EEN STRIJD OM HET LEVEN.

Met een vlugge beweging had Raffles den dunnen electrischen draad

doorgesneden die waarschijnlijk, als er op den knop gedrukt werd, een

schel in een van de bediendenvertrekken zou doen overgaan.

Vervolgens stak hij de linkerhand, na zijn lantaarn op een kleine tafel

te hebben geplaatst, onder het hoofdkussen en trok er met een

bliksemsnelle beweging de revolver onder uit.

Steeds zijn eigen wapen gericht houdend op het hoofd van zijn

tegenstander, ging hij naar de kleine tafel terug, trok er de lade

open, en nam er op den tast een tweede revolver uit, die denzelfden weg

volgde als haar kameraad.

„Men kan wel zien dat gij op alle gebeurlijkheden zijt voorbereid!”

zeide Raffles spottend. „Het lijkt hier wel een heel arsenaal te zijn!”

„Gij moet met den duivel in verbinding staan!” riep Stanley op woesten

toon. „Hoe is het mogelijk dat gij hier zijt binnengedrongen, zonder

dat ik het merkte, die lichter slaap dan een haas.”

„Oplettendheid, Stanley,—oplettendheid en niets anders! En dan nog een

weinig oefening!” antwoordde Raffles bedaard. „Een beginneling zou

minstens over twee van uw drie draden gestruikeld zijn—maar John

Raffles, dit dient gij toe te geven, kent het klappen van de zweep, en

is door dergelijke middelen niet te vangen! En als gij weten wilt hoe

ik hier ben binnen gedrongen—zie maar hoe de koude luchtstroom het

fluweelen gordijn voor het raam doet bewegen!” Stanley keek Raffles een

oogenblik zwijgend aan, en vrees, bewondering en haat wisselden

elkander op zijn gelaat af.

Eindelijk vroeg hij op schorren toon:

„En—wat wilt gij nu van mij? Gij zijt gekomen om mij te vermoorden?”

„Ik ben gekomen, Stanley, bezield met de vurige hoop, dat het mij mocht

gelukken u te dooden!” antwoordde Raffles koeltjes. „Gij zult moeten

erkennen, dat dit niet hetzelfde is—want ik wil u een kans geven om het

mij te doen!”

„Een tweegevecht dus?” riep Stanley uit, terwijl hij zich in zittende

houding in bed oprichtte, en Raffles met een ongeloovigen blik

aanstaarde.

„Dat verrast u?” hernam Raffles op minachtenden toon. „Gij kunt u niet

voorstellen dat men een man als gij niet overhoop schiet, wanneer men

er de macht toe heeft, en wanneer men zelf voortdurend in gevaar leeft,

door u of uw handlangers op verraderlijke wijze naar de andere wereld

te worden gezonden? Het is toch zoo! Ik bied u een tweegevecht aan!”

Maar Stanley liet een kort lachje hooren, en riep uit:

„Is dat uw ridderlijkheid! Denkt u dat ik niet weet wie gij zijt? Denkt

gij dat het mij onbekend is, hoe gij op vijftig ellen afstand een aas

uit een kaart schiet, zes en veertig van de vijftig malen? Meent ge dat

ik niet weet, dat gij meester zijt op den degen, en dat zelfs de

sterkste Italiaansche en Fransche provoosten het niet tegen u kunnen

opnemen? Een fraai aanbod, voorwaar! Gij zoudt mij na tien minuten een

kogel door den kop hebben gejaagd, of mij een degen door het hart

hebben gestoken—gij zoudt mij naar de letter van de wet niet vermoord

hebben—en toch zoudt gij dat inderdaad gedaan hebben, want ik kan mij

in dat opzicht thans niet met u meten!”

Raffles had zwijgend toegeluisterd en keek nu den schurk met

verachtelijken blik aan.

Daarna zeide hij schouderophalend:

„Ik kende u nog niet voldoende naar het schijnt! Ik wist dat gij wreed

waart, wreeder dan een Chineesch of een roodhuid—dat heb ik zelf aan

den lijve ondervonden, want nog brandt de wonde van de gloeiende

oliedruppels, welke gij mij op mijn ontbloote borst deed vallen—ik wist

ook dat gij voor geen enkele misdaad terug deinst, hoe afschuwlijk

ook—maar wat ik niet wist, dat is dat het u ontbreekt aan persoonlijken

moed!”

Stanley werd vaalbleek van woede en een oogenblik scheen het, alsof hij

zich op zijn vijand wilde werpen.

Hij wist zich echter uit alle macht te beheerschen, en zeide met een

valsch lachje:

„Gij kunt over mij oordeelen zooals gij wilt—ik vecht niet met iemand

die in het schieten en schermen meerdere malen boven mij staat!

Trouwens mijn huis is niet voorzien van de wapens welke wij noodig

hebben!”

„Dat vermoedde ik, Irwin Stanley!” hernam Raffles uit de hoogte, „en

daarom had ik mij van te voren van het noodige speeltuig voorzien—gij

kunt de degens en de pistoolkist daar op den grond zien liggen. Ik zie

nu echter wel in dat ik u bezwaarlijk kan dwingen tot een eerlijk

tweegevecht. En toch moet het ons beiden duidelijk zijn, dat een van

ons te veel is op deze wereld! Ik heb dit reeds gezegd tot twee van uw

voorgangers, tegenover wie mij het noodlot plaatste—en gij kent er de

gevolgen van! Het was een eerlijke strijd telkenmale—dat mag ik

tenminste van mij zelf zeggen—en de Voorzienigheid wilde dat de

schurken hunne misdaden met den dood betaalden. Het zou echter kunnen

zijn, dat een booze geest u de hand boven het hoofd hield en dat gij

mij zoudt hebben verslagen—ofschoon ik wel zou durven zweren, dat ik

het recht aan mijn zijde heb!”

„Genoeg gepraat!” riep Stanley uit. „Maak er een einde aan! Ik ben in

uw macht!—als mijn uur geslagen heeft, dan zal ik mijn lot weten te

dragen als een man,—ik vraag dan slechts gelegenheid om mijn zaken te

regelen!”

„Ik ben geen beul!” riep Raffles toornig uit. „Ik ben zelfs geen

rechter. Wat gij op uw geweten hebt, moet gij later zelf verantwoorden.

Ik wil slechts mijn eigen leven beveiligen, en daartoe heb ik, als

ieder levend wezen, het volste recht! Gij zoudt slechts weinige dagen

geleden geen oogenblik geaarzeld hebben, mij ten doode te folteren,

niet waar?”

„Geen seconde!” riep Stanley op woesten toon.

„Dat is althans oprecht gesproken!” hernam Raffles. „Welnu, maat voor

maat, ik zweer u, dat ik u niet in de toekomst zal sparen, wanneer de

omstandigheden ons nogmaals tegenover elkander zullen plaatsen! Ik zal

u vervolgen waar en wanneer ik kan, ik zal op uw spoor blijven als een

jachthond op dat van het wild, ik zal u dag en nacht in het oog

houden—en wee u, wanneer zich de gelegenheid voordoet, dat ik u op

heeterdaad betrap! Tot dusverre zijt gij door uw listigheid aan de

politie ontsnapt—maar eens zal er een dag komen, waarop zij aan uw

identiteit niet kan twijfelen—en dan moge de aardsche gerechtigheid uw

vonnis vellen—ik ben er van overtuigd dat er in uw verleden geheimen

schuilen, die, eenmaal opgehelderd zijnde, u zullen dwingen uw hoofd

door den strop te steken!”

Na deze woorden bleef het eenige oogenblikken stil in het slaapvertrek

van den misdadiger.

Stanley scheen na te denken over hetgeen Raffles gezegd had, en deze,

die den schurk niet vertrouwde, hield hem nauwlettend in het oog.

Stanley hield den blik neergeslagen, zoodat Raffles niet zien kon wat

er in hem omging.

Eindelijk hief Stanley het hoofd op, en zeide op afgemeten toon:

„Ik beaam alles wat gij daar zegt—en ik wil niet verhelen, dat ik van

mijn kant tegenover u juist op dezelfde wijze zal

optreden—verondersteld natuurlijk dat ik dezen nacht overleef.”

„Gij overleeft hem, ellendeling!” riep Raffles met fonkelende oogen

uit. „Gij weigert immers met mij te vechten! En ik herhaal u dat ik

geen moordenaar ben, dat ik u niet in koelen bloede zou dooden!”

„Ik wil wel met u vechten!” hernam de meester bedaard, zonder evenwel

Raffles aan te zien.

„Wat zegt gij daar?”

„Ik wil met u strijden—maar ik wil dat de kansen volkomen gelijk zullen

zijn, en daartegen zult gij—wel geen bezwaren opperen—men noemt u

immers een Gentleman-Dief!”

„En op dien titel ben ik trotsch! Een gentleman ben ik—en ik hoop het

te blijven!” hernam Raffles met stemverheffing. „Gij wilt dus een

strijd, waarbij de kansen gelijk staan. Moet ik verwachten, dat gij mij

zult voorstellen de keuze te doen tusschen twee volkomen in uiterlijk

gelijke pillen, waarvan er een onschadelijk, de ander vergiftig is, en

binnen enkele seconden den dood brengt? Wilt gij ons soms te samen

opsluiten in een klein vertrekje, met een brilslang, een moerasadder,

een zweepslang, of een ander vergiftig reptiel en dan afwachten wie het

eerst door het monster zal worden gebeten? Wilt gij met den degen

strijden, en mij met een ponjaard wapenen?”

„Niets van dat alles—ik wensch een Mexikaansch duel!”

„Op de revolver?”

„Op het mes!”

Raffles gaf niet aanstonds antwoord.

Hij kende de bepaling van deze vreeselijke tweegevechten, welke

meermalen, ook nu nog, in Mexiko wordt toegepast, ofschoon zij bij de

wet streng verboden zijn: de beide tegenstanders, hun dolkmes als wapen

gebruikend, worden opgesloten in een volmaakt donkere kamer—en hier

moeten zij trachten elkaar op den tast den doodelijken stoot toe te

brengen.

Slechts sterke zenuwen zijn bestand tegen de verschrikkingen, eigen aan

deze bloedige gevechten.

Het was Raffles bekend, dat geruimen tijd geleden Dr. Fox op een

gelijksoortige wijze had moeten strijden om het meesterschap met een

Franschen markies, Raoul Beaupré de la Sardogne geheeten, die toen

wegens verraderlijke wijze van zijn tegenstander het onderspit had

moeten delven.

Slechts een oogenblik aarzelde Raffles.

Hij trachtte op het gelaat van zijn doodsvijand te lezen, wat er in

deze omging, maar hij zag niets anders dan wraakzucht, haat en

bloeddorst—en de nieuwsgierigheid naar zijn antwoord.

En toen antwoordde hij rustig:

„Ik neem het aan!”

„Zoo mag ik het hooren,” riep Stanley uit. „Op deze wijze althans zijn

de kansen ongeveer gelijk. Sta mij toe, dat ik mij kleed.”

„Dat kunt ge doen, maar haast u, want ik heb nog slechts een half uur

tijd,” antwoordde Raffles, die een blik op zijn horloge had geslagen en

zag dat het reeds bij half drie was.

Stanley liet zich uit het bed glijden en trok snel zijn bovenkleeren

over zijn pyama aan.

Raffles sloeg hem zwijgend gade en ondanks zichzelf bewonderde hij de

katachtige lenige bewegingen van zijn vijand, die op drukke beoefening

van sport en op lichaamskracht wezen.

Hij bestudeerde het nog steeds bleeke gelaat met de

roofdier-uitdrukking en het merkwaardig lage voorhoofd, vol rimpels, de

stekende oogen en de vooruitstekende jukbeenderen, die schenen te

wijzen op een Aziatische bloedmenging.

Toen Stanley zich had aangekleed, wendde hij zich tot Raffles, die hem

geen seconde uit het oog had verloren, uit vrees voor een of anderen

verraderlijken zet, en zeide:

„Dit vertrek eigent zich slecht voor hetgeen wij te doen hebben. Wilt

gij mij volgen naar de kamer, die daartoe beter geschikt is en waar ik

ook de noodige wapens heb?”

Raffles haalde de schouders op en antwoordde:

„De plek is mij onverschillig. Als het lot wil dat ik sterf heb ik niet

meer grond noodig, dan de lengte van mijn lichaam bedraagt.”

„Wees dan zoo goed, mij te volgen?”

„Dat zal ik. Dacht gij soms, dat ik zou toestaan, dat gij achter mij

zoudt loopen. Ga voor.”

En terwijl hij den schurk met de revolver in bedwang hield, volgde hij

hem de slaapkamer uit, nadat Stanley den sleutel in het slot had

omgedraaid en de grendels had terug geschoven.

Het huis bleek zeer groot te zijn, want de beide mannen moesten,

bijgelicht door het schijnsel van Raffles’ lantaarn, verscheidene

gangen door, trappen op en trappen af en Raffles vroeg zich reeds af,

waartoe deze nachtelijke wandeling diende, en of Stanley hem geen

valstrik spande, toen deze eindelijk stil stond voor een deur van een

vertrek, dat blijkbaar in een weinig gebruikten zijvleugel van het huis

op de derde verdieping was gelegen.

Hij opende deze deur en de beide mannen traden binnen.

Raffles bevond zich in een vertrek, ongeveer zes meter in het vierkant,

en dat weelderig, maar schaars gemeubeld was.

Aan de wanden hingen een paar fraaie schilderijen. De parketvloer was

in het midden met een Perzisch tapijt bedekt en verder stonden er

eenige stoelen, een fraai ebbenhouten tafel en een rustbank, eveneens

met een Perzisch kleed bedekt.

Het vertrek had slechts twee deuren en van de zoldering af hing een

electrische kroon.

Raffles had onmiddellijk den schakelaar van het licht omgedraaid,

teneinde zich goed te vergewissen, waar zijn vijand hem gebracht had.

Hij kon echter volstrekt niets bijzonders aan het vertrek ontdekken,

behalve dan misschien, dat het breede maar lage venster bijzonder hoog

van den vloer was aangebracht, minstens anderhalve meter.

Op dit oogenblik was het gesloten met bruin satijnen gordijnen, welke

men door middel van een koord open en dicht kon trekken.

Aan een der wanden hing een klein, maar fraai wapenrek en Stanley liep

er dadelijk op toe, en nam er twee volkomen gelijkvormige dolken af,

waarvan hij er een met een zonderlingen glimlach op zijn gelaat aan

Raffles toereikte.

Deze bekeek het wapen nauwkeurig, en overtuigde zich allereerst, dat

het volkomen bruikbaar was en geen verborgen breuken vertoonde.

Het was een zoogenaamde „linkhand”, een wapen, hetwelk met name de

Italiaansche edellieden in het begin van de zestiende eeuw in hun

linkerhand hielden, terwijl zij met de rechterhand den degen voerden.

Het wapen was dan ook hoofdzakelijk bestemd, om de degenstooten van de

tegenpartij op te vangen en af te weren en zijn hanteering vereischte

bijzondere vaardigheid.

De kling, bijna veertig centimeter lang, was van boven breed en

eindigde in een spitse punt. De stootplaat beschermde volkomen de hand,

welke zij bijna geheel omgaf.

Een enkele blik was voor Raffles voldoende, om hem te overtuigen, dat

het wapen zeker niet zeer gemakkelijk te hanteeren viel, maar dat het

volkomen voldoende was voor het doel.

Trouwens, de beide tegenstanders stonden in dit opzicht volkomen

gelijk.

Nu pas liet Raffles zijn revolver in zijn rechterzak glijden en

plaatste zich bij den schakelaar van het electrische licht, maar toen

bedacht hij zich en zeide:

„Ik zou bijna vergeten, de deuren op slot te draaien. Dat zou mij

misschien slecht bekomen zijn. Wie weet, welke geheimen dit huis bevat.

Gij zoudt mij wel eens plotseling kunnen verlaten en mij opsluiten en

dan zou mijn lot niet twijfelachtig zijn.”

Na deze woorden sloot hij achtereenvolgens de beide deuren, nam de

sleutels uit de sloten en wilde die in zijn zak steken, toen Stanley

met een grijnslach zeide:

„Een oogenblik, John Raffles. Alles wel beschouwd, zou ik nu het volste

recht hebben, om een opmerking van denzelfden geest te maken. Als gij

de sleutels hebt, zoudt gij wel eens, als ik er in slaag u te

verwonden, afscheid van mij kunnen nemen.”

Raffles keek den ellendeling minachtend aan, maar hij haalde de

sleutels weder te voorschijn en wierp ze beiden op de hooge

lambriseering, die op slechts weinige decimeters van de zoldering,

langs alle vier de wanden liep, en waarop hier en daar een paar

Japansche vazen geplaatst waren.

„Nu zult ge toch zeker wel tevreden zijn,” zeide hij spottend, „want

zelfs al klom ik op een stoel, dan zou ik nog niet bij de sleutels

kunnen reiken, verondersteld, dat gij er mij den tijd toe liet. Zijt

gij gereed?”

„Ik ben gereed.”

„Ga daar dan in gindschen hoek staan. Ik draai het licht uit.”

Stanley gehoorzaamde en toen hij den hoek bereikt had, draaide Raffles

den schakelaar van het electrische licht om.

De overgang van helder licht tot tastbare duisternis was zoo plotseling

en zoo groot, dat geen van de beide mannen aanvankelijk iets zien kon,

en onbewegelijk op dezelfde plek bleven staan. Langzamerhand wenden de

oogen van Raffles zich aan de duisternis, maar hij kon ook nu niets

anders onderscheiden dan de plek, waar zich het hooge venster moest

bevinden, en die een weinig lichter was dan de rest.

Raffles omklemde den dolk, terwijl hij zijn hart in zijn borst voelde

kloppen.

Hij was een stoutmoedig, dapper man, die nog nimmer voor eenig gevaar

was terug gedeinsd, maar dit gevecht, met dien duivelschen vijand,

wiens arglistigheid hij kende, eischte alles van zijn zenuwen.

De duisternis scheen vol vreeselijke gevaren, die van alle kanten op

hem loerden, en die hem dreigden te bespringen, voor hij gelegenheid

zou hebben zich te verweren.

Hij stond een weinig voorover gebogen, met de linkerhand steunend tegen

den wand, waar de schakelaar zich bevond.

Onbewegelijk luisterde hij, opdat geen enkele beweging van Stanley hem

zou ontgaan.

En toen hoorde hij, hoe de ander zich voorzichtig, en pogende geheel

geen gerucht te maken, ontdeed van zijn lederen pantoffels, welke hij

aan zijn voeten had geschoten.

Dadelijk begreep Raffles hier het doel van—op deze wijze zou hij zonder

gerucht te maken zich kunnen verplaatsen, zoowel over den smallen rand

van het parket, als over het tapijt.

Raffles veranderde niet van plaats, maar bleef wachten, terwijl hij

trachtte zijn adem zooveel mogelijk in te houden.

Enkele seconden was het doodstil in het vertrek.

Toen hoorde Raffles het zacht schuren van een stoelpoot over den houten

parketvloer—Stanley was op weg naar hem toe, en had in de tastbare

duisternis even den stoel aangeraakt.

Toen bukte Raffles zich en het volgende oogenblik kroop hij op handen

en voeten als een kat in de richting van het gedruisch, dat hij zooeven

vernomen had.

Twee minuten verliepen, zonder dat er iets gebeurde—en toch leken die

twee minuten Raffles een eeuwigheid toe.

Hij stootte nu ergens tegenaan, en bevond dat het de poot van de tafel

was.

Onbewegelijk bleef hij in die houding, op de knieën en op de hand

gesteund, die den dolk omvat hield, terwijl de linkerhand de tafelpoot

vasthield.

Een paar tellen later gevoelde hij een lichten, haast onmerkbaren schok

in die hand,—Stanley had dus ook de tafel bereikt.

Bijna op datzelfde oogenblik trilde de tafel krachtig....

En over de lippen van Stanley kwam een sissende onderdrukte vloek.

Raffles begreep aanstonds wat er gebeurd was.

Stanley had gemeend zijn doodsvijand voor zich te zien, en hij had met

alle kracht die in hem was toegestoken.

Zijn dolk had echter het ledige getroffen, en de punt was met geweld

door het kleed heen in het hout gedrongen.

Bliksemsnel was Raffles overeind, niet zonder dat hij zijn hoofd

pijnlijk stootte tegen den tafelrand.

Zijn linkerhand tastte in de duisternis—en ontmoette daar een

uitgestrekten arm....

Hij bracht den rechterarm achteruit, ter hoogte van zijn heupen, en

stootte toe....

Een afschuwlijke vloek antwoordde hem, toen kwam er een kreet van

pijn—toen schokte de tafel weder een paar malen heftig,—Stanley rukte

zijn dolk uit het hout.....

Raffles begreep dat hij zijn tegenstander had getroffen, maar niet

doodelijk—en hetzelfde oogenblik voelde hij zelf een stekende pijn aan

den linker onderarm—de punt van den dolk van zijn doodsvijand was hem

even boven den pols in het vleesch gedrongen.

Hij beet de tanden opeen, om geen kreet te slaken, en deed weder een

stap naar voren, tegelijkertijd opnieuw stootend....

En alsof een onzichtbare macht hen naar elkander dreef, zoo hielden de

beide mannen elkander, voordat zij er op verdacht waren, eensklaps

omvat.

Met een gebrul als van een wild dier hief Stanley weder zijn moordwapen

op en trachtte het Raffles in den rug te stooten.

Maar juist maakte deze een beweging, teneinde zijn tegenstander van den

grond te lichten en neder te werpen, en ten tweede male drong de dolk

van Stanley in het tafelblad, maar thans met zulk een geweldige kracht,

dat hij het wapen blijkbaar niet meer kon bevrijden.

Hij rukte woedend aan het gevest, en trok de tafel om....

Raffles hoorde met een scherpen knap de kling afbreken—en hij waande

het pleit reeds beslist.

Hij tastte naar de keel van zijn vijand, hief den dolk op, en riep:

„Als je aan God gelooft, schurk, beveel dan je ziel aan, want je gaat

sterven!”

„Nog niet, John Raffles!” gilde Stanley, en met een uiterste

krachtsinspanning bevrijdde hij zijn keel uit den greep van den Grooten

Onbekende, deed hem struikelen, door zijn been voor zijn voet te

plaatsen—en toen Raffles het volgende oogenblik weder op de been was,

hoorde hij een gillend gelach, dadelijk daarop gevolgd door een geluid,

waarvan hij den aard niet dadelijk begreep, maar dat nog het meest

geleek op het snel open en weder dicht gaan van een schuifdeur.

Toen was het even doodstil.

En toen ving er een zacht schurend, metaalachtig geluid aan, waarvan

Raffles zich de beteekenis aanvankelijk volstrekt niet kon begrijpen,

maar dat hem met een onverklaarbaren schrik vervulde.

Lord Lister No. 0388: Een nieuwe Strijd · 第 7 / 10 题