V.

Mijn Dionyzos, dien ik al zoo innig

Zie voor mijn zuidelijke ziel, o zeg,

Moet ik nog wachten, vóor ik om u leg

Mijn beide handen, u omvat beminnig,

En geef mijzelven aan uzelven weg?

Vinden uw saters mij te droef diepzinnig

Of zal hun spot mij heeklen veel te vinnig

Omdat ik, u omhelzende, overleg...?

Maar zoo mijn noordelijke ziel blijft treuren,

Zult gij, o blijde god, niet waardig keuren,

Wie U wil zeggen met te doffen klank;

Mijn ziel is twee: ik hoor haar stem nòg klagen:

Haar woord moet schel zijn als een cymbelsprank,

Om u te heerlijken langs myrtehagen!

Dionyzos · 第 8 / 33 题