—Is de grens bereikt? vroeg Dionyzos.
Het daglange feest was ten einde, de amethysten nacht donkerde aan, en
bleekgoud, ontzettend, rezen omhoog de ontzaglijke Poorten van het
Uiterste Oosten. De Vreugde had er tegen gesprenkeld haar druivenbloed;
langs den aanvang van Helios’ hemelheirweg was de wingerd gerankt en in
de tooverrozetuinen van Eos had de blijde orgie geduurd den geheelen
dag. In de rozebosschen, vervagend haar heldere kleuren in de
amethysten vereffeningen van den naderenden, naderenden nacht, lag wijd
verspreid in de rust na bezwijmeling het leger van Dionyzos tusschen
rozen verpletterd, druiven verpletterd, op de gespreide lynxevellen en
tijgerhuiden, mengvaten omvergeworpen, schalen, amforen, bekers gestort
in plassen van vloeiend karbonkel en vloeiend topaas, en in slaap en
omhelzing, verspreid, lagen neêrgestort de vreugdestrijders.
—Ariadne, is de grens bereikt? herhaalde Dionyzos.
Hij stond, bleek in de vaalte van nacht, en staarde naar de ontzaglijke
poorten. Aan hem hing, bleek, Ariadne, en staarde. Hij stond jong,
bleek en aarzelend steeds: zijn violenoogen hadden een verwonderde
vraging; zijn lippen trilden in zijn blonden kroesbaard; de mitra
afgevallen, verwarden zijn blonde lokken, ontknoopt over zijn schouders
en in de vreugde verscheurd hingen de plooien van zijn vorstelijk
gewaad wijnbezoedeld en sleepten de rozebladeren en druiveschillen. Een
rimpel groefde pijnlijk tusschen zijn brauwen, en tranen sprongen zijn
oogen uit, toen hij zichzelven antwoordde:
—Ariadne, de grens is bereikt...
—De grens is bereikt, herhaalde zij zacht.
Hij zag om zich, verwonderd, verward, verloren, als wist hij niet meer,
Dionyzos.
—Ariadne, murmelde hij weenend; het was éen lange zegetocht...
—Mijn god, o mijn overwinnaar! riep zij hartstochtelijk en prangde hem
vast. Hij maakte zich zacht los uit hare armen, en streelde haar over
de haren.
—Ariadne! vroeg hij en beefde zijn stem; zeg mij, wat is de taak van
morgen? Sticht ik mijn vreugdezetel voor de Oostelijke Poorten en zet
ik mij naast je op een troon en vergoddelijk ik in de hulde der
wereld... of bereid ik mij tot de terugreis?
—De terugreis door je heerlijke verwinningen!
—De terugreis? Ja, de terugreis... Helaas, Ariadne, die is geen taak!
—Taak is volbracht!
—Is taak volbracht? Dan kan ik stèrven...
—Dionyzos! kreet zij, en ontstelde om zijn droefheid.
—Is taak volbracht, dan kan ik sterven... Ik ben niet onsterflijk,
Ariadne.
—Dionyzos, o Dionyzos...
—Maar ik voel, Zeus gunt mij den dood nog niet... Helaas, Ariadne, hoe
leef ik taakloos voort?
—Dionyzos, de terugreis is nieuwe taak...
—Nieuwe taak?
—Langs overwinning terug de vreugde te sprenkelen...
—Zij is gesprenkeld, zij is gesprenkeld... O, Ariadne, als ik niet
sterven mag, laat ons dan gaan, laat ons dan schielijk gaan...
—Terug...?
—O ja! Wat staan wij voor deze goudene Poorten! Zij zijn de grens! Kom
Ariadne, terug! Kom meê!
—Nu reeds...
—Wat zal ik toeven!
—Het leger ligt in diepe sluimering...
—Laat het sluimeren, Ariadne; wij gaan alleen! O, laat ons gaan, laat
ons gaan terug, Ariadne, terug naar Nyza... Daar misschien zullen wij
zalig zijn in de herinnering aan de gesprenkelde vreugde! Helaas, alle
vreugde is gesprenkeld! Taak heeft Dionyzos op aarde niet meer!
Ariadne, Ariadne, kom... Bestijgen wij onzen wagen... Ik neem de
leidsels ter hand. Ik men de lynxen... O Ariadne, Ariadne, kom...
Zij bestegen den lynxewagen en het was als vluchtten zij in den nacht,
als verslagenen, als overwonnenen. In den nacht langs den breeden
zegeweg vluchtten Dionyzos en Ariadne terug. Zij reden langs
korenvelden, druifomrankt van lagen boom tot lagen boom, en zij reden
door een gouden en marmeren stad, de laatste stad van het Uiterste
Oosten: zij reden tot den morgen toe, en de lynxen waren uitgeput en
zij scholen in een rozebosch aan den weg, en rustten er uit in schaduw
en geur. Het was als een lieflijke halte, en zij hadden vreugde, als in
paradijs. Zij sliepen in elkanders armen; de dageraad rozigende,
ontwaakten zij, en speelden in de koele wateren der bronnen; de najaden
herkenden hen en dienden den god, de godin; de dryaden weefden gewaden
hun fijner dan byssos en bekroonden hen met rozen, en hun schuilplaats
niet meer geheim, vloeiden van het leger de allereerst ontwaakten terug
en verzamelden saters en faunen, menaden zich tot de terugreis, de
terugreis der zege: brieschende leeuwen werden den wagen des gods
voorgespannen, maar Ariadne voerde men een olifant toe, en de reis ging
terug; en het leger vloeide, vloeide achter aan, van de Oostelijke
Poorten terug. Vruchtbare landen door, schitterende steden door, ging
de reize terug, langs Dionyzos’ eigene tempels. Het volk viel in het
stof; zijn priesters vernietigden zich in nederigheid, als de god in
zijn drom naderde. Feest zwierde hem voor en hem langs, en plots walgde
hij van zijn eigen feest.
—Zie, zeide hij en hij wees Ariadne. Zie Ariadne... wat doen zij...?
Zij naderden in den avond een heiligdom, heerlijke pracht van
marmerzuilen; de blauwe offervlammen geurden omhoog, geheel het volk
stroomde te zamen, druifvertuit.
—Ariadne... Ariadne, wat doen zij...!
Tusschen de priesters werden jeugdige offerlingen, knapen en maagden,
ten outer geleid, rozenomkransd, druifbehangen; de hoogepriester hield
het offermes klaar.
—Ariadne,.. Ariadne... wat doen zij...?!
Het eerste offer viel: een knaap, zijn bloed spatte, en in den komenden
nacht juichte het volk op, razend en riep:
—Dionyzos, Dionyzos!
—Hier ben ik! riep Dionyzos.
—Dionyzos, Dionyzos! krijschte het volk en de tweede offerling viel...
een maagd. En zij eerden de terugreize van den god, schetterend geschal
van bazuinen weêrklonk.
—Viert ge de Vreugde? riep Dionyzos.
—Dionyzos, Dionyzos!
—Eeredient ge de Vreugde?
—Dionyzos!
Hij schaterlachte luid, als waanzinnig.
—Met bloed? riep hij uit, en sloeg met zijn thyrs naar den
hoogepriester. Met bloed van offerlingen?
Zij juichten, zij begrepen niet, en de hoogepriester, in verrukking
waanzinnig, dat de god hem had willen beroeren met zijn thyrs en zijn
schepter, vermoordde den derden offerling.
Nu stortte Dionyzos zich de tempeltrap op en hij stond als een leeuw,
razend, in het licht der blauwe offervlam. Zijn voet stiet zijn eigen
altaar om. Zijn wil omboeide de priesters in ranken en zijn gebaar
wenkte de slachtoffers tot zich, die tot hem waadden door een stroom
van bloed. Het volk zwierde, dol slaande de tamboerijnen.
—Meê, meê, meê! riep de god en vluchtte en zij vluchtten allen meê:
zijn leger, het volk achter hem, en zij juichten hem toe:
—Dionyzos!!
Maar hij slierde Ariadne, alleen, in het woud, en verschool zich met
haar in een grot.
—Stil! Stil, Ariadne! Spreek niet, opdat zij ons niet vinden! Hoor, hun
gejuich, hun dol gejuich! Zij vieren de Vreugde, die ik gesprenkeld
heb, zij eeredienen de Vreugde, die ik heb gesprenkeld, met bloed, met
bloed, met bloed! O goden, zij begrijpen niet! O goden, ik wil de
Vrèugde! Ik wil de Vreugde voor allen! Ik wil de Vreugde niet in bloed!
Ik wil geen offers in bloed! Volk, vier de Vreugde, breng mij bloemen,
ooft, halmen, hebt vreugde allen! O volk, heb de zuìvere Vreugde!
Helaas, wat roep ik? Tot wie? Zij verstaan niet en ik ben heengevlucht!
Ik verschuil mij in een nachtdonkere grot! O, Ariadne, vluchten wij,
vluchten wij eenzaam weêr...! Vluchten wij langs den breeden zegeweg,
als verwonnenen en verslagenen! Meê, meê, meê...
En hij sleurde Ariadne voort...
De terugtocht verspreidde zich. Het leger verspreidde zich en Dionyzos
wilde het niet om zich. Alleen met Ariadne, beiden soms vermomd en niet
herkend, trokken zij landen door en steden door, en overal zag hij de
tempels hem zuilen, de geurvlammen hem rooken, de offers hem worden
gebracht; en overal zag hij de waanzinsverrukking onbeteugeld, bot
vieren haar uiterste stuipen. In den avond slierde dronken,
verbeestelijkt, de lange ronde langs de straten der marmeren
weeldepaleizen, en zij riep hem uit:
—Dionyzos!
—Helaas! kreet hij uit en hij sleepte Ariadne meê en zij herkenden hem
niet. Helaas, Ariadne! Aanzie de landen, aanzie de steden, die ik heb
overwonnen in vreugde; aanzie de Vreugde, die ik gesprenkeld heb! Het
is Dionyzos’ Vreugde niet meer! Het zijn niet meer zijn blijde gaven!
O, wij waren wreed, en ik was dikwijls verschrikkelijk aan wie mij en
mijn gaven weêrstond in sombere levens- en jubelens-onmacht, maar wij
waren goden en nooit zwijnen! Ariadne, god was Ampelos, goden waren
mijn faunen, goden waren zelfs mijn saters in al hunne woeste en
zinnelijke uitbundigheid en de menaden waren tijgerinnen, maar aan
godinnen gelijk! Zij kenden allen MIJN juiching, MIJN vreugde, en hun
liefde was goddelijk en hun wreedheid zelfs was goddelijk, en àl wie de
Vreugde aanvaardde, waren zij wèl en ter heerlijke menschliefde
geneigd! Wat was anders ons streven dan àllen de Vreugde te geven, in
de groote liefde voor allen! Ik spilde de Vreugde aan allen: vorsten en
bedelaars; op de slagvelden na den slag gingen rond mijn weldadige
faunen en laafden de stervenden en genazen hen en voerden hen mede in
mijn stoet, en de menaden, listig, verlokten matronen en maagden naar
Dionyzos’ Vreugde en levensblijheid: Panszoontjes zelfs lokten de
kinderen! O, zij waren allen goden, zij zijn het nòg allen, ook al is
hun taak volbracht, maar deze volkeren, deze menschen, deze
stervelingen, helaas, zij zijn in mijn vreugde verzwijnd, en ik zoû
mijn vreugde vloeken willen! Heerlijk leven, lieflijke aarde,
eindelooze hemel, ik heb in mijn enthouziasme u omhelzen willen in éene
liefde aan mijn hart en allen, die ademden, willen leeren de blijheid,
die was als wijn: de levensblijheid, die strijdt tegen alle smart, maar
ik ben overwonnen, ik ben geslagen...! O, zie, de zwijnen in hun
marmeren paleizen, feestvieren walgelijk, niets wetend van de Vreugde
dan de onmatigheid, de zatte onmatigheid, die hen kotsen doet over hun
purperen bedden en roosomwingerde balustrades! Zie hun tronies verhit,
zie hun waggelgang, hoor hen lallen, geestloos, dom, in de Vreugde, de
heerlijke, heilige Vreugde verzwijnd, omdat zij als beesten zijn, die
de vreugde der goden bezoedelen in onmacht haar te genieten zuiver,
louter en schoon! Ariadne, wij genoten heur zuiver, louter en schoon!
Wij genoten het genot van het leven met hevigen maar zuiveren zin, met
blijden maar louteren geest, met onstuimige maar schoone zielen en
lijven! Wij waren schoon, wij schitterden van schoonheid: mijn faunen
waren edel van schoonheid, mijn menaden razend van schoonheid, mijn
saters zelfs waren schoon in hun dubbelwezen van halfgod en halfdier,
wezens der wouden, uit de heilige natuur allen zelve juichend
ontbloeid! En zelfs oude Silenos, omringd van zijn Silenen, hij was
schoon, hij was niets dan schoonheid: de schoonheid van geest, spot en
komische levensvreugde; dronken bleef hij schoon en schaterden wij om
zijn vermakelijke schoonheid! Helaas, Ariadne, waar is zij: onze arme
schoonheid? Waar is onze arme vreugde des levens, en vreugde des
toomloozen genietens! Helaas, helaas, kom meê, Ariadne, ik kàn niet
toeven in deze ontaarding van heèl ons genot tusschen marmeren zuilen
en offervlammen en offers van bloed! Ariadne, Ariadne, meê...!
En hij sleepte haar meê, en zij herkenden hem niet: zij herkenden hem
nooit meer, den god en zijn bruid...