IRWIN STANLEY.

Ver over middernacht snelde een groote auto, bestuurd door de vaste

hand van een reusachtig gebouwd chauffeur, over den breeden weg, die

van een der Noordelijke voorsteden van Londen naar de wereldstad voert.

Het was een gesloten auto, en binnen zaten twee heeren.

Een hunner was bezig, zijn bovenkleeren dicht te knoopen, en zijn

gelaat was pijnlijk vertrokken en bleek, als van iemand die groote

lichamelijke smart ondergaat.

Hij had een energiek geteekend, ernstig gelaat met doordringende,

staalgrijze oogen, die een zonderling krachtigen invloed op de menschen

schenen te kunnen uitoefenen, op wie zij gericht werden.

Deze man was John Raffles, de Gentleman-Inbreker, en wij zullen spoedig

genoeg zien, wat hem en zijn trouwen vriend Charly Brand, die naast hem

gezeten was, en die hem bezorgd aankeek, zoo laat in den nacht op dezen

eenzamen straatweg bracht.

Charly Brand was vele jaren jonger dan Raffles, en onder normale

omstandigheden vertoonde zijn rond blozend gelaat steeds een opgewekte

uitdrukking.

Thans echter viel er vrees op te lezen, terwijl hij zich naar Raffles

toeboog, en vroeg:

„Doet de wonde nog pijn?”

„Het zou wel vreemd zijn, als het anders was, Charly!” antwoordde

Raffles met een flauwen glimlach. „Als er een droppel kokende olie van

een hoogte van drie meter op je naakte borst valt—en dit wordt dan nog

een paar maal herhaald, terwijl de gezeiende droppel juist op dezelfde

plek valt—dan verzeker ik je dat dat voelbaar is!”

„Die ellendige schurk!” riep Charly uit, terwijl hij woedend de vuisten

balde. „Die man moet een beest zijn, dat hij zulk een marteling voor je

uitzocht!”

Raffles haalde de schouders op en zeide:

„Ik ben er van overtuigd, dat dit lang niet de ergste foltering was,

waarover de chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel, Irwin

Stanley, te beschikken heeft, maar dat hij haar toepaste, omdat zij

waarschijnlijk het gemakkelijkste kon worden aangewend—en omdat hij

haast had, mijn geheimen te vernemen, toen hij er eenmaal in geslaagd

was, mij door list in zijn macht te krijgen!”

De naam dien Raffles zooeven uitgesproken had, was de naam van zijn

doodsvijand!

Irwin Stanley was nog niet lang geleden in zijn leven gekomen, en toch

begrepen de beide mannen reeds na de eerste schermutselingen dat zij

alles van elkaar te duchten hadden, en dat een hunner te veel was op

deze aarde.

Stanley was niet lang geleden gekozen tot aanvoerder van het

Genootschap van den Gouden Sleutel, dat wil zeggen van een soort

misdadigers-federatie, waarbij de meeste dieven- en moordenaarsbenden

der groote hoofdstad over de geheele wereld waren en nog steeds zijn

aangesloten—want ofschoon Raffles herhaalde malen hen met veel succes

bestreed, en hen geweldig schade wist te berokkenen—tot op dezen dag

heeft hij ze nog niet geheel kunnen uitroeien.

Het genootschap is als een honderdkoppige draak, die gevaarlijk blijft,

zoolang niet alle afschuwlijke koppen zijn afgehouwen, en zij groeien

helaas maar al te spoedig weer aan.

Drie leiders van deze misdadigers-federatie had Raffles

achtereenvolgens reeds weten te verslaan—hun namen waren Prof.

Shydrift, Prof. Nicholson en Dr. Fox.

Allen hadden met hun leven moeten boeten voor de vreeselijke misdaden

die zij bedreven hadden.

Maar met hen stierf het genootschap niet—wel was zijn macht voor

eenigen tijd geknot—maar in het geheim wroetten de luitenants en de

kapiteins van Dr. Fox voort, en niet lang geleden had men den vierden

chef, of in de taal van de leden te spreken:—Den meester gekozen.

Door het toeval, dat zoovele van onze daden bestuurt, was Raffles in

aanraking gekomen met dezen man, en aanstonds had hij ervaren, dat

Stanley in sluwheid, ondernemingsgeest en vooral wreedheid zeker niet

achter stond bij zijn voorgangers!

Wat het eerste betreft—reeds dadelijk was Stanley in staat, hiervan een

staaltje te vertoonen, want de politie was niet in staat, de arrestatie

van Stanley, die in het gewone leven een zeer rijk waarnemer was, te

handhaven nadat Raffles den schurk in haar handen had weten te leveren!

Zeker, John Raffles wist wie en wat Stanley was, maar wat hielp het, of

hij dit aan de politie mededeelde, zonder haar tevens afdoende bewijzen

te leveren!

Stanley bleek niet de eerste de beste te zijn, en hij had zijn

maatregelen al zoodanig genomen, dat men hem niet mocht of kon gevangen

nemen, eenvoudig wegens gebrek aan bewijs, en de drie leden der bende,

die in zijn huis gearresteerd werden, en die reeds langgezochte

misdadigers bleken te zijn, dachten er niet aan, zijn geheim te

verraden—zij wisten van dat oogenblik dat zij hun leven geen oogenblik

zeker waren.

Ja, tot zelfs in de gevangenis toe, waarheen men hen kon brengen, zou

men langs een geheimzinnigen weg, dien niemand goed kende, binnen zeer

kort op de hoogte van hun verraad zijn—en men zou hen vroeg of laat er

voor weten te straffen.

En zoo moest Raffles aanzien, dat de politie een bloeddorstigen schurk,

die zeker tien maal de galg verdiend had, weder op vrije voeten gesteld

had, nog wel met excuses wegens den overlast, dien men hem had

aangedaan, omdat Stanley voor uitstekende alibi’s had weten te zorgen.

Men waagde niet, langer te twijfelen aan de volkomen achtbaarheid van

Irwin Stanley, den zaakwaarnemer!

Maar geen van beide mannen had het avontuur vergeten!

En toen Stanley, doodkalmpjes, alsof er volstrekt niets gebeurd was,

zijn prachtig huis in de Kapel-Street ging betrekken, aldus den Grooten

Onbekende als het ware tartend, aarzelde Raffles geen oogenblik, om

zijn netten uit te zetten, in de hoop, daarin ten slotte den bandiet te

vangen.

Met Charly Brand en zijn trouwen chauffeur, James Henderson, had hij

een zolderkamer weten te huren in een tegenoverliggend huis, en reeds

denzelfden nacht was hij er in geslaagd, een microfoon aan te brengen

in de werkkamer van Stanley, en den electrischen draad in zijn zolder

te doen eindigen, zoodat het hem mogelijk was, alles te vernemen, wat

er in de werkkamer werd besproken.

Maar noodlottiger wijze had Stanley de microfoon ontdekt!

Hij wist zich evenwel meesterlijk te beheerschen en maakte een

geveinsde afspraak met een zijner luitenants, teneinde daardoor Raffles

in de val te lokken.

De toeleg gelukte, en Raffles geraakte inderdaad in een afgelegen

landhuis in de macht van zijn doodsvijand, die het er op gezet had,

voor hij Raffles zou doen sterven, het geheim te leeren kennen van de

schatkamers van den Gentleman-Inbreker, waarvan hij menigmaal gehoord

had, maar wier ligging volkomen onbekend waren.

Raffles had echter standvastig geweigerd, iets van zijn geheimen te

verraden, en om zijn tong los te maken had Stanley het middel eener

Middeleeuwsche foltering gegrepen—met ontbloot bovenlijf werd Raffles

onbewegelijk op een houten bank vastgebonden door zijn helpers, en met

regelmatige tusschenpoozen liet de schurk een grooten druppel kokende

olie neervallen op het ontbloote vleesch.

En het zou zeker slecht met Raffles zijn afgeloopen, wanneer Charly en

Henderson niet te hulp waren gekomen!

De draad van de microfoon was stuk gesleten langs den scherpen kant van

den schoorsteen op het dak, Charly was daarheen geklauterd om de fout

op te sporen, en daarbij was hij gestuit op een viertal bandieten, die,

met nog vier anderen, waren afgezonden door Stanley, om ook de beide

helpers van zijn doodsvijand van kant te maken.

De vernielde draad redde Charly en Henderson, die waren achtergebleven,

terwijl Raffles Stanley vervolgde, zonder eenigen twijfel het leven, en

met de hulp van den ongelooflijk sterken reus slaagde Charly er in, de

vier sluip-moordenaars onschadelijk te maken, terwijl Henderson uit een

der aanranders het verblijf van Raffles wist te persen.

Met de allersnelste auto begaven zij zich naar het aangegeven huis, en

daar kwamen zij juist bijtijds om Raffles te redden.

De zes leden van den bloedraad die Raffles gevonnist hadden, werden

allen ernstig verwond, en stevig gebonden, waarop dadelijk de politie

werd gewaarschuwd, maar op het laatste oogenblik had Stanley zich weten

te redden op een even geheimzinnige, als wonderbaarlijke manier.

Wel hadden de drie mannen het huis, dat niet zeer groot was, in alle

richtingen doorzocht, maar zonder eenig spoor van den meester te

vinden.

Er kon niet meer aan getwijfeld worden—hij had de vlucht weten te

nemen.

Ofschoon zijn wonde hem zeer veel pijn deed, had Raffles er op gestaan,

vanuit een schuilhoek zich te overtuigen dat de politie inderdaad kwam

opdagen.

Pas toen hij de politie-auto weder zag wegrijden, stapte hij zelf in

den grooten wagen, dien Henderson en Charly naar deze plek had

gebracht, en daarop werd de terugtocht naar Londen aanvaard.

Raffles had geruimen tijd met gesloten oogen achter in de auto geleund

en pas geantwoord, toen Charly hem vroeg, of hij nog veel pijn had.

Nu hernam de jonge man:

„Ik had graag die zes kerels cadeau gegeven voor Stanley zelf!”

„Ik wel zestig, Charly!” hernam Raffles scherp. „Het wordt mij

duidelijk dat een onzer te veel is! Ik zal mijn leven geen oogenblik

meer zeker kunnen zijn, zoodra Stanley ontdekt, dat ik mij tegenwoordig

verberg achter den persoon van Lord William Aberdeen, den welbekenden

Londenschen philantroop. Als hij het wist, zou hij dadelijk een van

zijn sluipmoordenaars op mij afzenden of hij zou trachten, mij op te

lichten—om dan het spelletje van hedennacht nog eens te herhalen! En

het zou mogelijk zijn, dat er dan geen trouwe vrienden aanwezig zullen

zijn, die mij op het laatste oogenblik aan de klauwen van den dood

ontrukken!”

Terwijl Raffles dit zeide had hij de handen van Charly gegrepen en

krachtig gedrukt.

„Daar praten wij niet meer over, Edward!” zeide Charly haastig. „Het is

van meer belang, op middelen te zinnen om dien kerel terug te vinden,

en hem weer voor goed onschadelijk te maken!”

„Een zware taak, Charly—een zware taak!” hernam Raffles op somberen

toon. „Je ziet dat ik op de medewerking van de politie niet hoef te

hopen, zoolang ik haar geen andere bewijzen lever dan mijn eigen

getuigenis—de woorden van John Raffles alleen leggen bij haar blijkbaar

geen gewicht in de schaal.”

Hij had dit laatste op bitteren toon gezegd, en keek nu naar het

voorbijschieten van de lichten der stad, welke men zooeven was

binnengereden.

Na eenigen tijd vervolgde hij:

„Wij zouden natuurlijk een nieuwe observatiepost op den zolder van het

huis tegenover dat van Stanley kunnen betrekken—maar dat heeft nu geen

nut meer, nu de schurk onzen toeleg ontdekt heeft! Maar zeg mij eens—je

hebt mij nog niet eens verteld hoe je mijn verblijf hebt ontdekt.”

„Dat is tamelijk eenvoudig in zijn werk gegaan, Edward, maar ik wil

erkennen dat de Voorzienigheid mij daarbij de behulpzame hand heeft

geboden!”

En nu deelde hij Raffles mede, hetgeen aan de lezers reeds bekend is.

De Gentleman-Inbreker had zwijgend toegeluisterd en zeide, toen Charly

zijn verhaal geëindigd had:

„Dat zijn er dus weer acht—ik ben benieuwd, of de politie hen ook als

onschuldige bezoekers zal beschouwen!”

„Dan was zij wel gek!” riep Charly verontwaardigd uit. „Gewapende

kerels die, voor de helft over het dak, voor de helft binnenshuis

sluipen, kunnen moeilijk als onschadelijke bezoekers worden

gekenmerkt!”

„Dan moeten wij maar hopen dat een hunner althans te vinden is om zich

buiten de gevangenis te houden, door dien bandiet van Stanley te

verraden!” riep Raffles uit.

„Daar zou ik maar niet al te vast op rekenen—het zijn allen schurken

maar men mag hen de eer niet onthouden, dat er een voortreffelijke

discipline onder hen heerscht! Zij schijnen doodelijk bevreesd te zijn

voor den bloedraad en al hebben wij dien nu voorloopig buiten werking

gesteld—alle leden van die rechtbank hebben natuurlijk hun

plaatsvervangers, en het helpt weinig denk ik, lood tegen oud ijzer te

ruilen!”

„Hoe het zij, Charly, in een enkelen nacht hebben wij veertien leden

van de bende onschadelijk gemaakt, en dat is ook wat waard!”

Lord Lister No. 0388: Een nieuwe Strijd · 第 4 / 10 题