage nevelen op het water, en overal stervende lijnen
en wijkende horizonnen.....
Tot een plof mij weer wakker schrok. Ik was voor den tempel van den
stervenden Boeddha. [74]
Een met onkruid begroeid voorhof over; dán, langs twee pagodevormige
wierookbranders, de voordeur van den lagen, breeden tempel binnen. Het
is niet in een statige, groote zaal, in pracht van architectuur en
kleuren, dat het beeld hier ligt. Een paar gangen door, een trap op, en
ik kwam in een kleine, vierkante kamer, in donker, droef licht. Hier
stond een armoedig chineesch bed met vuile, groene gordijnen. Ik sloeg
ze terug en hing ze over de stijlen. En ik zag een levensgroot, gouden
boeddhabeeld dat—o, wondere chineesche naïeveteit!—met een deken bedekt
was, voor de koude. Ook de deken trok ik weg. Géén beeld van heel fijne
afwerking als de oude porseleinen,—een dik, bijna grof gezicht, met
grooten neus, en lompe, vette oorlobben. Het haar in krullige
vlamknoppen, donkerblauw. Dikke, logge lijnen had het lijf, als dat van
een vleezigen, massalen werkman, die één brute kracht is. Maar toch zág
ik het en was het duidelijk, ik zag het, en zal het niet licht
vergeten.....
„Zóó moet het zijn,” dacht ik, „zóó is het grandioze, zachte, teedere
einde.....”
Want de gouden boeddha lag met het hoofd zóó rustigjes op een luchtig
gebogen arm.... o! hoe rustig en zalig en in sereene kalmte,—de beenen
zóó zachtkens gevleid over elkaar, en over het slapende gezicht lag
zulk een wijding van eindeloozen vrede, dat ik dadelijk voelde, hoe
hier een ziel verzweefde, en dit lichaam verheerlijkte met den glans
van haren schaduw.
Zacht, zacht lag daar de boeddha vóór mij, hoe zalig was hij daar
gelegen; ja, nu wist ik het—hoe heerlijk dit te weten!—dit was geen
lijden, geen bange dood, dit was enkel het lucht-droomend verglijden
van een bevrijde ziel.....
In een donkere, vuile kamer was het, in sombergeel, treurend licht,
ergens op een verdieping van een armoedigen tempel, in de duistere stad
van modder en immondices, waar ik zooeven nog walgde.
Toen ben ik haastig weggegaan, na eerst de deken zelf weer over het
gouden lijf te hebben geslagen, en de groene gordijnen dichtgedaan. Dit
is niet iets om veel van te zeggen, om lang naar te zien. Maar iets om
heel stil te bewaren van binnen, om voorzichtig mede te dragen door het
leven, en niet meer van te spreken.....
En weêr ging het, een uur lang, door de donkere stad, en in mijn
moeheid zag ik niets meer dan vage schaduwen. Alleen nog even héél
helder, op een breede, open plek, op zij gezien, een blanke pagoda, een
blanke bloem, rank oprijzend, hoog boven de lage, schuitvormige daken,
met zeven gestyleerde terrassen boven rijen zeskantige bladen, en
gekroond door een spits van in den wind zacht klingelende klokjes. Een
wondere bloem van steen en porcelein, opbloeiend uit het vuilbruine der
huizenmassa’s.....
Toen heb ik getiffind, in een koude, leege zaal, en later in een
donkere hôtelkamer gezeten, met vreemde stadsgeruchten roezemoezend in
de verte, en angstig gillen van stoomfluiten, dicht bij op de rivier.
Moe van warmte, lam van benauwdheid als ik was, viel ik in een zwaren
slaap, donker en leeg, een groote zwarte onbewustheid, als een
afgrond.....
Na het diner, ’s avonds, werd ik door een jong engelsch student van de
„consular service”, met wien ik aan één tafeltje had gezeten,
geïnviteerd om de „flower-boats” op de Cantonrivier te gaan zien, een
chineesche, drijvende buurt van „haut plaisir”. Daar hij
Canton-chineesch sprak, een dialect waarvan ik maar heel weinig machtig
ben, nam ik die invitatie met graagte aan.
En nu ging het in een sampan, onder een rieten dakje gezeten, over een
breede, donkere rivier. Voorbij de stad was het alles donker, en van
een vreemde melancholie, die ik nergens anders voelde dan op chineesche
rivieren. Een zacht drijven met korte stootjes, onder het droevig
gepiep van riemen in de haken, en van buiten niets te zien dan donker
water alom. Tot opeens in de verte een rumoer klonk van stemmen en
gezang. En wij kwamen bij een groote, opeengehoopte massa, die ik eerst
voor een stad hield, maar die uit honderden naast elkaar vastgemeerde
booten bestond. [75] Bamboebruggen op palen vormen wegen tusschen de
rijen schuiten, die allen stil liggen.
Met veel moeite liepen wij op die ruwe wegen voort. De eerste schuiten
die wij voorbijgingen waren klein en slecht verlicht, en ik zag vrouwen
in zwarte jakken met een sigaret in den mond. Maar verder blonk veel
licht, en nu kwamen wij bij wonderlijke huizen—want op booten lijken
zij niet in het duister—met fijn houtsnijwerk van bloemen en vogels. De
deuren open, en binnen alles hel verlicht, veel menschen in kleurige
gewaden, en vreemde vrouwenfiguren in schitterende zij. In een der
laatsten gingen wij binnen. Een aanzienlijke Chinees, de secretaris van
den onderkoning van Canton, gaf daar een feest. De boot leek wel een
langwerpige, smalle, lichte doos met menschen. De eerste indruk was
rood en goud. Langs de muren veel spiegels in vergulde lijsten, en veel
roode tabletten met gouden karakters. Overal europeesche kronen en
lustres, met veel glazen breloques. Overal schitterde en fonkelde
kristal en licht.
Langs de wanden, als in chineesche ontvangzalen, stoeltjes van
zwartbruin hout, rijk ingelegd met parelmoer, en rijk besneden. Naast
elken stoel een laag tafeltje, voor de thee. In het midden een fijn
geornamenteerde tafel op drakenpooten, waarop allerlei porseleinen
schalen met lekkernijen, en waarom rijkgekleede chineezen met wondere,
frêle wezentjes—bloemen? feeën?—van lichte, tintelende couleur, met
vreemde droomgezichten, nog niet gezien.
Mijn beleefde nieuwe kennis stelde mij voor aan een immenzen, loggen
chinees, met enormen, vooruitstekenden buik en vuurrood gezicht, een
vette, lompachtige vleeschklomp. Ik boog zoowat en mompelde iets van
het weinige mandarijn dialect dat ik kende—en dat een hooggeplaatst
chinees door het geheele rijk verstaan moet. Maar ik heb niet gehoord
wat hij toen zeide, want ik keek naar die vreemde, ongeloofelijke
wezentjes om de tafel. Ze waren allen zoo klein en broos in de
fonkelende roze en hemelsblauwe gewaden met teêre bloemen en vogels
daarover geborduurd, roze omzoomd met blauw, en rood met goud, en
helgroen met fel geel, alles schitterend en tintelend in ’t intenze
licht, wijde korte gewaden over wijde broeken, met vage, vermoede
vormen er héél even doorkomend. En dan die gezichten, allen zoo
poederwit en bloemenrood, en die opgaande wenkbrauwbogen en die kleine
zwarte amandeloogen die niet schijnen te zien wat er om hen heen is,
maar enkel vage, verre mysterieën! De slanke droomwezentjes van
porseleinen vazen en van zijden waaiers en schermen en bizarre
teekeningen. En alles even sterk uitkomend van kleur, als geschilderd
op rijstpapier, zóó intens, kleuren alleen in China te zien. Er stond
er een op, met veel geruisch en kletteren van jaspis-sieraden, en nu
zweefde het kleurig schepseltje naar ons toe, als op het rythmusje van
een heel langzame droommuziek. De zijden miniatuurschoentjes van een
héél klein kindje raken maar even den grond, en het toch zoo lichte
lichaampje, te zwaar voor die babyvoetjes, helt links en rechts telkens
over, en wiegt in het wankelend evenwicht, met telkens uitstrekken van
een wijde mouw, als een vlag van een équilibriste. Dit kleine, zijden
figuurtje, als uit een droom gekomen, dit heel teêre, frêle wezentje
komt bij den kolossalen chinees staan, als zijn kindje ver beneden zijn
schouder reikend, en wil den vleezigen reus, die haar Lief is, weer
meêtrekken naar de tafel, om te eten.
Maar hij zeide haar iets, wat ik niet verstond, waarop zij ons met haar
zwarte oogjes aankeek, eerst half-bang, toen verwonderd, toen guitig,
en opeens in een schel gelach uitschaterde.
De dikke chinees scheen een héél goed vriend van mijn kennis te wezen,
wat deze mij dan ook verzekerd had, want ineens vroeg hij mij wat in
gebroken, maar toch verstaanbaar engelsch:
„Please sit down there, with my friends. Do you like a mistress?”
En daarna een bulderend gelach. Nu zag ik pas dat hij een beetje
dronken was.
„Hoe zou ik durven? Hoe zou ik durven?” riep ik, dezen keer voor de
eerste maal dit in China gebruikelijk antwoord eens heuschelijk
meenend.
Want die zijden, kleurige schepseltjes daar zijn geen vrouwen, dacht
ik. Het zijn geschilderde, met zijde omhangen automaatjes, ze zijn
broos als vlinders, de kleur zit er in fijn poeder op, ze geven stellig
af als je er aankomt. Hoe dit ooit aan te roeren—zou er geen
griezelige, bleeke plek óverblijven als bij een kapel,—zou die mooie
kleur er niet afgaan? En dan al die heerlijke, zachte zijde, zou het
niet kreuken, zou het niet scheuren en vlekken, en dan die curieuze,
porseleinen gezichtjes, me dunkt ze zouden breken en in scherven vallen
als de poppetjes op zoo’n waaier, als je er even aan stoot!
Wat een vreemd festijn, die logge, groote kerels, meestal met dikke
buiken en opgezette tronies, die daar vreemde vruchten eten en uit
miniatuurkopjes thee en wijn drinken met porseleinen poppen, die
dadelijk breken!
Wij werden opgenomen in den kring. Naast mij zat een figuurtje in roode
zij, met sterk riekende bloemen in ’t haar, en een smallen band van
blauwe ijsvogelveeren, bezet met groote paarlen, over een smal,
wit-gepoederd voorhoofd. Zij zat mij aan te kijken alsof ik een vreemd,
zwart monster was in mijn europeesche jasje, en begon telkens met
andere zulke vrouwtjes uitbundig te lachen over zóó iets ongerijmds.
Onze gastheer liet de muziekinstrumenten komen, en het wezentje naast
mij begon met haar kleine, roodporseleinen vingertjes in iets als een
guitare te tokkelen. Vreemde, maar heel zangerige wijsjes, en een
vreemde stem er tusschen, zingend in heel hooge noten ongehoorde
faussetten.
Het ging er alles heel netjes toe. Niets van de ruwe grofheid als op
europeesche bacchanalen, al was het nog een ietsje anders dan in een
europeesche salon. Deze vlinderachtige dametjes zijn dan ook de meest
ontwikkelde van China, en onderwezen in literatuur en muziek.
De booten—ik spreek hier enkel van de besten, niet van de
kleineren—zijn geen publieke lokalen, maar worden door een of meer
rijke chineezen afgehuurd, en de feestvierenden zijn allen gasten.
Behalve een toiletkamertje zijn er geen andere vertrekken dan de
feestzaal. Na het festijn gaan allen naar huis.
Mijn nieuwe vriend was in druk gesprek met de Chineezen, maar ik zeide
niet veel, en zat, een geurig kopje „siaochoeng” thee savoureerend, de
porseleinen vrouwtjes aan te staren, die ik nog nooit zoo gezien had.
Ik kende alleen van Cantonvrouwen de korte, dikke „girls”, die overal
in China, in de Straits en in Indië zijn te vinden, gekleed in de
glimmende, zwart bombazijnen jakken. Maar déze waren de echte
chineesche feeën uit de oude sprookjes en legenden, die op feniksen en
reigers door de lucht zweven, of voorbijdrijven op wolken, als Ho Sien
Kou, het wondere, lichte wezen, dat nooit at, en in het volle daglicht
eindelijk ten hemel voer, als te lucht en te broos voor deze aarde. Ik
trachtte te vergeefs mij voor te stellen, dat die gekleurde, teere
poppen courtisanes waren, zoo vaag en vreemd bewogen ze, zoo klein en
tenger leken ze, zoo curieus automatisch waren hun gebaartjes, als
werden ze onzichtbaar door touwtjes bewogen. Toen de dikke secretaris
zijn zware hand op de fijne, zijden schoudertjes van zijn meisje legde,
had ik een gevoel alsof ik een porseleinen voorwerp zag breken. Maar ze
weerde hem af met een keurige wending van haar zijden waaier, en lachte
met een hoog geluid, te hoog fausset om natuurlijk te zijn, maar dat
bizonder mooi wordt gevonden in een chineesche vrouw.—Hoe’n vreemd
gevoel was het, toen later zoo’n wezentje achter elk der gasten kwam te
staan, zooals gebruikelijk is, om wijn te schenken! Telkens als het
gepoederde, roode handje bij mijn kopje kwam, en een zijden wijde mouw
even ruizelend mijn jas effleureerde, week ik onwillekeurig terug, en
keek bezorgd of er niets was afgegeven, en geen roode of witte vlek was
gekomen op het zwarte laken.....
Het was laat toen wij, na vele strijkages en buigingen, afscheid namen
van de overbeleefde chineezen en hun raadselachtige schoonen. En toen
ik weer in de donkere sampan zat en over de doodstille, duistere rivier
gleed, had ik moeite te gelooven, dat ik de schitterende, kleurige
poppetjes van de oude vazen en rijstpapieren plaatjes werkelijk levend
had gezien, en dat alles misschien niet enkel een vertooning maar
geweest was op dat immenze tooneel, dat China is.
De stad, toen wij naderden, lag donker en somber, met hier en daar een
schaarsch lichtje, een groote opeenhooping van zwarte vormen, onder de
duistere droefheid, die over alle chineesche steden ligt, als een
vloek. Het gezicht op zoo’n ontzaglijke groote stad, doodstil onder den
zwarten nacht, vanuit de wijde, duistere rivier, is beangstigend met
een vreemde beklemming.
De schitterend roode en blauwe lichtfiguurtjes weken weg voor mijn
denken, en opeens dacht ik om de vijfhonderd gouden wijzen, statig
gezeten in den damp van blauwen wierook en om den heiligen, zaligen
Boeddha, die daar lag te sterven in het donkere kamertje, achter
armoedige, groene gordijntjes, dáár ergens in die zwartgrijze massa,
zoo somber en dreigend voor mij, de mysterieuze, fabelachtige stad van
wonderen, die Canton heet....