EEN DIEF--EN GEEN DIEF.

Er was eens een man, die net als de man in de vertelling van de zeven

veulens drie zonen had. Maar deze man was niet arm: hij was juist heel

rijk. Ja, hij _was_ rijk, maar hij _werd_ arm. Op een' nacht kwamen

er dieven in zijn huis, en die stalen hem al zijn geld af.--De man

klaagde en jammerde, en hij deed alles, wat hij kon, om de dieven te

vinden en zijn geld terug te krijgen. Maar de dieven waren gevlogen,

en het geld was gevlogen, en de man begon eindelijk te begrijpen,

dat hij zich maar schikken moest in zijn lot.

Zooals je weet: de man had drie zonen. Op de twee oudste was de vader

heel trotsch: dat waren jongens naar zijn hart. Bijna nooit waren ze

ondeugend of ongehoorzaam, en leeren was hun lust en hun leven. 't

Waren heele bolleboozen van knapheid. Met den jongsten zoon, met

Tom, zooals hij heette, was het anders. "Wat er van dien jongen nog

worden moet," zuchtte de vader menigmaal, "ik weet het niet! Leeren,

daar moet je bij hem niet mee aankomen. Bij de boeken is hij nooit te

vinden, wel in den stal of buiten in 't bosch of op 't veld. Jagen

en visschen, rijden en zwemmen, dat kan hij als de beste. Grappen,

die weet hij wel te bedenken; ieder kan hij aan 't lachen maken,

en allerlei kattekwaad uitvoeren, daar is hij een baas in. Maar met

al die dingen kom je niet ver in de wereld. Wie weet, wat verdriet

we nog aan dat heertje beleven!"

Nu, diezelfde Tom, waar de vader niets goeds van verwachtte, ging op

een' dag vlak voor zijn' vader staan en zei: "Vader, ik ga er op uit,

om de dieven te zoeken en het geld, dat ze ons afgenomen hebben. Vinden

zal ik ze, al zaten ze ook 'k weet niet waar verborgen. En 't geld

breng ik mee terug, zoo waar ik Tom heet."--De vader barstte in

lachen uit. "Ja, jij zult wat en jij kunt wat! Als een van je knappe

broers me nu zoo iets vertellen kwam, dan zou ik nog denken: daar kan

iets van terecht komen. Maar jij!"--"--Vader," zei Tom, "ik vind ze,

laat mij maar begaan."--"Nu," zei de vader, "ga je gang. Thuis voer

je toch niet veel goeds uit."

En Tom ging zijn' gang.

Tom reisde vele dagen lang. Vinden deed hij wel niets; maar den moed

opgeven, daar dacht hij toch niet aan.--Eens dat hij weer een heelen

dag vergeefs had rondgezworven, kwam hij aan een leelijk, oud huis,

dat heel alleen stond, een eindje van een eenzamen weg, dichtbij een

bosch. 't Was al avond. Tom was doodmoe en koud en nat; want er woei

een gure wind, en 't regende zonder ophouden. "Ik moet maar zien, dat

ik hier vannacht onder dak kom," dacht Tom. Eene bel was er nergens

te zien: hij bonsde dus tegen de deur net zoo lang, totdat ze openging.

Een oud, leelijk vrouwtje met een boos gezicht stond vóór hem. "Wat

moet je?" vroeg ze heel onvriendelijk.--"Wat anders dan mijn avondeten

en een bed om in te slapen!" zei Tom. "Dat kun je hier niet krijgen,"

bromde het vrouwtje, "'k Zou wel eens willen weten, waarom niet,"

hield Tom vol. "Nu, als je 't dan volstrekt weten wilt," was 't

antwoord, "'t is, omdat hier zes mannen wonen, die meest pas tegen

drie, vier uur in den nacht thuis komen. En als die je vinden, dan

kom je hier niet levend vandaan."--"Dat is een leelijk ding," zei Tom,

"maar den heelen nacht onder den blooten hemel te slapen bij dit weer,

is ook geen pretje. Kom, vrouwtje, laat me maar binnen, ik ben niet

bang."--Met was hij ook al in de gang en sloot de voordeur achter

zich. Het vrouwtje bromde nog wel zoo iets van "zelf maar weten",

maar Tom kreeg zijn avondeten en zijn bed, en dat was 't voornaamste.

Een poosje later lag hij onder de warme dekens: de regen kletterde

tegen de glazen, en de wind huilde in den schoorsteen; maar dat kon

Tom nu niet meer schelen. Hij sliep al gauw in en droomde, dat hij

met leege handen thuis kwam en braaf door zijn' vader en zijne broers

uitgelachen werd.

Op eens werd hij midden in den nacht wakker van allerlei geluiden in de

kamer naast hem. "Aha!" dacht hij, "daar zijn de zes mannen, die mij

niet levend hier vandaan zouden laten. Raar volkje, dat altijd midden

in den nacht pas thuiskomt--als dat geen dieven zijn, dan weet ik

het niet! Eerlijke menschen hebben 's nachts op straat niets te maken."

Tom ging overeind in bed zitten en begon te luisteren naar wat

de mannen praatten. Eerst verstond hij geen woord: hunne stemmen

klonken zoo verward door elkaar, 't leek wel, of ze allemaal tegelijk

spraken.--Dat duurde zoo eene poos, toen werd het wat stiller en begon

Tom langzamerhand te begrijpen, waar de mannen het eigenlijk over

hadden. Ze praatten druk over wat ze dien nacht hadden uitgevoerd. 't

Waren wel degelijk dieven, dat merkte Tom al gauw: hij hoorde van

inbreken en van gauw wegloopen en van zilveren lepels en vorken en

van geld.

"Dat was eene mooie vangst vannacht," zei er een. "Ja," zei een ander,

"maar toch nog op geen stukken na zoo mooi als die van laatst. Jongens,

als ik daar nog aan denk, hoe netjes we dien rijken mijnheer al

zijn geld hebben afgestolen, zonder dat hij er iets van gemerkt

heeft!"--"Honderdduizend gulden!" lachte een derde. "Wat zullen ze

op hun' neus gekeken hebben, hij en zijne drie zoons. De jongste,

dat moet zoo'n doeniet zijn. Maar 't luie leventje van dat heertje

zal nu ook wel uit zijn, nu zijn vader niet rijk meer is!"

Tot op dat oogenblik had Tom zich doodstil gehouden: den adem hield

hij in, om toch geen woord te verliezen van alles wat er gezegd

werd. Maar nu sprong hij uit het bed, en 't had niet veel gescheeld,

of hij was de kamer binnen geloopen, waar de dieven zich vroolijk

maakten over hem en zijn' vader. Want hij wist het nu zeker: dit waren

de mannen, die zijn' vader arm gemaakt hadden. Honderdduizend gulden,

drie zoons, de jongste een doeniet--het kon niet anders wezen. Wacht,

hij zou .... Ja, wat zou hij eigenlijk, dacht hij op eens, en midden

in de kamer stond hij stil, maakte toen weer rechtsomkeert en kroop

weer in 't bed. "Tom, jongen, wees niet dom," zei hij tegen zichzelf,

"je weet nog niet eens, waar ze 't geld gelaten hebben, en al wist je

't: wat kun je dan nog beginnen tegen zes mannen!--Beter eerst nog

eens verder luisteren, misschien kom je nog wel meer te weten."

Tom legde weer 't oor tegen den muur en luisterde. "Zeg eens, is dat

geld wel goed geborgen?" vroeg er een. "Dat 's ook eene vraag," riep

een ander, "'t Is immers in dezelfde kist gebleven, waar we 't in

gevonden hebben, en ben je dan blind, dat je die niet in den kelder

hebt zien staan, recht voor je uit, als je de trap af komt?"--"Nu,

't is goed, ik vroeg 't maar zoo," zei de eerste weer. "Ziezoo,"

dacht Tom, "nu weet ik vooreerst genoeg. Nu moet ik slim wezen. Mijn'

zin wil ik hebben; maar hoe krijg ik dien?"--Nog eene heele poos lag

hij te denken, te denken, tot hij eindelijk in slaap viel.

Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd, zag hij zes mannen voor

zijn bed staan, die hem allen even verbaasd aankeken. 't Leken ruwe,

woeste mannen, en was Tom, Tom niet geweest, dan zou hij zeker van

schrik dadelijk weer onder de dekens gekropen zijn. Maar bang zijn,

daar wist Tom niet van. Hij ging half overeind in zijn bed zitten,

leunende op zijn' elleboog, en keek de mannen driest in de oogen.

"Wie ben je," vroeg de oudste van de dieven, die zoowat de baas over

de andere vijf leek, "en wat kom je hier doen?"--"Wie ik ben?" zei

Tom. "Ik ben de opperste van alle dieven. Wat ik hier kom doen? Ik kom

leerjongens zoeken, die me meteen een handje kunnen helpen bij mijn

werk. Als jullie me bevalt," en hij keek de mannen één voor één aan,

"dan wil ik je misschien wel in mijn' dienst nemen en je een paar

lesjes in 't stelen geven."

De mannen wisten niet, hoe ze 't hadden: ze keken elkaar eerst zoo

beteuterd aan, dat Tom er wel om lachen moest. Het duurde eene poos,

eer de oudste dief antwoordde: "Praats heb je genoeg, dat hooren

we; maar sta nu maar óp, dan zullen we na 't ontbijt wel eens zien,

wie meester en wie knecht wezen zal."

Tom stond op, kleedde zich en ging met de dieven ontbijten. Net zitten

ze aan tafel, of daar zien ze door 't bosch dicht bij het huis een'

boer aankomen, die eene mooie, groote geit voor zich uit drijft.--"Wie

van jullie," vraagt Tom, "durft er op aan, dien boer zijne geit af te

stelen, nog voordat hij 't bosch uit is, en dat wel zonder ook maar

't minste geweld te gebruiken?"--"Ik niet," zegt de oudste dief. "En

ik niet!" roepen de anderen. "Kom aan," zegt Tom, "ik ben de meester,

ik zal jullie je eerste lesje geven!"

Tom gaat de deur uit en sluipt tusschen de boomen door naar eene

plek, waar de weg door 't bosch eene bocht maakte. Daar trekt hij

zijn' rechterschoen uit en zet dien midden op den weg neer. Toen

gauw verder naar eene tweede bocht in den weg. Daar trekt hij zijn'

linkerschoen uit, zet dien weer midden in 't pad, loopt vlug weg en

verbergt zich achter de struiken.

De boer komt, en hij ziet een' schoen staan. "Jammer, dat die geen

kameraad heeft," denkt hij, "aan één alleen heb je niets."--En de

boer laat den schoen staan en loopt verder. Daar ziet hij den anderen

schoen. "Domoor, die ik ben," zegt de boer, "dat ik dien van straks

niet meegenomen heb! Weet je wat, ik loop terug en haal hem nog. Een

paar kan ik best gebruiken."

De boer bindt zijne geit zoolang vast aan een' boom, om gauwer

vooruit te kunnen komen en gaat terug, om den schoen te halen. Maar

de schoen--die zat al lang weer aan Toms voet. Toen de boer de bocht

van den weg om was, was de slimmerd gauw achter de struiken vandaan

gekomen en had den schoen weer weggepakt.--De boer komt en ziet den

schoen nergens meer. Verdrietig gaat hij denzelfden weg terug. Hij

komt bij de plek, waar hij den tweeden schoen gelaten en zijne geit

vastgebonden heeft: geen schoen meer te zien en--wat nog erger,

is--ook geene geit meer!--De tweede schoen zat al lang weer aan

Toms voet. En de geit? Die had hij, toen de boer terugliep naar den

eersten schoen, heel bedaard van den boom losgemaakt en in 't huis

van de dieven gebracht.

"Dat is me ook wat!" jammerde de boer, "ik beloof voor mijne vrouw

eene mooie japon te koopen van 't geld, dat ik op de markt voor

mijne geit zal krijgen, en nu--is de geit weg! Ik moet maar zien,

dat ik een ander dier naar de markt breng, zonder dat mijne vrouw

er iets van merkt. Als ze te weten komt, hoe ik me heb laten foppen,

dan zal ik daar, wie weet hoelang, nog wat over moeten hooren."

De dieven waren in ééne bewondering voor Tom, dat kun je denken,

en ze wilden volstrekt van hem weten, hoe hij dat kunststukje toch

wel gedaan had- gekregen. Maar Tom wou er hun niets van vertellen.

Een half uurtje later--daar komt de boer weer aan met een mooi,

vet schaap bij zich. "Wie van jullie ziet er kans," vraagt Tom,

"dat schaap te stelen, vóór de man nog uit het bosch is, altijd-

zonder geweld te gebruiken?"--"Ik niet!" zegt een van de dieven. "En ik

niet!" roepen de anderen. "Dan zal ik 't probeeren, ik ben de meester,"

zegt Tom. "Geef me een stevig touw."

Terwijl de boer met zijn schaap over den weg sukkelt en nog den heelen

tijd aan het ongeluk denkt, dat hem overkomen is, ziet hij op eens

een' man aan een' tak van een' boom hangen met het hoofd slap op de

borst. "Wat is dat nu!" roept hij, "een uur geleden hing die man daar

toch nog niet. Zou er in dien tusschentijd een moord gebeurd zijn? Op

klaarlichten dag, 't is om van te beven!" Angstig kijkt hij om zich

heen en begint wat harder te stappen, om gauw uit het bosch te zijn.

Hij is nog niet veel verder, of daar ziet hij tot zijn' schrik al

weer een' man aan een' boomtak hangen, met zijn hoofd slap voorover

op de borst. "Heb ik van mijn leven!" roept de man, "daar hangt er

al weer een. Maar dat is hier een vreeselijk bosch!"--En hij stapt

haastig verder, zonder ook maar even weer om te zien.

Hij mag zoowat een honderd stappen gedaan hebben, of hij staat stil en

grijpt zich met de hand aan 't voorhoofd. "Maar zie ik dan verkeerd,

of ben ik mijn verstand kwijt: hangt daar de derde niet aan een'

boom te zwaaien? Drie zoo vlak bij elkaar! Nu wordt het toch al te

gek, daar steekt zeker wat achter. Kom, ik loop terug--ik wil weten,

of de twee anderen er nog hangen." De man bindt zijn schaap zoolang

aan een' boom en toen terug. Maar pas is hij de bocht om, die de

weg daar juist maakte, of de arme vermoorde man laat zich van den

tak glijden, maakt het schaap los en wandelt er doodbedaard mee naar

't huis van de dieven.--Dat die man niemand anders dan de slimme Tom

was, heb je zeker al begrepen.

Toen de boer kwam bij de plek, waar hij den tweeden man had zien

hangen, was er geen man meer te zien. En toen hij verder doorliep,

was de eerste man er ook niet meer. Tom had zijn spelletje driemaal

gespeeld. Tweemaal was hij met zijne jonge beenen den boer vóór

geweest, de derde maal was hij eenvoudig naar huis gekuierd, terwijl

de boer weerom liep.

Of de dieven ook verbaasd waren, toen Tom hun het schaap bracht! "Als

je nog één zoo'n stukje uitvoert als dit," zei de oudste dief,

"dan zeg ik: je bent ons allen de baas!"--

En de boer? Hij komt bij de plek, waar hij den tweeden man heeft zien

hangen: nergens iemand meer te zien. Hij loopt door naar de bocht van

den weg, waar hij den eersten man zag: geen spoor van een' man. Al

pruttelende in zichzelf gaat hij eindelijk terug naar de plaats,

waar de derde man hing en waar het schaap vastgebonden was: geen man,

geen schaap, alles weg!

Van spijt trekt hij zich de haren uit het hoofd en jammert: "Ach, ach,

wat een ongeluksdag! Wat zal mijne vrouw zeggen! Mijn tijd verbeuzeld,

mijne geit weg, mijn schaap weg! En ik moet eene japon koopen voor

mijne vrouw. Er zit niets anders op dan dat ik den vetten os uit het

land haal en dien verkoop."

Goed, de boer gaat naar 't land, en eene poos later zien de dieven

hem weer aankomen met zijn vetten os. "Wie is zoo knap, dat hij dien

os steelt, zonder geweld te gebruiken?" vraagt Tom. "Ik niet," zegt er

een. "En ik niet," roepen de anderen. "Dan probeer ik het," zegt Tom,

"ik ben de meester," en het duurt niet lang, of hij is het bosch al in.

De boer drijft zijn' os voort, tot hij bij de plek komt, waar hij

den eersten schoen gezien heeft. Daar op eens hoort hij aan zijn'

rechterkant het geblaat van eene geit. Hij spitst de ooren, en

nu hoort hij ook nog het blaten van een schaap. "Ik ben een boon,

als dat niet mijn eigen verloren dieren zijn!" roept de boer.--Weer

geblaat. "Zoo zeker, als ik hier sta," zegt de boer, "ze zijn het!" En

hij bindt zijn' os aan een' boom en loopt het bosch in naar den kant,

waar 't geluid vandaan komt. Hij loopt al verder en verder, maar 't

is, of hij nooit dichter bij de geit en het schaap komt: het geluid

blijft altijd even ver af.

Toen na eene poos het blaten heelemaal ophield, was de man een geducht

eind van de plek, waar hij den os had vastgebonden, en gevonden had

hij niets. Gevonden niets; maar verloren des te meer. Want--toen

hij boos op zichzelf en boos op alles weer terugkwam op de plaats,

waar hij 't geluid het eerst gehoord had, vond hij dáár zijn' os niet

meer en nergens vond hij hem meer! Geen wonder: de os--die stond al

lang op stal bij de dieven.

Tom had gedacht: "Ik neem de geit en het schaap mee in 't bosch,

daar lok ik ons onnoozel boertje mee van den weg af. Ik laat hem een

poosje achter de dieren aanloopan en dan--maak ik, dat ik langs den

kortsten weg bij den os kom. Eer de boer teruggesukkeld is, heb ik

den os al lang losgemaakt en weggebracht."--En zoo was 't gebeurd ook.

Terwijl nu de arme boer doodelijk verlegen stond te kijken en eindelijk

niets beter wist dan maar weer naar huis te gaan en zijne vrouw alles

te vertellen, was er groot gejuich in 't dievenhuis. De dieven riepen

maar in éénen door van "hoera!" en "leve de koning van de dieven,

leve Tom!"--Zulk stelen, neen, daar hadden ze geen verstand van,

bij zoo'n baas waren zij maar kleine kinderen, dat moesten ze toegeven.

Den heelen dag werd er feest gevierd ter eere van Tom. En de dieven

vertelden Tom honderduit van allerlei diefstallen, die ze gedaan

hadden. En ze wezen hem de valsche sleutels, die zo gebruikten, om in

de huizen te komen en de werktuigen, om sloten van deuren en kasten

en koffers open te breken, En eindelijk--namen ze hem zelfs mee naar

den kelder, waar ze al hunne gestolen schatten geborgen hadden. Daar

kreeg Tom wat te zien--wel verbazend, wat een geld en goed lag

daar opgestapeld! "Wat een menschen hebben die ondeugende dieven al

ongelukkig gemaakt!" dacht Tom. "Maar die kist daar, die ik zoo goed

ken, die zul jullie niet houden. Dat is de kist van mijn' vader."

Ja, wezenlijk, daar stond de kist. "Kon ik haar maar dadelijk

meenemen," dacht Tom, "dan bleef ik geen uur langer in dit nare

huis. Maar dat gaat nu eenmaal niet. Ik mag al blij zijn, dat ik mijn'

zin heb, dat ik zulke goede vrienden met de dieven geworden ben. Ik

moet nu maar geduld hebben en mijn' tijd afwachten."

Zoo bleef Tom dus vooreerst in 't dievenhuis.--Hij zorgde wel de

dieven te vriend te houden; maar één ding konden ze niet van hem

gedaan krijgen. Ze vroegen hem elken avond, als ze uitgingen, om te

stelen, of hij met hen meeging: ze zouden zooveel van hun' meester

kunnen leeren. Maar Tom wist altijd wel wat te verzinnen, waarom hij

thuis bleef. "Jullie krijgt me niet mee," dacht Tom telkens, als hij

de dieven zag heengaan, "bij dien armen boer heb ik mijne kunststukjes

vertoond, omdat ik hier graag blijven wou, tot ik Vaders geld terughad;

maar nu is 't ook genoeg."

Eindelijk op een' dag zeiden de dieven tegen Tom: "Meester, als je

't goed vindt, dan gaan we morgen met ons zessen naar eene kermis

hier dicht in de buurt. Altijd werken gaat niet; we willen ook

eens plezier maken."--"Wel zeker," zei Tom, "ga jullie gerust. Ik

zal mij niet vervelen."--Maar bij zichzelf dacht hij: "Heerlijk,

heerlijk! Eindelijk zal ik eens een' dag alleen zijn. Misschien zal

ik dan mijn kansje kunnen wagen en de kist uit den kelder halen."

Den volgenden morgen vroeg gingen de dieven al naar de kermis. Ze

hadden hun mooiste pak aangetrokken: gelukkig voor Tom. Ja, heel

gelukkig, hoort maar eens, waarom.

Zooals ik je verteld heb: de dieven konden het best met Tom vinden. Ze

waren trotsch op hem, omdat hij zoo'n slimme dief was, zooals ze

meenden. Ze noemden hem "Meester," en dikwijls vroegen ze hem om

raad. Maar--den sleutel van den schatkelder, dien hielden ze toch

liever zelf. Dat speet Tom genoeg, want zonder dien sleutel kon hij

niets beginnen. Dag en nacht peinsde hij er over, hoe den sleutel

machtig te worden, of op eene andere manier in den kelder te komen;

maar tot nu toe was hij nog geen zier verder.

Maar nu waren de dieven den heelen dag uit, mooier kon het al

niet. "Vandaag _moet_ het gebeuren," zei Tom tegen zichzelf, "ik

_moet_ er iets op vinden."--En weer ging hij als zoo menigen keer

met het hoofd in de hand zitten denken.

Terwijl hij daar nu zoo zit te peinzen en voor zich uit te staren,

ziet hij hoe het oude vrouwtje, dat het huishouden voor de dieven deed,

bezig is, de daagsche kleeren van hare meesters uit te borstelen. Ze

borstelt er zoo vlijtig op los, dat ze er niets van ziet of hoort,

hoe er uit een van de zakken een sleutel valt. Maar Tom ziet het

en--in een oogenblik is hij tot vlak bij het vrouwtje geslopen,

dat met den rug naar hem toe staat. Vóórdat ze er iets van merkt,

heeft hij den sleutel ook al te pakken, en in een' wip is hij er de

deur mee uit. Nu bekijkt hij den sleutel eens goed en ja wezenlijk:

hij is het!--Wat die Tom zich in de handen wreef!

Zeg, was het nu ook gelukkig voor Tom, dat de dieven met hunne

Zondagsche kleeren op de kennis waren gaan pronken?

Tom maakte nu zoo gauw mogelijk, dat hij in den kelder kwam. De kist

van zijn' vader was gesloten; maar werktuigen, om een slot mee open

te breken, waren er in het dievenhuis overal bij de hand. En hoe hij

daarmee moest omgaan, dat had hij wel van de dieven afgezien. Het

duurde niet lang, of de kist was open, en daar lag al het geld! _Al_

het geld? Eigenlijk wist Tom dat zoo precies niet; want je begrijpt:

tijd om bedaard te tellen gunde hij zich niet. Hij grabbelde maar gauw

alles bij elkaar, wat in de kist lag en vulde daar de zakken mee,

die hij in de haast uit een' hoek van den kelder gehaald had. Toen

de zakken één voor één naar boven gedragen. Toen weer één voor één

naar de plaats, waar altijd eene kar stond. Vlug de zakken op de kar,

het paard uit den stal gehaald, dat vóór de kar gespannen, zelf er

op gewipt en dat de plaats over, de poort uit en den weg op.

Jongen, dat was een zwaar werkje geweest voor Tom, en benauwd had hij

het er ook bij gehad, dat verzeker ik je. Ieder oogenblik meende hij

het oude vrouwtje te hooren aankomen, en menigmaal had hij angstig

om zich heen gezien. Maar gelukkig: alles was goed afgeloopen. Toen

het vrouwtje merkte, wat er gebeurd was, reed Tom al lang rustig

over den weg. Ja, Tom kon van geluk spreken! Nu, hij was dan ook

blij en dankbaar genoeg, en hij deed niets dan lachen in zichzelf,

als hij aan de gezichten dacht, die de dieven zouden zetten.

En waar reed Tom nu wel 't eerst heen, denk je? Niet naar zijn'

vader, naar....--Maar wacht, 'k heb nog iets vergeten te vertellen! Op

de kar lagen niet alleen de zakken met geld: er was ook wat op, dat

leefde. Iets dat leefde en dat maar aanhoudend van bè! en mè! riep. 't

Waren.... de geit en het schaap, die Tom den boer op zoo'n slimme

manier had afgenomen. Met het paard had hij ze uit den stal gehaald

en op de kar geladen.--En achteraan de kar was--de os vastgebonden,

de os van den boer.--En nu weet je ook, waar de reis 't eerst naar

toe ging: de boer zou zijne dieren terug hebben. Tom had ze maar voor

de grap gestolen, om de dieven wat wijs te maken.

Toen Tom bij 't huis van den boer kwam, stonden de boer en zijne

vrouw juist buiten de deur. Eerst vroeg Tom heel leuk: "Weet je

ook van wie deze dieren zijn?"--"Nu," riepen de boer en zijne vrouw

vroolijk, "dat zouden we ook niet weten: ze zijn van ons zoo zeker

als twee maal twee vier is! Maar hoe kom jij daaraan! We hebben al

overal en overal gezocht en ze nergens gevonden."--"O," lachte Tom,

"ze liepen in 't bosch te dwalen, en toen nam ik ze maar mee. Kijk,

dat doet me nu plezier, dat ze hier thuis behooren."

Dat was me eene vreugde in 't huis van den boer: die pakte zijne

vrouw om 't middel en danste met haar in 't rond. "Vrouw, nu krijg je

de nieuwe japon toch nog," riep hij maar al. Toen werden de geit en

het schaap van de kar gehaald, en de os werd losgemaakt. En terwijl

ze daarmee bezig waren, vroeg Tom: "Zeg eens, boer, is dat zakje ook

van jullie, dat daar aan den hals van den os hangt?" Een zakje? daar

hadden ze in hunne vreugde nog niets van gezien. Maar 't hing er, dat

was zeker. En wat zat er in? Niets minder dan--honderd gulden! "Dat

is zeker voor den schrik en den angst, die je gehad hebt," zei Tom, en

vóórdat de boer en de boerin nog tijd hadden gehad van hunne verbazing

te bekomen, had Tom de zweep over 't paard gelegd, en weg was hij!

"Nu naar Vader," dacht Tom, "die zal nog grooter oogen opzetten dan

de boer en zijne vrouw."

't Was al laat in den avond, toen de kar voor 't huis van Toms vader

stilhield.--Tom sprong van de kar, bond het paard aan een' paal vast

en belde aan, heel hard. Iemand met een verschrikt gezicht maakte de

deur open: 't was Toms vader zelf. "Wie maakt er zoo'n geweld aan mijne

deur," vroeg de vader verdrietig, "en dat zoo laat in den avond! Ik

beef er nog van."--Tom merkte wel, dat zijn vader hem in de duisternis

niet kende. Hij moest moeite doen, om niet hardop te lachen. Maar

hij hield zich goed en zei met eene veranderde stem: "Och, Mijnheer,

neem me kwalijk, dat ik U aan 't schrikken heb gebracht. Ik ben een

arme reiziger, die hier nergens den weg weet. Zou ik hier vannacht

niet kunnen slapen?"--"Slapen? Wel ja, ik zal zoo iedereen maar in

mijn huis nemen. Ga maar verder, hoor!"

Maar toen Tom zei, dat hij zoo lang al gereisd had en zoo moe was,

toon hij begon te smeeken toch binnengelaten te worden, toen kreeg

de vader medelijden en zei: "Nu, kom dan maar eens in de kamer, ik

neem geene vreemden in mijn huis, of ik moet ze ten minste eerst bij

licht gezien hebben."

Tom dus mee in de kamer, waar 't licht was. En toen .... die verbazing

van zijn' vader en zijne moeder en zijne broers en dat hartelijke

lachen van Tom weer om hunne verbaasde gezichten! 'k Wou, dat je

't gezien en gehoord hadt!

De vader was 't eerst van zijne verbazing bekomen en vroeg al gauw:

"En waar is 't geld, dat je me terugbrengen zoudt? Handen en zakken

leeg zeker!"--"Ja, Vader," zei Tom lachend, "handen en zakken leeg;

maar" en op eens nam hij de lamp in de ééne hand, trok zijn' vader

met de andere hand bij de mouw mee en bracht hem door de gang naar

buiten bij de kar, "maar--eene kar vol!"

De vader wist niet, hoe hij het had: hij kon, hij durfde haast niet

te gelooven, dat in die zakken _zijn_ geld was, zijn heele verloren

rijkdom! Hij betastte de zakken en probeerde ze op te tillen, ja, ze

waren vol harde rijksdaalders en guldens!--Toen greep hij Tom bij de

hand en schudde die, dat Tom de lamp haast liet vallen en roepen moest:

"Nu, Vadertje, bedaard wat!"

Dat was me nog eene andere vreugde dan in 't huis van den boer! De

vader en de moeder en de broers van Tom, ze praatten en riepen en

vroegen allen tegelijk. Eerst toen ze wat bedaard waren, kon Tom aan 't

vertellen komen, hoe hij alles wel aangelegd had. Bij de geschiedenis

van den boer schudd'en ze allen van 't lachen om de slimheid van

Tom, en de vader stak hem op 't laatst de hand toe en zei: "Jongen,

'k moet eerlijk zeggen: zoo iets had ik nooit achter je gezocht. Ik

meende altijd, dat er nooit iets goeds van je groeien zou. Maar

nu ben ik niet bang meer, of je zult wel door de wereld komen.--

Dat Tom dubbel in zijne nopjes was, nu zijn vader hem zoo prees,

kun je begrijpen: dat was hem nog niet vaak overkomen.

Van dien tijd af heette Tom overal: Slimme Tom. Overal, want de vader

en de moeder en de broers vonden de geschiedenis te mooi, om ze niet

overal te vertellen aan ieder, die ze maar hooren wou.

Heb jullie er ook met plezier naar geluisterd? Ja? Nu, dan beloof ik

je, dat ik je later nog eens meer van Toms slimheid vertellen zal. Dan

zul je eens hooren, hoe hij, enkel door zijne slimheid, het mooiste

en rijkste meisje in den omtrek tot vrouw kreeg. Is dat goed?

Zonnestralen in School en Huis · 第 9 / 19 题