De Krimoorlog heeft aan het russische volk zijn eigen nationaal leven
teruggegeven. "Sebastopol!" zeide mij een hoofdofficier, "Sebastopol
is gevallen, opdat ons land vrij zou zijn." Het tartaarsche rijk,
door Iwan den Verschrikkelijke gegrondvest, door Peter den Groote
hervormd, bleef in het wezen der zaak bestaan, ondanks europeesche
namen en vormen, tot op het oogenblik dat de verbonden legers in de
Krim landden. Geslagen aan de Alma en te Balaklava, streed dat rijk
zijn laatsten kamp op de hoogten van Inkermann; naar tartaarsche wijze,
zond daar het oude Rusland zijne laatste "groote horde" in die vallei
van Baidar, waar in de holen en rotskloven nog enkele overblijfselen
der stamgenooten van Batoe-Khan en Timoer huisvestten. Die laatste,
wanhopige worsteling was beslissend; wat na Inkermann volgde, was
betrekkelijk bijzaak. Het aziatische Rusland ging op dien bloedigen
winterdag te gronde; het europeesche Rusland trad in het leven.
Hoewel nu en dan, door vreemde invloeden, verzacht en gekleurd, nu
eens door fraai klinkende woorden, dan weder door een zeker mystiek
patriotismus, bleef het oude tartaarsche stelsel van kracht tot op
de tegenwoordige regeering. In dit stelsel was de monarch alles,
het volk niets; het leger was een horde, de adel eene verzameling
van ambtenaren en officiëele personen, de kerk een afdeeling van het
departement van politie, de massa des volks een troep slaven.
Nikolaas was aan dat stelsel gehecht, en met zijn vast karakter
en doortastende energie paste hij het toe, in eene mate en met
eene volharding als sinds de dagen van Peter den Groote niet was
gezien. Maar hierin verschilde hij van zijn voorganger, dat hij geen
voorliefde gevoelde voor de kunsten en wetenschappen der westersche
beschaving; hij had een hekel aan spoorwegen, en gevoelde een diepe
minachting voor de dagbladpers. Zijn hof geleek op een kamp; hij wilde
dat de studenten een uniform zouden dragen; de opvoeding was in zijne
oogen niet anders dan eene militaire africhtingsmethode. Hij zelf,
hij alleen, was de staat, de kerk, het leger, alles te zamen. Daar
hij zijn rijk wilde afsluiten, zooals de Khans van Khiwa en Bokhara
hunne staten afsluiten, had hij langs zijne grenzen een cordon van
troepen en wachters getrokken, die het den vreemdeling bijna even
moeielijk maakten in Rusland te komen, als den inboorling om daaruit te
ontsnappen; en zoolang hij regeerde, was zijn rijk voor het overige
der beschaafde wereld bijna een onbekend land, in geheimzinnige
nevelen gehuld. Die onbekendheid kweekte wantrouwen: want men is
steeds geneigd te vreezen hetgeen men niet kent; en Europa stond tot
dezen monarch bijna in dezelfde verhouding, als weleer Moskou stond
tegenover Timoer-Beg. Het russische regeeringsstelsel was mongoolsch,
niet slavisch; en de machtige autokraat, die dit stelsel handhaafde
en er mede te gronde ging, zal later in de geschiedenis bekend staan
als de laatste aziatische keizer en de laatste europeesche Khan.
In welken toestand verkeerde het rijk, toen Alexander II den troon
beklom? Zijne macht was gebroken; de geallieerde legers stonden in zijn
land; zijne havens waren gesloten; zijne vloten waren in de diepte
der zee verzonken; zijne legers keer op keer geslagen. Van de Newa
tot den Theems zag hij geen enkelen vriend of bondgenoot, van wien
hij hulp en krachtige ondersteuning kon verwachten. Rusland had toch
een millioen soldaten onder de wapenen. Waarom kon deze ontzaglijke
krijgsmacht den vaderlandschen bodem niet beschermen? Zij waren in
hun eigen land, dat zij kenden, aan welks klimaat en eigenaardige
luchtsgesteldheid zij gewend waren. Zij vochten bovendien voor hetgeen
den mensch boven alles dierbaar pleegt te zijn. Vanwaar dan, dat zij
onvermogend waren zich te handhaven tegenover den minder talrijken
vijand, die op vreemden bodem streed, en wiens soldaten door geen
andere motieven dan de soldij en roemzucht gedreven werden?
Keizer Nikolaas bekende, eer hij stierf, de waarheid: zij verscheen
hem in onmiskenbare trekken, bij het schijnsel zijner brandende steden,
bij zijne vluchtende legers, zijn machteloos kanonvuur. Hij begreep dat
hij niet enkel met vijandelijke soldaten te doen had; dat de publieke
opinie in geheel Europa tegen hem was, en dat het volk van lijfeigenen,
hetwelk hij met zoo strenge hand regeerde, niet vóór hem was. Rusland
was niet met hem. Hier lag de geheime oorzaak zijner ongeneeslijke
zwakheid. De lijfeigenen, de Oud-geloovigen, al de sectarissen van
wat naam ook, waren al te gader tegen hem; in hunne oogen was zijn
regeeringsstelsel iets anti-nationaals, ja bijna iets demonisch; en
nacht en dag rees hun gebed dat het uur der verlossing van deze booze
macht weldra mocht slaan. De ontdekking dat het volk hem, in zijn
strijd tegen de westersche mogendheden, met zijn leger alleen liet
staan, brak zijn hart. Toen zijn trots gebroken was, heeft Nikolaas,
naar men zegt, aan Alexander de oorzaken van zijn nederlaag, zooals
die zich voor hem ontsluierden, aangewezen, en heeft de stervende
keizer zijn opvolger vermaand een anderen en meer vrijzinnigen weg
in te slaan. Wie zal zeggen of dit verhaal waarheid behelst? Wie zal
de geheimen van dat sombere, tragische sterfbed openbaren?
Wat hiervan zij, het is zeker dat de nieuwe souverein handelt alsof
hij zulk eene waarschuwing ontvangen heeft. Hij begon zijne regeering
met eene daad van barmhartigheid: de poorten van honderden kerkers
werden geopend; duizenden ballingen werd de terugkeer vergund. Met
de westersche mogendheden werd een eervolle vrede gesloten, en het
droombeeld van de inneming van Konstantinopel terzijdegesteld. Een
rijk van zeventig millioen inwoners mocht ook zonder dat sterk genoeg
geacht worden, om zijne positie te handhaven.
Na aldus zich met het buitenland te hebben verzoend, keerde Alexander
zich naar het volk, aan zijne hoede toevertrouwd. De groote meerderheid
zijner onderdanen bestond uit lijfeigenen; nauwelijks een van de tien
kon lezen; nauwelijks een van de vijftig zijn naam teekenen. Een zeer
groot aantal hield zich buiten alle gemeenschap met de officiëele
kerk. De lijfeigenen werden verdrukt door de edelen; de Oud-geloovigen
werden geplaagd en vervolgd door de monniken: en toch vormden deze
twee klassen de eigenlijke kern en kracht des lands, toch waren zij
de natie zelve. Indien hij buiten het leger en buiten de officiëele
wereld, die den ondergang van het oude stelsel niet hadden kunnen
keeren, een steunpunt zocht, waar elders kon de keizer het vinden
dan bij de lijfeigenen ten platten lande, bij de Oud-geloovigen in
de steden? Maar hoe zou hij deze millioenen, verbitterd door lijden
en verdrukking, bezield door godsdiensthaat, met het rijk verzoenen,
en hunne sympathie voor zich winnen?
De keizer wilde zelf en van nabij het volk leeren kennen, over hetwelk
hij geroepen was te regeeren; hij bezocht hunne steden en hunne dorpen;
hij mengde zich onder hen, en trok van de IJszee naar de Kaspische-zee,
van de Weichsel naar den Oeral; hij knielde nevens hen te Solowetsk en
te Troïtza; hij onderhield zich met hen op de openbare wegen en aan de
oevers der meren; hij sloeg hen gade in de wouden en mijnen: tot hij
zich overtuigd had dat hij beter bekend was met het russische land en
het russische volk dan een enkele zijner staatsdienaars. Met de aldus
verkregen kennis toegerust, ondernam hij de oplossing van het groote
vraagstuk der lijfeigenschap, en bracht die groote hervorming tot
stand, in spijt van de tegenwerking zijner ministers en raadslieden.
Terzelfder tijd ondernam Alexander de hervorming van het leger. Hij
schafte den knoet af, en verbood het toedienen van stokslagen; hij
richtte scholen in de kazernen op, stelde ook voor niet-adellijken
ruimere gelegenheid tot bevordering open, en deed wat hij kon,
om, zoowel in een physiek als in een moreel opzicht, den soldaat
te verheffen.
Ook de universiteiten ondergingen eene herschepping: de studenten
legden hunne zwaarden en uniformen af, en de bijzondere privilegiën,
aan hun korps toegekend, werden afgeschaft. Het universitair onderwijs
verloor den stempel der militaire dressuur; de leerstoelen werden
ingenomen door burgerlijke hoogleeraren; en de jonge lieden die de
colleges volgden, werden geheel gelijkgesteld met hunne medeburgers,
onderworpen aan dezelfde overheid en aan dezelfde wet. De hoogescholen
werden vrij, en de studenten werden niet langer gevreesd als "dienaars
van den tsaar."
Deze hervorming werd gevolgd door eene andere, van nog veel grooter
gewicht voor het algemeen en dieper ingrijpende in het nationale
leven: die van het rechtswezen. De rechtspraak werd aan de politie
ontnomen, en uitsluitend aan de rechtbanken toegekend, die voortaan
alleen bevoegd zouden zijn, van alle overtredingen en misdaden
kennis te nemen en de schuldigen te vonnissen. In plaats van de
willekeur van een dikwijls omkoopbaren beambte, vond de aangeklaagde
nu de onpartijdigheid van een jury, bijgestaan door een met de wet
vertrouwden, wel onderwezen rechter.
Ter zelfder tijd werden die plaatselijke parlementen ingesteld,
districts-vergaderingen en provinciale vergaderingen: die uitmuntende
leerscholen, waar de burgers leeren denken en spreken; de gronden voor
en tegen eene zaak overwegen en dienovereenkomstig beslissen; waar
vooral ook de groote kunst onderwezen wordt om afwijkende meeningen te
eerbiedigen en te waardeeren, en zich te oefenen in die eigenaardige
deugden van matiging en zelfbeheersching en praktischen zin, die voor
een gezond openbaar leven onmisbaar zijn.
Eene groote, alles beheerschende vraag, meer dan eenige andere het
harte des volks rakende, bleef nog over. De bij uitnemendheid teedere
kerkelijke kwestie moest nog worden opgelost: de verhouding tusschen
de zwarte of reguliere en de witte of wereldlijke geestelijkheid;
de betrekking van de orthodoxe kerk met de Oud-geloovigen; van de
Heilige-Synode met de dissenters, en tevens de invloed, dien de kerk
rechtmatig over het onderwijs en de opvoeding behoort uit te oefenen,
en de verhouding van de kanonieke wet tot de burgerlijke.
Men zou meenen dat in een land als Rusland elk dezer hervormingen op
zichzelf meer dan voldoende zou zijn om geheel een menschenleven te
vorderen; toch werden zij door dezen kloekmoedigen en edeldenkenden
monarch allen te zamen ter hand genomen. Ondanks den tegenstand van
de drie machtigste partijen in het rijk--de zwarte geestelijkheid,
die het gezag aan hare handen voelt ontglippen; de oude legerhoofden,
die vasthouden aan het denkbeeld dat de soldaten met den stok moeten
worden geregeerd; de spilzieke edelen, die aan het verblijf te Homburg
of te Parijs de voorkeur geven boven het eentonige leven op hunne
goederen;--ondanks dien tegenstand, zet de keizer, met onbezweken
volharding, zijne groote taak voort. Wat wonder dat hij aangebeden
wordt door de boeren, de burgers, de lagere geestelijkheid, door allen,
in één woord, die in vrede wenschen te leven, hun akker te bebouwen,
hunne zaken te behartigen en hunne gebeden op te zeggen.
Inmiddels gaat de keizerlijke hervormer ongestoord zijn weg, alleen,
door zorgen gedrukt, door huiselijke rampen gebogen, in zijn openbaar
leven met allerlei tegenwerking kampende.
Op een somberen Decemberdag, omstreeks den avond, stappen twee
vreemdelingen in eene boot aan de kaai der Newa, en varen snel,
tusschen de drijvende ijsschotsen door, naar de dreigende citadel van
Sint-Petrus-en-Sint-Paulus, waar behoudens eene enkele uitzondering,
al de keizers en keizerinnen, die na Peter den Groote over
Rusland geregeerd hebben onder de marmeren zerken en gouden kruisen
rusten. Eensklaps laten de roeiers hunne riemen rusten en nemen hunne
mutsen af; opziende, ontwaren de vreemdelingen den keizerlijken gondel,
door twintig roeiers gevoerd, dicht in hunne nabijheid. De keizer
zit in die boot: slechts een enkel officier staat nevens hem. Bij
het voorbijvaren beantwoordt hij den groet der reizigers, springt
aan land, wikkelt zich in zijn wijden grijzen mantel, en richt zich
met haastige schreden naar de kerk. Niemand vergezelt hem. De zes of
acht voorbijgangers, die hij ontmoet, ontblooten hun hoofd, en treden
eerbiedig ter zijde om hem voorbij te laten gaan. De hoofdingang der
sombere kerk is gesloten; met zekere overhaasting richt de tsaar zich
naar eene zijdeur, waar hij een kerkbewaarder in burgerkleeding ziet,
dien hij wenkt naderbij te komen. De deur wordt haastig ontsloten,
en de onbeperkte gebieder over meer dan zeventig millioenen menschen
treedt in de kerk, waar ook hij eenmaal rusten zal. De vreemde
bezoekers zijn inmiddels naderbij gekomen. "Wacht een oogenblik,"
zegt de bewaarder; "de keizer is daar binnen." Dan voegt hij er bij:
"Gij kunt wel in het portaal gaan; zijne majesteit zal u niet lang
ophouden."--Dat portaal is slechts door glazen deuren van de kerk
gescheiden, zoodat de reizigers het inwendige van het gebouw kunnen
overzien. Zij zien statige zuilenrijen, die de breede schepen van
elkander scheiden. Langs de wanden hangen vaandels en banieren: de
zegeteekenen, op honderd slagvelden, aan Zweden en Franschen, Polen,
Perzen en Turken ontnomen: hier en daar brandt een zilveren lamp voor
het portret van een heilige. Tusschen de zuilen verheffen zich de
witte keizerlijke tomben: eene lange rij, fantastisch verlicht door
het rosse licht dier wemelende lampen.
Alleen, de muts diep over het voorhoofd getrokken, in zijn grijzen
mantel gewikkeld, gaat de keizer van de eene tombe naar de andere;
nu een oogenblik stilstaande, als om het opschrift op den steen te
lezen; dan, in gebogen, peinzende houding, het schip doorgaande;
hier voor een poos in de diepe schemering verloren, elders als
eene schaduw voortglijdende langs de sombere zijbeuken. Hij is
te midden der dooden: Peter, Catharina, Paul, ruwe krijgslieden,
teedere vrouwen, onschuldige kinderen, en daar boven zijn hoofd
hangen de verkleurde zegeteekenen van honderd oorlogen.--Wat voert,
in dezen kouden winteravond, den tsaar hierheen? Drukt hem de
last des levens? Verlangt hij naar den dood? Zie, hij staat stil,
ontbloot het hoofd, knielt voor een graf:--dat zijner moeder! Een
weinig verder, staat hij nogmaals stil en buigt wederom de knieën;
langen tijd blijft hij geknield, in gebed verzonken; dan, opstaande,
drukt hij een kus op het gouden kruis. Daar rust zijn oudste zoon!
Een oogenblik later is hij vertrokken.