De dusgenoemde lijfeigenschap in Rusland was geheel iets anders dan
het stelsel van eigenhoorigheid, dat eeuwen lang in de verschillende
landen van het Westen heeft bestaan. De woorden hoorige, villain,
aldion, colonus, fiscal, homme de pooste, beteekenden, in de
verschillende talen van westelijk Europa, een man, die niet zijn eigen
heer was, maar aan een meester behoorde, en volgens de wet verplicht
was, dezen, op zeer verschillende wijze en in zeer verschillende mate,
te dienen; waar tegenover de heer gehouden was, hem te beschermen en
recht te doen. In hoofdtrekken was deze verhouding overal dezelfde. De
hoorige was doorgaans graver of houthakker, landbouwer of herder: ruw
en hard als de grond, dien hij ontginnen, onontwikkeld en dierlijk,
als het vee, dat hij hoeden moest. Ook de lijfeigene mocht zijn
heer niet verlaten, en evenmin de woning of den akker, die hem was
aangewezen. Daar stond tegenover, dat ook zijn heer hem bescherming
schuldig was, en hem niet van den akker verjagen mocht; hoewel hij
het recht had, hem te slaan, in de gevangenis te werpen, somwijlen
zelfs te dooden, en den man met den grond waarop hij behoorde mocht
verkoopen.--Maar hier houdt de gelijkenis tusschen den hoorige en den
lijfeigene op. Het kwam nimmer iemand in de gedachte, de hoorigen
te beschouwen als de eigenlijke eigenaars van de akkers, die zij
bebouwden; en in geen enkel land ging de vrijmaking dezer klasse
gepaard met een afstand van grondbezit. De russische lijfeigenschap
had een geheel anderen oorsprong en ontstond door geheel andere
omstandigheden. De groote emancipatie, waardoor keizer Alexander zijne
regeering onsterfelijk heeft gemaakt, kan alleen recht begrepen en
gewaardeerd worden, als wij ons rekenschap hebben gegeven van den
waren aard dezer lijfeigenschap; en van de oorzaken, die tot hare
vestiging hebben geleid.
In de bibliotheek van de Akademie van Wetenschappen te Petersburg toont
men u een oud handschrift--het oudste, naar men zegt--van Nestors
Kroniek, versierd met een aantal fraaie teekeningen en miniaturen,
die tot opheldering van den tekst moeten dienen. Dit handschrift is
bekend onder den naam van den codex van Radziwill. Nestor schreef
hun boek te Kiew, ruim honderd jaren voor de inneming dier stad door
Batoe-Khan; en de teekeningen in dezen codex geven u de oude Russen te
aanschouwen in hunne kleeding, hunne wapenrusting, in hun huiselijk
en openbaar leven. Waren zij nu, in dien ouden tijd Aziaten, met een
mantel en een muts van schapenvacht? Volstrekt niet: de russische
bojaar ging gekleed als een duitsch ridder; de russische moujik zag
er niets anders uit dan een engelsche boer.
Ten tijde van Nestor waren de Russen een vrij volk, geregeerd hetzij
door erfelijke hoofden, hetzij door verkozen overheden. Zij leefden
rustig en vreedzaam van landbouw en handel; in de westelijke provinciën
waren zij meest in steden gevestigd; in de oostelijke en zuidelijke
streken, leefden zij voornamelijk in hutten en tenten. Nowgorod,
Pskow en Hlynow waren vrije steden, met zelfgekozen magistraten:
kleine republieken, zooals Florence en Pisa, Hamburg en Lubeck. In
die dagen bestonden er geen lijfeigenen en dacht ook niemand aan de
invoering van zulk een stelsel. Maar dit oude Rusland viel onder de
macht der Mongolen. In den grooten veldslag aan de Kalka werd de kracht
der natie verbroken: en honderd-tachtig jaren lang worstelde zij, in
wanhopigen kamp, met de verpletterende overmacht; in die doodelijke
worsteling werden hare velden verwoest, hare steden geplunderd,
hare landlieden uit huis en hof verjaagd en naar de wouden en de
steppen verdreven. Nog had zij zich niet van dezen geweldigen slag
hersteld, toen Timoer-Beg met zijne heerscharen het land overstroomde:
wel een man van hooger ontwikkeling dan Batoe-Khan, een geleerde,
een kunstenaar, een staatsman: maar toch, in zijn gansche wezen
en aanleg, een Oosterling, een Aziaat. Timoer voerde in Rusland
de wet van Mekka in, benevens de kunst van Samarkand en de poëzie
van Ispahan. Zijne begs en mirzas waren beschaafde ridderlijke
mannen. In de door hem gestichte khanaten langs de Wolga en in de
Krim heerschte een pracht, een weelde, een fijne toon en beschaving,
die ge te vergeefs zoudt hebben gezocht aan de hoven der nationale
vorsten te Moskou, te Kazan, te Twer. De vorsten en bojaren werden
de leenmannen van den Khan der Tartaren in de Krim, bekend onder den
naam van den Grooten-Khan; zij zwoeren hem trouw, betaalden hem een
jaarlijksche schatting, en trachtten zich bij hem aangenaam te maken
door hem in kleeding en wapenrusting na te volgen. De nederigste
vazallen van dien Grooten-Khan waren de grootvorsten van Moskovië,
die zich zelf zijne slaven noemden, en dit ook inderdaad waren. Zij
hielden den stijgbeugel als hij voor zijn paleis te paard steeg, en
gaven zijn ros te eten uit hunne tartaarsche mutsen; zij bootsten hem
na in manieren en levenswijze, en noemden zich naar zijn naam. Hunne
soldaten, die zij met zijne vergunning in het veld brachten, waren op
tartaarsche wijze uitgerust en gewapend. Zij vochten voor hem tegen
hun eigen land, en brachten de vrije republieken in het noorden,
die onbereikbaar waren voor zijne ruiterij, onder het juk.
Deze slaafsche onderwerping van grootvorsten en bojaren aan den
Grooten-Khan was een schrikkelijke ramp voor den armen landman,
die voortdurend gevaar liep zijn akker te zien vernield, zijn huis
in de asch gelegd, het kruis in zijn dorp ontwijd, door stroopende
ruiterbenden. Want een tartaarsche Khan, ook al plantte hij zijn
banier aan de oevers van een grooten stroom, als te Kazan, of in eene
romantische vallei als de Baktshi-Seraï, bleef toch in zijn hart
een nomade en een ruiter, wiens eigenlijke plaats de zadel, wiens
geliefkoosde woning de tent was. De geringste aanleiding was voldoende
om zijn bloed te doen koken; en wanneer hij eenmaal de voeten in de
stijgbeugels had gezet, was het voor herders en dorpelingen een harde
taak, om den stoot van zijne geweldige lans te keeren. Een wolk van
vuur ging voor hem uit; rookende puinen en vertrapte akkers teekenden
zijn bloedig spoor. Niemand kon met eenige zekerheid weten, dat hij
oogsten zou wat zijne hand had gezaaid: was niet een oneerbiedig
gebaar, een vrijmoedig woord van zijn vorst voldoende, om den
vernielenden wervelwind der tartaarsche ruiterij over zijne akkers
los te laten? Wat bleef hem dan anders over dan te vluchten? Kwam
die plage nu jaar op jaar terug, dan verliet hij eindelijk zijne
hut en zijn akker; nu eens werkende, dan weder bedelende, voorzag
hij in zijn onderhoud; maar hij was en bleef een zwerver, aan geene
vaste woonplaats gebonden. Soms werd hij een pelgrim, soms ook een
herder, maar doorgaans niet anders dan een landlooper. Om zich met
meer vrijheid en veiligheid te kunnen bewegen, nam hij de tartaarsche
kleeding aan: hij wikkelde zich in een mantel van schapenvacht, met een
gordel saamgebonden, en zette zich een muts van schapenvacht op het
hoofd. Waarom zou hij zijn land beploegen, terwijl anderen de vracht
zouden plukken of den rijpenden oogst vernielen? De russische boer
werd een zwerver en vagebond om dezelfde redenen, waarom de fellah
in Syrië een vagebond wordt, wanneer zijn oogst telken jare door de
zwervende Bedouïnen wordt geroofd.
Toen Iwan IV, na van de tartaarsche begs de kunst van vechten en
regeering te hebben geleerd, de khanaten van Kazan en Astrakhan
veroverde, en den Grooten-Khan van Baktshi-Seraï durfde tarten, zag
hij zich als onafhankelijk vorst geplaatst aan het hoofd van een land,
rijk aan natuurlijke hulpbronnen van allerlei aard, maar met verwoeste
velden, vernielde dorpen, eene verstrooide bevolking en onveilige
wegen. Het land was wel niet ontvolkt, maar de landlieden hadden den
zin voor en de gehechtheid aan eigen huis en haard verloren, en de
moujiks trokken om van stad tot stad. Hier waren de arbeidsloonen
buitensporig hoog, elders waren er handen te veel. De helft van het
land, zelfs in de welvarende provinciën, lag braak; en geen jaar ging
voorbij, zonder dat eene of andere landstreek door hongersnood en
door de daarop volgende epidemische ziekten geteisterd werd. Aan dien
toestand was geen einde te maken, tenzij dan een middel gevonden werd
om de nu zwervende bevolking weder aan vaste woonplaatsen te binden.
De vraag, hoe dit geschieden kon, baarde, zeventig jaren lang, aan
het hof in de Kremlin meer zorg en hoofdbreken dan de kerkelijke
twisten, de tartaarsche invallen en de paleis-omwentelingen: hoewel
in dat tijdvak van zeventig jaren, de Groote-Khan een gedeelte van
Moskou in de asch legde, Dimitri, de wettige erfgenaam des troons,
werd vermoord, en Boris Godounoff, de overweldiger, zich de kroon op
het hoofd drukte. Iwan IV zelf deed wat hij kon om de boeren tot den
terugkeer naar hunne verlaten hoeven en akkers te bewegen: hij schonk
vele domeinen der kroon weg; hij liet voor zijn eigen rekening dorpen
bouwen; bedreigingen, vleiereien, beloften, straffen, geweld--niets
werd gespaard om zijne onderdanen tot orde en geregelden arbeid
te dwingen. Ofschoon deze hervormer ook nooit het woord lijfeigene
(krepostnoi, een gebondene) gebruikte, is hij niettemin de wezenlijke
stichter van dat stelsel van russische lijfeigenschap, dat thans tot
het verledene behoort.
In de prachtige zaal van het Kremlin, de schatkamer van Moskou genoemd,
ziet men een schitterend uitgedoste en geheel gewapente ruiterfiguur,
een bojaar uit den tijd van Iwan IV voorstellende. Wapens, kleeding,
sieraden, in één woord de geheele uitrusting is die van een mirza of
tartaarschen edelman; de inscriptie op het uitgetogen damasceensche
zwaard meldt den vromen rechtgeloovigen Rus, dat er maar één God,
en dat Mohammed zijn profeet is! Toch is het beeld wel waarlijk dat
van een bojaar uit de tijden van Iwan IV.
Onder de lange reeks van russische souvereinen is er misschien geen,
wiens leven en karakter zooveel raadselachtigs heeft als dat van dezen
Iwan IV. Ondanks zijne vele wreedheden en gruweldaden, wordt hij door
zeer vele geschiedschrijvers toch als een bekwaam hervormer en een
vaderlandslievend vorst geroemd: en inderdaad moet de onpartijdige
kritiek hem in menig opzicht prijzen. Hem danken de Moskovieten hunne
verlossing van het tartaarsche juk; hij was het, die het koningrijk
Kazan, Siberië en het khanaat van Astrakhan veroverde en bij zijn rijk
voegde. Langs al zijne grenzen deed hij de Halve-Maan zwichten voor
het Kruis. Met Zweden en Polen voerde hij een niet onvoordeeligen,
dikwijls zelfs schitterenden oorlog. Hij stelde zijn land open
voor den buitenlandschen handel; hij bouwde havens langs de kusten
der Oostzee, der Kaspische- en der IJszee. Hij voerde in zijn rijk
allerlei hervormingen en verbeteringen in. Hij liet drukkers komen
van de boorden van den Rijn, en liet de Handelingen der Apostelen
in de landtaal uitgeven. Hij ontbood bekwame geneesheeren uit
Frankfort, ervaren werklieden in hout en metaal uit Londen. In de
stad Wologda liet hij door scheepstimmerlieden schuiten en vlotten
vervaardigen, waardoor hij eene gemakkelijke gemeenschap met de zee
kon onderhouden. Hij riep de voornaamste edelen en aanzienlijkste
burgers tot een soort van parlement te zamen, om met hen maatregelen
te beramen tot bevordering van het algemeen belang. De overleveringen
en overgeërfde gebruiken, die tot dusverre bij de rechtspleging
als richtsnoer hadden gediend, werden op zijn bevel in een wetboek
bijeengebracht en geordend. Hij verbood de bedelarij in zijn rijk,
hervormde de geestelijkheid, en liet eene voor allen geldende
belijdenis des geloofs vaststellen.
Iwan was een woestaard, maar hij was ontegenzeggelijk populair; hij
was vreeselijk en geducht, maar voornamelijk voor de aanzienlijken
en de rijken. Als een echte tartaarsche Khan, aarzelde hij nooit,
ten behoeve zijner hervormingen, geweld en onrecht te plegen;
hij leide den bojaren en kooplieden willekeurige schattingen op,
maar liet op zijne kosten dorpen en woningen voor de boeren bouwen;
hij vernietigde de onafhankelijkheid der vrije steden, maar schonk
aan duizenden armen woning op de gronden van den staat. Hij brak de
macht van den adel als heerschenden stand, en stelde, in de plaats
der vorsten en bojaren, regeeringsbeambten aan; hij regeerde door
middel van den knoet, maar trachtte ook te regeeren door middel van
de drukpers; hij verwoestte Nowgorod en Pskow, maar bouwde ook eene
menigte kerken, dorpen en heiligdommen. Zoowel door natuurlijken
aanleg als uit staatkundige berekening, was hij een groot bouwer:
hij vond een rijk van hout en boomstammen, en wilde aan zijn zoon
een rijk van steenen huizen nalaten. Niet minder dan veertig steenen
kerken en zestig steenen kloosters verrezen op zijn bevel. Hij bouwde
de merkwaardige kerk van Sint-Wassili, nabij den muur van het Kremlin,
en wijdde die aan den heiligen patroon zijns vaders. Naar men zegt,
stichtte hij honderdvijftig sterke kasteelen, en meer dan driehonderd
gemeenten.
Wenschende zijn volk te beschaven en aan vaste woonplaatsen te
gewennen, bootste de hervormer zooveel mogelijk de instellingen
en gebruiken na der tartaarsche landen, die hij aan zijn schepter
onderworpen had. Kazan en Baktshi-Seraï waren vrij wat prachtiger en
rijker steden dan Wladimir en Moskou; en de armste mirza aan het hof
van den Grooten-Khan was veel schitterender uitgedost en veel beter
gewapend dan de aanzienlijkste bojaar aan Iwans hof.
Iwan begon zijn hervormingswerk door zijn rijk in twee deelen te
verdeelen: een daarvan bleef onderworpen aan zijn persoonlijk bestuur;
het andere werd in zijn naam geregeerd door stadhouders, met dezelfde
macht bekleed als de tartaarsche begs. Hij richtte een staand leger op,
destijds bijna het eenige in Europa, dat hij wapende en uitrustte naar
tartaarsche wijze. Hij vormde zich een bijzondere lijfwacht, die de
tartaarsche tafia droeg, een hoofddeksel dat geen Christenmensch in
zijne staten zich veroorlooven mocht te dragen. Evenals de Groote-Khan
richtte hij een gedeelte van zijn paleis tot harem in, en sloot daar
zijne vrouwen en dochters op, die zich niet in het openbaar mochten
vertoonen; tevens werd de toegang tot zijn hof ten strengste aan alle
vrouwen verboden. Zijne vorsten en bojaren volgden zijn voorbeeld;
en het duurde niet lang, of iedere eenigszins aanzienlijke woning had
een harem, en de afzondering der vrouwen was te Moskou niet minder
streng dan te Bokhara of te Bagdad.
Deze gewoonten bleven in stand tot op den tijd van Peter den
Groote. Het rijk werd geregeerd door provinciale begs of stadhouders,
onder den naam van bojaren en woywoden; het leger was gekleed en
gewapend als de turksche troepen; en de vrouwen waren in de harems
opgesloten, evenals de odalisken van den sultan. Peter schafte deze
tartaarsche zeden en gebruiken af; hij opende den keizerlijken harem,
vertoonde zich met de Tsarin in het openbaar, en noodigde de dames uit,
weder aan het hof te verschijnen. Toch is er in het russische leven,
bijzonder ten platten lande en in de kleine steden, nog iets van die
muzelmansche gewoonten overgebleven. Evenals iedere aanzienlijke woning
haar eigen harem had--het vrouwenverblijf, dat door geen vreemdeling
mocht betreden worden; zoo had elke aanzienlijke familie ook eene
afzonderlijke begraafplaats voor hare vrouwelijke leden. Sommige
van deze oude begraafplaatsen, zijn in kloosters herschapen,
nog tot heden in stand gebleven; bijvoorbeeld Novo-Devictchie, het
jonkvrouwenklooster, in eene der voorsteden van Moskou, en het klooster
der Hemelvaart in het Kremlin, nabij de Heilige-poort: dit laatste was
bijkans twee eeuwen lang, van den tijd van Iwan den Verschrikkelijke
tot op Peter den Groote, de begraafplaats der Tsarinnen.
Iwan verstond uitnemend de kunst om, door allerlei listen en intriges,
verdeeldheid te zaaien tusschen zijne hertogen en bojaren; en wanneer
de twist dan eindelijk zoo hoog geloopen was, dat de beide partijen
elkander beschuldigden, maakte hij behendiglijk daarvan gebruik om
beiden ten verderve te brengen. Langzamerhand wist hij de adellijke
geslachten van al hunne historische rechten en privilegiën te berooven;
hij dwong zijne grooten, gunsten en voorrechten van hem, als zijne
slaven, te ontvangen. De mannen, die hij om hun rang en invloed
in het openbaar moest ontzien, zond hij, schijnbaar met gewichtige
zendingen, naar verwijderde landstreken; op die wijze de personen, die
hij gevaarlijk achtte, door een soort van ballingschap onschadelijk
makende. De macht zijner hertogen werd geknot; de schatten zijner
bojaren werden verbeurd verklaard. Het getal der vorsten was te groot,
om ook hen onder het juk te brengen: want ten tijde van Iwan was er
onder de drie ingezetenen van Moskou althans één, die den titel van
vorst droeg; en het was niets zeldzaam, deze vorsten de nederigste
diensten te zien verrichten. Van de aloude hertogelijke dynastiën
waren er maar enkelen, die zijne regeering overleefden: slechts de
Narishkins, de Dolgourouckis, de Galitzins en nog ettelijke anderen
ontkwamen aan den ondergang; en deze doorluchtige, historische
familiën zien nog heden met zekere voornaamheid op de regeerende
keizerlijke dynastie neder. De Narishkins zijn door huwelijken aan
het huis van Romanoff verwant. Een lid dezer familie, wien de titel
van keizerlijke hoogheid werd aangeboden, sloeg dit aanbod af, en
sprak op trotschen toon tot zijn souverein: "Neen, sire: ik ben een
Narishkin."--Toen Peter Dolgouroucki vernam, dat de keizer hem van
den vorstelijken rang vervallen had verklaard, ontzag hij zich niet
aan zijne, majesteit te schrijven: "Hoe kunt gij mij vernederen? Kunt
gij mij mijne voorouders ontnemen, die grootvorsten van Rusland waren,
toen de uwe nog niet eenmaal graven waren van Holstein-Gottorp?"
Moskou werd geregeerd als een tartaarsch kamp. De soldaten van Iwans
lijfwacht zwierven door de straten, met hunne tartaarsche mutsen op
het hoofd, en mishandelden de ingezetenen, zonder onderscheid van rang
of stand, bojaren zoo goed als burgers, moujiks en boeren, als hadden
zij te doen met lieden van een anderen stam en een ander geloof. Zij
plunderden de huizen, zij voerden de vrouwen weg, zij vermoordden de
mannen: in één woord, zij bedreven zoo groote buitensporigheden, dat
een vreemdeling, die een troep dezer soldaten in de tartaarsche wijk
of onder de muren van het Kremlin ontmoette, niet anders denken kon,
dan dat de stad ter plundering aan de soldaten was prijs gegeven.
Dit streven om het rijk, naar tartaarsche beginselen en op tartaarsche
wijze, te hervormen, lokte een hevigen tegenstand van de zijde der
kerk uit; de patriarch Athanasius trok zich terug; Germanus werd
afgezet en Sint Philippus vermoord, ter zake van hun verzet tegen
den tsaar. Sint-Philippus was de martelaar van Rusland; hij viel
als het slachtoffer van den onverschrokken moed, waarmede hij de
traditiën van zijn land en zijne kerk verdedigde tegen den tsaar,
die alles naar zijne tartaarsche denkbeelden wilde dwingen. Wanneer
ge ook de groote kathedraal der Hemelvaart te Moskou bezoekt, steeds
zult ge eene menigte mannen en vrouwen, in eerbiedige aandacht,
geknield vinden voor een prachtig zilveren monument. Het is het graf
van Sint-Philippus, martelaar en heilige; en steeds verdringt zich
de schare om de relikwiën van den heilige te kussen. De moord van
dezen man is een dier nationale misdaden, die door eene eeuwenlange
boete niet worden verzoend en uitgewischt. De boeteling bidt en vast
in zijn naam; ontsteekt te zijner eere zijne kaarsen; en zucht en
smeekt, neergebogen voor zijn graf, als zocht hij vergeving voor een
persoonlijk vergrijp.
De strijd tusschen Philippus en Iwan, tusschen de christelijke kerk
en den tartaarschen despoot, beslaat zeker een van de roemrijkste
bladzijden in de geschiedenis der kerk van Rusland. Slaan wij die
bladzijde even op.
In den eersten tijd der regeering van Iwan IV (1539) landde een
pelgrim, armoedig gekleed en zonder geld, maar van een innemend
voorkomen, aan het klooster te Solowetsk. Hij kwam daar om te bidden:
maar na eene korte pooze op het eiland vertoefd te hebben, legde hij
de gelofte af en werd monnik. Onder den naam van Philippus leefde
hij negen of tien jaren lang in zijne eenvoudige cel. De monniken,
zijne broederen, bespeurden echter wel, dat er achter dat armelijke
voorkomen een of ander geheim school: zijne geleerdheid, zijne
manieren: alles deed in hem den man vermoeden, die tot de hoogste
rangen der maatschappij behoorde. Maar de nederige broeder bewaarde
over zijn vroeger leven een diep stilzwijgen. Negen jaren na zijne
intrede in het klooster kwam de prior te sterven, en hij werd met
algemeene stemmen tot die waardigheid verheven.
Toch hadden de broederen gelijk: deze man was geen gewone monnik. Tot
de aanzienlijkste geslachten in Moskou behoorde destijds ook de familie
Kolitcheff; aan het hoofd van dat geslacht werd een zoon geboren,
die den naam van Feodor ontving, en erfgenaam was, niet alleen van
uitgestrekte bezittingen, maar ook van een beroemden naam. Van zijne
vrome moeder ontving het kind eene godvruchtige opvoeding: zij leerde
hem in de levens der heiligen lezen, zij leerde hem bidden en nam
den knaap trouw met zich naar de mis, waar zij hem het voorbeeld gaf
van heilige aandacht. Maar uit edel bloed gesproten en geroepen om
zijn vorst te dienen, leerde Feodor ook rijden en schermen, jagen
en schieten, en onderwees men hem tevens in de kunst om de goederen
zijner familie, bosschen en pachthoeven en landerijen, met al wat
daartoe behoorde, naar den eisch te besturen. Op zes-en-twintigjarigen
ouderdom werd hij aan den toen vierjarigen Iwan voorgesteld; en daar
de jonge prins bijzondere genegenheid voor hem opvatte, was hij zeer
dikwijls ten hove, bewonderd door alle vrouwen, benijd door zeer
vele mannen. Feodor Kolitcheff had, zoo scheen het, eenvoudig aan
het hof te blijven, om eenmaal tot de hoogste betrekkingen geroepen
te worden. Maar zijn hart was altijd vreemd aan het leven, dat hij
dus leidde; het Kremlin was een brandpunt van allerlei intriges en
kuiperijen; de streek rondom de stad werd, door de snoodste misdaden,
in voortdurende spanning en onrust gehouden. Smartelijk getroffen door
wat hij hoorde en zag, wenschte de benijde gunsteling naar de rust
van een heilig, godgewijd leven; eindelijk vertrok hij in stilte,
al zijne bezittingen achterlatende, en wandelde, in het eenvoudige
pelgrimskleed gehuld, de poorten van Moskou uit. Met zijn staf
in de hand, baande hij zich een weg door de onbezochte wouden van
het noorden; nu eens vertoevende in eene boerenhut, waar hij, voor
eene bete broods, op het land ging werken; dan op een vlot de Dwina
afzakkende, en zijn overtocht betalende door zelf mede te roeien. Zoo
kwam hij te Solowetsk, waar hij achtervolgens monnik, priester, prior
werd, zonder het geheim zijner edele geboorte en zijner betrekking
aan het hof te verraden.
Aan het hoofd der broederen geplaatst, werd het zijn ernstig streven om
het klooster in zijn ouden luister en glans te herstellen. Hij kleedde
zich in de pij van Zosimus, en richtte een gedenkteeken op boven het
graf van Savatius. Deze mannen Gods ten voorbeeld nemende, voerde
hij den regel van ijverigen en voortdurenden arbeid in; hij stichtte
nieuwe werkplaatsen; hij verbeterde de visscherijen en pachthoeven;
hij liet steenen kapellen bouwen, en leerde aan sommige vaders de
kunst van schrijven en teekenen. Nog getuigt menig monument en menig
kunststuk in het klooster van zijn ijver en zijne werkzaamheid. Maar
te midden van dezen arbeid werd Philippus uit zijn stille cel in de
Witte-zee geroepen, om een hooger en gevaarlijker zetel te bestijgen.
Iwan, die den ouden vriend zijner jeugd nog niet vergeten had,
raadpleegde hem dikwijls over staatszaken, en ontbood hem nu en
dan naar het Kremlin om zijne voorlichting in te winnen. Bij die
gelegenheden werd Philippus meermalen getroffen door de groote
verandering, die met den tsaar had plaats gegrepen. Iwan was niet
langer de vrome kruisridder van vroeger: hij was nu, op middelbaren
leeftijd, eene zonderlinge mengeling van een somberen dweepzieken
monnik en een woesten khan. Deze omkeer dagteekende van den dood
zijner gemalin en de verovering van Kazan; hij nam nu twee vrouwen
tegelijk ten huwelijk, kleedde zich als een Tartaar, en volgde in
alles het voorbeeld van een aziatisch despoot. Als ware hij het
opperhoofd der Gouden-Horde, trok hij door de straten van Moskou,
omringd van zijne trawanten, en last gevende, dien man te geeselen,
dezen te dooden. Het plein voor de Heilige-poort was rood van bloed;
en de gansche stad werd vervuld van schrik en ontzetting, van jammer
en rouw.
Twee grijze prelaten, die den tsaar zijn schandelijk gedrag hadden
durven verwijten, werden uit hun ambt verdreven; en in 1566 vestigde
Iwan zijne keus op den prior van Solowetsk, als op een man, die door
zijne uitnemende deugden zijne regeering nieuwen glans zou bijzetten,
zonder dat hij van hem strenge vermaningen of persoonlijke verwijten
had te duchten. Philippus trachtte die gevaarlijke eer van de hand
te wijzen: maar de tsaar eischte gehoorzaamheid, en met een bezwaard
gemoed verliet de prior zijn stil verblijf op het eiland, overtuigd
dat hij den marteldood tegemoet ging.
Iwan had zich in den monnik schromelijk vergist. Philippus was geen
hoveling, geen man om naar den mond der vorsten te spreken: want
onder zijne eenvoudige pij klopte een hart vol warm en edel gevoel;
zijn oog was niet blind voor hetgeen om hem voorviel, en het ontbrak
hem niet aan moed, om zijne overtuiging uit te spreken. Op zijne reis
naar Solowetsk naar Moskou kwam hij te Nowgorod, eene stad, die door
haar rijkdom, haar onafhankelijken zin en hare vrije instellingen,
in hooge mate den toorn van Iwan had opgewekt. Eene schaar van
burgers trok den prior tegemoet, en viel voor hem op de knieën, zijne
bescherming en voorspraak inroepende bij den tsaar, die openlijk
gedreigd had dat hij de stad zou verwoesten en met den grond gelijk
maken. Te Moskou gekomen, sprak hij tot Iwan als tot een zoon; hem
biddende en vermanende, zijne lijfwacht weg te zenden, zijne vreemde
gewoonten vaarwel te zeggen, een heilig leven te leiden, en zijn volk
in gerechtigheid te regeeren, naar het voorbeeld zijner voorgangers.
Iwan was teleurgesteld en verbitterd; hij verlangde een priester die
hem zegenen en ter wille zou zijn, niet een, die hem zijn plichten
voorhield. De dwingeland werd al heftiger en gewelddadiger; maar de
nieuwe metropolitaan hield niet af, hem met onuitputtelijk geduld en
zachten ernst te vermanen en tot den goeden weg, dien hij verlaten
had, terug te roepen. Eens, terwijl Philippus de mis bediende,
trad de tsaar met zijne lijfwacht, allen in tartaarsche kleeding,
de kerk binnen; de soldaten schaarden zich in het gelid, terwijl Iwan
zelf het heilige der heiligen naderde. Philippus ging met de dienst
voort, zonder op den tsaar acht te geven: een bojaar riep hem toe:
"Het is de tsaar!"--"Ik ken den tsaar niet," antwoordde Philippus,
"in zulk eene kleeding."--De tartaarsche muts, de tartaarsche zweep
vertoonden zich overal in het openbaar; de tartaarsche soldaten
der lijfwacht waren meester in de stad, waar zij zonder schroom de
grofste buitensporigheden bedreven. Zij kenden geen eerbied voor het
heilige, en gaven voortdurende ergernis door de minachting, waarmede
zij de heilige beelden en relikwieën behandelden. Bij gelegenheid
eener processie, merkte de metropolitaan een der hovelingen op, die
onbeschaamd zijne tartaarsche muts op het hoofd hield. "Wie is die
man," vroeg Philippus aan den tsaar, "dat hij met zijn tartaarsch
gewaad dezen heiligen dag ontwijdt?" De hoveling nam haastig zijne
muts af, en beweerde nu dat de metropolitaan hem valschelijk van
oneerbiedigheid beschuldigd had.--Daar allen, die in verdrukking of
zorgen verkeerden, tot den metropolitaan gingen om zijn raad en hulp
te vragen, betichtten de bojaren hem dat hij het volk tegen den vorst
opzette. Toen Iwan, in strijd met alle kerkelijke wetten, eene vierde
vrouw genomen had, weigerde de metropolitaan dit huwelijk te erkennen,
en vermaande hij den tsaar ernstiglijk zich van het heilig sakrament
te onthouden. Iwan ging des ondanks naar de kathedraal, nam daar zijn
zetel in, en zag somber voor zich heen. In plaats van op te houden,
om hem te zegenen, zooals de gewoonte medebrengt, ging Philippus met
de heilige dienst voort, tot een der hovelingen voor het altaar trad,
hem onbeschaamd in het gelaat zag, en op spottenden toon toevoegde:
"De tsaar vraagt uw zegen, priester!" Zonder op dien man te letten,
wendde Philippus zich nu tot Iwan, op zijn troon gezeten: "Vrome
tsaar," sprak hij zuchtend, "waarom zijt gij hier? In deze plaats
brengen wij Gode een heilig en onbloedig offer." Iwan dreigde met
woorden en gebaren. "Ik ben een vreemdeling en bijwoner op aarde,
zeide Philippus; ik ben bereid voor de waarheid te lijden."
Dat lijden bleef niet uit. Van het altaar weggesleept, van zijne
priesterlijke kleeding beroofd en in lompen gehuld, werd hij
met roeden gegeeseld, op een slede geworpen, en door de straten
rondgevoerd, beschimpt en gehoond door woeste soldaten, en straks
in een der geringste kloosters van de stad, in een duisteren kerker
opgesloten. De armen knielden in de straat als de slede voorbijging;
aller oogen waren nat van tranen, en aller stem werd door snikken
gesmoord. Philippus zegende hen, en sprak: "Treurt niet; het is Gods
wil; bidt! bidt!" In den kerker geworpen en met ketenen beladen, niet
enkel aan zijne enkels maar ook aan zijn hals, liet men hem zeven
dagen en nachten zonder eten of drinken, in de hoop dat hij sterven
zou. Een hoveling, die hem kwam bezoeken, zag, tot zijne verbazing,
dat hij nog leefde en in het gebed verzonken was. Zijne vrienden
en bloedverwanten werden gevangen en ter dood veroordeeld, om geen
andere reden, dan omdat zij tot zijn geslacht behoorden en zijn naam
droegen. Een bode van den tsaar trad Philippus' kerker binnen met
deze boodschap: "Toovenaar, kent gij dit hoofd?"--"Ja, antwoordde
de gevangene met van aandoening trillende stem, het is dat van mijn
neef Iwan."--Dag en nacht schoolde de menigte samen voor de deur van
het klooster, waar de eerwaardige bisschop gevangen werd gehouden,
tot de tsaar, vreezende dat er een oproer zou uitbarsten, hem in het
geheim naar een veiliger kerker in de stad Twer liet vervoeren.
Een jaar later, in 1569, trok Iwan met zijn leger naar Nowgorod om
aan die stad zijn wraak te koelen. Daar herinnerde hij zich, hoe
Philippus eenmaal bij hem ten voordeele van die stad had gesproken:
en de tiran zond een zijner handlangers naar Twer om den bisschop
te vermoorden. "Geef mij uw zegen," zeide de moordenaar, de cel
binnentredende. "Doe het werk, waarvoor uw meester u gezonden heeft,"
antwoordde de heilige man: en de snoode daad was spoedig volbracht.
Het lijk van den martelaar bleef eenige jaren te Twer, en werd
toen naar Solowetsk vervoerd. Daar rustte hij in het klooster tot
het jaar 1660, toen, onder de regeering van Alexis, den vader van
Peter den Groote, het fel geteisterde rijk door pest, hongersnood en
buitenlandsche oorlogen werd bezocht. In die dagen van benauwdheid
werd het lichaam van den heilige, met groote staatsie, naar Moskou
gebracht, om door deze plechtige daad van openbare boete den toorn
des hemels, wegens den gruwelijken moord, te verzoenen. De brief
van den tsaar, waarbij de overbrenging werd gelast, werd in de kerk
te Solowetsk overluid voor het graf van den martelaar gelezen; zijn
lichaam werd nog ongeschonden gevonden, als op den dag der begrafenis;
bij het openen der lijkkist, steeg daaruit, naar men zeide, een geur
van bloemen op. Een groote processie van monniken en pelgrims trok
met de kostbare relikwie van Archangel naar Moskou, waar Alexis den
stoet aan de poort van het Kremlin opwachtte en naar de kathedraal
geleidde. Daar werd het gewijde lichaam, op de plaats der eere, in
een prachtige zilveren tombe ter ruste gelegd; en nog heden ton dage
moet iedere keizer van Rusland, op den dag zijner kroning, voor deze
tombe de knieën buigen en de heilige overblijfselen kussen.