Geleidelijk verwelkten de hemelen, verwelkte het azuur tot donker
violet van viooltjes, den geheelen binnenluchtkoepel overwazend; hier
en daar prikten de eerste sterren, en daar de maan nog wassende was, en
al begon te zilverspiegelen in de meergladde zee, was het niet noodig
toortsen te ontsteken: Selene glimlachte neêr zusterlijk zacht en
welwillend op den gewichtigen vooravond van Dionyzos’ eersten
reisnacht. Als in een legerkamp was, na lange en volledige siësta, een
blijde beweging begonnen in de beemden en bosschen van Nyza. En
Dionyzos, éven weemoedig, lachte toch nog, toen hij zeide:
—Vaarwel, o lieflijke oorden, waar ik leefde mijn kinderjaren! Nyza,
waar hoed- en enkel-gevleugelde Hermes mij bracht na mijn tweede
wondergeboorte uit Zeus’ dij, om mij in je handen, o nymfen, o
voedsters, veilig te leggen voor de lagen van Hera, wie Zeus
strengelijk verbood Nyza’s bergenkling te overschrijden! Vaarwel, o
weiden vol anemonen, waarop daalden de waardige Muzen neêr, mij nemende
in haar midden, reidans om mij wevende, met zang en harmonischen klank
van snaren, die regelmatig de gouden cymbelslag onderbrak! Het uur is
gekomen, dat de wereld zich opent, en zijn taak Dionyzos toelacht! O,
nymfen, o voedsters, niet éene van je allen, die te Nyza achterblijft!
Verlaten voor langen tijd zullen de weiden zich strekken, en zullen de
wouden schaduwen en zal de zee spiegelglad liggen tusschen enge
bergkling. Maar de wingerd, die ik er zelve plantte, zal tot den herfst
toe zwellen van vreugde, en, eerst schuchter, later vertrouwder, zullen
herders en landbouwers komen tot deze plaats en Dionyzos’ eigene
trossen plukken in blijden wellust en nieuw genot! Vaarwel, o lieflijke
oorden! Dionyzos’ wagen staat klaar en vier saters zullen mennen de
lynxen, aan sterke ranken van veil, en zijn leger van faunen heft hoog
de omslingerde pijnappelroeden, en ikzelve, hier, breek mij af dezen
langen agavebloeme-steel, opdat hij mij schepter en wapen zij en in
Dionyzos’ hand verschrikkelijk worde! O, wellust, wie ons volgt, maar
wee, wie ons weêrstaat... Nu op, op, gij allen, die Dionyzos zult
volgen op zijn overwinningstocht door de wereld!
Er stormde een luid gejuich, maar toch was er geen uitgelatenheid onder
de talrijke troepen van Dionyzos, alsof, hoe glimlachend ook, een ernst
nadenken deed, dien vooravond van den strijd. Dionyzos was in zijn
wagen gestegen, die hem de ijverige faunen hadden vervaardigd, en vier
saters menden de lynxen, nijdig als katers, met uitstaande
snorrebaarden. En achter hem vloeide het na van nymfen en Panszonen en
van zoo vele wezens der wouden, en zelfs van enkele menschelijke
stervelingen, die zich, als Dafnis, reeds gevoegd hadden bij den stoet,
den thiazos van den god. Ieder droeg er den thyrs, en ieder, voor het
laatst, had zich zware trossen geplukt van den wonderwingerd van Nyza,
om vreugde te hebben dien nacht der reize. Maar plotseling barstte een
schateren uit en ging door de gelederen als een heerlijke stormwind,
omdat Silenos, met vele woorden van aansporen tot voorzichtigheid en
omzien, zich hijschen liet op een witten ezel, die hem de saters
gevonden hadden. Hij liet zich hijschen, en rondom hem lachten, blank
en verleidelijk, de nymfen van Nyza, de blijde voedsters van Dionyzos.
Omdat de nacht frisch was van waaiende zeekoelte, hadden zij allen, de
nymfen van Nyza, zich gespikkelde vellen van beesten omgeslagen, die
hingen over hare schouders en heupen, met de levenloosheid der
bengelende koppen en slappe pooten neêr, en om hare slapen hadden
gestrengeld zij zich ranken van wijnlof, met aan de ooren groote
trossen, en hare blanke jeugd van blonde en blauwoogige nymfen, hare
lieflijke zachtheid van naakte nymfen, glimlachend als spelende
kinderen, verbarbaarschten zich vreemd in warreling der ranken,
tusschen de trosversierselen, heur slapen purper omprangend, en in de
ruigte der beestenvellen, of zij half nymf, half tijgerkat plotseling
zich herschapen hadden. Tusschen haar aller vroolijkheid en
schertsenden spot bereed Silenos zijn blanken ezel nu, kwinkslag
gevende op kwinkslag, en hij haalde Dionyzos ter zijde in. Faun, ter
andere, bereed een getemden leeuw, wien hij de hijgende flanken met de
hielen spoorde. En het nachtwoud kraakte en ritselde van den stoet, die
zich in beweging zette. Uit de zwarte schaduw der steeneiken ging het
met rustigen tred van schrijdende dieren, in toom gehouden, en van
paden tredende hoeven der trappelende saters, langs de boorden van de
zee, de bergen te gemoet. De weiden strekten zich wijder, de gesloten
zee openbaarde zich plotseling tusschen de wijkende kapen, het woud
bleef als schaduw achter, de vlakte strekte in de sneeuwblankte der
maan zich wijd als een witte woestijn, vaag van velden, en als zonder
horizon wegtintelend in de klare lucht zelve. Het was heel wijd, heel
ruim en heel licht. En de wijde vlakte, onmerkbaar eerst, steeg en
deinde naar boven; de zee viel lager weg, opende zich geheel, en het
gebergte, als een nachtviolette wal, kartelde zijn rotsscherpe
silhouet, uitgeknipt en zigzaggelend aan in de klaarte. Dionyzos steeg
op. Pad was er niet, maar de saters, trappelend met bijna dansende
voeten, traden het pad in wat struikgewas warrelde laag, altijd
verschoonende de blondere granen, moederlijke Demeter ter wille. Zoo
naderde de stoet het gebergte en slingerde de rotskam op, in rustige
blijde reize. Soms brulde luider een tijger of ander wild beest, soms
schaterden-uit de nymfen, of kakelde, kwinkslagend, Silenos onvermoeid;
soms danste heftiger de voorhoede der saters van vreugde te voren, maar
Dionyzos bleef glimlachend ernstig, Faun op zijn leeuw hem ter zijde,
ernstig glimlachend als hij. En hoewel vreugde er was en vertrouwen in
de gelederen van het vreugdeleger, was er hier en daar wantrouwen wel,
om zoo groot voornemen en wellicht driestheid van een veldheer, die een
knaap nog was, vrouwelijk week de leden gebootst in de teederheden van
het mollige vleesch, knapeveldheer, gewapend slechts met
agavebloeme-steel, en wie zoo groote schare van nymfen haast
gedachteloos volgde.
Zoû Dionyzos verwinnen, nu hij den strijd aanbond tegen al wat in de
wereld somber zoû zijn; zoû Dionyzos de wereld verwinnen...?
Maar zij, die zoo dachten, behoefden slechts een druif, een enkele, van
hun nachtvoorraad te snoepen, om zich plots te voelen verblijden, en nu
te weten, dat wie zoo heerlijke vreugde kon geven, ook de sombere
wereld overwinnen zoû. En al hooger en hooger steeg de stoet. Nu ging
de stoet het gebergte over, op de uiterste kam, en schaduwde tegen den
nacht aan, als een wondere optocht, waarheen in den Nàcht-Olympos de
gewekte goden nieuwsgierig heen zagen. Doelbewust trok de stoet
voorbij, uren, uren lang. De pijnappelroeden geheven teekenden over de
bergkam een woud van bewegende lansstokken uit, sidderende in het licht
van de maan. De getemde dieren brulden, maar schreden gewillig. En
uren, uren trok de stoet voorbij, doelbewust. Al opende half de
oostelijke poort zich, om Eos uit te laten, toen de laatste volgelingen
van den blijden Dionyzos aan de helling der steile bergkam pas
verdwenen in daling van spleten. En toen de morgen, zonnegoud dadelijk,
rozigde over de zee, lag Nyza en haar woud en haar vlakte, van Dionyzos
verlaten, in vreemde door de vogelen nauw gestoorde eenzaamheid achter,
in betooverde stilte vreemd, tot de landbouwers en herders dien morgen,
nieuwsgierig, aanslopen en zagen den wonderwingerd, en er van plukten
en dronken, en den wijnstok voortplantten, overal.
Nu dien morgen ontwaakte in zijn paleis de beheerscher van Ikaria,
koning Ikarios, werd hem dadelijk een bode voorgevoerd, die hem zeide:
—Heer, schrikverwekkende tijding, helaas, deel ik u mede: de morgen
rijst op over een dag van onheil, zeer zeker. Want dezen nacht naderde
over het gebergte een onafzienbare vijandelijke strijdmacht de grenzen
van uw rijk, en tot ontzetting der naar alle zijden vluchtende
bevolking naderen die barbaarsche horden de poorten van uw stad. Tijd
zal het nauwelijks zijn, Heer, uw leger te verzamelen en den vijand te
gemoet te trekken.
Toen zeide, terwijl weeklaagde rondom hem het toestroomende volk, de
beheerscher van Ikaria:
—In steê van wanhoop, o Bode, meen ik vreugde te mogen koesteren om wat
gij mij mededeelt. Oude voorspellingen kondigen aan voor Ikaria een
nieuwen god, die ons een nieuwe vreugde zal geven; wellicht is het
aantijgende leger, het leger des gods van vreugde. Zoû ik hem niet
welkom heeten? Is er zoo veel vreugde door de oude goden gesprenkeld
over mijn rijk? Heerschten niet pest en hongersnood gedurende lange
tijden, en schaduwde niet als een wolk somberheid over mijn onderdanen?
Demeter wendde zich van ons, onze granen verschroeiden zwart.
Geheimzinnige winden voerden ziekten aan, en het onheil regende neêr.
Sinds langen tijd scheen de lucht mij niet blauw meer, ook al boorde
zij zich diep azuur. Nu... zie, de lucht is blauw! En zweeft als een
glimlach over Ikaria! O, gij, edele grijsaards, gaat te gemoet, wie
komt! Vrouwen en maagden, neemt palmen en myrtetakken ter hand, en
wuift van verre het welkom tegen... Ik weet niet waarom ik heradem, en
waarom ik geen vreeze voel! Goud is de morgen en vroolijk! Sinds lang
was de morgen zoo vroolijk niet en sinds lang niet zoo goud van
vreugde. Gij allen, mijn volk, hebt vrede en weeklaagt niet meer! Het
IS de nieuwe god, die aankomt en ons zijn nieuwe vreugde biedt!
Zoo riep de beheerscher Ikaria’s, en omdat het volk hem zeer lief had,
staakte het zijn weeklacht, liet zakken de armen en zamelde rond hem,
vertrouwend. O, het ellendige volk, de ellendige onderdanen Ikarios’...
gegroefd van ziekte was hun wang, geribd van magerte de pijnlijke
borstkas, van armoede gerafeld hingen onsierlijk de vodden en het rag
om hun leden. Zelfs zóo scheen de waardige heerscher, mager van wang en
van borstkas, hol van oog, en zijn mantel was niet meer mooi, en van
zijn staf was het goud dun gesleten. Rondom hem wachtte het volk, en
zij spiedden allen uit. En plots zagen zij naderen, terug, de
palmtakken en myrtetwijgen, naderen de edele grijsaards en achter hen
stuwde, als een stroom, het vreemde leger aan, de pijnappelstaven
omhoog. Een geruisch gonsde, als een stormwind door woud. Plots, schel,
pepen honderde fluiten. Het leger naderde met muziek en met dans, de
jonge veldheer voor: een lachende knaap, heerlijk naakt, gezeten in een
kar, die nijdige lynxen trokken, als katers, met snorrebaarden. Daar
steeg de veldheer uit, met een dartelen sprong, een blijden jongen
gelijk. En hij liep toe op den ouden Ikarios, die van verbazing de
armen ophief.
—Ben jij de nieuwe god? vroeg de beheerscher Ikarios. De nieuwe god,
dien de voorspellingen kondigen aan?
—Ik ben Dionyzos! riep Dionyzos jubelend uit zijn naam; en zie, hier
zijn druiven, en ik kom brengen de purperen vreugde! Beheerscher van
Ikaria, Dionyzos opent de armen, en wil je drukken aan zijn hart! Oude
koning, ik ben blij, want ik kom de vreugde brengen! Weet, oude koning,
dat razernij mij bevangt en allen, die mij volgen, om wie mij niet
blijde ontvangt, maar weet ook, dat niets dan vreugde, jeugd, wellust
en zaligheid zal zijn aan allen, die mij blijde ontvangen! Kies,
Ikarios, tusschen mijn woede en mijn vreugde, en kies voor allen de
uwen!
Terwijl de god en de koning zoo spraken, juichten de faunen het volk
toe:
—Hij is de zoon van Zeus! Hij is de zoon van Semele, die verblaakte in
Zeus’ blakenden gloed! Hij is de god der vreugde! Eert hem, eert
Dionyzos! Plukt de vreugde, die wij u bieden! Hier zijn de trossen!
Voor allen zijn er purperen trossen...
Maar tusschen het volks- en faunenrumoer riep Ikarios uit:
—O Dionyzos, o zoon van Zeus, zoû ik je niet blijde ontvangen? Was er
dan zoo vele vreugde in Ikaria, dat ik kan zeggen: ga, Dionyzos, een
anderen weg? En dat ik niet dankbaar zoû zijn voor de nieuwe vreugde,
de purperen vreugde der zwellende trossen? Ik ben oud, Dionyzos, en
hier, mijn vorstin is oud, en ziek zijn wij beiden, en ziek zijn ook
velen van mijn volk, en somber zijn wij na herinnering grauw aan pest
en aan hongersnood... O Dionyzos, zoû ik je niet blijde ontvangen? Maar
Dionyzos, ik open mijn armen, als een nederige vader, o zoon van Zeus!
Maar Dionyzos, ik ben je eeuwig en innig dankbaar, en mijn tranen van
blijdschap vloeien mijn half blinde oogen uit, alleen omdat ik je zie,
zoo mooi, zoo jong, zoo heerlijk, zoo blij, zoo stralend en goddelijk!
—Ikarios! riep Dionyzos. Dan omhels ik je als een stralende zoon, die,
rijk aan schatten, een armen vader komt geven van wat hij won door zijn
vlijtigen arbeid. Het wonder gebeure... Ikarios, zie!!
En Dionyzos strekte zijn agavesteel uit in de richting van het
verweerde paleis.
Er beefde lichtelijk de aarde en de aarde spleet open en het bruischte
uit de opene spleet. Toen ook wankelde het paleis op zijn vervallene
zuilen, en het dak dreigde te storten in een. Maar staan bleef Ikarios’
woning en een wonderwingerd wies op in een oogwenk, zijn knoestigen
stam schietende snel uit de spleet. Knoestig rekten de knoopige takken
zich uit langs de wanden van het paleis, de ranken omwingerden
geveldriehoek en dak, de ranken omwingerden de zuilen met breedbladig
festoen, en de zware trossen zwollen te voorschijn. Eén groot
druivenprieel herschiep zich het oude paleis. En de faunen gaven het
voorbeeld, en zij klommen op, en zij plukten de trossen af, en wierpen
ze in de handen des gretigen volks. Des konings fanfaren bliezen maar
de fluiten der saters en Panszonen schaterden uit, overklaterd door
Dionyzos’ stem:
—O beheerscher Ikarios, o gij allen van Ikaria, weest blijde, weest
blijde, dat gij de vreugde aanvaardt! Niet heerschen meer pest en
hongersnood, alleen heerscht Dionyzos’ vreugde! O ellendig volk van
Ikaria, wees vroolijk, wees vroolijk altijd! En opdat je vooral dezen
dag vroolijk zult zijn, zal ik doen wat ik kan: je voor dézen dag allen
drinken laten uit mijn eigen drinkschaal, zie hier: groote, diepe,
ronde beker, waaruit je allen, o oude koning, o oude koningin, o arme
en zieke Ikariërs, o blinden, o kreupelen, melaatschen, o armen en
somberen en kermenden, zult drinken den weldadigen most van mijn
druiven, geknepen door mijn eigen vingers, zult drinken jeugd en
schoonheid, gezondheid en stralend gezicht, vluggen gang, blanke
lichaamstint, weelde, helderheid, lach! Weest vroolijk vooral dezen
dag! Koning, wees jong en mooi, en heb nog eens lief je koningin, jong
en mooi; nauwelijks genezen pestlijders, hebt krachtige lenige leden en
worstelt met elkaâr in het perk; kreupelen, loopt met elkaâr om het
hardst; blinden, ziet tot diep in het diepe azuur, en tot ver over de
lachende zee; gij allen, weest rijk, hebt vreugde, geniet! O, geniet
allen dezen dag, vooral. Eeuwig zijn niet mijn gaven, maar de
tijdelijke vreugde, die ik je geven kan, geniet; en morgen zal je wel
oud weêr zijn en niet meer rijk, o ouden en armen, maar zalige
herinnering des te meer zal je doen glimlachen dankbaar bij de gedachte
aan Dionyzos, die vèr dan zal zijn: het wonder... het wonder gebeure!
En Dionyzos zich slingerend op Ampelos’ schouder, opdat hij hoog
troonde boven de menigte, lachende en dartel, zwaaide langzaam rond
zijn agavesteel. En het wonder... het wonder gebeurde... Plotseling was
ieder jong, gezond, krachtig van leden en vroolijk! De koning
verjeugdigd omhelsde zijn blozende koningin; oude bedelaars waren
jeugdige athleten; al wie oud was werd jong, al wie leelijk mooi, al
wie ziek gezond! Om alle huizen rankte de wingerd, en de blijde
landbouwers plukten er stokken af, en geleid door fluitende zoontjes
Pans, en geleid door blij trappelende saters, verspreidden zij zich in
alle gunstige richtingen, zochten àlle gunstige richtingen op, plantten
overal Dionyzos’ wijnstok. O, hoe tevreden was de god, terwijl hij zijn
drinkschaal bood aan den nu jeugdigen koning Ikarios, aan zijne
jeugdige koningin! Op het land, in de stad en het paleis, was vreugde,
was feest, was genot! Plotseling lachte het leven. De nymfen, hand aan
hand, slingerden zich door de stad en alle vrouwen deden haar na,
vertuitten zich met wijnlof het haar, trossen aan de ooren, sloegen het
beestenvel om schouders en heupen, en zwaaiden de pijnappelroê. Alle
oogen glinsterden in den vreugdemorgen. Armen grepen elkaâr, van most
gepurperde lippen zochten elkander; schuchtere liefde zocht schaduw der
wouden, of liever loovergeheim nog van wingerd. Plotseling juichte het
leven! O, hoe tevreden was Dionyzos om verwinning zoo heerlijk, en
zonder zweem van smart en van pijn voor wie ook, omdat zij allen zijn
vreugde wilden. Wèl hem, die hem de armen open ontving; wee, wie zijn
gaven hem weigerde!
Nu rende Faun met hem op den schouder gezeten door de stad, en zij
riepen hem uit: Dionyzos! Dionyzos, dank! Hij wuifde de hand, hij
schaterde! Hij wierp hun zijn kushanden toe. Hij wierp hunne trossen
toe. Zij vingen ze op in de gretige palmen. En het was de nieuwe
wellust overal. In de velden gebeurde het wonder, en Dionyzos schaterde
er van blijdschap om. Overal plantten de nieuwe wijnbouwers de stokken
van den wonderwingerd, en de ranken schoten weelderig uit, en de faunen
namen de ranken lang en leidden ze als feestfestoenen van lagen boom
tot lagen boom, van wilg tot populiertje, en van berkje tot abeel, en
tusschen Demeters armelijke velden festoenden de feestranken blijde,
als was haar geheele veld éen enkele feesthal geworden, door het
welvend azuur overbogen. En Dionyzos, meêlijdend om de schrale
gewassen, niet door Demeter geacht, riep uit:
—O Demeter, o moederlijke zuster, o Demeter, die ik liefheb en acht!
Waarom hebt ge in smart om Persefone van Ikaria uw blik afgewend? Kom,
o blonde Demeter, en glimlach over zoo schrale aren, en zij zullen
zwellen in dien nieuwen zonneschijn! O Demeter, meng uw goud met mijn
purper, als ik morgen ver van Ikaria ben!
En het blijde volk herhaalde Dionyzos’ bede, en het stroomde in
Demeters heiligdom. Geen middagrust was er dien blijden dag. De vreugde
vierde dien morgen niet uit. De nieuwe jeugd overal verlustigde ook in
de brandendste uren.