HEEREN EN DIENAARS.

In het russische rijk leven twee volken, twee verschillende

nationaliteiten nevens elkander: en dat niet slechts in eene enkele

provincie, in sommige steden, maar in alle provinciën, en in bijkans

alle steden. Overal vinden wij een hooger en een lager ras, eene

vreemde en eene inlandsche bevolking; en bijna overal behooren de

meesters en heeren tot het vreemde, de dienaren en ondergeschikten

tot het inlandsche ras.

Op het platteland en in de boschrijke streken valt deze scheiding

niet zoo sterk in het oog als in de steden. Wel vinden wij hier

en daar een vreemden grondbezitter, maar dit is toch altijd eene

uitzondering; als algemeene regel kan men aannemen, dat de steden,

in zekeren zin, aan de Duitschers behooren, terwijl het platteland,

over het geheel genomen, het eigendom der Russen is. De handel,

de nijverheid, de kunst, de wetenschap, de macht van Rusland:--dit

alles was door de wet zelve aan de zorg en hoede der vreemdelingen

toevertrouwd; de Russen zelf, ook wanneer zij geen lijfeigenen waren,

bekleedden toch altijd een ondergeschikten rang, en eerst in onze

dagen--na den Krimoorlog--is de regeering, om zoo te zeggen, de natuur

te hulp gekomen, om Rusland weder voor de Russen te herwinnen.

De regeerende dynastie is van vreemden oorsprong. Dit nu is een zeer

gewoon verschijnsel: de beschaafdste en machtigste rijken der wereld

worden geregeerd door vorsten, uit vreemde landen afkomstig. Te

Londen is de regeerende familie van hannoverschen oorsprong; te

Berlijn stamt zij uit Zwaben; te Parijs was zij laatstelijk uit

Korsika; de oostenrijksche Habsburgs zijn uit Zwitserland afkomstig;

de koninklijke familie van Denemarken stamt uit Holstein, die van

Zweden uit Frankrijk, die van België uit Koburg, die van Nederland uit

Duitschland, die van Griekenland uit Denemarken, Uit het feit, dat de

russisch-keizerlijke familie uit het huis van Gottorp is gesproten,

zou dus geen bijzondere gevolgtrekking ten aanzien van de innerlijke

verhoudingen des lands zijn te maken: ware het niet, dat de russische

boer bovendien nog andere redenen had, om zijn souverein, niet alleen

wat zijne afkomst, maar ook wat zijne denkwijze en gezindheid betreft,

als een vreemdeling te beschouwen. De twee heerschers, wier beeld het

diepst in zijne ziel is geprent, Iwan IV en Peter de Groote, lieten

geene gelegenheid voorbijgaan om goed te doen uitkomen, dat zij geen

Russen waren.--"Let goed op het gewicht," zeide Iwan tot een engelsch

kunstenaar, wien hij eenige gouden staven ter bewerking gaf;--"let

goed op bet gewicht--want de Russen zijn al te gader dieven."--De

Engelschman lachte.--"Waarom lacht gij?" vroeg de tsaar.--"Mij dunkt,

als uwe majesteit al de Russen dieven noemt, dan vergeet zij toch

dat zij zelf een Rus is."--"Hei wat!" hernam de tsaar: "ik ben een

Duitscher, en geen Rus."--Peter maakte volstrekt geen geheim van zijne

minachting voor alles wat echt moskovisch was. Hij sprak duitsch,

en kleedde zich naar duitsche manier. Hij schoor zijn baard af, en

kapte zich op duitsche wijze. Hij bouwde eene duitsche stad, die hij

tot de hoofd- en residentiestad maakte, en waaraan hij een duitschen

naam gaf. Hij was een liefhebber van eene duitsche pijp en van duitsch

bier. Het nieuwe rijk, waarvan hij de stichter wilde zijn, stelde

hij zich voor als een duitschen staat, met havens zooals Hamburg,

steden zooals Frankfort en Berlijn; en in zijne getrouwe Russen zag

bij niet veel meer dan eene horde barbaren, die hij moest beschaven

en omscheppen in hollandsche en duitsche boeren en werklui.

Voor den keizer, zelf een vreemdeling, was de vreemdeling de

vertegenwoordiger der beginselen van orde, vrede en vooruitgang;

de ingeborene daarentegen gold als de type van verspilling, wanorde

en stilstand. Vandaar dat de regeerende dynastie al de volheid harer

gunstbewijzen over de Duitschers heeft uitgestort; terwijl de Russen

doorgaans op geene andere wijze met hunne regeering kennis maakten,

dan door tusschenkomst van den ontvanger der belastingen en den

commissaris van politie. De tegenstelling was zoo sterk, dat zij

aanleiding gaf tot allerlei satires en spotternijen. Eens vroeg de

keizer aan iemand, die hem eene dienst bewezen had, welke belooning

hij begeerde. "Als Uwe Majesteit een Duitscher van mij maken wil,

dan volgt de rest wel van zelf;"--antwoordde de ander.

Bijna al de ministers, gezanten, staatslieden, kamerheeren, waren

Duitschers van geboorte of afkomst; en wanneer, bij uitzondering haast,

eene gewichtige betrekking aan een Rus werd toevertrouwd, dan was

dit toch altijd nog meer in het leger, dan bij de diplomatie of in

de regeering. De Duitscher is, over het algemeen, beter ontwikkeld en

onderwezen dan de Rus; hij is vertrouwd met kunsten en wetenschappen,

waarvan men onderstelt dat de inboorling geen begrip heeft, en ook

nooit krijgen zal, omdat die hoogere ontwikkeling wordt geacht buiten

zijn bereik te liggen. Peter vaardigde zelfs een edikt uit, waarbij

de uitoefening van sommige beroepen en bedrijven uitsluitend aan

de Duitschers werd voorbehouden. Zoo mocht een Rus, bij voorbeeld,

geen apotheker zijn, uit vrees dat hij zijn klanten zou vergeven;

noch ook schoorsteenveger, opdat hij geen brand zou stichten.

Zulke verbodsbepalingen zijn later wel ingetrokken, maar wat de

wet afschafte, bleef toch in menig opzicht van kracht, gehandhaafd

door een hooger macht dan die van keizer of minister, door de macht

der gewoonte. Geen Rus zal uit handen van een landgenoot zijn dosis

rhabarber of zijn kininepillen aannemen: hij stelt hoegenaamd geen

vertrouwen in diens bekwaamheid en nauwgezetheid. Een Rus kan een

uitmuntend geneesheer zijn, want hij is scherpzinnig, heeft eene

groote gave van opmerking en een gevoelig, medelijdend hart; maar het

schijnt wel, dat alle geleerdheid en tact niet voldoende is, om hem

geschikt te maken voor het moeilijk vak van artsenijmenger. Hij is

te driftig, te brusk, en heeft geen geduld om, met een loup gewapend,

de bijkans onmerkbare slingeringen van een balans na te gaan. Op een

grein of wat meer of minder komt het er, volgens hem, niet aan. In

Moskou, waar de oud-nationale, panslavistische geest zeer sterk is,

hoorde ik van meer dan één geval, waarin de wensch om een inlandschen

apotheker te begunstigen, den onvoorzichtigen patriot een ontijdigen

dood had berokkend.

"Het is onmogelijk eene russische meid te leeren, zeide eene dame

die mij over hare dienstboden sprak. Dat meisje, dat ge daar zooeven

gezien hebt, is voor haar doen zeer goed en bekwaam; het werk is

haar nooit te veel; nooit zal ze over iets klagen; des zondags en

op heilige dagen gaat zij getrouw naar de mis; en zij zou liever van

honger sterven, dan in de vasten eieren of melk te gebruiken. Maar ik

kan het niet van haar gedaan krijgen, dat zij, op engelsche manier,

de wasch doet, de kamer schoonmaakt of de tafel dekt. Als ik haar

wijs, hoe zij het doen moet, dan zegt zij, met een ernstig gezicht,

dat in haar land het gebruik zus of zóó is; en wanneer ik er op blijf

staan, dat bij mij in huis de zaken gedaan zullen worden, zooals ik

het verlang, dan onderwerpt zij zich, met een soort van stil protest,

en loopt de deur uit om haar ouders en haar pope te vertellen, dat

hare engelsche meesteres door een boozen geest gedreven wordt."

De vreemdelingen, die in Rusland zoovele aanzienlijke en gewichtige

betrekkingen bekleeden, en in zekeren zin de intellektuëele

aristokratie des lands vormen, worden te Berlijn niet als echte

Duitschers beschouwd. Zij zijn afkomstig uit de Oostzee-provinciën,

uit Lijfland en Lithauen; maar, naar hun beweren, stammen zij niet af

van de Letten en Wenden, de oorspronkelijke bewoners des lands, maar

van de oude duitsche ridders, die deze destijds heidensche streken

veroverden. Wat hiervan zij: hunne energie, hunne bekwaamheid en hun

invloed zijn ontwijfelbaar groot. Reeds lang voor Peter den Groote

hadden zij zich in het land eene vaste positie weten te verwerven;

onder Peter werden zij inderdaad heeren en meesters; en sedert

dien tijd hebben zij zich voortdurend beijverd, de inboorlingen te

onderwerpen en te beschaven, op dezelfde wijze als hunne voorouders in

Oost- en West-Pruisen de oude heidensche Letten en Finnen beschaafden.

Toch bestaat er geen band van liefde en genegenheid tusschen deze

vreemden en de landskinderen, tusschen de heeren en de dienaars. De

beide rassen hebben niets gemeen; noch het bloed, noch de taal,

noch het geloof; zij verschillen van elkander, als het Westen van

het Oosten. Een Duitscher laat zijn haar, zijn baard en knevels

knippen; hij draagt een hoed en schoenen, en kleedt zich in zacht,

warm laken. Hij ontkleedt zich, eer hij zich ter ruste legt,

en slaapt liever in een bed, dan zijn lichaam half te verbranden

op een kachel. Hij wascht zich minstens eens per dag, drinkt geen

brandewijn, en is een liefhebber van zuurkool. Een Duitscher gelooft

in de wetenschap, een Rus gelooft in het noodlot; de een neemt de

ondervinding tot gids en leiddraad, de ander geeft zich blindelings

over aan de leiding van onzichtbare machten. Wordt het kind van

een Duitscher ziek, dan laat de vader den dokter komen; wordt een

russisch kind ziek, dan roept de vader zijn beschermheilige aan. In de

noordelijke streken, waar het wemelt van wolven, drijft de vreemdeling,

bij het vallen van den avond, zijne schapen naar de kooi; maar de Rus

zegt: een schaap is geboren om door wolven verslonden te worden of

niet; en iedere poging om in dit vooraf bepaalde lot verandering te

brengen, staat gelijk met opstand tegen God. Een Duitscher is boven

alles een man van orde en methode; hij kent de waarde van schijnbare

kleinigheden en wijdt daaraan zijne aandacht. Zijne ondervinding

heeft hem geleerd, de verschillende bekwaamheden en neigingen des

menschen te onderkennen; hij weet dat de een geschikt is om rijtuigen

te maken, terwijl een ander een gedicht kan schrijven, en een derde

troepen kommandeeren of een schip besturen. Hij stelt hoogen prijs op

orde en regelmatigheid en nauwgezetheid in zijn zaken. Hij staat des

morgens vroeg op, en gaat laat naar bed; met een pijp in den mond,

een glas bier naast zich, een bril op zijn neus, werkt hij onvermoeid

zestien uren op een dag, zonder ooit te morren of te klagen. Hij

verlaat zelden zijn lessenaar, en verliest nooit den eerbied uit het

oog, dien hij zijn meerderen verschuldigd is. Is hij in een post van

vertrouwen geplaatst, dan is hij de eerlijkheid in persoon; zelfs in

Rusland is het eene groote zeldzaamheid, dat een Duitscher zich laat

omkoopen; en zijne eigene onkreukbare nauwgezetheid maakt hem hard

en streng tegenover den man, dien hij reden meent te hebben, van

minder onbuigzame eerlijkheid te verdenken. En ook nog in anderen,

hoogeren zin, is de Duitscher een onoplosbaar raadsel in het oog

zijner onderhoorigen. Met al zijn zucht en hartstocht voor orde,

stiptheid en werktuigelijke regelmatigheid, met al zijn praktischen

zin, is deze man tevens een droomer, een idealist, die, als het

er op aankomt, eene mate van teederheid, van fijn, echt ridderlijk

gevoel, van geestdrift, toont te bezitten, waarvan de Rus geen besef

heeft.--Een Rus, daarentegen, is juist het omgekeerde. Ook hij is een

zeer positief man, en tegelijk een idealist, vol illusiën: maar hij is

positief en dogmatisch op het gebied der ideeën, en zijne illusiën

hebben betrekking op zijn dagelijksch leven en verkeer. Ondanks

de blijkbare overdrijving, is er toch wel waarheid in het gezegde,

dat een Rus nooit droomt..... behalve wanneer hij goed wakker is!

Laat ons twee werkplaatsen, twee linnenweverijen, een duitsche en een

russische, bezoeken, in een der groote binnenlandsche steden aan eene

of andere rivier.

In de russische fabriek behooren de meester en zijne werklieden tot

hetzelfde ras; hunne levenswijze, hunne manier van denken en gevoelen

en handelen is dezelfde. Zij eten aan dezelfde tafel, en gebruiken

met elkander dezelfde spijzen. Allen laten hun haar en baard groeien,

en dragen hetzelfde fatsoen van kaftan en laarzen; zij spelen met

elkander op het dambord of whist; zij drinken te zamen brandewijn

en kwas; zij knielen voor hetzelfde altaar, kussen hetzelfde kruis,

en belijden hunne zonden aan denzelfden priester. Drinkt een der

gezellen zich des Zondagsavonds dronken, dan wordt hem dit, noch

door zijn makkers, noch door den patroon, erg kwalijk genomen. Hoe

licht kunnen zij niet in hetzelfde geval verkeeren? Slaat de meester

een zijner werklieden, dan moeten zij dit onder elkander uitmaken. De

man zal zich geduldig laten slaan, of wel hij zal een stok grijpen en

zich verweren. Dat zijn echter huiselijke zaken, waarmede het niemand

in den zin komt de overheid te bemoeien.

In de duitsche fabriek vinden wij veel meer orde, en een meester met

een geschoren kin. Die meester mag een vriendelijk en rechtschapen man

zijn, maar hij is een vreemdeling, en handhaaft eene strenge tucht. In

zijne oogen, gaat het belang der zaak boven alles; de belangen der

werklieden komen eerst daarna in aanmerking. Hij eischt dat men op

het bepaalde uur tegenwoordig zij, en zonder ophouden den gezetten

tijd doorwerke. Hij houdt zijne manschappen aan den arbeid; hij geeft

den Maandag niet vrij, omdat zij 's Zondags te veel gedronken hebben,

en duldt niet dat zijne werklieden die woeste rooverliederen zingen,

waarvan de Russen zoo bijzonder veel houden. Blijven zijne gezellen

weg, dan houdt hij hun daggeld in, en staat niet toe, dat zij des

nachts inhalen, wat zij over dag verzuimen. In geval van nood, roept

hij de hulp in der politie.

De beide rassen staan ieder op zichzelf. In het russische rijk

vindt men een honderdtal duitsche volkplantingen: oude en nieuwe,

landbouwende en godsdienstige koloniën. In deze dorpen is alles even

netjes en zindelijk; de wegen worden goed onderhouden; de huizen zijn

goed gebouwd; de tuinen met zorg en smaak aangelegd. De wagens zijn

beter gemaakt, de paarden worden beter opgetuigd en bestuurd, het koren

en graan beter geborgen en verzorgd dan bij de inboorlingen. Toch

oefent de duitsche kolonie geen merkbaren invloed op het russische

dorp uit; een inlandsch gehucht, op niet meer dan een mijl afstand van

zulke nederzettingen als Strelna of Sarepta verwijderd, zal misschien

nog smeriger en achterlijker wezen, als om het contrast te beter te

doen uitkomen.

De landskinderen zien hun duitschen meester met geen goed oog

aan. Zijn gewasschen en geschoren gelaat schijnt hun iets verwijfds;

en zij gevoelen de uiterste verachting voor zijne pijp, voor zijn

bier, voor zijn bril. Brandewijn, zeggen zij, is de ware drank voor

mannen. En wat nog het ergste is: zij beschouwen hem als een ketter,

aan wien de hemel wel--zoo als de Arabieren zeggen--voor een tijd de

macht van den stok kan hebben gegeven, maar die desniettemin door de

kerk wordt veroordeeld en verworpen is bij God.

Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 39 / 48 题