VOORWOORD.

Eigenlijk heb ik het land aan voorredes. Maar ik vind het toch heusch

noodig even iets vóóraan dit boek te zeggen. Toen mijn „Wijsheid en

Schoonheid uit China” was uitgekomen, heb ik daar zoo nu en dan iets

over moeten hooren. Dat kon niet anders. Ik hoorde het uit recensies,

over het algemeen wat men noemt gunstige, en uit brieven en gesprekken.

Een mijner gewezen collega’s, als sinoloog een geleerde van groote

beteekenis, zeide: „Een mooi boek heb je daar geschreven, een mooi

boek,—maar niet wetenschappelijk”. En in de wijze, waarop hij dat

„niet-wetenschappelijk” uitsprak, was te voelen hoeveel hooger hij

wetenschappelijk stelde dan mooi. Dat had ik wel voorzien. Mijn boek

was .... mooi (prettig om te hooren, nietwaar?), maar .... niet

wetenschappelijk, niet zuiver sinologisch, en zuiver ethnografisch. En

dat is een doodzonde in de oogen der speciaal wetenschappelijke wereld.

Daarom heb ik een bizonder prettige aandoening gevoeld bij het lezen

van een artikel in het „Nieuw Bataviaasch Handelsblad” [1] aan de hand

van een mij onbekend gebleven literator, die zich „Lettore” teekende.

Deze recensent zegt precies wat ik zelf heb gedacht bij het hooren van

dergelijke streelende veroordeelingen van mijn boek door de exacte

wetenschap-mannen. „Den kunstenaar” zegt hij, „wil men altijd ver

afhouden van de wetenschap, van wat men noemt het exacte.”

Lettore vermoedt dan ook, „dat dit werk (dat van mij n.l.) door de

wetenschappelijken daarom met wantrouwen zal worden aangezien. Want ik

ken hun angst voor den arbeid, die hun gebied betreedt, enz.”

En ten laatste verklaart hij, dat mijn boek hem „een duidelijker

inzicht en een geheugenvaster kennis heeft gegeven, dan een kille,

begrensde verhandeling zou kunnen doen.”

Laat ik maar eerlijk bekennen, dat dit een satisfactie voor mij was.

Had ik eenvoudig een logisch, vormelijk relaas gegeven, een exacte

opsomming of inventaris van de door mij in China geziene dingen, allen

behoorlijk in hokjes en loketjes, met papiertjes er op, vooral zonder

emotie, en vooral met veel geleerdheid, in een algemeen gebruikelijke

verpakking van onaandoenlijke taal gestoken,—ja, dan had ik wel kans

gehad om óók wetenschappelijk geweest te zijn. Die heb ik mij dus laten

ontglippen.

Maar, laat ik dit nu met nadruk zeggen, om verdere vergissingen te

voorkomen, dit heb ik van ’t eerste oogenblik af aan niet gewild, en

dit ben ik voorloopig niet van plan ook.

Ik houd van warm, van liefdevol, en van innig. Ik houd van emotie.

Zonder emotie zou China voor mij een dood land zijn geweest, en zou ik

er nooit iets over geschreven hebben. De geleerdheid kan mij geen

ziertje schelen dan alleen als hulpmiddel om de schoonheid te leeren

begrijpen, en als uit haar geen emotie wordt, is zij mij niets waard.

Ik heb in dat heerlijke wonderland, dat China heet, te midden van een

nooit gedroomde majesteit van zeeën en bergen, de dierbaarste en

zuiverste emoties in mijn leven gevoeld. Die emoties tracht ik weer te

geven in mijn werk, dat ik alleen dáárom schrijf. Ik meen in de

schoonheid de essentie van de geheele natuur en het geheele

menschenleven in China te zien, en die werd mij door de emotie

geopenbaard. Ik geloof dat de ziel van een volk en van een land niet

aan te roeren zijn door intellect alléén, door enkel exacte wetenschap,

want die ziel, hun eigenlijke, essentieele Wezen, is van een

transcendente natuur en kan alleen benaderd worden in den warmen gloed

en op den hoog-gaanden rythmus van door de schoonheid gecreëerde

emotie. Dit is nu mijn ethnografie en mijn wetenschap.... Men kan van

de dingen, die ik schrijf, voorzoover ze emotie zijn, onmogelijk

zeggen, dat ze niet zoo zijn of niet zoo zouden kunnen zijn. Ik heb ze

zoo gevoeld en daarom zijn ze zoo.

Zeker, ik heb menschen gesproken, die óók in China zijn geweest, die

langs de dingen zijn gegaan, waar ik van sprak, en die mij verwonderd

vroegen, of dàt nu alles was, waar ik zoo over uit ben, daar zij „er

niets in gezien hadden”. Dat ligt niet aan die dingen, maar aan die

menschen.

Mijn werk en dat der exacte geleerden liggen in verschillende sferen.

Ik eerbiedig het hunne met een heel grooten eerbied, want ik kan het

weten welk een toewijding en energie het vereischt. Maar ik ken mijzelf

het recht toe, op mijn eigen manier te werken, met mijn eigen middelen.

En het lust mij, niet de wondere bloemen van China te ontleden en te

determineeren, maar mij weg te droomen in hun glans en schoone kleuren

en hun zoeten honig te puren in blijde zaligheid.

Ik wilde dit absoluut nog even zeggen, om duidelijker te maken hoe ik

mijn „Wijsheid en Schoonheid uit China” kwam te schrijven en hoe ik ook

thans tot dit werk ben gekomen.

De pretensie van sinoloog en ethnograaf te willen zijn, in den zin

althans dien de exacte—o! zoo exacte!—wetenschap daaraan geeft, heb ik

hiermede voldoende van mij afgewezen. Zoo ik die ooit bezeten had, ik

zou andere, niet déze boeken hebben geschreven.

En hiermede is dan dit voorwoord gesproken.

Kwan Yin: Een boek van de Goden en de Hel · 第 1 / 12 题