Dien avond, zinkend de zon achter verre bergen in geleidelijk verwelken
der hemelen, dwaalden de nymfen van Nyza om langs de boorden der
meergladde zee, schimmeblank bijna, oneigenlijk in vallende schaduw
breedgebladerder vijgeboomen, mimoza’s in bloei nog even opgelende met
stuifgepoeier van bloesemwemeling, als der laatste dagkleuren kreet.
Het was als zweefden de nymfen uit schaduwen aan in schaduwen: hare
tengere blankheden schemerden uit en wischten zich weg; zij doken uit
gedonker, in vaag zusterlijke omhelzing en ommedoling, zichtbaarder
even tegen de parelklaardere zeevlakte, die de bergen, van nacht alreê
amethyst, afsloten met donkerder wal—en zij verloren zich op nieuw, of
zij droomen waren, die waasden... Een stilte dreef als eene
betoovering: zoo stil sloop de nacht aan over de aarde, dat Silenos,
liggend tegen een boomstam, hoorde van visschen roeiklapperen de
staartjes...
—Waar of nu Dionyzos blijft... mijmerde Silenos. O, hij ontgroeit aan
bezadigde wijsheid... Waar is de tijd, dat daalden de waardige Muzen
neêr, en hij zat in haar midden en luisterde met kinderaandacht naar
haar edele woorden. Zij leerden hem het ontstaan van hemel en goden,
zij leerden hem zang en reidans, en hij danste met haar negenen. Mij
schemert nog de edele zweving der ronde voor de oogen: nog zie ik de
negen vrouwen schoon en verheven en lieflijk, en het blijde kind in
haar midden volgen hare zangwijze en danszwevenden stap over anemonen,
die nauwelijks bogen onder tred zoo licht... Dat was maat, dat was
edele kunst... De nymfen schaarden omheen, en het was éen vreugde van
edele beweging, éen vreugde van edelen klank. Nu is het kind groeiende,
nu is hij bloeiende tot jongen man, tot hij de goddelijke grens van
zijn groeibloei bereikt heeft en zal ZIJN voor de eeuwigheid jong,
zonder te vreezen de droefheid van den iederen dag onverbiddelijk
naderenden ouderdom. O, wel gelukkig de jonge god, die nooit dien
weemoed zal kennen... Ik was jong, maar ik word ouder; ik word oud, de
weemoed van het einde nadert mij al... Maar wat stoort hem de ziel
toch, den laatsten tijd... als of hij toekomst wachtende is, en
vervulling van goddelijk lot, droomt hij, en is onrustig zijn slaap, en
zijn dartel en onbezonnen zijn dagen van vreemd verlangen, en niet
weten wat willen... als of de beemden van Nyza te klein hem worden met
de veilige bergen aan de parelige zee, die nooit de stormwinden
beroeren, daar zij breken tegen zoo hooge wal. Zoon van Zeus is hij
god, maar waarover hij godheerschen zal, is nog de duistere toekomst,
en zelfs de Muzen, die het àlles weten, hebben nooit doen raden wat zal
zijn Dionyzos’ taak. Ik, ik ben bang voor de toekomst! Zij nadert...
Wat zal zij zijn? Onrust en strijd wellicht, zwerven en zwerven ver...
terwijl Nyza is een beemd van vreugde en van kalmte, uiterst geschikt
om te peinzen over de raadsels van onszelve, en die der geheele natuur.
Ik, ik ben bang voor de toekomst! O, waar blijft nu Dionyzos... Toch
kan ik hem niet in den vallenden nacht gaan zoeken...: mijn oude beenen
zullen struikelen over boomwortelen, en mijn oogen zien niet door de
schaduwen van den vallenden nacht... Waar of Dionyzos nu blijft...
Hoor, trilt er niet in de verte een fluit? Of vergis ik mij en suizen
mijn ooren van louter stilte? Ja ik vergiste mij; mij suizen de
ooren... Maar neen... er klinkt een naderende fluit... Ook de nymfen
daar schijnen te hooren... Zij verzamelen zich... zij spieden uit! Het
is een fluit, het is een fluit! Duidelijker zingt de wijze op, en... ik
herken ze wel: is ze niet de blijde wijze, die lokte Dionyzos diep in
het midden van het donkere woud? Wat of hij vond... Zoû nu de blijde
wijze hem kondigen aan? Komt hij? Ione, zeg mij... zoo jij het bent,
die daar ommedwaalt, wit als een nevel aan den boord van de zee,
Ione... is dat Dionyzos? Komt Dionyzos terug? Ja... zij wenkt mij van
ja... Kom, ik ga hem te moet...
Hij rekte zich loom en lui en stond op. Heller door de stilte van
nacht, naderde de blijde wijze en plotseling lachten de nymfen van
Nyza, vroolijk om het blijde geluid... Bladeren bruischten even, er
kraakten gevallen takken onder het naderen van stappen. Plots steeg de
wijze heel snel, trillerde als een vogel hoog in de lucht, en viel neêr
met losse druppelen. Toen zweeg de fluit en het lachen der nymfen
antwoordde de lach van Dionyzos.
—Hier ben ik terug! Hier ben ik terug! Ione, Ino, Silenos, Neïra, hier
ben ik terug, en mijn overwinning heb ik geplant, opdat zij zal
woekeren rotsen over, wouden door en wellicht tot hemelen toe! Maar zoo
niet de hemel, de wereld zal mij zijn! Ik twijfel niet meer, ik twijfel
niet meer, nadat ikzelve ondervonden heb, wat het genot is, dat mij zal
winnen de wereld. Zie, oude Silenos, waardige meester, zie hier hem,
wiens blijde wijze mij lokte... hij, Ampelos, die viooltjes ter eere
mij duizenden in éen nacht deed ontbloeien...; hij, die mij leidde en
met mij zocht van waar schalde lokkend kleine-Panszoontjes-gefluit,
opdat een gunstige plek, los gewoeld, in haar aarde ontvangen zoû tot
worteling den tooverstok, dien Zeus in de hand hem legde, in de hand
hem legde voor mij! Silenos, de stok woekerde uit! Ik zag het wonder
gebeuren! De stok wingerde en tooverde en de trossen van het nieuwe
ooft zwollen onder de verliefde zoenen van Helios! Hier zijn de
trossen... Toon, Faun, blijde Faun, de trossen! En zie Silenos, Ino,
Neïra, zie Ione, hier volgden mij drie kleine zonen van Pan, fluitjes
in de hand; komt nader, komt nader, en weest niet schuw, dartele
bokjes... de nymfen zijn zoet... en al schateren ze nu om je
boksbeentjesruig en om staartje, dat kwispelt onder-aan je rug, de
nymfen zijn zoet... edele pleegmoeders van Dionyzos, eeuwig jong en
eeuwig blijde, en jeugdiger en blijder zal haar houden het genot, dat
je torst! Zie nymfen, zie Silenos, de Panszoontjes torsen de trossen
aan. Dit zijn de druiven, het edelste ooft, eenmaal in lang geleden
voorspelling beloofd aan wie de aarde verwinnen zoû! Ik plantte het
purperen genot! O, nu geheel de wereld het purperen genot te geven!
Weemoed en smart zullen nooit meer zijn, nu het purperen genot is
geplant en omranken gaat heel de wereld! Weg, weemoed, weg smart! De
wereld is mij en der blijdschap! Proef, Ione, Ino, Silenos, de
druiven... pluk den tros af... zie hem nu blauwen in de blankte der
rijzende maan... druk ze tusschen de lippen... of liever...: lang een
beker... en pers er met volle hand heel den tros in uit, opdat het
rijke bloed er uit stroome! Beker, o drinkschaal maagdelijk nog, die
niet anders ontving dan het kuische water uit de kruik der kuische
najaden... Beker, o drinkschaal, tril van het purperen genot, nu Ione
den tros in je uitperst. Drink, Ione! Drink Ino, Neïra! Silenos,
Silenos, drink... Ha, ha... hij is bang voor den rooden beker! Lacht
hem uit, nymfen, hij is bang, hij is bang... Zoontje van Pan, zoek
ginds bij het panthervel een groote schaal, pers nu, pers nu, zoontje
van Pan, uit een zware tros... O zie, het bloed gulpt in de schaal...
Bied MIJ den beker nu aan, opdat ik hem Silenos biede. Silenos, drink;
Silenos, drink!!
Silenos nam sidderend den beker, rondom hem de nymfen.
—Oud als ik ben, wat zal ik het jonge genot drinken, nymfen... aarzelde
bange Silenos.
—Silenos, drink; Silenos drink! juichten de nymfen, en de Panskinderen
huppelden om Silenos, dringende, dat hij zoû drinken.
Hij hief den drinkschaal zich aan de lippen. Hij dronk.
—Wat is dat? vroeg hij. Dionyzos, zeg mij, wat is dit? Is het vuur
gesmolten, of drinkbare robijn? Is het bloed van den stervenden
zonnedag, geschept aan de kim, vóór het zich mengde met de ziltheid van
Thetis... Wat is het, Dionyzos? Het vloeit me als een vlam door mijn
oude leden, en het rilt me als een vlam door mijn oude merg...
Dionyzos, dit is een nieuw genot!
—En ik zal het geven aan heél de wereld, Silenos!
—Aan heel de wereld dit heerlijk genot! O Dionyzos, waarom aan heel de
wereld? Waarom het nieuw genot niet veilig te houden tusschen Nyza’s
bergen besloten?
—Omdat ik, door het blijde genot te geven, heel de wereld zal
overwinnen, Silenos! Omdat ik niet houden wil eigenzuchtig het blijde
genot in zoo engen cirkel. Omdat Zeus, mijn machtige vader, mij het
blijde genot niet gaf voor mijzelven en jou alleen! Voor héel de
wereld, Silenos! O, Zeus is goed en ontfermend! Hij weet, dat groot
leed kan der menschen deel zijn, maar hij wil ze door mij nu blijde
vreugde ook geven. Onder al zijne kinderen koos hij mij uit, en god
schiep hij mij van de vreugde. O, de vreugde heeft mijn aderen
doorvloeid als een blijder en stroomender bloed! De vreugde voelde ik
van mijne geboorte af, heilig bewustzijn, dat mij lachend doorgloeide,
toen Zeus mij redde uit zijn eigen gloed, waarin mijn moeder Semele
verblaakte! Zij verbrandde in het geflits van zijn bliksems: het paleis
van Kadmos van Thebe, toen hij naderde, toen hij naderde, daverend en
donderend, aardbeefde en zijn flitsen schoten schel tusschen alle de
zuilen door, en de zuilen vergruizelden in hel geknetter der schichten,
en éen helle brand ging op, en mijn moeder, o mijn moeder, zij ook, zij
ging op in éen hellen brand... zij breidde open de armen... zij
omhelsde Zeus voor de laatste maal... het was de god der hemelen, dien
zij in haar armen borg en die zij in haar opperste hijgend geluk
ontving in de weelde van haar trillenden schoot... en onder zijn
brandende zoenen smolt zij weg als ware zij van blonde was een wezen
geweest, en niet meer. Zij smolt weg van opperste weelde: denk je, dat
zij klaagde, toen zij smolt? Neen, hare kreten waren kreten van
vreugde, kreten van brandende blijdschap, éen gil van blakende wellust
en terwijl zij verging in Zeus’ liefde, baarde zij mij, en ik erfde
geheel hare vreugde. O, ik erfde geheel hare vreugde! In den fellen
brand van het paleis van Kadmos, haar rampzaligen en blijden vader...
in den fellen brand nam Zeus mij, zijn kind, in zijn goudene handen,
nog trillend van den gulzigen greep zijner liefde, en hij drukte mij,
zijn liefdekind, aan zijn borst, en opdat Hera mij niet zoû vinden,
borg hij mij in zijn dij. Toen, o nymfen, daalde hij neêr te Nyza...
Hera verbood hij te komen deze bergen over en over deze zee, en hier, o
nymfen, als ware hij een zorgzame moeder geweest, baarde hij mij uit
zijn dij, wondervolle tweede-geboorten van zijn liefdekind en zijn
vreugdekind en gaf Hermes mij aan je zorgen over... Hier leefde ik de
vreugde van mijn kinderjeugd! Hier groeide ik de god der vreugde... Ik
ben de vreugde! De Muzen leerden mij het heilige rythme, en ik was
vreugde en rythme te zamen. Ik zong, ik danste in haar midden! Ik was
de vreugde, altìjd! O nymfen, o jeugdige pleegmoeders, je waart om mij
heen de vreugde! Silenos, zelfs je wijsheid wist niet te schaduwen over
mijn vreugde! Maar de vreugde zingt en danst niet het eeuwige
godenleven tusschen de veilige bergen van Nyza. Muzen, breeder dein ik
uw rythme uit, tot het zwelle als het rythme der zee! Muzen, nu ik
leerde de maat, zal ik mateloos kunnen zijn, en mateloos zal zijn mijn
purperen vreugde! Ik, nymfen, IK ben de purperen vreugde! Ik ben de
purperen maatlooze vreugde! Nymfen, o jeugdige pleegmoeders, verdeelt
de trossen onder je allen... Deelt ze met haar, Silenos! Wat gulzig hoû
je ze voor jou; Silenos, deel ze, deel ze met haar! Zie, in den
zilveren nacht, ligt de zee tusschen de bergen, niet anders dan een
meer, en de bergen, klaar tegen den hemel klaar, schakelen niet anders
dan de strofen van een zuivere ode, en de zee ruischt maar even van
rythme. Maar buiten de bergen, en om de bergen, om de kapen der bergen
heen, is wijd de zee als een godeleven, is mateloos haar rythme, in
vrije bandeloosheid golvende, in deinende eb en rijzenden vloed, breed
en vol, stroomend over de stranden, stormende tot aan de wolken...
Storm, o storm van vreugde, IK, ik zal de storm van vreugde zijn! Ik
zal stroomen over de landen, en ik zal stormen de hemelen binnen.
Menschen, goden, verwacht, maar vreest ze niet, mijn mateloosheid! Ken
ik het heilige rythme niet, zoo dat mijn mateloosheid niet anders zal
blijken dan rythme, maar grenzeloos wijd gestrekt. Niet als de strofen
der ode, maar als de trilling der lucht en der sferen...! Nymfen, nu
perst de trossen in schalen uit, zoete pleegmoeders, drinkt het genot
voor de allereerste maal, en over de anemonen, daar waar de Muzen mij
leerden de plechtige dansrei... danst, o pleegmoeders, danst, in de
nieuwsgierige stralen der helderende maan, die haar bad van licht over
ons uitvloeit. Evoë, Evoë, danst! Houdt u de handen: dans moediger!
Ino, Neïra, danst! Dans, Ione, dans! Neemt tusschen je allen Silenos,
opdat hij danse, opdat hij danse... Zie, ik dans met je, in je midden
en Ampelos schalt zijn blijde wijze, en de Panszoontjes schallen de
hunne, en het zijn als murmelbeekjes, die vlieten een beek in! Faun,
trappel de steeds snellere voeten; zie, zoo; zie, zoo trappel ik het
zilveren maanlicht neêr op het mos, of ware het ijlte van glas, die ik
breek! Zie, zoo; zie, zoo!
En de voedsters van Dionyzos dansten, Silenos danste en danste Faun, en
dansten de zoontjes van Pan, zij allen lachende om de nieuwe vreugde,
die purper stroomde tusschen de trossenpersende vingers, en die
bezwijmelend hun stroomde den mond in. In de blauwheldere maan duurde
de dans de latere uren der nacht door, en de kreten der nymfen
scandeerden den dans met korten gil schel en hoog, telkens en telkens
weêr. Tot eindelijk Silenos waggelend neêrzeeg aan den stam van een
steeneik in zwijm. Het loover was heel zwart en des te klaarder van
zilveren blauwte was transparant de zee, meer-eng tusschen de
nachtblanke bergen besloten aan niet al te verre kim. Tusschen de
donkere looveren blauwde en blankte de lucht, wijder weg. Daar lag
Silenos, een rank om de slapen... Maar een nieuwe razernij bezielde de
nymfen van Nyza, en hand aan hand dringende in den wemelenden kring
harer naaktheden, omhelsden zij Dionyzos, hun pleegkind, allen, terwijl
hij schaterde hoog uit. Toen, de handen steunende op hàre schouders,
slingerde hij zich plots op Fauns schouder hoog, en Faun, met hem,
ijlde voort en de nymfen van Nyza ijlden hen achterna, in een lachende,
lachende jacht. Door het hier donkere en daar maanlichte woud begon een
ijlende, ijlende vlucht van soms verschemerende, soms uitschitterende
nymfe-schoonheden, en hare kreten wekten het woud. Het nachtwoud
ontwaakte, de boomen ontwaakten, bries ontwaakte, en de hamadryaden
ontwaakten. In grotten ontwaakten saters, en zij volgden de lachende
jacht en overhaalden de nymfen, en de nymfen jubelden hen van de nieuwe
vreugde de blijde boodschap tegen. Zij wilden ook trossen plukken, de
verwonderde saters; zij wilden weten wat druiven waren, en wat het
purperen genot, maar de trossen waren allen òp en de nymfen gaven
alleen hun het blanke genot. Ver was Dionyzos gevlucht, getorst door
Faun als in zege. En het blanke genot overal in het woud wierp vlakken
van blankheid neêr in de geheime duisternissen der eiken, op het
onverwachts wel eens door maanlicht beschenen. Dan bescheen de maan het
blanke genot en de onwetende hamadryaden, verschrikt, zagen met groote
oogen uit. Overal in den maannacht tintelden hare groote oogen. Tot de
maan wegbleekte, en het sidderende woud, al ontwaakt, afwachtte den
dageraad, perzikblozende aan de oostelijke poorten.