De jongste opstand in Polen was gedempt, en wederom werden gansche
scharen van gevangenen naar de uiterste grenzen van het rijk,
naar Archangel, naar den Kaukasus en Siberië gevoerd. Echter heeft
de tegenwoordige regeering het deportatie-stelsel aanmerkelijk
verzacht; en de openbare werken van Archangel hebben voor een poos
de plaats ingenomen, die vroeger, in de publieke opinie, aan de
beruchte mijnen van Siberië toekwam. Meen echter niet dat de groote
aziatische wildernis als plaats van verbanning is opgegeven: nog altijd
worden vele groote misdadigers en ook enkele ongelukkige staatkundige
overtreders naar gene zijde van den Oeral gezonden. Maar het stelsel
is in den laatsten tijd aanmerkelijk gewijzigd en verzacht; en de
naam van Siberië boezemt ook niet meer dien geheimzinnigen schrik
in, die vroeger daaraan onafscheidelijk was. Het is volstrekt geen
zeldzaamheid, geheele scharen van jongelieden te ontmoeten, die van
Mesen en Archangel uitgaan om de hellingen van den Oeral te beklimmen,
en hunne fortuin te gaan beproeven in Siberië.
De wetenschap heeft, immers voor een groot deel, de gewaande
verschrikkingen, die Siberië als een duistere nevel omhulden,
verdreven. Gemeenschapswegen zijn geopend en hebben met de inlandsche
stammen nadere betrekkingen aangeknoopt. Tomsk, waarvan de naam alleen
vroeger het bloed in de aderen verstijven deed, is nu gebleken eene
fraaie, aangename stad te zijn, schilderachtig gelegen in eene groene
vallei, aan den voet van statige heuvelen. Zij ligt niet ver van
Perm, dat bijna als eene verwijderde voorstad van Kazan kan worden
beschouwd. Binnen weinige maanden zal de spoorweg, die Perm met Tomsk
moet verbinden, gereed zijn.
Ook is men langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat aan eene
strafkolonie geen lang leven is bereid, of althans dat zij vrij
spoedig haar eigenlijk karakter verliezen moet. De mensch kan zich
overal eene woning bereiden: en zoodra die woning inderdaad de zijne
is, zijn eigen huiselijke haard, heeft zij ook daardoor opgehouden
zijn kerker te zijn. Het ligt in den aard van iedere strafkolonie,
dat zij eindelijk een gevaar oplevert voor het moederland: en een door
Polen bevolkt Siberië zou voor het russische rijk eene voortdurende
bedreiging zijn, een tweede Polen in het oosten. Zelfs nu zien sommige
al te bezorgde lieden met bekommering den tijd te gemoet, dat de
zonen der staatkundige ballingen alle invloedrijke posten in Azië
zullen bekleeden, en verbeelden zij zich dat Siberië eenmaal Rusland
behandelen zal, zooals de Vereenigde-Staten Engeland hebben behandeld.
De ballingen, die naar de grenzen gezonden worden, behooren tot alle
rangen en standen der maatschappij: edelen en burgers, geestelijken
en leeken, staatkundige misdadigers, moordenaars, bandieten, ketters,
valsche munters, scheurmakers; zij zijn of door den keizer, of door
de rechtbanken, of door de kerk veroordeeld. Zij, die op bevel van
den minister van politie of van den gouverneur eener provincie worden
gedeporteerd, worden niet in de gevangenis geworpen en ook niet tot
dwangarbeid verplicht. Zij staan tot op zekere hoogte onder toezicht
der politie; hunne namen worden in bijzondere registers ingeschreven,
en van tijd tot tijd moeten zij zich aan het politiebureau
aanmelden. Verder zijn zij vrij. Gij ontmoet hen in gezelschap,
en niets verraadt dat zij ballingen zijn, tenzij de meerdere
ontwikkeling van hun geest, en zekere voorzichtige terughouding in
hunne gesprekken. Zij die geen eigen middelen bezitten, oefenen het
beroep uit, waarvoor zij zijn opgeleid. Sommigen geven onderwijs in
muziek of talen; anderen vestigen zich als geneesheer of advokaat;
zeer velen zijn als secretarissen of klerken op de regeeringsbureaux
werkzaam. Ook bekleeden een aantal dezer gedeporteerden verschillende
betrekkingen in de dorpsbesturen. Op een mijner rijtoertjes bezocht
ik een twaalftal dorpen, waar al de vrederechters Polen waren.
Niet minder dan drieduizend opstandelingen, met de wapens in de hand
te Warschau gevangen genomen, werden naar Archangel gezonden. Sterk
door hun aantal, werden zij zoo overmoedig, dat een oproer onder hen
dreigde uit te barsten. De gouverneur liet in alle haast troepen uit
de aangrenzende provinciën komen; en het departement van oorlog zag
zich verplicht al de pruisische en oostenrijksche Polen, die men in de
eerste overhaasting naar de kusten der IJszee had gedeporteerd, vandaar
te verwijderen. Zij waren ingekwartierd in een groot geel gebouw,
dat vroeger, voor de overbrenging van het marine-etablissement naar
het zuiden, als tuighuis had gediend; hun lot, schoon hard genoeg,
was toch niet ongelukkiger dan dat der bevolking in wier midden
zij leefden. De officieren, die hunne dapperheid op prijs wisten te
stellen, behandelden hen met veel onderscheiding; zij mochten in hunne
vertrekken bezoeken ontvangen van eene commissie van te Archangel
gevestigde vreemdelingen. Hunne voeding liet niets te wenschen over;
en meer dan een arme schildwacht, die met het geweer in den arm voor
hunne deur stond, zal wel eens benijdende blikken hebben geworpen op
hunne overvloedige portiën soep en brood. Bij gedeelten zijn deze
gevangenen achtereenvolgens naar hunne haardsteden teruggevoerd:
sommigen mochten in den schoot hunner familie wederkeeren, anderen
alleen in de provincie, waar zij vroeger woonden. Zeer velen zijn
onvoorwaardelijk in vrijheid gesteld geworden; anderen mochten naar
Polen terugkeeren, behoudens deze ééne voorwaarde, dat zij niet naar
Warschau zouden gaan. Honderd misschien zijn nog in het arsenaal
achtergebleven, wachtende tot ook voor hen het uur der bevrijding zal
slaan. Hun lot is hard, voorzeker; maar in welk land is het lot van
een staatkundigen gevangene niet hard? In Virginië? of in Ierland? of
in Frankrijk?
Deze gevangenen worden nauwkeurig bewaakt, en de kansen van ontsnapping
zijn uiterst gering; ternauwernood zal het, in twaalf jaar, een
enkelen avonturier gelukken te ontkomen. Een onverschrokken Pool, die
veiligheidshalve naar de vesting Mesen, in plaats van naar Archangel,
een open stad, was gezonden, wist de waakzaamheid zijner wachters
te verschalken; sloop door de dichte pijnbosschen naar de zeekust;
hield zich in het woud verborgen, tot hij gelegenheid vond zich van
een visscherssloep meester te maken, en stak met dit brooze vaartuig
in zee, in de hoop van door een engelsch of zweedsch schip te worden
opgenomen. Vier dagen en vier nachten zwierf hij op de open zee,
tot in het gebeente verstijfd door den kouden adem van den ijzigen
noordschen nevel, en bovendien ten prooi aan de martelingen van honger
en dorst, tot hem de krachten ontzonken om de riemen te omklemmen. Nu
werd hij door het getij op het strand geworpen; tot stervens uitgeput,
mocht hij nog dankbaar zijn dat hij zijne vrijheid weder voor een stuk
brood inruilen kon. Toen de officier, aan wien het onderzoek der zaak
was opgedragen, te Mesen kwam, vond hij den ongelukkige half dood in
de gevangenis.
Uitgenomen het gedwongen verblijf in een vreemd en akelig land,
worden de poolsche opstandelingen, naar het schijnt, niet slecht
behandeld. Hun arbeid is niet zwaar, en hun daggeld hooger dan
dat der soldaten, die hen bewaken; sommigen, van hooger stand
en ontwikkeling, mogen in de steden als bedienden en schrijvers
werkzaam zijn. Vroeger mochten zij ook onderwijs geven in het dansen,
in muziek, in talen: maar deze vergunning is ingetrokken, op grond dat
zij meermalen misbruik hebben gemaakt van het vertrouwen der familiën,
waarmede zij op die wijze in aanraking kwamen. Laat men deze poolsche
malcontenten vrijelijk met de andere ingezetenen omgaan, dan is het
inderdaad ook niet gemakkelijk, hun invloed op de publieke opinie
te keeren; en al spoedig kunnen zich dan verschijnselen voordoen,
die eene argwanende politie recht geven tot de bewering dat de jeugd
bedorven wordt. Over het geheel genomen, staat toch de Pool hooger
dan de Rus. Hij is beter ontwikkeld, heeft grooter rijkdom van
denkbeelden, meer vindingskracht en scherpzinnigheid, en is beter
vertrouwd met de praktijk des levens. Zoodra hij zich ongehinderd
te midden zijner omgeving bewegen kan, is hij weldra, onwillekeurig
en als vanzelf, aller leidsman geworden. Hij kan hunne halfduistere
wenschen en begeerten onder woorden brengen, en hun den weg wijzen
om ook handelend op te treden. Gevangene, wordt hij klerk; balling,
wordt hij opzichter, onderwijzer--in één woord een voorganger. Zendt
men hem naar eene verwijderde provincie, dan zal hij ook daar, langzaam
maar zeker, zijne plaats weten in te nemen. Geen bevelschrift van de
politie kan hem zijne bekwaamheid ontnemen; en wanneer de straftijd is
afgeloopen, blijft hij als burger in de stad, waar hij een werkkring
gevonden heeft en misschien een huisgezin gegrondvest. Wellicht zal
hij een professoralen leerstoel bekleeden, of als rechter zitting
nemen; is hij militair geweest, dan wordt hij misschien bij den staf
van den generaal geplaatst.
Gedurende al dien tijd en ondanks al die veranderingen, laat hij
toch zijne hoop niet varen; in zijn hart blijft hij een Pool, en
de zoete droom der onafhankelijkheid, die hem reeds eenmaal zijne
vrijheid kostte, zweeft nog steeds voor zijn geest. Het land, dat
hem in dienst genomen heeft, kan nooit op hem rekenen. Komt er een
ure van gevaar, dan zal hij wellicht tot den vijand overloopen, en
van de hem verleende macht gebruik maken om de regeering doodelijk
te treffen. Zij kan hem nooit vertrouwen; zij ducht zijn tact, zijn
gevatheid, zijn geschiktheid voor den arbeid. Inderdaad kan zij hem
niet gebruiken, en toch ook wederom niet missen.
De Polen, die, na jaren ballingschap, weder in vrijheid zijn gesteld,
beginnen eene klasse op zichzelve, met hare eigene deugden en
hoedanigheden, te vormen:--deugden en hoedanigheden, die de natuurlijke
vrucht zijn, door bittere ondervindingen en lijden in dichterlijke
en prikkelbare naturen gerijpt. Deze lieden zijn bekend onder den
naam van de Siberiërs. Een Pool, met wien ik eenige dagen reisde,
behoorde mede tot hen; en van hem vernam ik eenige bijzonderheden,
die mij ook deze zijde van het eigenaardige leven der ballingschap
beter leerden kennen.
Mijn reismakker had eenige dichtregelen van een poolschen poëet
aangehaald. Hij is ook een der Siberiërs, zeide hij.
"Een van de Siberiërs?"
"Ja, hernam de Pool. In die gewesten woont een volk, waarvan de wereld
ternauwernood iets weet; een nieuw volk, mag ik wel zeggen: want
terwijl zij, wat het uiterlijk betreft, op de krijgslieden gelijken,
die weleer met Sobieski onder de muren van Weenen de Turken versloegen,
zijn zij naar den geest verwant aan de lijdzame en arbeidzame monniken,
die de heiligdommen van Solowetsk hebben gesticht. De tijd heeft hun
zijn machtigen invloed doen gevoelen en hen gerijpt. Kalm en ernstig,
zijn zij bij ons bekend onder de naam van de Siberiërs."
"Zijn zij van geboorte Polen?"
"Ja; en niet alleen door geboorte, ook naar geest en gemoed zijn zij
Polen. Het zijn onze zonen, die de vuurproef hebben ondergaan; onze
zonen, die wij nooit hadden gehoopt, aan deze zijde des grafs weder
te zien. Eens spraken wij van hen als van onze verloren kinderen. Als
vrienden in Polen van elkander afscheid nemen, dan is maar al te
dikwijls hun laatste woord: "Wij zien elkander nooit weer!"--En
vele jaren lang was zulk een afscheid ook meest voor eeuwig. Een
balling, die eenmaal over den Oeral was getrokken, keerde nimmer
terug; hij was voor ons als gestorven; wij rekenden hem tot onze
verloren kinderen. Heden is die droevige afscheidsgroet niet meer
dan eene herinnering aan het verledene; een nagalm van het lied,
aan de wateren van Babylon gezongen. Te Wilna, te Kazan, te Kiew,
in een aantal andere, ver van elkander verwijderde steden, zult gij
volkplantingen van Polen aantreffen, gelukkig en tevreden in den schoot
van hun gezin, en die uit het oord hunner verbanning zijn weergekeerd;
mannen van hooge geboorte en van nog hooger ontwikkeling; mannen,
die door de sneeuwvelden van Tomsk hebben gewaad, en naar het Westen
zijn teruggekomen, met een gelouterd hart, met een ernstig gestemden,
maar niet gebroken geest."
"Hebben zij zich, na de amnestie, met den keizer verzoend?"
"Zij hebben zich met God verzoend. Versta mij wel. Niemand twijfelt
er aan, dat de tegenwoordige keizer een braaf en edel man is,
rechtschapen genoeg om zijn plicht te kennen, en vast genoeg van
wil en karakter, om dien ook te volbrengen, hoevele moeilijkheden
en bezwaren hij ook op zijn weg moge ontmoeten. Maar God is meer dan
allen, en zijn Zoon stierf voor ons allen; Alexander is niet meer dan
een werktuig in zijne handen. Gij zult mij voor een mystieken dweeper
houden. Omdat mijne landgenooten nog aan eene hoogere macht gelooven,
worden zij door de Franken, die in niets meer gelooven, als droomers
en spiritualisten bespot. Het zij zoo. Wij droomen onze droomen,
wij achten op de teekenen der tijden, wij nemen onze godsdienst waar,
wij eerbiedigen onze kerk, wij gehoorzamen onzen God."
"Men heeft mij meermalen de Polen beschreven als vrouwen in de
vroomheid, als helden in den slag."
"Evenals al de jongelieden van mijn kring,--vervolgde hij, na
eene pauze,--nam ik deel aan den opstand van '48: eene ongelukkige
onderneming, die noch poolsch noch slavisch was. Die opstand was
uitsluitend het werk der Franschen. In mijne jeugd had ik, met een
vriend, het westen van Europa doorreisd; wij hadden aan de oevers van
den Rijn en de Seine vertoefd, waar wij de godsdienst onzer moeders
en van ons vaderland leerden vergeten, en over Polen begonnen te
spreken als over een tweede Frankrijk. Wij noemden ons republikeinen,
en hielden ons overtuigd, dat wij groote wijsgeeren waren; maar onze
afgod was Napoleon de Groote, onder wiens banier zoovelen onzer
landgenooten hun leven ten offer brachten. Wij haatten den tsaar,
en verfoeiden de Russen met geheel ons hart. Twee jaar voordat de
republiek in de straten van Parijs werd uitgeroepen, keerden wij
naar Warschau terug, in de hoop spoedig eene gelegenheid te zullen
vinden om de wapens tegen den tsaar te voeren. Maar de mogendheden
waren ons vóór geweest: op denzelfden dag, waarop ik voor de deur
mijner ouderlijke woning uit de tarantasse stapte, werd Krakau,
de laatste onzer vrije steden, bij Oostenrijk ingelijfd. Frankrijk
vleide en misleidde ons, met betuigingen van sympathie en beloften
van hulp; en in de geheime samenkomsten, waar onze jonge vrienden
zich vereenigden, moesten onze goede oude poolsche psalmen en spreuken
achterstaan voor de liederen en wachtwoorden van Parijs. Weleer zongen
wij Het Kind van Bethlehem: maar nu, nu wij onze hoop op vreemde
hulp hadden gesteld, nu hieven wij het oproerlied der Marseillaise
aan. Wij waren vreemdelingen geworden in ons eigen land, en het
hart onzes volks was niet met ons. De vrouwen trokken zich terug; de
geestelijkheid sloeg ons met wantrouwen gade; maar wij lachten over
de onpopulariteit onzer nieuwe leuzen. Wij maakten ons zelven diets,
dat wij die priesters en bekrompen dwazen best konden missen; mannen,
die altijd slaven, vrouwen die altijd dupes waren: wat golden zij
ons! En wat de groote menigte der burgers aangaat: die bakkers en
kruideniers,--op hen zagen wij met voorname minachting neder. Wie
had ooit gehoord, dat eene omwenteling door kaarsenmakers tot een
goed einde was gebracht? Wij waren edellieden: hoe zouden wij dan de
hulp en medewerking van zulke lieden kunnen aannemen?--Eindelijk kwam
het uur der droeve ontgoocheling. Dat Frankrijk, waarop de oogen van
iederen poolschen patriot met angstige spanning waren gevestigd, had
de republiek uitgeroepen: op deze tijding wierp een troep vroolijke
gasten, die met uitnemend talent een polka konden dansen, zich op de
russische kanonnen.... om dadelijk te worden weggemaaid. In de straat
onder den voet geraakt en gekwetst, werd ik in een huis gedragen;
en nadat mijne wonden waren verbonden, werd ik met een honderdtal
anderen naar het koninklijk slot gevoerd, om daar terecht te staan
voor een krijgsraad, die ons vervallen verklaarde van den adelstand,
en ons veroordeelde tot verbanning naar Siberië en levenslangen
dwangarbeid in de mijnen. Mijn vriend was met mij in het gevecht,
en deelde in mijn lot."
"Moest gij de reis te voet afleggen?"
"Neen, zeker niet. Keizer Nikolaas, hoewel onverbiddelijk streng van
karakter, was geen man om de wet te schenden. Zelf een geboren vorst,
koesterde hij een diepen eerbied voor de rechten der geboorte; en
daar een edelman niet op gelijken voet kon behandeld worden als een
landlooper of een lijfeigene, werd uitdrukkelijk bepaald dat onze
privilegiën ongeschonden van kracht moesten blijven, tot wij Tomsk
zouden hebben bereikt. Daar zat de permanente commissie voor Siberië,
die aan ieder zijn bepaalden werkkring in de mijnen aanwees. Wij reden
in een lichten wagen, die door drie sterke ponies getrokken werd; en
wanneer de wegen hard waren, legden wij tweehonderd wersten per dag
af. Onze voeten waren geboeid, zoodat wij dag noch nacht onze laarzen
konden uittrekken; maar de bewoners der steppe, die wij dus in ijlende
vaart doorvlogen, waren goed en vriendelijk jegens ons, als jegens alle
ballingen; zij gaven ons, half in het geheim, brood, gedroogde visch
en brandewijn. Zij wisten dat wij Polen waren; en hunne priesters zijn
over het algemeen maar al te zeer gewend, de Polen als vijanden van
God af te schilderen; maar de Russen, zelfs al zijn zij halve wilden,
zijn zeer teergevoelig. Zij kennen wel het onderscheid tusschen den
politieken balling en een dief; dit valt trouwens dadelijk in het oog:
want een dief en moordenaar krijgt een brandmerk op het voorhoofd en
op de beide wangen; een afschuwelijk zwart teeken, dat door niets kan
worden weggewischt; en zoo de boeren een Pool voor zeer slecht houden
omdat hij katholiek is, kunnen zij toch niet nalaten medelijden met
hem te hebben, als met een medemensch. Twee malen poogde ik uit de
mijnen te ontsnappen; en hoewel de poging beide keeren mislukte,
werd ik toch getroffen door de vriendelijke goedhartigheid van het
landvolk. Zij durfden mij niet openlijk in mijne vlucht behulpzaam
zijn, maar zij hielden zich dikwijls blind en doof; en meermalen,
wanneer ik, bezwijkende van honger en vertwijfeling, des nachts naar
eene of andere hut sloop, vond ik, in het vensterkozijn, eene portie
brood en visch en zelfs een glas brandewijn gereed staan."
"Wie had dat daar gezet?"
"Arme boeren hadden dat gedaan, voor wie brood en visch lang geen
artikelen van weelde zijn; zij deden dat om het lijden te verzachten
van een of anderen ongelukkige, zooals ik".
"Dus hebt gij toen het volk liefgekregen?"
"Dat niet; maar ik begon hen te begrijpen, en te erkennen dat zij
mijne broeders waren. Echter bleef mijn hart nog jaren lang voor hen
gesloten. Ik was een geleerde, zooals zij zeiden; en ik drong mijzelven
op, dat zij, dus den hongerige spijzende, niets anders deden dan wat
elke horde van wilden, door haar natuurlijk instinkt gedreven, eveneens
zou doen. Eindelijk kwam een arme priester, op een boerenkar gezeten,
de mijnen bezoeken. Reeds vóór zijne komst had ik van hem gehoord;
ik kende zijn naam, zijne zending, en ook de gevaren, waaraan hij
zich blootstelde; want Vader Paulus had geheel uit eigen beweging
zich aan deze taak gewijd; hij had aan dezen zendingsarbeid in de
sneeuwwoestijnen de voorkeur gegeven boven een koorstoel in eene of
andere kathedraal, omdat hij meende dat arme katholieke ballingen
meer behoefte hadden aan zijn hulp en troost, dan de vermogenden
en welgestelden naar de wereld. Ik had van anderen vernomen dat hij
geheel Siberië was doorgegaan, van de eene mijn naar de andere, om
bij de katholieke ballingen het geloof hunner kinderjaren levendig
te houden of weder op te wekken; om de mis te bedienen, de biecht af
te nemen, huwelijken in te zegenen en te doopen, en ook om de nieuw
gedolven graven te wijden. Toch had ik niet meer dan vluchtig aan hem
gedacht. Wat kon hij voor mij doen: een arme priester, uit eigen keuze
in de wildernis zich begravende, zonder invloedrijke betrekkingen,
zonder hooggeplaatste vrienden? Het was niet waarschijnlijk dat hij
een aanbidder van Napoleon zou wezen; en ongetwijfeld zou hij den naam
van Mazzini niet dan met afschuw uitspreken. Wat zou ik met zulk een
man kunnen spreken? De nacht toen hij aankwam, was het doordringend
koud; zijne slede was onderweg beschadigd; de wolven hadden hem
vervolgd. Door een zeker gevoel van medelijden en sympathie met
zijne hooge jaren en den ongelukkigen toestand waarin hij verkeerde,
gedreven, voegde ik mij bij hem in de houten schuur, waarin wij
ons verblijf hielden; en nauwelijks was hij een weinig tot zichzelf
gekomen, zelfs nog eer hij eenig voedsel genoten had, of hij begon,
op den meest eenvoudigen toon, tot ons te spreken over de liefde Gods,
waarin hij al zijne kracht en sterkte vond. Hij nam vervolgens deel
aan ons sober avondmaal van erwtensoep en zwart brood; legde zich
toen neder op een matras, en viel in slaap. Uren lang zat ik dien
nacht bij zijne legerstede, en staarde in dat kalme ernstige gelaat,
omlijst door die zilverwitte haren, die over het kussen vielen; op
die vermagerde handen, kruiselings op de borst gevouwen. Indien ooit
iemand in zijn slaap het aanschijn van een engel had, dan was het
wel vader Paulus. Zie, zulke mannen kweekt alleen de kerk van Christus.
Den volgenden dag bracht ik hem een bezoek, want onze opzichter had,
ter gelegenheid van zijne komst, aan de katholieke gevangenen vrijaf
gegeven; en toen sprak hij tot mij van mijn vaderland en van mijne
moeder, tot mijn hart week werd en de tranen mij langs de wangen
vloeiden. Toen een oogenblik ophoudende, zag hij mij aan, zooals mijn
vader mij zou hebben aangezien, en met innige teederheid mijne hand
drukkende, sprak hij op half fluisterenden toon: "Komt tot mij, gij
allen die vermoeid en beladen zijt, en ik zal u ruste geven.--Zalig
zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden.--Zalig zijn de
zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven."--Ik had deze
woorden wel honderdmaal gelezen, want ik hield van het Nieuwe-Testament
omdat het, zoo als ik toen meende, een demokratischen geest ademde;
maar nimmer had ik gevoeld, wat zij eigenlijk beteekenen, voordat ik
ze dus van de lippen van vader Paulus vernam. Op eenmaal werd het mij
duidelijk dat deze woorden ook persoonlijk tot mij gericht waren. Het
was of mijne moeder mij omzweefde. Ik leerde afstand doen van mijne
ijdele philosophie, en werd wederom den kinderen gelijk."
Mijn reismakker spreekt zacht, met eene welluidende stem, maar daar
is vastheid en diepe ernst in zijn toon; de klank zijner woorden
treft mij als muziek. Na eenige oogenblikken van stilzwijgen vroeg ik
hem, in hoever deze ommekeer in zijne denkwijze op zijne verhouding
tegenover de Russen van invloed was geweest.
"Een christen, antwoordde hij, is niet langer een dienstknecht des
vleesches. Zijne eerste gedachte is aan God gewijd; zijne tweede
aan de kinderen Gods, onverschillig of zij aan de boorden van den
Weichsel, aan den voet der Alpen, aan de kusten der IJszee, of waar
ook, wonen. Hij laat het zwaard over aan hen, die eenmaal door het
zwaard zullen vergaan. Zijn wapen is dat des Geestes, en hij wil de
wereld niet anders overwinnen dan door de liefde."
"Dus wilt gij het zwaard overlaten aan ieder, die vermetel en behendig
genoeg is om het te grijpen?
"Neen; ik heb het zwaard niet over te laten; God beschikt daarover,
en hij geeft het aan wien het hem behaagt, tot de volbrenging van zijn
heiligen wil. Het is eene ontzettende gift; en hij, die ze ontvangt,
kan nooit gelukkig zijn."
"Toch zijn er velen, die er naar haken."
"Dat is zoo. Hij die voor het eerst een vuur ziet, zal zich daaraan
branden. Bedenk in welk een gansch ander licht zich de oorlog vertoont,
als wij eens tot de overtuiging gekomen zijn dat alle menschen
inderdaad kinderen Gods zijn. Geen oorlog is denkbaar zonder dat er
iemand omkomt. Wie is die iemand? Zoudt gij u gaarne voorstellen dat
in eene andere wereld een noodlottige samenloop van omstandigheden
u in de noodzakelijkheid brengen kon, een engel te dooden?"
"Neen, stellig niet."
"Maar zijn menschen iets anders dan engelen, nu nog in lager sfeer
geplaatst? Wij oordeelen over de dingen, naarmate van onze persoonlijke
indrukken. De menschen zijn van nature blind, tot hunne oogen door
de liefde Gods geopend worden; en God is nabij de gebrokenen en
verslagenen van harte. Gansche scharen van Siberiërs zijn naar Polen
teruggekeerd; maar onder die allen is er nauwelijks een, die bij zijn
terugkeer dezelfde was als toen hij ging."
"Zij zijn ouder geworden."
"Zij zijn wijzer geworden. Vader Paulus, en priesters als Vader
Paulus--want hij staat niet alleen in zijn heilig werk--hebben niet
vergeefs gearbeid. Misschien moest ik zeggen, dat zij niet vergeefs
geleefd hebben: want niet de woorden die zij spreken, maar de leer die
zij door hunne daden verkondigen, is de goddelijke medicijn voor de
trotsche en gewonde harten der ballingen. De dichters en schrijvers
onder ons, die deze vuurproef hebben doorstaan, zijn kenbaar aan
hun gelouterden, ernstigen stijl; zij hebben voorgoed met Frankrijk
en de Franschen gebroken. Zij lezen ernstiger boeken, en spreken op
eenvoudigen, waarachtigen toon. Gij zoudt kunnen meenen dat het vuur
van hun geest gedoofd was, indien hunne liefde tot God en tot hun
vaderland u niet van het tegendeel overtuigde. Zij preeken niet veel,
maar zij doen des te meer; bovenal hebben zij het oog gevestigd op
alles wat hoog en edel is, al ligt dat ook verre; en met alle kracht
verzetten zij zich tegen nutteloos bloedvergieten. Zij kennen de
Russen beter; en zij hadden de amnestie en wat daarop volgde niet
noodig, om te gevoelen dat een zelfde broederband alle slavische
stammen vereenigt."
"Zijt gij een aanhanger van het Panslavisme?"
"Neen! Wij hebben behoefte aan eene minder kleingeestige staatkunde,
en vooral aan een hooger, edeler leuze. De panslavistische partij heeft
een muur opgetrokken rondom Kiew, en zij zou, indien zij het kon,
evenzoo een muur bouwen rondom Rusland. Zij heeft eene eigenaardige
voorliefde voor afsluitingen, voor muren en omwallingen. Zie
Moskou eens: een muur rondom het Kremlin; een tweede muur rondom de
tartaarsche wijk; nog een muur eindelijk om de eigenlijke stad. Wat
wij willen en wenschen, is de herleving der oude wapenkreet van
Sint-George--den patroon onzer oude Grootvorsten, onzer vrije steden
en onzer dierbare kerk!"
Sint-George is de geliefde beschermheilige van alle takken van
den slavischen volksstam, maar de Russen vooral wijden hem eene
bijzondere vereering. De aan hem gewijde dagen behooren tot hunne
voornaamste feestdagen: gelukkige dagen, waarop het goed is te koopen
en te verkoopen, te huwen en verbintenissen aan te gaan, een huis te
huren, een akker te pachten, een onderneming op touw te zetten. Twee
dagen in het jaar zijn aan Sint-George geheiligd: de eerste dag der
russische lente en de laatste dag van den herfst: dagen van vreugde
en uitspanning voor allen, die van de opbrengst der kudden of van den
akkerbouw leven. Op den eersten dezer beide dagen worden de stallen
geopend: het vee gaat naar de weide; de herder neemt zijn staf ter
hand; de boerenmeid maakt haar potten en pannen weder schoon. De
tweede dag is een soort van oogstfeest: de arbeid van het jaar is
geëindigd, de oogst is in de schuren geborgen, de kudden zijn weder
in de stallen opgesloten. Maar Sint-George wordt door de stedelingen
niet minder ijverig dan door het landvolk vereerd; zijn beeld prijkt
op bet zegel der vrije steden en oude gemeentelijke republieken; en
de figuur van den ridderlijken drakendooder was van ouds het symbool
hunner grootvorsten en hunner tsaars. Dit beeld sierde de moscovische
wapenschilden, eeuwen voor dat de dubbele arend in de russische banier
eene plaats vond. Het was Iwan III--dezelfde, die een aanvang maakte
met de vernietiging van de macht der bojaren en de onderwerping der
vrije steden,--die den dubbelen arend tot het wapenteeken van Rusland
maakte. Hij had dit zinnebeeld ontleend aan Byzantium; het werd een
symbool van zijn autokratisch gezag, en voor velen van zijn volk
een teeken dat de tsaar met zijn leger en zijne grooten zich aan den
duivel had overgegeven. De donkere, roofzieke, verscheurende vogel was
hun een zinnebeeld van den Booze, juist zooals de witte onschuldige
duif voor het zinnebeeld des Heiligen-Geestes gold. Om aan de angstige
bezorgdheid van zijn volk tegemoet te komen, werd Sint-George aan den
arend toegevoegd: en sedert dien tijd prijkt de christelijke ridder
op iedere russische banier en ieder russisch muntstuk.
Sint-George was de patroon van een landbouwend, vreedzaam volk; de
beschermheilige van een vroom, welvarend en vrij land; en wat hij
in vroegere tijden was, dat is hij nog in de nationale herinnering
gebleven. Als de beschermheilige der krijgslieden, staat hij bij
de vorsten en grooten niet minder hoog aangeschreven dan bij de
landlieden. Peter de Groote liet het beeld van Sint-George op zijn
zwaard graveeren; keizerin Catharina stichtte eene ridderorde, die
zijn naam voert; en keizer Nikolaas bouwde te zijner eer een prachtig
marmeren paleis. Het voornaamste aan hem geweide heiligdom is het
groote klooster te Nowgorod, dat jaarlijks door duizende pelgrims
bezocht wordt.