Ik was uitgenoodigd, de bruid te zien in het huis van Oei Cho Tsia, een
der aanzienlijkste chineezen van Amoy.
En ik weet nog zoo goed, hoe toen alles gegaan is! De poort-deuren
waren opengegaan, en ik stond op het binnenplein. Het is, of ik alles
weer voor mij zie, nu ik er over schrijf.
Ik blijf stilstaan, daar buiten in het donker, stil van bewondering, in
lichtgroeting. Ik zie in de openstaande ontvangzaal. Een lange,
doorloopende hal, donker voor, en áchter schittering van licht, feest
van licht, waar vreemde lampen schijnen, en kuische kaarsvlammen, en
wierook droomt. Duister vooraan, en áchter opbloeien van lichtrood,
lappen van rood, vlaggen van vlammend rood, waarin fonkeling van goud
en zijde, galakleur in staatsie van licht. En in dat verre licht beweeg
van menschen, van lichtblauw en geelgroen en paarsch, zacht-gaande
kleuren van feestgewaden, voornaam van weelde.—Als het beweeg in een
kerk, gezien van verre.
Ik treed de deur binnen, en hef de handen saâmgevouwen op de borst, en
dan weer neêr, ten groet. En een schaar rijkgekleede chineezen komt mij
tegemoet, met evenwijdige nijging van lijven, en waardigen stap. Ik zeg
op hoogen toon: „Kiong Hi! Kiong Hi!” [51] en ik gebaar vreugde, en
lichten wensch. De vader van den bruidegom zegt zijn beleefden dank, in
statig-gestyleerde taal, waarin rijke woorden blinken. Hij draagt
zacht, licht groen, bijna geel, om zijn voornaam lijf. Hij is de Heer
van dit groote huis vol kleuren en licht, en de gouden karakters op de
roode lappen en tabletten aan den wand roemen zijn deugd en zijn geluk.
Breede lappen, van een superieur rood, schitterend van intenze kleur,
met het goud in overdadige luxe. Hij staat kalm en waardig in die
glorie, uitstralend van de wanden.
Tegen den achtergrond van de zaal staat het familie-altaar, een wondere
creatie van licht, paarsch-rood licht, helwit licht, en geel licht,
rechte vlammen van kaarsen en blinkende glazen kappen. In de heilige
lotuslampen met roodhoornen ballonnen, donkere wijngloeiing, vlamloos
in bloemekelken. En uit teêre bundels wierookstokjes, éven opschietend,
gaan mystieke vonken omhoog. Er waait een zachte geur van af, op
stillen adem.
Ik wilde wel lang, lang zien in die lichten, maar de kleuren van
menschen komen er telkens weer voor.
De Bruidegom.—Een deftige chinees, met een gezicht van veel studie, en
zich zelf aanzienlijk en superieur weten. Kalm onder het plechtige
feest, met de emotie verbloemd in voorname rust, en met eenvoudige
gebaren bewegend ín zijn gewaad van weelde. Hij draagt een donkerbrons
costuum, met wijde mouwen, en wijde broek, waarover op de borst een
overgewaad, zonder armen, van lichtblauw. Zachte kleur van gebrocheerd
zijde-satijn, een gala van lichte liefdekleur, met gestyleerde figuren.
Een bloei van stijlvolle bloemen op zijn borst, wonder glanzend, met
fijne omtrekken, lichte buiging van lijn. Zij zijn zachte geheimen om
zijn huwend lijf.
Ik buig diep, met den eerbied van handenheffing en daling. Dán zeg ik
mijne gelukwenschen, met hoog-opgaande woorden, naar den roem van zijn
huis, en de deugd zijner bruid.
Ik spreek moeilijk het zingende chineesch, want ik zie te veel den
schijn van zijn wezen daar vóór mij. Ik zie naar den glanzenden bloei
van bloemen over zijn hart.
Dán zie ik weer overal in ’t rond de groote lappen kleur, luid
feestgejubel van rood, met de schittering van ’t rijke goud der
karakters. De chineezen bewegen voor mijn oogen als stukken
zacht-waaiende kleur, langzaam-wuivende stoet van blauw, paarsch, en
geel, en het teêrvibreerend geuren van den wierook doet om mijn hoofd
een droom gaan.
Ik gevoel mij onwillekeurig bewegen en gebaren, onbewust meêgevoerd in
het doen der chineezen. Ik kom te zitten in een ebbenhouten zetel, rijk
ingelegd met paarlemoer, ter linkerzijde van het altaar, en ik ruik een
fijnen geur. Het is naast mij, op een laag tafeltje, een kopje thee,
zacht wit porselein, met groene en roode figuren. De thee daarin is van
het geel der bleeke bladeren in den herfst.
En terwijl ik zonder weten gebruikelijke woorden spreek, kijk ik naar
de altaar-tafel. De lichten branden zacht voor de ziele-tabletten der
vaderen. Ik zie twee lampen als bloemen. Een ranke, zilveren stengel,
lucht rijzend omhoog, uitbloeiend in een lotuskelk, met gestyleerde
bladen. Zacht bolt uit den kelk een donkerroode bloem-ballon, waarin
licht droomt. Donkere gloeiing als van heiligen wijn in transparanten
kelk. Deze bloeme-lamp brandt vlamloos boven de tafel, teer gedragen
door den luchten steel, op de rijke bladen van zilver. Aan het andere
einde brandt een zelfde bloem tweeling-licht. En tusschen die twee
lotus-lampen staan vazen met vreemde bloemen, van het donker
goud-en-geel van bergen in zonneglans, en het purper van avondrood
boven de zee. Zij zijn zachte mysterieën van bloem, wondere poëemen van
kleur, een wijding in dezen hoogtijd. Daarachter staan rechte, roode
kaarsen, met de fijne amandelvlam, die somtijds beeft. En in blinkende
wierookvaten met sandelpoeder rijzen de dunne wierookstokjes, mystieke
vonken dragend van donkerrood, die roerloos gloeien. Hier en daar dampt
een wolkje rook op, in kuische golving, droomerig en stil...
En de gewaden wuiven steeds vóór mij, wuiven blauw, wuiven zacht, zacht
voor mijn oogen...
Vrouwen en meisjes zijn niet te zien. Die worden verborgen voor
mannen-oogen, des te meer voor barbaren uit het Westen. Maar áchter het
altaar, waar het ver doorloopt, wuift somtijds een gordijn weg, gaat
ergens een deurtje open, even, hálf-open maar, en dán ópgekleur van
rood vrouwengewaad, geschitter van oogen, gedempt lachen, en gerucht
van fluisterende stemmen... Fonkeling van een steen in het donker, en
geruisch als van armbanden, en schuivende snoeren koraal of jaspis...
Vaag en zacht is het verlangen, om die vrouwen te zien...
Nu word ik uitgenoodigd om naar de bruid te gaan. En een paar chineezen
gaan mij vóor, op zachten stap van hun vilten zolen, mooie figuren zoo
van achteren gezien, met de wijd-uitgolvende mouwen, rijk van val. De
lange staarten, recht over den rug, ingevlochten met roode zijde,
glanzende op hun gewaad.
Links van de groote voordeur een kleine kamer. Veel licht, en weer
schittering van kleur en goud. Ik krijg een lagen zetel, vóór in die
kamer, en om mij heen blijven de chineezen staan. En ik zie het eerst
een beeld, levensgroot, naast een tafeltje met licht en porselein, en
daarachter wakende een oude, oude vrouw. Het beeld zóó schitterend, dat
ik niets anders zie. Het is van rood en goud, van zóó intenzen glans,
dat het licht van zich uitstraalt, als een ster.
Het is het beeld van een maagd. Het draagt een kostbaren, rooden
mantel, wijd van armen, met rechten val van breede mouwen. Het hooge
rood draagt een lichten bloei van goud. Een draak van goud, rijzende
uit gouden golven, strevende omhoog boven een wilde zee, in een
atmosfeer van gouden wolken, lekkend met opgesperden muil naar een zon
van goud. De oogen zijn twee blauwe steenen, fonkelend van een vreemden
gloed. En rijk er omheen blinken gouden bloemen, sterren en karakters,
en schitterende fenixen vliegen op wijd gespreide wieken in het helle
rood. Een creatie van goud en licht, met superbe lijnen, in
heerlijk-statig bewegen. Het straalt een emanatie van goud naar alle
zijden, rayonneerend uit het felle gala-rood.
Daaronder tintelt lichtgroen van wijde ondergewaden, rokken van
fonkelend groen, met zachtroze bloemen, en gouden vogels en vreemde
dieren, een hert, een schildpad, een reiger, een vleermuis. Vage
herinneringen gaan door mijn hoofd van geweten hebben waaróm die
figuren, en welke symbolische beteekenis, maar niet meer weten, niet
meer willen weten, veel te gelukkig van al dat goud, te blijde in de
ontvangenis van al het licht. Mijn oogen bewegende meê met al die
lijnen en contouren, vergaande in die wereld van goud. Lang, lang
daarin turen. En dan opkijken, hooger aangetrokken door nóg meer glans.
Een hoofdtooi van groote schittering. Het beeld heeft een hooge tiara,
als een papale kroon zonder kruis, maar met vier hoog uitstekende
fonkelstengels, dragende bladen, waarop gouden karakters. Op die kroon
weer een rijke bloei van bloemen, waarboven zwevend luchte kapellen.
Somtijds, op een lichten tocht-adem, trillen hun transparante vleugels.
En aan weerszijden zware gouden sieraden, met rechte, laag neêrdalende
franjes. Kuische neiging van gouden lijnen langs een hoofd, neerkomende
met zegenend gebaar, als de luchtwortels van den heiligen boeddha-boom.
En nu, nedergaande met de gouden lijnen, zie ik het hoofd, het hoofd
van zacht-geel, van teêr blozerood omdroomd. Het neigt zacht, zacht
naar beneê, in roerlooze rust.
De oogen zijn geloken, hun kleur is niet te zien, door de lange, fijne
wimpers der half-toeë oogleden, die ze kuisch bedekken. Daarboven gaan
teêre wenkbrauwen vér omhoog, met een vaag gebaar, als de lijning van
avondbergen in manedroom. De mond met een vastheid van wil in de
uitdrukking, alsof hij in hoogste intensiteit zoo is geworden, en niet
meer te spreken behoeft, zóó volmaakt.
Zoo staat het beeld, als een licht wezen van rood en goud, rijk van
kleur en lijning, met het hoofd zacht gebogen, neigende met het gebaar
van een eindeloos geluk, of een eindeloos leed, dat roerloos is in
hoogste expressie. Het suprême leef-moment van een mensch, als de
wisselende vorm een eeuwig ideaal wordt, éven opschitterend in den
rusteloozen gang der verschijningen, zóó lichtte voor mij óp dit
maagdelijk gezicht....
Mijn oogen zijn nu moê van ’t zien, mijn oogen van het Westen, die zóó
de kleur niet kenden, en het licht. En zij dwalen af. Een tafel met
brandende lampen, en kaarsen, en wierook, en daarbij ook schotels met
vruchten, gebak en wild. Vreemd, dit vertoon van spijzen, en onwillig
ruik ik den geur van het gebraad. Maar weer mooi het gedempte licht van
de lampen.
Links zie ik een bed, een praalbed, ook van rood en goud, met rijke,
opgeslagen gordijnen, vastgehouden met gouden banden, en bewerkt met
glanzende borduursels. De stijlen van het bed zijn wonderen van
houtsnijkunst, fijn uitgesneden, en van boven door een breede strook
van dat cantillewerk verbonden. Het is een mêlée van menschen, en
paarden en wagenen, ijlend door vlakten en dorpen, en vloten van
jonken, in wild-golvende zee. En ik herken het, van dichtbij. De
sprookjes, de sagen van de Saam Kok Tsi, dat heerlijke boek der
chineesche middeneeuwen! Gezien op het tooneel van af de eerste jeugd,
en eindelijk zoo één met den chinees, dat hij dat alles laat uitsnijden
in zijn eigen slaapstede, als om er ’s nachts van te kunnen droomen!
Op de mat in het bed liggen fijne, dunne dekens van zachtroode zijde,
streeling voor vermoeide leden. Want dit bed van gala is de heilige
sponde van huwing.
En ik zie weer naar het beeld. Wat is het stil, zoo stil! Ik kijk
aandachtig, aandachtig, met half-dichte oogen.... Zou het wel een beeld
zijn?.... Totdat het zachtjes beweegt. De bloemen op de kroon trillen,
onder adem van wind. Luchtjes wiegelen de kapellen....
Het beeld draagt een mandje op de handen, met gebaar als van offering.
De oude vrouw steunt het onder de armen, bang of het zou vallen. Zacht,
zacht beweegt het, op stillen stap van kleine, o! zoo kleine voeten.
Het nadert mij, langzaam. Maar geen lid van het bovenlijf beweegt. Het
gezicht blijft roerloos genegen, de oogen blijven laag geloken, en
dezelfde wijding glanst over dat hoofd. Reine rust in den val der
mouwen, in de lijning der gewadeplooien, die stil blijven van
ongebroken boog. Zacht ruischen de gouden sieraden. Bloemen trillen op
luchte wuiving. En de Bruid nadert mij zachtjes, waar ik eerbiedig ben
gezeten. Maar het is een boeddhabeeld, dat roerloos schrijdt naar
adoreerenden, de incarnatie van een hoog ziele-moment, op luchten adem
zwevend van een mirakel.....
O ja, ik heb een klein geschenk medegebracht in rood papier, dat moet
ik leggen in dat mandje, en buigen. En ik moet wat van de lekkernijen
daarin van één vak overleggen in een ander, en zelf niets nemen. Dat is
mij zoo geleerd. Gelukkig, dat ik er nog even om heb gedacht....
De Bruid is vóór mij, en staat stille. Ik grijp voorzichtig in het
mandje, verwissel de suikertjes, en leg er zachtjes mijn geschenk in
neêr. Opstaande, heb ik het hoofd gebogen, diep. En nu zie ik
dichterbij het zacht-geel gezicht, waarover droomerig roze. Het blijft
roerloos, en genegen.
En ik zie er het sterven van de Maagd, dood van broze mysterieën, wat
eindeloos droef is, en ik zie er den droom van licht Verlangen, de
kuische rijzenis van de Vrouw, wat eindeloos blij. En de oogen zijn
stil toegegaan, in dat suprême moment van dien dood en die opstanding
van het Leven, dat zoo hoog over dat teêre hoofd ging....
Nu gaat de Bruid zacht, zacht weer heen, op denzelfden luchten adem. Ik
voel het, hoe zij weggaat, het gaat ver, ver van mij. Het was te schoon
om lang te blijven.
Maar ik heb gezien het opperste moment van leven in den wisselenden
gang der vage menschenvormen, een goddelijk droomgezicht, bevende op
die grens van Maagd en Vrouw, waar de weerglans schijnt van een eeuwig
licht.
Het is gekomen, als alles wat heel broos is, en te teêr om lang te
wijlen, stil, stil gekomen, het toefde even, en is toen zacht weer
heengegaan van mijn oogen....