Er was eens een meisje, dat nooit- wist, hoe laat het was.--O, dan
had ze zeker niet geleerd op de klok te kijken, denk je. Of--ze was
te dom of te onoplettend, om het te leeren. Ja, misschien meen je
wel, dat er in haar huis geene klokken waren. Of--nog mooier--dat
ze geen' mond had, om te vragen, als ze geene klok zag, om er op te
kijken. Gekheid, hoor! Hilda, zoo heette het meisje, kon best op de
klok zien. En klokken? Die waren er genoeg in haar huis: in de kamers,
in de keuken, in de gang, overal! En een mond, om te vragen? Neen,
maar, nu moet ik lachen!
Luister eens: weet je, hoe het kwam, dat Hilda nooit van uur of
tijd wist, dat ze dus ook altijd en overal te laat was? Och, ze keek
eenvoudig nooit op de klok, en vroeg nooit naar den tijd, omdat--het
haar niets schelen kon, hoe laat het was. Ze deed alles--niet wanneer
het tijd was, maar wanneer zij er lust in had. Ze stond haast altijd
te laat op. Ze treuzelde bij 't aankleeden. Ze kwam te laat aan
't ontbijt, te laat aan de koffie, te laat aan tafel, te laat in
bed. Ze kwam te laat op school, ja zelfs te laat op de visite.--En
nooit dacht ze: "O, is het al zoo laat, dan zal ik wat voortmaken:
daar doe ik Vader of de juffrouw of mijne vriendinnetjes plezier
mee." Ze vond het veel gemakkelijker niet aan anderen te denken.
Jammer, jammer, dat Hilda geene moeder meer had. Eene moeder zou haar
dat leelijke gebrek wel afgeleerd hebben. Maar de vader kon niet
altijd bij Hilda zijn. Die was heel dikwijls voor zaken van huis,
en als hij thuis was, moest hij meest op zijne studeerkamer zitten
werken. Zoo had hij geen' tijd, om veel op zijn kind te letten, geen'
tijd, om haar telkens te zeggen, hoe onaardig en--dom ze deed.
Ja, dom was het ook. Haar eten en drinken werd meestal koud.--Waar
had ze bleeke wangen van? Wel, van 't late opstaan en 't late naar bed
gaan.--Waarom moest de juffrouw zoo dikwijls op haar knorren en haar
straffen? Alweer, omdat ze telkens te laat was!--Op de visite lachten
de vriendinnetjes haar uit en noemden haar "Juffertje Te Laat."--En
als ze groote menschen op zich wachten liet, zeiden ze allemaal:
"Foei, wat een onbeleefd kind! 't Is te hopen, dat ze die leelijke
gewoonte nog afleert, eer ze groot is."
Ja, 't was te hopen; maar--het gebeurde niet. Hilda werd wel grooter,
maar ze bleef "Juffertje Te Laat!" Toen ze al geen jongejuffrouw
meer heette, maar eene jonge dame, stoorde ze zich nog net zoo min
aan de klok.
Hilda's vader was rijk: hij hield paard en rijtuig. Hilda ging dus
bijna elken dag uit rijden. Nu, dat was een verdriet voor den koetsier
en voor de paarden ook. Want och, wat moesten die altijd lang voor
de deur op ons juffertje wachten, zelfs bij slecht weer!
Als iemand haar nu gezegd had: "Hilda, denk toch aan dien armen
koetsier en die stumpers van paarden," ja, dan zou ze zich uit
medelijden misschien wel wat gehaast hebben. Maar--er was niemand,
die wel eens zoo met Hilda praatte en uit zichzelf dacht ze aan zulke
dingen nooit.
Had ze afgesproken eene vriendin af te halen, om mee te wandelen, dan
kon die geregeld wel een uur en langer naar Hilda uitkijken. Eindelijk
kwam ze er doodbedaard aanstappen. Ze vroeg er niet naar, of hare
vriendin ook ongeduldig geworden was; ze zei niet, dat het haar
speet zoo laat te zijn. Daar was ze te onnadenkend voor. Ze kwam,
als ze lust had, en daarmee uit.
Ze kwam ook niet opzettelijk te laat, om een ander verdriet te
doen. Och neen! Maar als ze zich bijvoorbeeld kleeden moest om uit te
gaan, dan treuzelde ze 'k weet niet hoe lang om, zonder aan tijd te
denken. Dan snuffelde ze naar hartelust in kasten en laden en doosjes,
waar ze eigenlijk niets in te maken had. Dan paste ze de eene japon
voor, de andere na, eer ze er eene koos, om aan te doen. Dan stond
ze tijden lang voor den spiegel te plooien en te schikken aan hare
kleeren. En als ze dan eindelijk hare kamer uit was, kwam ze nog wel
twee-, driemaal terug, om iets te halen, dat ze vergeten had.
Soms zei ze wel eens: "Ik ben wat laat, maar och, dat is zeker zoo
erg niet. 'k Heb ook zoo'n slecht geheugen, 'k vergeet altijd op de
klok te kijken."
Een mooi praatje voor eene jonge dame! Nu, de menschen vonden het wèl
erg, en van die vergeetachtigheid geloofden ze geen zier, dat kun je
wel begrijpen.
Ziezoo, nu weet je, hoe Hilda was en ga ik je eens vertellen, wat er
met Juffertje Te Laat gebeurde.
Hilda was genoemd naar.... schrik niet.... naar eene fee! Ja, eene
fee was hare peettante. Nu, die fee dan hield heel veel van haar
petekind. Jullie moogt Hilda niet graag lijden, en dat kan ik me best
begrijpen; want veel goeds heb ik nog niet van haar verteld. Maar de
fee kende Hilda beter, dan jullie haar kent. Die wist, dat Hilda een
lief meisje zou zijn, als ze dat ééne groote gebrek maar niet had. "Ik
wou toch," dacht de fee dikwijls, "dat ik Hilda kon leeren begrijpen,
hoeveel verdriet en last ze een ander doet en--hoeveel verdriet ze
er zelf nog van zal krijgen, als ze zoo voortgaat."
De fee zou er nog niet zooveel om gegeven hebben, als Hilda
bijvoorbeeld wat slordig geweest was of praatziek of wat anders,
dat onaardig was. Maar dat op 't laatst iedereen haar petekind
"Juffertje Te Laat" noemde, kijk, dat vond ze heel, heel erg. Dat
kwam, omdat ze zelf nooit anders dan precies op tijd was, nooit eene
minuut te vroeg of te laat. "Twaalf uur," zei ze dikwijls, "dat is
niet vijf minuten vóór twaalf, niet vijf minuten na twaalf. Twaalf
uur is twaalf uur." Nooit liet ze dan ook iemand wachten; maar ze kon
evenmin verdragen, dat iemand haar wachten liet.--Daarom noemden de
menschen haar voor de aardigheid "Mevrouw Op Tijd."
En nu zal ik je eens vertellen, wat de fee eindelijk deed, toen ze
vond, dat het toch wel wat al te erg met Hilda werd.--Op een goeien
dag kreeg Hilda een briefje, en daar stond niets anders in dan:
"Lieve Hilda! Morgen kom ik bij je eten. Dag, kind.
"Je je liefhebbende peettante."
De volgende dag kwam, en 't werd twaalf uur, dat was in dien tijd
voor de meeste menschen het uur van 't middageten, 't Werd twaalf
uur--en bij den eersten slag stond ook al 't rijtuig van de fee "Op
Tijd" voor Hilda's deur. Bij den twaalfden slag stapte ze de eetkamer
binnen. De fee keek eens rond. En wat zag ze? Wel eene netjes gedekte
tafel--daar had de knecht voor gezorgd--maar geene Hilda, om hare
peettante op te wachten en te verwelkomen!
"Wel zeker! net iets voor Juffertje Te Laat," bromde de fee. "'t
Zal me toch eens benieuwen, wanneer het haar belieft te komen." En
verdrietig ging ze in een grooten armstoel zitten.
Waar was nu Hilda! Verbeeld je: onze jonge dame was niet eens thuis,
en ze wist toch, dat de fee komen zou!--
Dien morgen, al om een uur of tien, was het Hilda te binnen geschoten,
dat ze hare vriendin Nelly wel eens kon gaan opzoeken. Ze had haar
al zoo lang beloofd eens een uurtje te komen praten.
Gauw had ze zich gekleed en was de deur uitgewipt.--Nelly wist niet wat
ze zag, toen ze Hilda al zoo vroeg in den morgen voor zich zag staan.
"Heerlijk, dat je komt," riep ze vroolijk, "nu kun je me meteen helpen
uitzoeken. Pas op, val niet over al die doozen. Allemaal hoeden en
mantels, om uit te kiezen. Kun je een poosje blijven? Dan maken we
samen de doozen open."
Zeker kon Hilda blijven. Wat was er nu prettiger dan voor den spiegel
staan en aardige hoedjes en mooie mantels passen!--Het duurde geene
tien minuten, of vloer, tafels en stoelen lagen vol open doozen en
deksels, vol hoeden en mantels.
Alles moest bekeken en betast worden. Hilda moest Nelly bewonderen en
Nelly, Hilda. En dat de mondjes bij dat alles niet stilstonden, is te
denken. 'k Behoef je dan ook zeker niet te vertellen, dat Hilda uur
en tijd bij 't mooie spelletje vergat. 't Werd elf uur, 't werd twaalf
uur, maar waaraan Hilda ook dacht, zeker niet meer aan hare peettante,
die zou komen eten.--'t Werd half één, kwart voor één, en nog waren
de meisjes bezig, alsof er niets beters op de wereld te doen viel.
Eindelijk tegen één uur kwam de meid binnen, om Nelly te roepen:
't was etenstijd.--"O wee, al één uur!" riep Hilda, "en wij eten om
twaalf en...--'t is waar ook: mijne peettante zou komen eten."--Toen
gauw, gauw afscheid genomen en vlug naar huis. Maar die mooie winkels
onderweg, dat was een last. Daar moest je toch nog wel even voor
stilstaan. Te laat was het toch--wat kwam het er eigenlijk ook opaan,
of nog 't een kwartiertje later werd!--
Eindelijk belde Hilda aan. De knecht, die openmaakte, vertelde,
dat Hilda's peettante er al lang was.
De goede fee was van 't lange, vervelende wachten op 't laatst in
slaap gevallen. Ze had ook al dien tijd alleen gezeten; want Hilda's
vader was dien dag juist voor zaken uit de stad.--Daar op eens ging
de deur open en Hilda trippelde haastig naar binnen.
"Dag, mijne lieve, beste peettante," riep ze, "o, ik durf U haast niet
aanzien, zoo schaam ik me, dat ik U zoo lang heb laten wachten. Wat
zult U toch wel van me gedacht hebben!"--Nu, de fee was te goedhartig
om dadelijk te zeggen, wat ze wel gedacht had. Ze zei alleen: "Nu,
als 't je maar spijt, kindlief, dan is 't ook goed.--Maar zeg eens:
hoe laat is 't eigenlijk, ik heb een poosje geslapen."
De fee wist natuurlijk heel goed, dat het al half twee was; maar ze
wou eens hooren, wat Hilda antwoorden zou. "O, lieve peettante, vraag
me daar niet naar; ik durf niet naar de klok kijken," zei ze.--"Meisje,
meisje," dacht de fee, "'t is nog erger met je, dan ik meende. Je wilt
je oude peettante nog wat wijsmaken ook. Goed, dat ik gekomen ben."
Dat het middagmaal alles behalve lekker was, behoef ik je zeker niet
te vertellen. Maar de fee hield zich goed en deed, alsof ze er niet
veel om gaf. Vroolijk praatte ze met Hilda over allerlei dingen, en zoo
liep alles veel prettiger af, dan Juffertje Te Laat wel gedacht had.
Na 't eten ging de fee eerst een middagdutje doen en Hilda bladerde
wat in een boek. En toen kwam er nog een prettig praatuurtje. De tijd
vloog om: 't was al bijna vijf uur, eer Hilda er om dacht.
Daar op eens hoorden ze harde stappen in de gang. De kamerdeur vliegt
open en--Hilda's vader komt haastig binnen. Nog met den deurknop in
de hand roept hij: "Dag, kind! Hier ben ik terug van de reis. Klaar,
om mee te gaan?"
Maar daar ziet hij me, dat Hilda nog in haar daagsch japonnetje
languit in een gemakkelijken stoel ligt. Van verbazing kan hij zijne
oogen haast niet gelooven. "Maar heb ik nu van mijn leven," riep hij,
"heb je dan mijn briefje van morgen niet ontvangen?"--"Uw briefje,
beste Papa?" zei Hilda met een onschuldig gezicht. "Zeker heb ik dat
gekregen. Maar U ziet immers wel, dat mijne peettante er is!"--Neen,
dat had Hilda's vader in zijn haast nog niet eens gezien. Heel beleefd
boog hij nu voor de fee en zei: "Ik hoop maar niet, dat U 't me erg
kwalijk neemt, dat ik U niet dadelijk zag. Ik ben ook zoo boos op dat
kind! Ik zal er nog grijze haren van krijgen, zoo'n verdriet heb ik
van haar."
"Maar wat heeft ze toch eigenlijk voor kwaads gedaan?" vroeg de
fee.--"Ik zal 't U vertellen, en dan moet U zelf eens zeggen, hoe U zoo
iets vindt. U moet weten: prins Pandolf, die op een prachtig buiten een
uurtje van hier woont, heeft ons van avond op een feest genoodigd. Eene
groote eer, dat begrijpt U. Maar dat nog niet alleen. Ik moet den
prins noodzakelijk spreken. In eene heel gewichtige zaak zou ik
graag zijn' raad hooren en nog liever zijne hulp vragen. Maar de
prins heeft het verbazend druk: hoeveel moeite ik er ook voor gedaan
heb, ik heb hem nog niet te spreken kunnen krijgen.--U kunt denken,
hoe blij ik daarom was met de uitnoodiging voor van avond. Eindelijk,
eindelijk, dacht ik, zal het dan toch eens wezen, zeker kan ik nu wel
een poosje alleen zijn met den prins. Dadelijk schrijf ik aan Hilda,
dat ze zorgen moet, precies om vijf uur klaar te zijn. Dan zou het
rijtuig van den prins voor de deur zijn, om ons af te halen. Ik kom
en denk natuurlijk, dat Hilda al kant en klaar op me zit te wachten
en--zóó vind ik haar. Wat moet ik toch beginnen: 't rijtuig kan
ieder oogenblik vóór zijn, en we kunnen den prins toch niet laten
wachten. Als die boos op mij wordt, weet ik geen' raad."
"Maar kunt U niet zonder mij gaan, Papa?" vroeg nu Hilda heel bedaard,
alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.
"Wat?" riep de vader, rood van boosheid, "alleen gaan? Nu wordt het nog
mooier. Je weet toch, dat de prins je graag eens wil hooren zingen. Om
je mooie stem zijn we eigenlijk alleen gevraagd. En nu zou je niet
meegaan! Als ik zonder je kom, is de prins natuurlijk boos en durf
ik....." Op eens hield Hilda's vader op. Bleek van schrik riep hij:
"O, o, daar komt het rijtuig al aan. Nu is het te laat!"
Toen Hilda zag, hoe bedroefd en verlegen haar vader was, kreeg ze toch
erg berouw over hare zorgeloosheid. Schreiende viel ze hare peettante
om den hals en knikte: "Och, lieve peettante, help mij toch! Ik kan
niet meer klaar komen en 't spijt me toch zoo vreeselijk, dat ik Papa
dit groote verdriet heb aangedaan. Och, help mij!"--
De fee was eerst ook heel verdrietig op Hilda geweest, toen ze alles
wist. Maar nu ze zag, hoe'n spijt Hilda had, kreeg ze medelijden. "Nu,
kindje," zei ze troostend, "wees maar bedaard, we zullen zien. Kom
eerst eens hier, wat is je japonnetje gekreukeld."--Hilda kwam. Toen
streek de fee heel even maar met de hand van boven naar beneden
over Hilda's japon. En zie--daar is het eenvoudige kleedje in eens
omgetooverd in een keurig wit zijden balkleed, en Hilda's voetjes
steken in fijne goudleeren schoentjes!--De vader sprong van zijn'
stoel op en wist zich geen' raad van vreugde. En Hilda's tranen,
of die ook gauw opgedroogd waren! En Hilda's verdriet en berouw? O,
daar dacht ze al niet meer aan. 't Was nu immers alles nog in orde
gekomen: ze kon nog met haar vader naar 't feest gaan en--toen ze
even in den spiegel keek, vond ze zichzelf zoo mooi, zoo mooi! Die
lieve, beste fee! 't Scheelde niet veel, of Hilda was met hare oude
peettante een dansje door de kamer gaan doen. Maar de vader nam Hilda
gauw bij de hand: ze moesten nu dadelijk weg. "Och," riep nu de fee,
"laat haar nog even blijven, de knecht is nog niet komen waarschuwen,
dat het rijtuig vóór is. Het voornaamste zou ik bijna vergeten."
Meteen haalde ze uit haar zak een aardig doosje, en uit dat doosje
kwam te voorschijn--een snoeperig klein, keurig bewerkt gouden
horloge aan een fijnen gouden ketting! "Mij dunkt, lieve kind," zei
de fee lachende, terwijl ze den ketting om Hilda's hals hing, "een
beter present kan ik je wel niet geven. 'k Hoop, dat dit dingetje,
zoo klein als het is, toch wijzer zal wezen dan zeker iemand en haar
leeren zal beter op haar tijd te passen. En maak nu maar gauw, dat
je in 't rijtuig komt. Veel plezier, kind!"--En voordat Hilda tijd
had te bedanken, schoof de fee haar de deur uit.
Een oogenblik later zat Hilda in de zachte kussens van het prachtige
rijtuig en kon op haar gemak het mooie horloge bekijken, dat ze
gekregen had. Of ze er heel blij mee was? Om de waarheid te zeggen:
'k geloof, dat ze veel liever een' armband of zoo iets zou gehad
hebben. Van haar vader had ze vroeger ook al eens een horloge
gekregen. Maar denk je, dat ze het droeg? Och neen, dat was haar
veel te lastig: ze dacht liever aan geen uur of tijd, dat was immers
ook veel gemakkelijker. Maar-- _dit_ horloge was veel, veel mooier en
kostbaarder. Hier kon ze mee pronken, ieder zou haar er om benijden. En
ze behoefde er immers niet vaker op te kijken, dan ze wou. Ja, ze
was toch eigenlijk wel heel blij met haar cadeau.--
Dat het horloge niet alleen een prachtig en kostbaar, maar ook een
heel bijzonder horloge was, een horloge, dat heel wonderlijke dingen
kon doen, daarvan wist Hilda nog niets. En dat was maar goed ook.--
De paarden hadden zoo flink geloopen, dat het rijtuig al na een half
uurtje voor het buiten van den prins stilhield. De prins ontving Hilda
en haar vader heel vriendelijk. Hij was blij, dat ze gekomen waren,
én hij hoopte toch, dat Hilda hem het plezier zou doen, dien avond
eens te zingen. Hij had al zooveel van hare mooie stem gehoord! "Dat
is een goed begin," dacht Hilda's vader, en hij wreef zich de handen
van plezier over de vriendelijkheid van den prins.
In de zalen van het mooie huis waren al heel wat gasten bij elkaar. Het
duurde dan ook niet lang meer of allen werden door een deftigen
bediende uitgenoodigd, om naar de eetzaal te gaan. Daar stond alles
klaar voor een heerlijken maaltijd. Toen de maaltijd afgeloopen was,
verspreidden zich de gasten naar alle kanten. Het avondfeest zou eerst
om negen uur beginnen--tot zoolang mocht ieder gaan waar en doen,
wat hij wilde.
"Kom, Vadertje," zei Hilda, en ze nam vroolijk haar vader in den
arm. "Zullen we ook naar den tuin gaan, net als de anderen? 't Zal
daar zoo heerlijk zijn!"--
"Maar zal Mejuffrouw Hilda in den helderen maneschijn onder de
groene boomen 't klokje van negen niet vergeten?" fluisterde er op
eens iemand aan haar oor. 't Was de prins, die bij haar gekomen was,
zonder dat ze 't merkte. "Denk er aan, dat U me voor 't begin van
mijn feest een mooi lied beloofd hebt!"
Hilda kreeg eene kleur van verlegenheid. Zou de prins er ook al van
gehoord hebben, dat ze zoo dikwijls haar tijd vergat: dat was toch
heel vervelend.--"Zeker, zeker, prins," zei ze daarom maar gauw,
"U kunt vast op mij rekenen."
Zulke mooie tuinen als de prins toch had, daar kon je wel je oogen
aan uitkijken. Je zag er de prachtigste boomen, de zeldzaamste
bloemen. Tusschen 't fluweelige gras en langs de keurige paden
stroomden aardige beekjes. En die beekjes kwamen weer uit in groote
vijvers met statige boomen er om heen.
Bij een van die vijvers gingen Hilda en haar vader zitten, want overal
stonden aardige banken, van boomstammen gemaakt. Wat was het daar
kostelijk! De bloemen geurden en 't water ruischte, de maan scheen
helder over 't water, en de lucht was zoo zacht!--Langzaam aan kwamen
er nog meer van de gasten op dat mooie, stille plekje, tot eindelijk
alle banken vol waren en sommigen zelfs een plaatsje zochten op het
zachte gras.--Eene heele poos deden ze maar niets anders dan kijken
en luisteren naar al het mooie om hen heen. Maar toen stond een van
de gasten op en zei, dat hij een vers gemaakt had op de maan en den
vijver, de boomen en de bloemen en nog veel meer, en of hij dat eens
opzeggen zou. 't Was een heel mooi vers; maar lang, lang--er kwam geen
eind aan. Hilda zat er met open mond naar te luisteren--aan uur of tijd
dacht ze niet en nog veel minder aan de afspraak met den prins.----
Daar op eens, toen 't vers juist op zijn allermooist was, klonk er heel
duidelijk door de stilte van den avond: "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat
is dat?" riep de man met het vers. "Tik, tik, tik, tik!"--"Wat
is dat?" riepen allen. Hilda was verschrikt opgesprongen. _Zij_
behoefde niets te vragen, _zij_ had dadelijk wel begrepen, wie daar
met zijn helder stemmetje tik, tik gezegd had. "Dank je wel voor de
boodschap, kleintje," zei ze zacht. En ze streek liefkoozend met hare
hand over het horloge van de fee, dat precies negen uur aanwees. Toen
riep zoo vroolijk: "Komt mee, dames en heeren, 't is tijd voor het
avondfeest!" Vlug liep ze vooruit, en alle gasten volgden haar.
Nu kwamen allen samen in eene andere, prachtig versierde zaal. Daar
ontving de prins zijne gasten weer. Toen ging hij naar Hilda, boog
lachende voor haar en--zei: "Dat noem ik eerst op zijn' tijd passen!"
Nu moest Hilda zingen. Eerst beefde ze wel wat, toen ze daar zoo
alleen voor al die menschen stond. Maar al gauw ging het beter, en
toen klonk hare lieve stem zoo mooi en helder door de zaal, dat het
een lust was. Toen 't lied uit was, kwam er aan 't handengeklap geen
einde. Maar wie nog 't hardst van allen klapte, dat was de prins,
die zoo dol veel van zingen hield.--En weer moest Hilda zingen en
nog eens en nog eens. En toen drukte de prins haar en haren vader de
hand en zei, dat hij in langen tijd niet zoo in zijn' schik geweest
was. En als er iets was, waar hij Hilda plezier mee kon doen , dan
moest ze het maar zeggen. Neen, voor zichzelf wist ze niets, maar
haar vader wou den prins zoo graag eens spreken over eene gewichtige
zaak. Als de prins later eens een half uurtje tijd had, dan.... "O,
als 't anders niet is," riep de prins lachende, "graag, hoor! En wel
dadelijk ook!"--Zoo ging Hilda's vader dan met den prins naar eene
andere kamer, waar ze rustig konden praten.
't Gesprek duurde heel lang. Maar toen was alles ook in orde:
dat zag Hilda dadelijk, toen haar vader, gearmd met den prins,
weer binnenkwam. Hij lachte over zijn heele gezicht en knikte Hilda
dankbaar toe. "Verbeeld je," dacht Hilda, "als ik nu eens niet op
tijd in de zaal geweest was, om voor den prins te zingen. Dan zou
dit heerlijke niet gebeurd zijn. Dat lieve horloge!"--
't Was al laat in den nacht, toen Hilda van 't feest naar huis reed.
"Kind," zei haar vader, "wat heb je me van avond een plezier gedaan. Nu
zal mijn meisje morgen aan den dag ook dien mooien gouden armband
van me hebben, waar ze me al zoo dikwijls om gevleid heeft!" Hilda
klapte in de handen van plezier. "Heerlijk, heerlijk!" riep ze. "En
gaan we hem dan samen koopen morgen?"--"Zeker, zeker, kind! zorg
dan, dat je precies om 10 uur klaar bent, want je weet, ik heb het
druk!"--Natuurlijk zou Hilda klaar zijn. Tien uur, dat kwam ook best
uit, dan kon ze nog juist terug zijn, om de naaister te spreken,
die tegen elf uur bij haar zou komen.
Den volgenden morgen, om kwart voor tienen zoowat werd Hilda
wakker. Maar ze was nog moe en slaperig van 't feest en had niet
den minsten lust om op te staan. Veel liever lag ze nog een uurtje
te droomen van al het heerlijke, dat ze gisteren avond gezien en
gehoord had. Hè, wat was het toch mooi op dat feest: die prachtige
zalen en gangen... al dat licht ... al die bloemen... al die aardige
menschen! En dan... die tuinen ... maneschijn... dat mooie vers... Hoe
begon dat nog maar weer?...
"Tik, tik, tik, tik!" Wat was dat? Hilda zat op eens recht overeind
in haar bed en keek verschrikt rond. "Tik, tik, tik, tik!"....
Toen liet ze zich op eens weer lachende in de kussens vallen en riep:
"O, 'k weet het al, wie me daar roept, net als gisteren avond. Tik,
tik, tik.... Ja wel, 'k begrijp het: 't is tien uur, en eigenlijk
moest ik nu al met Papa op weg zijn, om den armband te koopen. Tik,
tik, tik, tik... Dank je voor de waarschuwing, mijn trouw horloge,
maar 't is nu toch al te laat, 'k blijf er nog vijf minuten in!"
En Hilda vlijde haar hoofd weer op 't kussen. Maar--daar klonk het veel
harder: "tik, tik, tik, tik!"--"Kleine levenmaakster!" riep nu Hilda,
"kun je me niet met rust laten!"
"Tik, tik, tik, tik, tik!"--"Nu als het dan niet anders kan, zal ik
je den zin wel geven. Daar ben ik al!" En meteen sprong ze, half boos,
half lachende het bed uit. Dadelijk hield het horloge zich stil.--
Veel vlugger dan gewoonlijk kleedde ze zich aan, en 't was nog
maar even half elf, toen ze kant en klaar aan haar vaders arm de
deur uitstapte. Dat was nu wel een half uur te laat; maar de vader
was het vroeger nog wel heel anders van Hilda gewoon, en daarom zei
hij er maar niet veel van. Gelukkig ook woonde de goudsmid dichtbij,
daar waren ze gauw genoeg. Maar het duurde heel wat langer, eer Hilda
klaar was met het kiezen van een' armband. Wat een armbanden moest
de goudsmid voor haar uitstallen! Wat een gezoek en gepas en gevraag.
Daar--midden in het drukke gesprek met den goudsmid--wees de klok in
den winkel elf uur aan. En op 't zelfde oogenblik, daar had je 't weer:
"Tik, tik, tik, tik!"--"Wat blieft u, Juffrouw?" vroeg de goudsmid. "O,
niets," zei Hilda, "'t is mijn horloge maar.--En hoeveel kost die
armband, zei U?"--"Tik, tik, tik, tik!".... klonk het weer. "Ja,
ja, weet 'k er alles van," bromde Hilda ongeduldig in zichzelf,
"'t is elf uur, en de naaister wacht me. Nu, laat ze maar een poosje
wachten, ik kan niet dadelijk weg." Toen weer tegen den goudsmid:
"Dat is toch wel wat duur. Zou...."
Maar tik, tik, tik, tik! waarschuwde het horloge. "Neen maar, dat
gezeur is niet om uit te staan," riep Hilda nu. "Zóó laat ik niet
den baas over me spelen, hoor! Hier Papa, steek U dat vervelende
horloge maar in Uw' zak. Misschien houdt het zich dan stil." Maar ja
wel! Tik, tik, tik, tik ... ging het nog harder in den vestjeszak,
en toen Hilda's vader even op de stoep van den winkel ging staan,
om een' vriend te groeten, die juist voorbij ging, riep het horloge
uit de verte toch nog met eene zware stem: "tak, tak, tak, tak!"
Dat was nu toch wel wat heel erg. De menschen op straat bleven staan om
te luisteren, waar toch dat geluid vandaan kwam. Ieder gluurde in den
winkel, en Hilda schaamde zich de oogen uit het hoofd. Ze kon nu wel
niet anders doen, dan heengaan en 't horloge zijn' zin geven. Daarom
deed ze nu maar haastig eene keuze en stapte den winkel uit. Dadelijk
werd het horloge zoo stil als eene muis.--
Dat Hilda alles behalve in haar schik was, kun je wel begrijpen. Maar
toen ze thuis kwam en de naaister haar allerlei mooie stoffen en nieuwe
patronen liet zien voor eene japon, werd ze weer heelemaal vroolijk. Nu
was het praten, zoeken, kiezen, overleggen geen gebrek. Ik weet
niet, hoe lang dat wel geduurd zou hebben, als Hilda niet toevallig
naar haar horloge gekeken had, dat op een tafeltje lag. Maar dat
gebeurde--'t wees juist even vóór twaalven. "O, heden," dacht Hilda,
"al zoo laat! 'k Heb Papa beloofd, precies om twaalf uur aan tafel te
zijn. Maar hoe zou dat nu kunnen, ik ben nog lang niet klaar. Weet je
wat: ik breng 't horloge weg, anders begint me dat zoo meteen weer te
vertellen, dat ik op mijn' tijd moet passen, en 'k heb nu eens geen'
zin, gestoord te worden!"--Ze nam dus het horloge van de tafel, ging
er mee naar eene kamer er naast en stopte het weg achter in eene la
van eene kast.
Maar--pas was ze terug en juist zou het gesprek over de japon opnieuw
beginnen, toen de naaister op eens verschrikt omkeek. "Tok, tok, tok,
tok!" klonk het door de kamer, 't Was net een geluid, alsof er vlak bij
gehamerd werd. "Hé, wat is dat toch, Juffrouw?" riep de naaister. "O,
niets," zei Hilda, maar ze kreeg eene kleur. "Hebben we deze stalen
al gezien?"
"Tok, tok, tok, tok...."--"Maar Juffrouw," riep de naaister angstig,
"zou u niet eens gaan kijken, wat dat toch is?"--"Och kom," zei Hilda
bedaard, maar hare vingers beefden, "'t is heusch niets. Wil U me
die plaat nog eens aangeven?"
"_Tok, tok, tok, tok...._" Het horloge--je hebt natuurlijk evengoed
als Hilda al lang begrepen, dat het geluid nergens anders vandaan
kwam--het horloge hield maar vol. En hoe drukker Hilda door praatte,
hoe harder het sloeg en hamerde in de la, waar het weggestopt was. 't
Werd zóó erg op 't laatst, dat Hilda wel niet anders doen kon, dan
de naaister laten gaan.
Verdrietig, dat ze was! "Lastig, naar horloge," pruttelde ze, "hoe
kon ik er toch eerst zoo blij mee zijn. Ik heb er rust noch duur van
en kan heelemaal niet meer doen met mijn' tijd, wat ik wil." Maar
al pruttelende ging ze toch naar beneden, en dadelijk ook hield het
leven in de kast op. 't Horloge was tevreden.
De vader, die vroeger altijd uitentreuren op Hilda moest zitten
wachten, keek heel vriendelijk, nu ze tien minuten over twaalf al
aan tafel kwam. "Wel, meisje," riep hij: "zoo mooi op tijd! Dat is
lief van je: 'k heb erge haast vandaag." Hilda kreeg weer eene kleur:
ze wist wel, dat ze 't prijsje eigenlijk niet verdiend had. Maar ze
dacht ook: "Als ik Papa er zoo'n groot plezier mee doe, wil ik toch
later uit mezelf beter op den tijd letten." Van de geschiedenis met
het horloge vertelde ze niets, je zult wel begrijpen, waarom.--
Terwijl Hilda en haar vader nog aan tafel zaten, kwam de knecht
binnen, om te zeggen, dat Valentijn er was, en of hij de juffrouw
wel even spreken kon. Valentijn, moet je weten, was een arme, oude
man. Bedelen deed hij niet; maar Hilda wist, hoe arm hij was en had
hem dikwijls wat gegeven. Daarom kwam hij, als hij weer erg verlegen
was, nog wel eens bij haar aankloppen.--Maar nu kon ze toch moeilijk
van tafel opstaan: dat zag haar vader niet graag. "Laat hij straks
om twee uur maar terugkomen," zei ze daarom tegen den knecht.
Toen 't maal afgeloopen was, ging Hilda naar hare kamer, om een beetje
te lezen. Want ze was pas een nieuw boek begonnen, dat ze prachtig
vond. Dadelijk vlijde ons juffertje zich neer in een gemakkelijk
laag stoeltje met de voetjes op een zacht voetkussen, en het duurde
geene vijf minuten, of ze was heelemaal verdiept in haar boek. Ze
las en las maar voort: de eene bladzijde na de andere, het eene
hoofdstuk na het andere, totdat ze aan 't mooiste gedeelte van 't
verhaal gekomen was. Toen liet ze het boek even in haar schoot vallen
en leunde met haar hoofdje achterover tegen den stoel. "Hè, wat is
lezen toch heerlijk," dacht ze, "'k zou wel al door kunnen gaan. En,
nu krijg ik 't mooiste nog. 'k Hoop maar niet, dat iemand me storen
komt. Zou 't al laat zijn? Laat eens kijken: kwart vóór twee. O wee,
dan komt zoo meteen Valentijn! En als die eenmaal aan 't praten is,
is er nog zoo gauw geen eind aan. Neen, dien kan ik nu niet hebben--'k
wil mijn boek uitlezen." Gauw schelde ze het kamermeisje en zei:
"Roosje, als Valentijn komt, zeg hem dan, dat ik vandaag niet voor
hem te spreken ben. Morgen, hoor!"
Juist wou Hilda nu weer beginnen te lezen, toen haar op eens iets
te binnen schoot, "'t Helpt me ook wat, dat ik die boodschap geef,"
riep ze, "dat vervelende horloge van mij weet natuurlijk weer precies,
wat ik Valentijn beloofd heb. Wacht, ik breng het weg, voordat het
weer met zijne kuren begint. Maar waarheen?--O, 'k weet het al!" En
vlug wipte ze de deur uit, de trap af, eene gang over, nog eene trap
af en zóó in eenen door, tot ze--in den kelder was. Daar stopte ze
het horloge in een donkeren hoek en wip--weg was ze weer. Een paar
minuten later lag Hilda weer rustig achterover mét haar boek in de
hand. "Ziezoo," dacht ze, "roep me nu maar, ik hoor je toch niet."
Met klokslag twee stond Valentijn weer op de stoep en schelde aan. Wat
was de arme man teleurgesteld, toen hij van de knecht hoorde, dat
de juffrouw niet voor hem te spreken was. "Och, och," zuchtte hij,
"wat spijt me dat!" Juist wilde hij treurig de stoep weer afgaan,
toen het heele huis op eens dreunde van harde slagen. "Paf, paf, paf,
paf!" ... 't was, of er geweren afgeschoten werden.
Alles in huis liep verschikt door elkaar en de buren kwamen
toegeloopen, om te hooren, wat er toch te doen was. "Paf, paf, paf,
paf..." in de kasten rammelde alles dooreen, de schilderijen en de
spiegels dansten aan den muur.
Roosje liep, bleek van angst, naar hare meesteres. "Hoort U 't wel,
Juffrouw?" riep ze. Nu, òf Hilda 't gehoord had: ze was ook van schrik
opgesprongen en had haar boek op den grond laten vallen.
"_Paf, paf, paf, paf ....!_" 't Geluid werd nog harder. Een mooi
beeldje op de schrijftafel viel en brak. "O, Juffrouw, wat zou het
toch zijn," schreide Roosje met de handen voor 't gezicht.--Hilda gaf
geen antwoord, maar ze wist nu wel, waar 't geluid vandaan kwam. 't
Was haar horloge, haar vreeselijk horloge, dat haar zelfs uit den
kelder toeriep: "Denk aan den tijd, denk aan Valentijn!"
"Goed, goed, ik ga al," zei Hilda, zonder dat ze 't wist, hardop. En
pas had Hilda den eersten voet verzet, om naar beneden te gaan,
of--de slagen hielden op.
En nu meen je misschien, dat Hilda alles behalve vriendelijk was tegen
Valentijn. Mis, hoor! Toen ze den armen man zag met zijne magere,
bleeke wangen en de tranen nog in de oogen, voelde ze alleen groot
medelijden en erge spijt, dat ze den stumper aan de deur weg had laten
sturen. Om het weer goed te maken, luisterde ze vriendelijk naar zijn
lang verhaal, liet hem eten geven en oude kleeren van haar vader, en
zelf gaf ze hem nog geld, dat hij vooreerst geen gebrek meer behoefde
te lijden.
'k Behoef je zeker niet te vertellen, hoe dankbaar de arme man
was en--hoe'n prettig, tevreden gevoel Hilda had, toen Valentijn
weg was. Boos op het horloge was ze in 't geheel niet meer: ja, ze
schaamde zich zelfs, dat ze haar goeden vriend zoo weggestopt had. Ze
haalde het horloge daarom maar gauw weer uit zijn donker hoekje
in den kelder en nam het mee naar hare kamer. "Ziezoo," dacht ze,
"nu ga ik met veel meer plezier dan straks mijn boek uitlezen."
Een paar dagen later was Hilda gevraagd op een groot bal. Nu, dezen
keer paste ze wel op, dat ze vroeg genoeg begon met zich aan te
kleeden. Toen 't rijtuig voor de deur was, stond "Juffertje Te Laat"
wonder boven wonder kant en klaar en kon zóó maar instappen.
Maar--juist op 't oogenblik, dat Hilda de deur zou uitgaan--wie komt
me daar de stoep op? Eene oude boerenvrouw! En die loopt op Hilda
toe en stoort zich niet aan het mooie balkleedje, maar valt haar om
den hals en kust haar op beide wangen.
Wie was dat dan toch wel!--Ik zal 't je vertellen. Die boerenvrouw
had vroeger op Hilda gepast, toen ze nog een klein kindje en later
een klein meisje was. Je weet immers, dat Hilda geene moeder meer
had. Hare moeder was gestorven, toen Hilda nog maar een paar maanden
oud was. En toen had die eenvoudige boerenvrouw voor de kleine Hilda
gezorgd en haar vertroeteld, alsof ze haar eigen kind was.--Later
was de boerenvrouw teruggegaan naar haar dorpje. Maar vergeten kon
ze Hilda niet: daarvoor had ze haar te lief gekregen. Gedurig kwam
ze "haar kind," zooals ze Hilda noemde, eens opzoeken. Dat was dan
altijd een heerlijke dag voor de goede vrouw. Dezen keer nu was het
lang geleden, dat ze Hilda niet gezien had, wel een heel jaar. Ze was
lang ziek geweest, en sinds dien tijd kon ze niet best meer loopen. En
dan--'t was ook eene heele reis van haar dorpje naar de stad, waar
Hilda woonde. Maar ze was op 't laatst zoo naar haar "kind" gaan
verlangen, dat ze 't niet langer kon uithouden. En daar was ze nu!--
Maar och, wat trof ze het slecht. Hilda zou juist in 't rijtuig
stappen, om naar 't bal te gaan, den heelen avond zou ze wegblijven
en--den volgenden morgen vroeg moest de goede vrouw al weer
vertrekken. Ze schreide haast van teleurstelling en klaagde: "Och,
och, wat spijt me dat! En 't zal wel voor de laatste maal zijn,
dat ik mijn kind zie. Ik ben al oud en zwak: lang zal ik niet meer
leven. En dat je nu op dezen éénen avond juist uit moet, waar ik me
zóó op verheugd had!"
Je begrijpt: 't was voor Hilda een moeilijk geval. Ze hield wezenlijk
veel van haar oud pleegmoedertje en was heel blij, dat ze haar na
zoo'n langen tijd eens weer zag. Ja, ze was niet eens verdrietig,
dat de boerenvrouw haar balkleedje wat verkreukeld had--en dat wil wat
zeggen voor een dametje als Hilda. Maar wat zou ze doen. Ze kon toch
moeilijk van 't bal thuis blijven.... En ze had toch ook weer zoo te
doen met het arme oudje, dat alleen voor haar de reis gedaan had.
"Hoor eens," zei ze vriendelijk, "ik weet wat! Ik zal maar een
paar dansen meedoen, en dan kom ik vroeg terug, om nog een gezellig
uurtje met je te praten. Is dat dan goed, Moedertje?" Ja, ja, dat was
heerlijk. Het vrouwtje was nu al weer tevreden. Toen gaf Hilda haar
een' kus op de rimpelige wangen en wipte in 't rijtuig. Flip, flap,
ging de zweep, en voort draafden de paarden.--
Toen Hilda hare pleegmoeder beloofde vroeg weer te komen, meende ze
dat ook werkelijk. Maar nu ze in 't rijtuig zat, begon ze zich hoe
langer hoe meer te verheugen over het heerlijke bal. En--ze begon het
jammer te vinden, dat ze daar zoo weinig van zou genieten. Een paar
dansen maar en--ze was zoo dol op dansen. Haar keurig balkleedje en den
prachtigen nieuwen armband had ze toch ook niet aangedaan, om zoo gauw
al weer naar huis te gaan!--Ze zou vroeg thuiskomen: nu ja, twaalf uur,
dat was vroeg genoeg. Een bal was toch ook geene gewone visite! Ja,
tot twaalf uur zou ze ten minste blijven ..... Maar op eens schoot
haar iets met schrik te binnen. Het horloge was er ook nog. En als
't horloge nu eens vond, dat ze hare belofte niet hield. Als het
haar eens vóór twaalf aan die belofte wou herinneren. Als het eens
leven ging maken op het bal, midden tusschen al die voorname heeren
en dames, dat zou verschrikkelijk zijn! Dat mocht niet! Wacht, ze
zou het horloge weggooien op eene eenzame plek, dan kon ze rustig
op het bal blijven. Ze keek uit het raampje, en nu zag ze, dat het
rijtuig juist vlak langs den muur van de stad reed. "Juist goed,"
dacht ze. Heel voorzichtig schoof ze het raampje een eind omhoog,
dat haar vader, die in een hoekje van het rijtuig zat te dommelen,
het niet hoorde, stak de hand naar buiten en--daar lag het horloge
aan den anderen kant van den muur in eene droge sloot.--"Hè, dat is
gebeurd," dacht Hilda tevreden, "nu ben ik er voor goed af."
Op het bal was het prachtig! En pas had Hilda den voet in de danszaal
gezet, of ze werd ook al ten dans gevraagd. En na dien eersten dans
danste ze weer en nog eens weer. Ieder vond haar lief en mooi, ieder
noemde haar de koningin van 't bal. Wat klopte Hilda's hartje van
plezier! In 't begin, ja, toen was ze wel een beetje ongerust geweest;
want telkens meende ze zulke vreemde, doffe geluiden in de lucht te
hooren. Zou haar lastige vriend, het horloge, daar ginds in de sloot
misschien zóó liggen te zuchten, dat ze 't hier hooren kon?
't Was vervelend, dat rare geluid. Soms was het net, alsof Hilda het
boven de muziek uit hoorde, en dan kwam zo bij het dansen heelemaal
uit de maat. Maar hoe langer ze danste, hoe meer ze het horloge en
ook--hoe meer ze hare oude pleegmoeder vergat, die thuis met verlangen
op haar zat te wachten. En op 't laatst dacht ze nergens anders meer
aan dan aan haar eigen plezier. Ze zwierde maar in 't rond, lachte,
praatte.....
Maar hemel, wat was dat! "Boem, boem, boem, boem!" klonk het door
de zaal. Alles dreunde en kraakte, 't Was, of er vlak bij kanonnen
werden afgeschoten. De muzikanten hielden dadelijk op met spelen,
en alle gasten liepen angstig door elkaar.
En het bleef niet bij een paar slagen: 't ging maar zonder ophouden:
boem, boem, boem, al harder en harder. De menschen in de stad hoorden
het ook. Vreeselijk verschrikt sprongen ze hun bed uit en liepen naar
vensters en deuren, om te zien, wat er toch te doen was.--
En Hilda? Zij was natuurlijk de eenige, die alles wel begreep. _Toch_
het horloge! 't Was, of het zeggen wou: "Stop me maar weg, zoover je
wilt: ik laat je niet met rust, je _zult_ me hooren!"
Ja, ze begreep alles, de arme Hilda, en ze was er zoo door in de war,
dat ze niet wist, wat ze deed. Ze sloeg de handen voor 't gezicht en
begon te schreien. Toen op eens vloog ze midden door de gasten heen,
die haar verwonderd nakeken, de zaal uit, de gangen door, de deur
uit en zoo blootshoofds in haar balkleedje, met balschoentjes aan de
voeten, de straat op.
Als ze nu maar dadelijk om haar rijtuig gevraagd had en bedaard
naar huis was gereden, dan zou het horloge op 't zelfde oogenblik
stil gehouden hebben. Maar daar dacht ze niet aan in hare groote
verlegenheid. Ze vloog maar al verder en verder door de eenzame
straten, altijd maar den kant uit, waar 't geluid vandaan kwam. De
voeten deden haar zeer in de dunne schoentjes, de koude nachtwind
blies haar om 't hoofd en door haar luchtig balkleedje. De menschen
voor de vensters en de deuren keken haar verbaasd na en vroegen elkaar
af, wie toch die dame in balcostuum wel wezen kon. Maar Hilda lette
nergens op: ze liep maar voort, altijd voort. En onderwijl dreunde
het door de lucht: boem, boem, boem! De grond schudde er van.
Eindelijk, eindelijk, daar was ze bij een van de poorten van de stad,
dicht bij de plek, waar het horloge in de sloot lag. De poort was
al gesloten: eerst na lang vragen haalde de poortwachter de sleutels
en maakte de poort open. Nu dadelijk in de droge sloot. Wel scheurde
Hilda haar dunne kleedje aan een' struik, wel gleed ze telkens uit;
maar wat kon haar dat alles schelen, als ze 't horloge maar had!--En
ja, daar zag ze het glinsteren in 't maanlicht, daar had ze het in
de hand! Nog altijd sloeg het met geweldige slagen: hooren en zien
verging er Hilda bij.
"O, wat ben je toch een afschuwelijk ding," riep ze bevende van
boosheid, "ik wil je niet langer hebben, ik zal je stuk slaan,
ik zal....."
En ze hief de hand op, om het horloge tegen den muur te gooien--toen
ze op eens eene zware hand voelde, die haar arm omlaag drukte.
Verschrikt keerde Hilda zich om, en wie stond daar vóór
haar?.... Niemand anders dan--de fee!
Dadelijk hielden de zware slagen van het horloge op.
En vriendelijk, maar heel ernstig hoorde Hilda de fee zeggen: "Maar
kindlief, wat ga je nu doen! Is dat goed, is dat verstandig? Moet het
horloge gestraft worden, omdat het je helpen wil, een beter meisje te
worden, omdat het je leeren wil op den tijd te letten?--En meen je nu
heusch, dat het je iets zou gegeven hebben, als je 't horloge tegen
den muur hadt gegooid? Dan heb je het heelemaal mis! Ik ben niet voor
niets eene fee: ik heb dit horloge opzettelijk betooverd. Nooit kan
het stuk gaan, wat je er ook mee doet. En verbergen helpt ook niet,
dat heb je nu al genoeg gezien. Al bracht je het ook naar 't andere
eindje van de wereld, toch zou het zijne stem laten hooren over landen
en zeeën heen. 't Zou toch nooit ophouden je te waarschuwen op tijd
te doen, wat je doen moet!"
Toen nam de fee het horloge en hing het weer om Hilda's hals. Hilda's
oogen stonden vol tranen, en beschaamd boog ze het hoofd. Maar de fee
hief haar hoofdje weer op, keek haar vol liefde in de oogen en zei:
"Kindlief, denk toch nooit: 't horloge is mijn vijand, het wil me
plagen, storen, verdriet doen. Geloof je oude peettante: 't horloge
is een vriend, die het o zoo goed met je meent. Vraag dien vriend
gedurig om raad, je weet niet, hoeveel dankbare, blijde gezichten je
dan om je heen zult zien en hoe 'n prettig, tevreden gevoel je zelf
altijd zult hebben!--Zeg eens eerlijk: keek ooit iemand je vriendelijk
aan, als je hem wachten liet? Was niet ieder dan boos of verdrietig
op je? Vond je het heusch prettig, dat je overal 'Juffertje Te Laat'
heette? 'k Geloof er niets van!--Neen, hoor eens: kijk jij maar gedurig
eens naar den wijsvinger van je kleinen vriend en luister naar zijn
stemmetje. Zorg, dat het stemmetje nooit weer eene stem behoeft te
worden. Dan maak je jezelf en anderen gelukkig.--Dag, lieveling!"
Toen kuste de fee Hilda op 't voorhoofd en.....
Hilda wreef zich de oogen uit, omdat ze niet gelooven kon, wat ze nu
zag. Als door een' tooverslag stond ze niet meer in haar gescheurd
balkleedje buiten den stadsmuur bij de droge sloot, maar--ze zat in
haar gemakkelijk huisjaponnetje in hare eigen gezellige kamer aan de
tafel. En tegenover haar zat hare oude pleegmoeder met een dankbaar,
tevreden gezicht en stak haar de hand toe.--
Hoe gelukkig Hilda was na al den angst, dien ze had doorgestaan,
behoef ik je zeker niet te zeggen. Ze kon nu wel schreien van vreugde.
De fee--was verdwenen, en nooit heeft Hilda haar weergezien.--En
hoe ging het nu verder, vraag je natuurlijk.... Van dien tijd werd
Hilda een heel ander meisje, tot groote vreugde van haren vader en
van ieder, die haar liefhad. En wie haar daarbij hielp, kun je wel
raden. Dag en nacht had Hilda nu het horloge vlak bij zich. Heel, heel
dikwijls raadpleegde ze haren vriend en luisterde hoe langer hoe meer
naar het fijne stemmetje, dat maar steeds zei van: "Tik, tik, tik,
tik! Denk aan den tijd, den tijd, den tijd!"--Ja, eene enkele maal
moest het nog wel roepen: "_Tik, tik, tik!_" Maar nooit meer: "Tak,
tak, tak!" En nog veel minder: "Tok, tok, tok!" of "Boem, boem, boem!"
Dat was alleen in den tijd van "Juffertje Te Laat". En die bestond
nu niet meer.