Boris Godounoff, bloedverwant en opvolger van Iwan IV, gaf aan het
beginsel der lijfeigenschap een wettigen vorm (1601). Een bekwaam en
energiek man, oprechtelijk het welzijn van zijn land betrachtende,
wilde Godounoff de verlaten steppen en de eenzame rivieroevers van
zijn rijk zooveel mogelijk bevolken en ontginnen. Het lag in het minst
niet in zijne bedoeling, den landman te benadeelen;--integendeel,
hij wilde hem eene weldaad bewijzen en nuttig zijn. Het denkbeeld
om den boer aan zijn grond te verbinden, kon toen inderdaad als eene
groote en heilzame hervorming beschouwd worden; en na den raad zijner
bojaren te hebben ingewonnen, koos de tsaar dan ook den feestdag
van Sint-George, den patroon der vrije steden en van de oude Russen,
voor de afkondiging van het edict, waarbij bepaald werd, dat voortaan
ieder boer in het rijk den grond zou bezitten en bebouwen, dien hij
op dat oogenblik bezat en bebouwde.
Tot op dien tijd koesterde men in Rusland, ten aanzien van
grondeigendom, ongeveer dezelfde denkbeelden, die bijna overal in
het Oosten worden aangetroffen. Van de golf van Venetië tot de kusten
van Bengalen, gold ten aanzien van het grondbezit, ondanks velerlei
wijzigingen, in verband met klimaat en nationaliteit en plaatselijke
traditie, toch in het wezen der zaak overal hetzelfde beginsel. De
wezenlijke eigenaar van den grond was overal, onder God, de vorst,
hetzij dan de sultan, de shah, de mogol of de khan. De Russen, hunne
vroegere nationale traditiën en gebruiken vergetende, droegen nu
de rechten en aanspraken, die zij van de tartaarsche begs en khans
ontvangen hadden, op hun overwinnenden vorst over. Iwan IV verdeelde
toen den grond naar zijn welbehagen: hier stichtte hij dorpen voor
landbouwers; daar schonk hij landen weg aan een woywode, wiens diensten
hij beloonen wilde; elders kocht hij den vrede met een vijand, door
eene schenking van wouden, akkers en vischwateren: in één woord,
hij handelde ook in dit opzicht naar het voorbeeld van Batoe-Khan
en Timoer. Iwan ging daarbij zoo onbesuisd en ondoordacht te werk,
dat toen Godounoff den troon besteeg (1598), in alle provinciën eene
overgroote menigte landgoederen geheel verlaten lagen, zonder bebouwd
te worden; terwijl daarentegen gansche scharen van landbouwers geen
duim gronds bezaten. De gezeten landbevolking had zich in zwervende
horden opgelost; Godounoff wilde nu deze rustelooze zwervende
bevolking aan vaste woonplaatsen verbinden, door aan iedere familie
een persoonlijk en erfelijk aandeel aan den grond te geven. Het kwaad
dat hij genezen wilde, was echt oostersch; hij paste ook een oostersch
geneesmiddel toe. De Khans hadden juist hetzelfde gedaan; Godounoff gaf
slechts aan hun stelsel meer uitbreiding en een nauwkeurig omschreven
vorm, ten einde op die wijze eene grootere uitgestrektheid gronds in
bebouwing te kunnen brengen.
Zeer waarschijnlijk werd, in dit jaar 1601, de feestdag van
Sint-George, door bojaren en boeren met dubbele vreugde gevierd;
zeer waarschijnlijk werd het edict, dat de lijfeigenschap in Rusland
invoerde, als een heilzame en populaire maatregel, met algemeenen
bijval begroet. Om dit goed te begrijpen, moeten wij steeds in het oog
houden dat deze dusgenoemde lijfeigenschap in Moskovië, in beginsel
en aanvankelijk, geen lijfeigenschap was;--dit woord, dat wij,
bij gebrek van beter, gebruiken, geeft van de zaak een zeer onjuist
denkbeeld. Het was hier geheel iets anders dan de eigenhoorigheid
in Frankrijk of Engeland. Het gold hier eene kolonisatie op groote
schaal. Niet enkel wijze staatkunde, maar ook vrijgevige edelmoedigheid
was een der voornaamste drijfveeren van Godounoff's daden: millioenen
bunders land, die tot het kroondomein behoorden, gaf hij aan zijn
volk weg. De grond werd op zeer billijke voorwaarden aan den boer
afgestaan. Hij moest echter op het hem aangewezen land blijven wonen,
zijn akker bebouwen, zijne woning onderhouden, zijn hoofdgeld betalen,
en in tijd van oorlog zijn land dienen. Het voornaamste offer, dat
de boer bracht, in ruil voor zijn stuk grond was zijn zwervend leven.
Ten einde zich te vergewissen dat de lijfeigene--de krepostnoï, de
aan den grond gebondene--trouw zijne verplichtingen nakwam, stelde de
tsaar in iedere provincie eenige bojaren of woywoden tot opzichters
of inspecteurs aan: een noodzakelijke, en toch een zeer noodlottige
maatregel. Deze opzichter, een man van aanzien en gewicht, aldus
tegenover den zwakke en weerlooze geplaatst, was in den regel geheel
doordrongen van de tartaarsche denkbeelden en beginselen, waarin
hij was opgevoed; en evenals de tsaar de plaats innam van den khan,
zoo beschouwde de bojaar zich als den opvolger van den beg. Weldra
slopen er allerlei misbruiken in; bovenal het gebruik van den knoet,
dat de bojaar van den beg overnam; echter trof dit den lijfeigene niet
in het bijzonder en als zoodanig, daar hij op dit punt met alle andere
Russen gelijk stond. Ieder had, tot zeer onlangs, het recht dengene,
die onder hem geplaatst was, te slaan. De tsaar sloeg den bojaar; de
bojaar sloeg op zijn beurt den edelman van lageren rang; een kolonel
schopte zijn kapitein, en de kapitein ranselde zijn manschappen. Dat
gebruik van den stok geldt, door geheel het Oosten, voor een teeken van
gezag; en een bojaar, die een boer met den knoet kon doen tuchtigen,
omdat hij verzuimde zijn akker te bebouwen, zijn huis behoorlijk te
onderhouden, of zijne belasting te betalen, zou welhaast meer dan een
mensch moeten geweest zijn, indien hij zich niet in het eind als den
wettigen heer van dien boer had beschouwd.
Dit lag echter volstrekt niet in de bedoeling der wet. Volgens
de theorie, hield de boer zijn land in erfelijk leen van de kroon,
evenals de bojaar zijn land van de kroon hield. Voorts werd tusschen de
beide partijen, den edelman en den boer, onder den waarborg der wet,
een contract gesloten betreffende het beheer en de exploitatie van
een zeker landgoed, bestaande uit landerijen, wateren en bosschen,
met de verschillende rechten, aan den eigendom verbonden--zooals het
recht van visscherij, van de jacht, van vogelvangst, van tolheffing
en dergelijke. Dit contract was voor beide partijen gelijkelijk
verbindend, voor den edelman zoogoed als voor den boer. Mocht de
lijfeigene zijn huis en hof niet eigenwillig verlaten, de heer
mocht hem daar ook niet uitzetten; hij was verplicht zijn meester
te dienen, maar hij mocht eigendom bezitten, dat hij door eigen
vlijt en spaarzaamheid verworven had. Plaatselijk gebruik en de
aangeboren ruwheid van zeden kenden den heer wel de bevoegdheid toe,
den lijfeigene met boete en den knoet te straffen; maar de lijfeigene
kon, tegenover dit geweld, troost putten uit de gedachte dat de akker,
dien hij bebouwde, aan hem en aan zijne gemeente behoorde, krachtens
een titel, die voor geen herroeping vatbaar was. Er is een versje,
waarin de plichten en rechten van den boer tegenover zijn heer vrij
nauwkeurig omschreven worden:
"Mijn ziel aan God,
Mijn land is mijn;
Mijn hoofd den Tsaar,
Mijn rug is dijn."
Tot op de regeering van Peter den Groote werden de misbruiken steeds
grooter en verderfelijker. De opzichter over de lijfeigenen werd
gaandeweg hun heer en eigenaar. Wie zou ook, vooral in afgelegen
gewesten, den lijfeigene, die nu inderdaad dien naam begon te
verdienen, beschermen? Ik zelf was er eens getuige van, dat een boer
door den oudste van zijn dorp tot den knoet veroordeeld werd, alleen
op verzoek van twee heeren, die beweerden dat hij dronken was en hunne
tarantasse niet besturen kon. De beide heeren waren zelf beschonken;
maar de oudste kende hen, en hij dacht er zelfs niet aan, naar bewijzen
voor hunne beschuldiging te vragen. Een boer, die door een heer wordt
aangeklaagd, heeft noodzakelijk ongelijk. "God is te hoog, de tsaar
te ver weg", zoo luidt het weemoedige spreekwoord der boeren. In deze
noodlottige, bange tijden was de aangeboren ruwheid de letter der wet
te sterk, en de lijfeigenen werden geslagen, uitgehongerd, mishandeld,
gedeporteerd, verkocht: maar dat alles geschiedde in openbaren strijd
met de wet.
Peter voerde eenige veranderingen in, die echter ondanks zijne
goede bedoeling het kwaad verergerden. Hij verbood den verkoop
van lijfeigenen, afgescheiden van het domein waarop zij woonden:
een groote stap ten goede; maar hij verlamde de goede uitwerking van
dien maatregel, door het aloude hoofd- of haardgeld te veranderen in
eene soort van gemeenschappelijke belasting, waarvoor alleen de heer
verantwoordelijk was, en die hij het recht had over zijne lijfeigenen
om te slaan. Indien een meester met zulk eene macht bekleed geen engel
is, loopt bij groot gevaar, erger dan een duivel te worden. Peter
ontnam ook aan de godsdienstige broederschappen het recht, dat zij
met de bojaren en edelen gemeen hadden, om lijfeigenen op hunne
goederen te bezitten. De monniken hadden het bewijs geleverd, dat
dit recht hun niet veilig kon worden toevertrouwd; en daar zij hunne
landerijen bezaten krachtens een hooger titel, dan de wet kan geven,
viel bet den lijfeigene van een klooster moeilijk, aan het denkbeeld
vast te houden dat een gedeelte van den grond, dien hij bebouwde,
inderdaad zijn eigendom was.
Catharina zette den strijd van Peter tegen tartaarsche kleeding,
manieren, gebruiken en gewoonten voort; maar, evenals Peter, kwam
ook zij in botsing met veel, dat inderdaad echt nationaal was. Het
welzijn van haar volk lag haar inderdaad aan het hart; en het charter,
dat zij aan den adel verleende, werd in Rusland de grondslag voor
een welvarenden, welopgevoeden en verlichten middenstand. Zij vatte
het denkbeeld op, om de lijfeigenen tot vrije pachters te maken. Zij
ontsloeg de lijfeigenen, die aan kloosters behoorden, plaatste hen
onder eene afzonderlijke jurisdictie, en vaardigde verschillende
edikten uit, die de verhouding van den lijfeigene tegenover zijn
heer moesten regelen en verbeteren. Maar ook deze maatregel bewerkte
het tegenovergestelde van hetgeen daarbij werd beoogd: want de
lijfeigenschap, die tot dusver eene plaatselijke instelling was,
in de eene provincie bestaande, in eene andere, daaraan grenzende,
niet;--zoo, bij voorbeeld, wel in de gouvernementen Moskou en
Woronesh, niet in Kharkow en Kiew;--werd nu door de wet, die voor
het gansche rijk geldende was, erkend en geregeld. De voorliefde
van Catharina voor die zekere eenvormigheid, die ook in hare oogen
voor orde gold, bracht er haar toe om ook de boeren van Lithauen en
Klein-Rusland aan den grond te verbinden, zooals Godounoff de boeren
van Groot-Rusland aan den grond verbonden had, door hun een woning
en een akker te geven. Paul, haar zoon, ging op den ingeslagen weg
voort, door het recht van den heer op den arbeid van den lijfeigene
te beperken tot drie dagen in de week: eene bepaling die, hoewel
zij nimmer werd uitgevoerd, toch de nagedachtenis van Paul bij de
plattelandsbevolking in hooge eere deed blijven. Toch breidde ook
Paul de lijfeigenschap uit, door de schepping van eene nieuwe klasse
van lijfeigenen, die der apanage-boeren: dat wil zeggen zij, die op
de goederen, als apanage aan de prinsen van den bloede geschonken,
waren gevestigd, en dus aan de onderscheidene leden der keizerlijke
familie behoorden, zooals de kroonboeren tot bet kroondomein.
Onder Alexander I trad deze moeilijke kwestie eene nieuwe phase
in, door de vestiging eener klasse van vrije boeren: maar de
oorlogen in zijne regeering lieten hem tijd noch gelegenheid om eene
maatschappelijke omwenteling van zoo ingrijpenden en ernstigen aard
tot stand te brengen; na verloop van weinige jaren verkeerden deze
vrije boeren weder in denzelfden toestand als vroeger. Nikolaas was
van nature weinig hervormingsgezind; de oude, streng behoudende geest
leefde in hem; en hij breidde het stelsel van lijfeigenschap nog meer
uit, door al de vrije boeren, kolonisten, mijnwerkers, houthakkers,
onder het rechtstreeksch toezicht van den staat te plaatsen. Elke
plattelandsbewoner, die geen eigen meester had, werd daardoor een
kroonboer.
Sedert het einde der regeering van Iwan (1598) tot den dood van
Nikolaas (1855), had iedere Rus, die zijn vaderland liefhad en zijn
gevoelen dorst uitspreken, zijne stem verheven tegen de toenemende
misbruiken van het stelsel van lijfeigenschap, als iets, dat in
vroeger, gelukkiger tijden bij zijn volk onbekend was. Iedere
opgeworpen pretendent, iedere stoutmoedige rebel, die de wapens
tegen den souverein opvatte, schreef in zijne banier de leus van
vrijmaking der lijfeigenen. Reeds in 1670 vaardigde Stenka-Razin, in
zijn kamp bij Astrakhan, eene proclamatie uit, waarvan de eerste twee
artikelen, de onttrooning der regeerende dynastie en de bevrijding
der lijfeigenen behelsden. De aanvoerder van een vrij wat geduchten
opstand, Pugatcheff, schafte, honderd jaar later, in 1770, openlijk de
lijfeigenschap af, ontsloeg de boeren van alle verplichtingen jegens
hunne heeren, en verzekerde hun het vrije bezit van hun land. Pestel
en de saamgezworenen van 1825 hadden evenzoo de afschaffing der
lijfeigenschap bovenaan op hun programma geschreven.
Daags vóór hij, op het Sint-Izaäksplein, den dreigenden opstand
verpletterde, had keizer Nikolaas eene geheime commissie benoemd,
die hem verslag moest doen over den maatschappelijken toestand des
rijks, bepaaldelijk met het oog op de lijfeigenen. Op grond van de
resultaten van dat onderzoek, ontwierp de keizer in de jaren 1828
en '29, eene gansche reeks van besluiten, waarbij hij eene klasse
van eereburgers (geen leden van een gilde) in het leven riep, en de
boeren vrij verklaarde van hunne heeren. Deze besluiten werden nimmer
uitgevaardigd; toen, na de uitbarsting, de kalmte in de gemoederen
was wedergekeerd, achtte de keizer de hervormingen niet zoo dringend
noodig. De kort daarop gevolgde Juli-omwenteling in Parijs deed hem
geheel en al van zijn voornemen terugkomen. Hij liet de heeren ten
ernstigste vermanen, dat zij hunne boeren en lijfeigenen als christenen
moesten beschouwen en behandelen, en van hen niet meer dan drie dagen
in de week heerediensten mochten vorderen, gelijk reeds door keizer
Paul was bepaald. Daarmede meende hij aanvankelijk genoeg gedaan te
hebben: zijn emancipatie-edikt bleef in de portefeuille.
In de laatste jaren zijns levens kwelde deze geduchte kwestie keizer
Nikolaas dag en nacht. In spijt van zijn talrijk, wel uitgerust leger,
gevoelde hij dat de lijfeigenschap een gevaar voor zijn rijk opleverde
en zijne kracht verlamde, die toch reeds geknot werd door de groote
kerkelijke scheuring tusschen Orthodoxen en Oud-geloovigen. In welke
mate het rijk door deze twee innerlijke kwalen verzwakt werd, dit
begreep en erkende hij misschien eerst ten volle in de laatste dagen
van zijn merkwaardig leven. Naar men zegt, riep hij zijn zoon op zijn
sterfbed tot zich; verhaalde hem wat hij gedaan en wat hij nagelaten
had; en drukte hem op het hart, den aangevangen arbeid te voltooien.
Het mocht echter een geluk heeten voor de lijfeigenen, dat Nikolaas
hen had laten wachten. Het ontwerp van emancipatie, onder de oogen
des keizers opgesteld, was noch naar den geest, noch naar de letter,
nationaal: het was veeleer een duitsch staatsstuk, uitgaande van
de valsche stelling, dat de lijfeigenschap niets anders was dan de
oud-feodale eigenhoorigheid, onder een anderen naam. Nikolaas ging,
in verband daarmede, van het beginsel uit, dat de lijfeigene zijne
persoonlijke vrijheid herkrijgen moest, maar dat de eigendom van den
grond aan den heer moest blijven.
Toen Alexander II den troon beklom (1855), verwachtten zoowel de edelen
als de boeren van hem een grooten en doortastenden maatregel. De boeren
vertrouwden den nieuwen keizer; de edelen wantrouwden en vreesden
hem. Een panische schrik beving de landheeren. "Wat, zoo riepen zij,
gaat gij ondernemen? en waartoe zal dat leiden? Het land is aan
verwarring ten prooi: onze eigendommen zullen vernield worden. Zie
die boerenkinkels eens aan, die gij vrij maken wilt! Zij kunnen
lezen noch schrijven; zij hebben noch kapitaal, noch krediet, noch
ondernemingsgeest. Als zij niet bidden, drinken zij zich dronken. In de
poolsche provinciën moge zulk eene hervorming heilzaam en wenschelijk
zijn, in het hart van Rusland nooit!"--De regeering liet zich door dien
opstekenden storm niet van haar weg afbrengen; zij sprak woorden van
vrede en verzoening, en trad tevens krachtig handelend op; de keizer
herhaalde aan ieder die hem hooren kon, dat het groote gevaar lag,
niet in te veel te doen, maar in niets te doen. Zijne meening vond
ingang, en won langzamerhand veld.
Uit verschillende provinciën kwamen adressen in. Adviseerende
commissiën werden benoemd, en de keizer deed zijn best om de bekwaamste
en vrijzinnigste mannen voor zijn plan te winnen, en aan de uitvoering
te doen medewerken. Nadat op die wijze de publieke opinie was
voorgelicht en voorbereid, werd eene hoofdcommissie benoemd, die
te Petersburg zitting hield, bestaande uit de ministers van staat
en uit eenige leden van den keizerlijken rijksraad; de keizer zelf
nam het voorzitterschap dezer commissie op zich. Bovendien werd nog
een tweede collegie ingesteld, de commissie van rapporteurs genoemd,
onder voorzitterschap van graaf Rostowtcheff, een der geamnestiëerde
opstandelingen van 1825. De hoofdcommissie bestudeerde de beginselen,
die aan de emancipatie ten grondslag moesten liggen; de commissie
van rapporteurs onderzocht en rangschikte de feiten. Niet minder
dan achttien deelen, vol cijfers en tabellen, werden gedrukt; en
de resultaten van het veelomvattende onderzoek nedergelegd in een
wetsontwerp.
Toen deze voorbereidende arbeid was afgeloopen, werden gedelegeerden
uit de verschillende provinciën, door de collegiën der edelen gekozen,
naar de hoofdstad ontboden om dit rapport te onderzoeken. Deze
provinciale gedelegeerden deelden hunne bedenkingen schriftelijk aan de
commissie van rapporteurs mede; en de nieuwe of veranderde bepalingen,
die zij noodig achtten, werden, in den vorm van een gewijzigd ontwerp,
aan den keizer en de hoofdcommissie onderworpen.
Tot dusver hadden alleen de edelen en landheeren hunne meening omtrent
het wetsontwerp kenbaar gemaakt; zij hadden, bij de vaststelling,
alleen hunne eigene belangen geraadpleegd en de bijzondere zienswijze
van hunne klasse gevolgd. Het recht van den lijfeigene op persoonlijke
vrijheid werd erkend, maar van aanspraak op grondbezit werd niet
gerept. Vrijheid zonder land--dit was het wachtwoord van alle
belanghebbende partijen in de hoogere standen; en het was volstrekt
geen geheim, dat het in portefeuille gebleven ontwerp van den vorigen
keizer ook op ditzelfde beginsel rustte. Hoe zou een vergadering van
landheeren, bevende voor hunne inkomsten, ook anders hebben kunnen
adviseeren? "In vredesnaam dan de emancipatie, als het zoo zijn
moet--spraken zij zuchtend;--maar de emancipatie zonder grondbezit." De
provinciale gedelegeerden vooral waren op dit punt onverzettelijk;
de commissie van rapporteurs huldigde ditzelfde beginsel in haar
wetsontwerp, dat aan de hoofdcommissie werd ingezonden. Men beriep
zich op het voorbeeld van Engeland, Frankrijk en Duitschland; en
aangezien de vazallen en hoorigen in die landen, bij hunne vrijmaking,
geen stuk gronds in eigendom hadden verkregen, werd besloten dat
ook de geëmancipeerde lijfeigenen dit niet zouden bekomen. Ook de
hoofdcommissie vereenigde zich met het aldus gewijzigde wetsontwerp.
Maar de eindbeslissing stond gelukkig aan den keizer. Hoeveel riemen
papier de rapporteurs en adviseurs ook vol schreven, de tsaar wist het
wel, dat acht-en-veertig millioen zijner onderdanen tot hem, als tot
hun vader, opzagen, en van hem alleen recht en hulp verwachtten; en dat
van die acht-en-veertig millioen ieder man even vast overtuigd was van
zijne wettige aanspraak op den grond, als van het recht des keizers op
de kroon. Hij begreep dat vrijheid alleen, zonder de middelen om te
kunnen leven, voor de boeren een noodlottig geschenk zou zijn. Niet
willende dat eene heilzame, populaire hervorming zou uitloopen op
eene onvruchtbare en noodlottige volksbeweging, weigerde hij zijne
toestemming te geven aan een maatregel, die den boer tot armoede en
gebrek zou doemen, onder voorwendsel van hem vrij te maken. Des keizers
beginsel was: vrijheid met grondbezit; en dit juist en voortreffelijk
beginsel hield hij staande tegenover zijne oudste en beste raadslieden.
Tegenover de besluiten der commissiën, bleef den keizer slechts
één weg open: beroep op een hooger collegie. Sommige leden van de
hoofdcommissie, de bedoeling huns meesters kennende, hadden tegen
het ontwerp gestemd; de keizer bracht nu de zaak voor den vollen
rijksraad, omdat eene kwestie van zoo overwegend gewicht niet in
eene ondergeschikte vergadering, bij eenvoudige meerderheid van
stemmen, mocht worden uitgemaakt. Opnieuw stuitte hij op zelfzuchtige
berekeningen. De rijksraad bestaat uit prinsen, graven, ministers,
generaals--meest bejaarde mannen, die hunne carrière hebben gemaakt,
weinig van het hof meer hebben te verwachten, en zeer gehecht zijn
aan het behoud hunner goederen en inkomsten. Zij verklaarden zich
tegen den keizer en de lijfeigenen.
Maar juist toen alles verloren scheen, bleek alles gewonnen. Zoolang de
volle rijksraad nog geen uitspraak had gedaan omtrent de voorstellen
der commissiën, wilde de keizer geen gebruik maken van zijn absoluut
gezag, al ware het ook om zijn land te redden; maar op denzelfden dag
der stemming verklaarde hij, uit de volheid zijner souvereine macht,
dat het beginsel van vrijheid met grondbezit den grondslag zou uitmaken
van zijn emancipatie-wet.
Op den 3den Maart 1861 (19 Februari, oude stijl), werd het edikt
geteekend.
De landbouwende bevolking bestond toen uit twee-en-twintig millioen
gewone boeren of lijfeigenen, drie millioen apanageboeren, en
drie-en-twintig millioen kroonboeren. Het edikt van 1861 had alleen
betrekking op de eersten; eene bijzondere wet werd later ten gunste
der kroon- en apanageboeren uitgevaardigd, die nu metterdaad even
vrij zijn als zij vroeger alleen in naam vrij waren.
Aan ieder "hoofd" werd een stuk lands, verschillend in de
onderscheidene provinciën, naar gelang van de gesteldheid van bodem
en klimaat, toegewezen; de heeren moesten dat stuk lands, tegen een
bepaalden prijs, afstaan; en om de overneming van hunne woningen en
aangewezen gronden voor de boeren gemakkelijker te maken, werd hun
vanwege de regeering, op zeer billijke voorwaarden, een voorschot
aangeboden. De boeren maakten van dit aanbod ijverig gebruik. Voor 1
Januari 1869 had reeds de grootste helft der vrijverklaarde boeren,
te dien einde de hulp van het gouvernement ingeroepen; en het totaal
cijfer dezer door de kroon voorgeschoten gelden, die door de boeren
moeten worden terugbetaald, is tot een hoogst aanzienlijk bedrag
gestegen.
Nu men eenmaal als grondslag van de emancipatie het beginsel had
aangenomen, dat de vrijmaking met toekenning van grondbezit moest
gepaard gaan, lag het in den aard der zaak, dat men ook bedacht moest
zijn op de noodige waarborgen om te voorkomen dat de boer weder tot
zijn vroeger zwervend leven terugkeerde. Niemand kon met zekerheid
weten, in hoever de lijfeigenen nu werkelijk genezen waren van die
nomadiseerende gewoonten, die tot de vestiging der lijfeigenschap
aanleiding hadden gegeven. Niet zonder eenige ongerustheid vroeg
men zich af, of de vrijgemaakte boer zich nu ook aan de wet en de
maatschappelijke orde zou onderwerpen; en het werd noodig geacht,
eenige regelen vast te stellen, ten einde eene herhaling van de wanorde
en regeeringloosheid te voorkomen, die ten tijde van Boris Godounoff
en Peter den Groote, de kroon gedwongen had strenge maatregelen te
nemen tot kolonisatie van het land. De voornaamste dezer bepalingen
laat ik hier volgen.
Wil een boer van woonplaats veranderen, dan moet hij, vooreerst,
voor altijd afstand doen van het hem toekomend aandeel in de
gemeentegronden. Weigert de gemeente zijn aandeel over te nemen,
dan moet hij het aan den landheer afstaan. Voorts moet hij voldaan
hebben aan alle verplichtingen, die ten aanzien van de militaire
dienst op hem rusten, en niet alleen alle achterstallige rijks- en
plaatselijke belastingen hebben voldaan, maar ook het verschuldigde
over het loopende jaar. Verder moet hij zich behoorlijk gekweten
hebben van alle persoonlijke verplichtingen en verbindtenissen,
wettiglijk tegenover derden aangegaan, en geen rechterlijk vonnis of
aanklacht tot zijn last hebben. Hij moet al verder zorg dragen voor
het onderhoud van al die leden zijner familie, die in de gemeente
achterblijven, en die nog niet of niet meer in hun eigen onderhoud
kunnen voorzien; en voorts alle achterstallige renten voor zijn
grond aan den landheer hebben aangezuiverd. Eindelijk moet hij
een schriftelijk bewijs overleggen, waaruit blijkt dat eene andere
gemeente hem als lid wil opnemen, of dat hij eigenaar geworden is
van een stuk lands, gelijkstaande met tweemaal zijn aandeel, in de
onmiddellijke nabijheid der genoemde gemeente. Deze bepalingen, die
slechts voorloopig van kracht zijn, werden voldoende geacht om den
boer aan zijne woonplaats te verbinden. Of zij inderdaad den boer
van zijne ingewortelde voorliefde voor een zwervend leven zullen
afbrengen,--ziedaar eene vraag, waarop alleen de tijd een afdoend
antwoord geven kan.
Als bij al dergelijke groote hervormingen, toonden zich ook hier de
belanghebbende partijen aanvankelijk het minst voldaan. De lijfeigenen
hadden te veel gekregen, beweerde de een; de heeren hadden te veel
behouden, klaagde de ander. In verscheidene provinciën wilden de
boeren niet naar de voorlezing van het keizerlijk edikt in de kerk
luisteren. Zij beweerden dat de pope hen misleidde; dat hij, door de
edelen omgekocht of verschrikt, den tsaar verried, en hun een valsch
stuk voorlas, door de heeren opgesteld. Dwepers en bedriegers maakten
van deze stemming gebruik, om oproer te stoken; en hier en daar, vooral
in de vroegere poolsche provinciën, barstten inderdaad meer of minder
ernstige opstanden uit, die met kracht moesten worden onderdrukt.
Met name was dit het geval in de welvarende provincie Penza, waar
een onbekende, naar men zegt een zekere Egortsoff, van de sekte der
Melkëters, zich voor den grootvorst Konstantijn, den broeder van
keizer Nikolaas, uitgaf. De gewaande grootvorst plantte de roode
vlag, verzamelde talrijke troepen boeren, en vervulde de gansche
landstreek met schrik en ontsteltenis. De opstandelingen werden door
de militaire macht uiteengedreven, en strenge strafoefeningen volgden;
maar toch werd de rust niet hersteld, voordat de keizer zelf zich
in de provincie vertoonde. Hij ontbood de oudsten van de omliggende
dorpen, en sprak tot hen eenige wijze en troostrijke woorden. "Ik
heb u al de vrijheden geschonken, die u bij de wet zijn gewaarborgd;
maar ik heb u geene andere vrijheden gegeven, die niet in de wet zijn
genoemd." Het was waarschijnlijk wel voor het eerst, dat de boeren
vernamen, dat de wil des keizers door de wet beperkt was.