Toen ze klein was, was ze eenigst kindje, de vrouw, waarvan ik
vertellen wil. En ze werd verwend en vertroeteld, zooals heel veel
eenigste kinderen. Als Liesje een nieuw hoedje moest hebben en de hoed
was wat duur, dan zei Moeder: "Och, ze moet hem maar hebben, we hebben
ook maar één kind."--Als Vader en Moeder uitgingen, dan moest Liesje
maar mee. "Och, we hebben er ook maar één," zei Vader. Liesje kreeg,
wat haar hartje begeerde, en Liesje gaf--niets. Nooit behoefde ze
eens hare mooie plaats bij 't raam af te staan aan een zusje, nooit
was het eens hare beurt om thuis te blijven. Het lekkere kapje van
't wittebrood was altijd voor haar, geen broertje was er, waar ze
kousen voor moest breien--als ze breide, breide ze voor zich zelf. Wel
zei Moeder eens: "Liesje, zou je niet eens een paar sokken voor Vader
breien?" Maar aan sokken voor Vader moesten zulke akelig groote voeten,
en Vader zei: "Och, laat haar maar, als ze geen' lust heeft."
Dachten Vader en Moeder bij alles: "we hebben maar één kind om plezier
te doen," Liesje dacht nooit: "Vader en Moeder hebben maar één kind, om
hun plezier te doen, en dat kind ben ik: ik zal nu eens doen, wat Vader
en Moeder graag willen." Liesje deed alleen, wat ze zelve graag wou.
Als de meid eens vroeg: "Och, Lies, ik heb het zoo druk, wil jij
even rijst voor me halen?" dan zei Liesje: "Dank je, ik hou' niet
van boodschappen doen!"--Neen, _zij_ hield niet van boodschappen doen.
Als Fik, de hond, moe van eene lange wandeling, lekker in zijn mandje
lag te rusten, dan moest hij juist eens voor Liesje opzitten. Zij had
er op dat oogenblik lust in, en of de hond het _niet_ prettig vond,
dat kon haar niet schelen. Lag Poes gezellig op Moeders schoot te
spinnen, dan zou ze juist met de hand aan 't behang krabbelen, om
Poes wijs te maken, dat er eene muis achter zat.
Was Tante Mientje ziek, en Moeder zei: "Lies, ik zou 't wel aardig
vinden, als je Tante eens wat voor ging lezen, de stumper mag met dit
mooie weer de deur niet uit, dan was 't: 'Ik heb geen boek!'"--"Je hebt
immers zooveel boeken!"--"Ja, maar die heb ik allemaal al gelezen!"
_Zij_ had ze allemaal gelezen, maar Tante Mientje niet.
Met de schoolmeisjes kon ze niet opschieten. Liesje wou natuurlijk
altijd de spelletjes kiezen, die er gespeeld zouden worden. En de
schoolmeisjes zeiden niet: "Och, laat Liesje maar den zin hebben, ze
is ook eenigst kindje." Neen, de schoolmeisjes zeiden: "Je kunt niet
altijd je zin hebben', speel ook eens, wat wij prettig vinden!"--Dan
vond Liesje de meisjes "nare kinderen," maar zelf was ze niet naar,
och, neen.
Vader en Moeder wilden zoo graag, dat Liesje een vriendinnetje
had. Maar dat wou niet lukken. Een paar maal over en weer bij elkaar,
en uit was 't met de vriendschap. Telkens, als Liesje weer moest
hooren: "Ik wil niet langer met je!" dan klaagde ze: "Niemand houdt
van mij!" Ze vergat, wat de juffrouw van de school gezegd had: "Met
de liefde is het als met de echo. Alleen, wanneer men geluid maakt,
kan het geluid weerkaatsen, en alleen als men iemand liefde bewijst,
kan men liefde terug verwachten."
Zoo ging het eene jaar na het andere voorbij: Liesje werd ouder, en
was zoo langzamerhand een volwassen meisje geworden. Een vroolijk
jonge meisjesleven had ze niet. Ze zat altijd bij Vader en Moeder
thuis, en praatte dus alleen met menschen, die veel ouder waren dan
zij zelve. Daardoor werd ze wel wijs en knap, maar niet jeugdig en
vroolijk. Vader en Moeder zeiden wel: "Lize, toe, zoek toch nog eens
eene vriendin;" maar dan antwoordde Lize: "Ik heb er geen behoefte aan;
ik heb aan u beiden genoeg." Lize vergat iets: er zou een tijd komen,
dat ze een van de beiden moest missen, dat ze maar één van de beiden
overhield, en eindelijk--dat ze niets overhield.--
Toen Vader en Moeder gestorven waren, kon ze 't in huis en ook
in de stad niet langer uithouden. "Ik moet hier weg," snikte ze,
"ik heb hier toch niemand, die lief voor me is." Ze trok naar een
dorpje in eene bergstreek, waar ze vroeger voor plezier eens met
Vader en Moeder geweest was. Gelukkig hadden Vader en Moeder voor
haar gespaard. Zoo kon ze in een aardig huisje gaan wonen. De buren
in het dorpje kwamen haar vriendelijk tegemoet; maar Lize zette een
onverschillig gezicht. Wat konden die vreemde menschen haar schelen
met hunne praatjes over hunne kinderen en hunne koeien en schapen
en geiten--dat waren hare kinderen en koeien en schapen en geiten
immers niet!
Lize was nog altijd dezelfde. Ze leefde voor haar huisje en alles wat
daar in was, en daarmee uit. Werd er een kindje in het dorp geboren,
het deed haar geen plezier; stierf er iemand, het deed haar geen
verdriet. Was ze uit de stad gegaan, omdat niemand haar lief had--zóó
zou haar op het dorp ook weer niemand lief krijgen.
O, Lize, Lize, waarom niet aan de echo gedacht?
Zou ze nu haar heele leven zoo zelfzuchtig blijven?
Geduld--ik vertel verder.
Eens op een' zomeravond stond Lize in de deur, om wat in de
frissche lucht te zijn. Juist kwam er een klein, grijs mannetje
voorbij. "Goeienavond," zegt het mannetje vriendelijk. En toen: "Kom,
het doet me plezier, dat ik de eigenares van dit keurige huisje met
het vriendelijke tuintje eens zie. Ik kom hier zoo dikwijls voorbij,
en ik heb er altijd aardigheid aan, zoo netjes als alles hier er
uitziet." Lize dacht, dat ze er niet veel om gaf, of de menschen
haar prezen en iets vriendelijks zeiden; maar de woorden van het
oude mannetje deden haar toch plezier, en ze antwoordde: "Ik ken je
niet. Zeker woon je ver van hier?"
"Ik woon daar ginds, in de bergen," zei het mannetje. "Ik kom hier
wel meer voorbij; maar ik zie je nooit aan de ramen. Zeker ben je
niet heel nieuwsgierig uitgevallen."
"Neen," zei Lize, "wat andere menschen doen, kan mij niet
schelen." "Dat dacht ik wel," zei het mannetje, "je krijgt zeker ook
nooit bezoek, anders zou je tuintje en alles er niet zoo keurig netjes
uitzien. En als het nu al zoo mooi buiten is, hoe zal het binnen dan
wel wezen!"
"Kom maar eens kijken," zei Lize.
"Mag ik? graag!" zei het mannetje.
Nu deed Lize de huisdeur open, en het mannetje ging binnen. Hij
liep op de teenen en stiet nergens tegen aan. Hij sloeg de handen
in elkaar over de netheid van het huisje. "Hier komen zeker nooit
kinderen?" vroeg hij.
"Kinderen, neen," zei Lize, "die komen overal met de vingers
aan, en betasten alles, en dan zou ik maar weer werk hebben met
schoonmaken. Iemand, die zoo voorzichtig is als jij, past mij beter. Je
lijkt mij ook een preciesje. Wat is wel je handwerk?"
"Ik ben horlogemaker," zei het mannetje. "Heb je soms eene klok,
die niet goed gaat; ik wil die met plezier in orde maken."
"Daar zeg je zoo iets," zei Lize, "mijne klok staat al eene poos
stil en wil niet weer loopen, en ik ken hier op het dorp geen'
klokkenmaker. Wil je eens zien, wat er aan hapert? Zoo'n stilstaande
klok vind ik zoo iets onordelijks."
"Zeker," zegt het mannetje, en hij trok zijne vilten schoentjes uit
en stapte op een' stoel en bekeek de klok en smeerde de raderen,
en een oogenblik later tikte de klok weer. "Dank je vriendelijk,"
zei Lize. "Wat ben ik je schuldig?"
"Niets," zei het mannetje. "Komaan, nu moet ik weer verder. Als
je eens eene wandeling door de bergen maakt, kom dan ook eens bij
mij. Je volgt den hoofdweg maar en slaat dan rechtsaf. Misloopen kun
je niet." "Goed," zei Lize, "ik kom bepaald eens. Ik dank je nog wel!"
"Niet te danken, tot ziens dan," zei het mannetje, en stapte verder.
Niet lang daarna brak er op het dorp eene booze ziekte uit onder het
vee. Men hoorde van niets praten dan van zieke koeien en paarden en
geiten. Lize zat den geheelen dag in angst, dat hare dieren ziek konden
worden. De angst maakte haar half ziek, en ze had geene vrienden, bij
wie ze eens troost of afleiding kon zoeken. Wacht, ze zou eens eene
groote wandeling maken; misschien zou ze daar wat fleuriger van worden.
Ze stapte de deur uit en was al gauw op een mooien bergweg. Maar wat
viel het klimmen haar moeilijk! Werd ze dan al zoo oud? Och, neen,
ze was zoo bezorgd; dat maakte haar loom. Als hare mooie geit, waar
ze zooveel van hield, nu eens ziek werd! Al tobbende liep ze verder,
ze zag niets van den mooien weg, ze zag niet, waar ze was! Op eens
bemerkte ze, dat ze op eene plaats was, die ze niet kende. Daar zag
ze achter een grooten, met mos begroeiden steen, blauwe rookwolkjes
opstijgen. Gelukkig, daar zouden bergwerkers zijn, die een vuur
aangelegd hadden. Hun zou ze naar den verderen weg vragen. Ze
wandelde om den steen heen, en wien zag ze daar bij een vuurtje
gehurkt zitten, bezig aardappelen te braden! Het grijze mannetje:
den kleinen klokkenmaker!
"Hé!" riep het mannetje, "dat is aardig, kom je mij nu eens
opzoeken? Ga zitten, dan kun je mooi meeproeven van mijne aardappelen;
ze zijn net klaar."--"Graag," zei Lize; want ze had honger gekregen
van het bergklimmen. Daar zat ze al en keek rechts en links. "Waar is
toch je huis?" vroeg ze. "Ik zie nergens een huis."--"Zie je die deur
daar in den berg?" vroeg het mannetje, "dat is mijne huisdeur." Neen
maar, zoo iets had Lize nog nooit gezien. Daar zag ze nu ook
een vensterraam, naast de deur in den berg gebouwd. "Hé," zei ze,
"dat moet ik eens naderbij zien."--"Met plezier," zei het mannetje,
"kom maar mee, dan kun je eens zien, of het bij mij ook zoo netjes is
als bij jou!"--"Wat een grappig deurtje," zei Lize, en ze bukte zich
om er door te gaan. "Voor mij is het groot genoeg," zei het mannetje.
Nu kwamen ze in eene groote ruimte; 't leek wel eene boerenkamer. Aan
den zolder hing eene lantaarn, die veel licht gaf. Dat was ook wel
noodig; want door het kleine venster kwam maar weinig licht. Er stond
eene prachtige kast aan den wand, en in de deuren waren kleine dwergjes
gesneden. 't Was net, of ze allemaal op Lize toe kwamen loopen. Het
dwarrelde haar voor de oogen van dwergen. Het mannetje deed de kast
open, en daar lag geen linnengoed, en er stonden geene kopjes en
schoteltjes in, maar allerlei vreemde dingen, die Lize nog nooit
gezien had! Het mannetje liet haar alles zien: steen, waar goud in
zat, en steen, waar zilver en koper en ijzer in zat. Ook stukken hout
van eene soort, die Lize nog nooit gezien had. En het mannetje vatte
alles zoo voorzichtig aan en lei alles zoo netjes weer op de plaats,
of elk ding een groote schat was.
Lize keek maar half toe, want ze had hare gedachten bij eene
reuzendeur, die achter in de kamer was. Neen, maar wat was dat toch
voor eene deur met breede ijzeren stangen er voor en een hangslot
er op, zoo groot wel als eene groote reistasch. Daar achter zal nog
wel iets veel mooiers zijn, dacht Lize. Ze liep al eens een beetje
dichter naar de deur en hoorde nu een vreemd geluid: een ratelen,
een tikken, ze wist niet recht, wat ze er van zou maken.
Nu zei het mannetje: "Kom, laat ons nu nog een poosje buiten gaan
zitten, daar is 't veel frisscher."--"Ja," zei Lize, "maar, zeg,
wat is daar toch voor moois achter die sterke deur met dat groote
hangslot?"--"O," zei het mannetje, "daar zit eene klok achter,"
en hij trok rimpels in zijn voorhoofd, alsof het hem niet aanstond,
dat Lize er naar vroeg. Lize zag de rimpels wel, maar ze was zoo heel
nieuwsgierig eene klok te zien, die zooveel leven maakte, en daarom
zei ze: "Toe, laat mij haar maar eens zien, ik heb jou ook alles
laten zien, wat ik in mijn huisje had."--"Neen, dat kan niet," riep
het mannetje onwillig. "Bovendien, je zou er ook niets aan hebben,
want 't is geene gewone klok, 't is de geluksklok van ons dorp, en
vertel nu maar aan niemand, dat ik je dat gezegd heb; want dan zou
ik mijn' dienst verliezen."--"Vertellen! och kom, aan wien zou ik nu
iets vertellen!" riep Lize, "ik kom immers nooit bij andere menschen,
en niemand komt bij mij." En Lize, die hoe langer hoe nieuwsgieriger
werd om de geluksklok te zien, praatte en vleide en bedelde wel zoo
lang, dat het mannetje zei: "Nu, kom dan maar, maar vergeet nooit,
dat je mij ongelukkig zou maken, als een ander ooit te weten kwam,
dat ik je de klok had laten zien!"
Toen sloot hij zuchtende de deur open. Het slot knarste, de hengen
piepten, en daar zag Lize de klok. Eene reusachtige klok was het
met eene groote, helderblauwe wijzerplaat. Op de wijzerplaat waren,
in plaats van twaalf, wel honderd cijfers en onder elk cijfer stonden
eenige kleine letters. Dan waren er geene twee, maar veel meer bont
gekleurde wijzers op en één heel lange zwarte.
"Hé, hé, vreemd, vreemd!" riep Lize, "ik begrijp er niets van."--"Dat
wil ik wel gelooven," zei het mannetje, "'t is ook iets heel bijzonders
met deze klok. Ik ben aangesteld, om er op te passen en er voor te
zorgen. Maar dat is niet gemakkelijk, dat verzeker ik je. Altijd moet
ik luisteren, of de klok regelmatig tikt. Ik kan nooit langer dan een
uur van huis. 's Nachts slaap ik nooit in een bed: ik moet dan altijd
voor de deur liggen. Want weet je, wat er gebeurt: drie en twintig
uren blijft de deur altijd gesloten, maar het vier en twintigste uur,
en dat is het uur van middernacht, springt ze van zelf open en dan
blijft ze een uur open. Dan juist moet ik wakker worden; want ik moet
oppassen, dat niemand de klok kan zien. 't Is moeilijk, altijd precies
om twaalf uur wakker te worden en dan in den nacht een uur wakker te
blijven, dat verzeker ik je. Ik ben ook al niet zoo heel jong meer."--
Lize luisterde bijna niet naar wat het mannetje zei. "Maar, wat
moeten al die cijfers toch beduiden?" vroeg ze. "Dat zijn de huizen
van het dorp, en de letters er onder de namen van de menschen,
die er in wonen. Zie, hier gaan nu de wijzers rond en wijzen aan,
wat er zoo al in ieders leven gebeurt."
Met gretige oogen zocht Lize nu haar huisnummer, en meteen zag ze,
dat de groote zwarte wijzer al dichter bij haar huisnummer kwam. "Wat
beduidt die lange zwarte?" vroeg Lize. "Die brengt ongeluk aan,"
zei het mannetje, en meteen sloeg hij de deur weer dicht; want hij
had ook gezien, dat de zwarte wijzer naar Lize's nummer liep, en hij
hoopte nog, dat Lize er niets van gemerkt had. Maar Lize had wel iets
gemerkt, en het hart klopte haar zoo angstig.
Ze had een gevoel, of haar een groot ongeluk naderde. Ze wist nu op
eens niets meer te vragen of te zeggen. Ze dankte het mannetje voor
de vriendelijke ontvangst en keerde weer naar huis.
't Was intusschen al duister geworden; maar Lize lette er niet
op, ze stapte in den droom voort: al hare gedachten waren bij de
geluksklok. Voordat ze 't wist, was ze weer in 't dorp. Overal brandden
de lichten, in haar huisje was het donker. Ze had geen' lust meer, om
licht op te steken, ze was ook zoo moe en had zoo'n verdriet. Lusteloos
viel ze op een' stoel neer, ze dacht aan geen naar bed gaan, neen,
ze dacht alleen aan het ongeluk, dat haar naderde. "Waarmee heb ik
dat verdiend?" dacht ze. "Doe ik iemand kwaad, zorg ik niet goed voor
alles, wat ik bezit, ben ik niet netjes en spaarzaam? Kom dan eens
bij anderen! Nu, dan zijn er genoeg, die dit of dat verkeerd doen,
die wel eens verdienden gestraft te worden. Maar ik! waarom ik en
niet een ander!" Met afgunst dacht ze aan al de anderen op 't dorp,
die niet ongelukkig zouden worden.
Het werd later, en Lize merkte het niet. Ze werd al boozer en
verdrietiger en ongeruster. Plotseling--daar sloeg de klok twaalf! Lize
sprong op. Twaalf uur! Nu ging de deur open, en de geluksklok was
te zien. Voordat ze wist, wat ze deed, stond ze op straat en liep ze
den weg op naar de bergen. Voordat ze wist, hoe ze er kwam, stond ze
voor de deur van het berghuisje. En--de deur van het huisje was open,
en de deur voor de klok was open en--o, wonder! het mannetje lag voor
de open klokdeur en--sliep! Hij had de klok niet gehoord, hij had de
klokdeur niet open hooren gaan! 't Was, of het zoo wezen moest.
Lize sloop vooruit--voorzichtig; heel voorzichtig stapte ze over
het slapende mannetje heen. Daar stond ze voor de klok. 't Was,
of de wijzerplaat verlicht was, en nu zag ze duidelijk den zwarten
wijzer op haar huisnummer staan, en toen ze met verschrikte oogen
op dat nummer staarde, was het, of ze door de wijzerplaat heen zag,
't was of die doorzichtig was. En--wat zag ze er doorheen? Ze zag
den stal bij haar eigen huis, en daar zag ze hare mooie geit ziek
over den grond kruipen. De bak met eten stond onaangeroerd--de droge
tong hing het arme dier uit den bek. "Waarom juist mijne geit, o,
o, ik kan dat niet zien," dacht Lize. "Waarom niet de geit van den
kreupelen timmerman naast mij, die verdient het, die heeft door eigen
schuld zijn been gebroken, toen hij te veel gedronken had. Wacht,
ik schuif den wijzer één nummer verder." Pas had Lize den wijzer
verschoven, of de klok begon zoo te brommen en te ratelen, dat ze
verschrikt wegvloog. Bijna was ze over de beenen van het mannetje
gevallen--zeker had ze er tegen gestooten en hem misschien wakker
gemaakt, en doodsangstig, wat er nu gebeuren zou, verstopte ze zich
in een donker hoekje in de kamer.
Maar--het mannetje _was_ wakker geworden, en hij wist haar wel te
vinden ook. Hij zei geen woord, maar nam haar bij de hand en plaatste
haar recht voor de klok. En wat zag ze nu? Niet haar eigen stal met
de zieke geit; maar ze zag regelrecht in de kamer van den kreupelen
timmerman. Daar was de heele huishouding bij elkaar tot de eenige geit
toe. Sinds de timmerman zijn been gebroken had, kon hij niet meer aan
't werk gaan. Wel verdiende hij een beetje met korven vlechten; maar
dat was niet zooveel, dat ze een huisje met een kleinen stal konden
bewonen. Een treurig troepje leek het in die armoedige kamer. De
timmerman zat met het hoofd in beide handen te zuchten. De vrouw
veegde met haar boezelaar telkens stilletjes een' traan weg, en twee
kleine kinderen trokken haar aan den rok en riepen: "Toe, Moeder,
geef ons nu pap!"--"Stil toch!" riep de vader verdrietig. Maar
de kinderen keken de Moeder vragend aan. Eindelijk zei de moeder:
"Ik heb immers geene melk, om pap te koken. Je weet, dat de geit
ziek is en nu geene melk geeft. Straks komen groote broer en zus;
die brengen geld mee, om brood te koopen."
Nu ging de deur open, en de grootere kinderen kwamen binnen. Ze hadden
den geheelen dag met boschbessen geloopen. Ze waren doodmoe en hadden
honger ook. De eerste vraag was: "Is de pap klaar, Moeder?" Toen begon
de moeder te schreien. En de Vader vroeg: "Waar is het geld?" Toen de
kinderen het geld gegeven hadden, zuchtte hij: "Is dat alles? Dat heb
ik noodig, om wilgeteenen voor de korven te koopen. Voor brood blijft
er niets over."--"Maar, Vader," riep de moeder, "de kinderen kunnen
toch niet verhongeren, ze moeten toch eten hebben!"--"Dan moeten ze
maar wachten, tot de geit weer beter is," zei de vader. "Wie weet,
of die wel ooit weer beter wordt," zuchtte de moeder.--
Toen Lize dat alles gezien had, deed ze de handen voor de oogen. Ze kon
zooveel ellende niet meer zien. "O," riep ze, "draai den wijzer weer
op mijn nummer, dat de geit van die arme menschen blijft leven."--Daar
sloeg op eens de deur voor de klok dicht. "Kom morgennacht om twaalf
uur terug," zei het mannetje, en hij bracht haar aan de hand buiten
zijn huisje.
Lize ging weer naar huis. De geit riep vroolijk: bè, bè! toen ze de
deur open draaide. Maar 't was, of ze geen plezier in de beterschap
van het dier had. Ze zag den geheelen tijd de armoedige kamer van
den timmerman met al de ongelukkige stumpers van menschen. 's Nachts
droomde ze er van. Hoe zou het er nu wezen? dacht ze 's morgens bij 't
opstaan. Zouden de kinderen nu al eten gehad hebben? Het hart klopte
haar van angst, dat de kleintjes nog van honger zouden schreien. Ze
kon de boterham niet door de keel krijgen, en voor ze recht wist,
wat ze deed, had ze brood en boter in een mandje gepakt en stond ze
voor de deur van den timmerman.
Toen ze binnenkwam, zett'en allen groote oogen op. Was dat de
buurvrouw, die tegen niemand van hen ooit een woord zei? Lize schaamde
zich over de verbaasde gezichten. Maar de kleintjes droogden de tranen
en hapten al gauw in eene lekkere boterham, en de moeder keek haar
zoo dankbaar aan, dat er van binnen in Lize iets trilde. Ze kreeg
zoo'n heerlijk gevoel, als ze nog nooit in haar leven gehad had. "Als
je soms uit werken wilt gaan," zei ze, "stuur de kleine kinderen dan
maar bij mij. Ik zal wel op hen passen, en ze kunnen ook wel bij mij
eten." De arme vrouw drukte haar vol dankbaarheid de hand.
Toen stond Lize weer op straat. In huis zag ze den geheelen dag de
dankbare gezichten voor zich. Ze vergat zich aan allerlei kleinigheden
te ergeren, zooals ze gewoonlijk deed. Zoo werd het avond. Maar
hoe later het werd, hoe meer Lize's prettig gevoel verdween. Toen ze
eindelijk den weg op ging naar het kleine mannetje, zuchtte en klaagde
ze, dat ze nu zichzelf in 't ongeluk moest brengen. Haar geit was zoo'n
prachtig dier! Hoeveel guldens had ze er niet voor gegeven! Niet, dat
ze de geit van de arme timmermansfamilie er voor wou laten sterven;
maar daar had je nu bijvoorbeeld den hond van den overbuurman: 't was
toch beter, dat die stierf dan eene geit. 't Was waar, hij leidde
wel zijn blinden baas langs de straat; maar dat kon een kleinere
hond ook wel doen. En dat was nog wel zoo goed voor den buurman;
want een kleine hond eet lang niet zooveel als een groote. En dan,
het beest kefte altijd zoo tegen haar, als de blinde haar tuintje
langs kwam en zij buiten stond. Daarom alleen kocht ze nooit iets,
als de oude man met koopwaar aan de deur kwam.
Toen ze nu met middernacht voor de geluksklok stond, schoof ze vlug den
zwarten wijzer naar 't huisje aan den overbuurman. Weer begon de klok
te ratelen en te brommen van geweld, en, al wist Lize ook vooruit, wat
er gebeuren zou, toch liep ze weer verschrikt achteruit. Maar weer nam
de kleine klokkenmaker haar bij de hand en plaatste haar voor de klok.
Door de hel verlichte wijzerplaat zag ze nu in het kamertje van
den blinden overbuurman. Die zat bij eene tafel en nam juist zijn
middagmaal. Nu schepte hij wat op een bord voor Karo. Nu riep hij
den hond. Maar Karo draaide den kop op zij; hij had geen' lust
in eten. Treurig keek hij zijn' baas aan. Dat zag de blinde baas
niet, maar wel hoorde hij, dat het dier, anders altijd zoo blij met
zijn eten, niet at. "Hoe is het Karo? Wat scheelt er aan? Wil je
dan een lekker hapje van den baas?" Maar Karo wou ook geen lekker
hapje. Langzaam kroop hij naar den ouden man en legde den kop op
zijne knie. De blinde man tastte nu naar den neus van het dier, en
toen hij voelde, hoe brandend droog die was, was ook zijn eetlust
voorbij: hij schoof zijn bord op zij.
Toen stond hij op en ging tastend langs den wand naar zijn bed--de
hond kroop langzaam achter hem aan. Hij nam zijn hoofdkussen van
het bed en legde het op den vloer. "Kom, hier, Karo! beste hond,
ga maar koesten." De hond kroop op het kussen en likte hem de
handen. De tong was droog en heet. "O, Karo," zuchtte de blinde,
"word mij niet ziek. Laat mij niet alleen, ik heb mij zoo aan je
gehecht, ik zou nooit, nooit een anderen hond kunnen nemen!" De hond
kwispelde lusteloos met den staart; maar toen de oude man weer in
zijn' stoel ging zitten, kroop hij achter hem aan en ging weer aan
zijne voeten liggen.
Toen Lize dat zag zei ze: "Zoo'n hond heeft toch ook waarde! wat een
trouw beest is het! Neen, dan zou Meesters poes nog eerder gemist
kunnen worden."--"Bedenk je goed," zei het mannetje, "meer dan drie
keer durf ik je tenminste niet bij de klok laten. Morgen is het dus
de laatste maal. Daarom raad ik je, ga morgen eerst eens bij den
meester kijken, of de poes daar wel zoo best gemist kan worden, als
je meent, anders krijg je misschien weer berouw."--"Ja, dat is goed,
dat zal ik doen," zei Lize, en zuchtende ging ze naar huis.
Nu zag ze weer aanhoudend den blinden overbuur met zijn zieken hond
voor zich. 's Morgens was haar eerste gedachte, hoe het er wel mee
wezen zou. Ze was er zoo vol van, dat ze geen' tijd had, aan zich zelf
en haar eigen verdriet of plezier te denken. Op 't laatst kon ze 't in
huis niet langer uithouden. Ze had den blinde met zijn' hond nog niet
zien loopen, ze had den hond nog geen eenen keer hooren blaffen. Ze
zou er maar eens heengaan. Wacht--ze had vleesch op schotel, dat zou
ze voor den armen man meenemen. Misschien, dat de arme zieke hond er
ook een stukje van lustte.
Ze stapte naar den overkant. "Zoo, buurman," zei ze, "ik kom eens naar
je kijken, 'k Zag je niet met den hond de deur uitkomen van morgen,
hoe komt dat zoo?"--"Och," zei de blinde, "is de juffrouw van hierover
daar? Dat is hartelijk. Zie, ik heb altijd wel tegen de menschen
gezegd: och, de juffrouw zal wel beter wezen, dan ze lijkt." Lize
kleurde verschrikkelijk en was maar blij, dat haar buurman het niet
zag. "Och," zei de blinde verder, "ik kan niet uitgaan, mijn trouwe
leidsman is ziek. Kijk hij eens lusteloos neerliggen."
Lize keek naar den hond, en ze verbeeldde zich dat het dier haar
verwijtend in de oogen zag: alsof hij zeggen wou: waarom heb je mij
zoo ziek gemaakt! "Ik heb wat vleesch voor je meegebracht, buurman,"
zei ze. "Probeer eens, of de hond daar ook een stukje van lust." De
blinde hield den hond een stukje toe, maar niet eens in vleesch had
het arme beest trek.
Zijn baas zuchtte. "Och, Juffrouw," zei hij, "als ik dat beest
moest missen, zou ik mij geen' raad weten. Geen mensch is zoo lief
en hartelijk voor mij, als dat stomme dier. Hij verstaat alles,
wil U wel gelooven ...." "Ik geloof, dat er iemand bij mijne deur
is," zei Lize. "Dag, buurman! ik kom wel eens weer kijken!" Ze kon
niet langer aanhooren, wat de blinde man zei. "Mijne schuld! mijne
schuld!" dacht ze aanhoudend. "O, je moest ook eens weten, wie je
zoo ongelukkig gemaakt heeft!"
Nu was het bijna een geluk, dat 's middags de kinderen van den
timmerman bij haar kwamen. Die babbelden zoo aardig en speelden
zoo lief, dat Lize er wel naar luisteren en naar kijken moest, en
daardoor vergat ze voor eene poos haar verdriet. Lize had nog nooit
geweten, dat kinderen zoo aardig kunnen zijn. En toen de kleintjes
zoo dankbaar waren voor alles, wat ze kregen en zoo gelukkig, dat ze
ook wel eens voor het huis in het tuintje mochten spelen, dacht Lize,
dat het toch ook wel aardig was, anderen plezier te doen. De menschen,
die voorbij kwamen, stieten elkaar aan en zeiden: "Kijk die eens!" en
voor 't eerst riepen ze Lize een vriendelijk: "Dag, Juffrouw!" toe.
Toen de kleintjes weer naar huis waren, dacht Lize: "Nu wordt het
tijd om naar Meester te gaan." Vóórdat ze weer naar de klok ging,
moest ze immers weten, hoe het daar was, en of het nu zoo erg zou
zijn, als ze daar de poes eens moesten missen. Lize wist niet veel
van de meestersfamilie; alleen had ze wel eens gehoord, dat ze maar
één kind hadden, dat niet sterk was. Ze was een beetje verlegen,
wat ze zou zeggen, omdat ze er nog nooit geweest was.
Toen ze bij 't huis kwam, stond de vrouw van den meester in de deur. Ze
riep: "Poes, Poes! Mies! Mies!" Dat trof nu al heel raar. Lize bleef
staan en vroeg: "Is uwe poes weggeloopen?"--"Ja," zei de meestersvrouw,
"en 't kleine meisje heeft zoo'n verlangen naar het dier."--"Hoe is het
met uw klein meisje?" vroeg Lize. "Niet zoo heel best," zei de vrouw,
"ze ligt weer te bed. Wil U niet eens binnen komen, dan kunt U haar
eens zien."
Lize ging mee naar binnen. Daar zat het kleine meisje overeind in
haar bedje. Haar gezichtje was bleek met brandend roode plekken. Ze
keek verlangend naar de deur en zag de moeder met hare groote blauwe
oogen vragend aan. "Wacht een poosje, Marietje," zei de moeder, "er
is visite. Poes zal zóó wel komen." Een oogenblikje hield het kind
zich stil, maar ze bleef naar de deur kijken, alsof het dier door de
reet binnen kon komen. Eindelijk klaagde ze: "Komt niet!" De moeder
bracht haar eene pop, maar Marietje wou niets van de pop weten. "Kom,"
zei de moeder, "ga dan maar slapen, Poes zal straks wel komen." Het
kind ging gehoorzaam liggen. Maar onder het praten door hoorde Lize
haar zachtjes schreien.
Daar op eens hoorde Lize een vroolijk lachen. Verwonderd zag ze naar
het bedje van 't kind. Daar zat het met schitterende oogjes overeind en
liefkoosde eene groote, mooie, grijze kat. Zonder dat de moeder of Lize
iets gemerkt hadden, was poes door een open raam binnen gekomen. "Mijn
lieve, lieve Poeke," riep het kind, "mag niet weer weggaan!"--"O,"
zei de moeder, "dat kind is dol op de poes. Wat haar ook scheelt,
bij Poes kan ze altijd troost vinden."
Lize wist genoeg. Ze maakte maar, dat ze zoo gauw mogelijk
wegkwam. Toen het avond was, stapte Lize dapper naar de klok en draaide
den zwarten wijzer weer naar haar eigen huisnummer. Nu ratelde de klok
niet; maar Lize verbeeldde zich, dat ze een tevreden gebrom hoorde. De
oude klokkenmaker drukte haar hartelijk de hand, maar zei geen woord.
Toen Lize weer buiten kwam, scheen de maan. Het geheele dorp was in
rust, en de huizen leken in den maneschijn zoo vredig en stil. Lize
had het dorpje nog nooit zoo mooi gevonden. 't Was, of ze 't nu voor
't eerst lief had met al de menschen, die er in woonden. Toen ze
in huis kwam, ging ze dadelijk met eene lantaarn naar den stal. Ja,
daar lag haar lieve geit lusteloos en ellendig: doodziek. Ze gaf het
dier een bos versch stroo, om op te liggen en een' bak vol schoon
water. "Arm geitje," zei ze, "dat is alles, wat ik voor je kan doen op
't oogenblik. Morgen wil ik den veearts roepen. Misschien, dat die
nog iets kan geven, dat je goed doet." Maar toen Lize den volgenden
morgen in den stal kwam, was de geit dood. De tranen sprongen haar
uit de oogen, maar toch zei ze: "'t Is zoo het beste."
Toen Lize nog aan 't ontbijt zat, hoorde ze op eens een vroolijk
geblaf. Ze liep in het tuintje voor 't huis. Daar zag ze haar
overbuurman met zijn trouwen Karo. "Zoo, buurman," riep ze, "al zoo
vroeg op 't pad?"--"Ja," antwoordde de blinde, "ik kon 't van plezier
niet langer in huis uithouden. Ik ben zoo gelukkig: mijn Karo is
heelemaal weer beter!"--"Och, daar ben ik blij om," zei Lize, "je kon
hem ook zoo slecht missen. Van nacht is mijne geit gestorven."--"Och,
Juffrouw," zei de blinde, "wat spijt me dat! Als ik denk, dat Karo
nu dood had kunnen zijn! Hoe jammer toch van uwe geit!"
Na een poosje kwam de vrouw van den timmerman. Ze had gehoord,
dat de geit van juffrouw Lize dood was, dat vond ze toch zoo
verschrikkelijk! "Zoo'n beste, melkgevende geit!"--"Ja," zei Lize,
"'t is naar, maar 't is toch nog maar een geluk, dat het jullie geit
niet is. Ik kan me er beter zonder redden."--"Hoe lief van U, dat
te zeggen," zei de vrouw van den timmerman. Lize kleurde weer, toen
ze zoo geprezen werd. Ze was er nog niet aan gewend, maar toch--o,
het gaf haar zoo'n gelukkig gevoel, dat ze iets goeds gedaan had.
's Middags kwam de vrouw van den meester met kleine Marietje aan
de hand. Die had ook al van het ongeluk gehoord en bracht nu een'
pot met vette melk. "Ik dacht," zei de meestersvrouw, "nu U geene
melk van de geit kon krijgen...,"--"Dat is aardig," zei Lize. "Is
Marietje weer wat beter? Kijk, ik zou er nog wel meer dan eene geit
voor willen missen, als die eerst eens weer mooie roode wangetjes
had." Toen greep de meestersvrouw Lize bij de handen en keek ze haar
zoo dankbaar in de oogen. 't Was, of die twee elkaar voor altijd
trouwe vriendschap beloofden.
Voort ging de tijd. In alle huizen ging de gewone klok van uur tot
uur regelmatig de wijzerplaat rond; maar de geluksklok ging haar eigen
weg. Dan kwam het ongeluk in 't eene, dan in 't andere huis. Als Lize
hoorde, dat er hier of daar ellende in een huis was, zag ze in hare
gedachten den zwarten wijzer op het nummer van dat huis staan. Dan ging
ze er heen, om te troosten of hulp te brengen, zooveel ze kon. Nooit
dacht ze er weer aan, zelf naar de geluksklok te gaan. Zooals het
geluksuurwerk ging, zoo zou het wel het best zijn, begreep ze.
Eens vroeg de vrouw van den meester haar: "Zeg me toch eens, hoe het
zoo gekomen is, dat je zoo veranderd bent. Vroeger hield niemand van
je, nu hebben groot en klein je lief."
Dat was eene lastige vraag. Lize mocht niet van haar bezoek aan het
mannetje en de geluksklok vertellen.
"Och," zei ze, "ik heb eindelijk begrepen, dat een ander wel eens
beter, of liever, of ongelukkiger kon zijn dan ik zelf. Toen heb
ik geprobeerd voor een ander te leven. En toen begreep ik ook, wat
mijne juffrouw op school altijd zei: 'De liefde is als de echo, die
ongeroepen stom blijft.' Ik heb nu geroepen, en het geluid kwam terug:
ik heb liefde gegeven en liefde ook ontvangen, en nog nooit in mijn
leven ben ik zoo gelukkig geweest."
Dat is de geschiedenis van de geluksklok, die Lize van hare zelfzucht
genas en haar gelukkig maakte.