DE STEDEN--KIEW.

De steden hebben met de verdeeling van het land in kantons en

distrikten niets te maken; zij staan geheel op zich zelf, en worden

naar gansch andere beginselen en door andere wetten bestuurd. De burger

eener stad heeft het recht, dat een boer niet heeft, om vrijelijk

handel te drijven en een of ander bedrijf uit te oefenen; hij mag

lid worden eener broederschap of zich in een gilde doen opnemen;

maar hij is al evenzeer aan zijn bedrijf gebonden als de landbouwer

aan den hem toegewezen grond. Zijne woning is dikwijls uit planken

getimmerd, zijne straten zijn met hout geplaveid; maar die woning

is groen of rooskleurig geschilderd, en die straten zijn ruim en

netjes onderhouden. De stad is niet vrij, en heeft niet het recht,

zich zelf naar eigen inzettingen te besturen: zij staat rechtstreeks

onder het gezag der regeering; het dorp is eene kleine republiek, de

stad is een onderdeel van het rijk en als zoodanig aan de algemeene

rijkswet ondergeschikt.

Met uitzondering van vijf of zes groote hoofdsteden, vertoonen

alle russische steden volkomen hetzelfde karakter; en wanneer ge,

in verschillende deelen des rijks, er twee of drie gezien hebt,

dan kent gij ze alle. Neem welke stad van den tweeden rang gij wilt,

in de gansche uitgestrektheid van Groot-Rusland, en overal zult gij

hetzelfde vinden. Tien tegen een, dat de stad aan eene rivier ligt:

dan zijn altijd de eerste voorwerpen, die uwe aandacht trekken,

een klokketoren, een gevangenis, een vischmarkt, een bazar en eene

kathedraal. Langs den oever, boven en beneden de stad, verrijzen

kloosters. Eene schipbrug verbindt de beide oevers; en voor de

eigenlijke stad ligt eene armoedige voorstad. De haven is opgevuld

met schuiten en vlotten; de eerste brengen visch, de andere hout

aan. Welk een drukte en beweging op de kaai! Hoe ernstig, hoe smerig,

hoe armoedig zien al deze lieden er uit. Hun droefgeestige ernst

is een gevolg van het klimaat; hunne smerigheid herinnert u dat gij

het Oosten nadert. Zij hebben het niet ruim: de mindere man eet niet

veel vleesch: zelfs op gewone dagen, als hij niet behoeft te vasten,

bestaat zijn maaltijd uit een stuk roggebrood en stokvisch. Zie, wat

hij al niet doen wil om een kopek machtig te worden. Een russische

werkman is iemand met wien ge gaarne te doen hebt: altijd gewillig

en vol goeden moed; steeds gereed om u genoegen te doen; beleefd

en voorkomend: maar ge kunt er nooit op rekenen dat hij zijn woord

zal houden. Van de waarde van den tijd heeft hij geen flauw begrip;

en als hij beloofd heeft, u tegen tien uur in den morgen uw jas te

zullen zenden, moet ge u volstrekt niet verwonderen, zoo ge dien eerst

tegen elf uur des avonds krijgt. Ge kunt hem met geen mogelijkheid

aan het verstand brengen, dat dit verkeerd is.

Een sterke, onaangename lucht van olie en zout, van fruit en azijn,

van afval en visch komt u tegen, zoodra ge de markt betreedt. De

voornaamste handelsartikelen zijn brood, zout, visch, aardewerk, tinnen

schotels, spijkers en heiligenbeelden. De straat is bijna één groote

modderpoel, waarboven hier en daar enkele groote steenen uitsteken. Het

kost moeite, vooruit te komen; natuurlijk valt er niet aan te denken,

uwe laarzen schoon te honden.--De vischvrouwen zijn forsche, kloeke

gestalten, die er, in haar overjas van schapevellen en haar wijden

broek van hertsleder, geheel als mannen uitzien, en bezwaarlijk van

hare echtgenooten zouden zijn te onderscheiden, indien deze laatsten

geen baarden hadden, waaraan iedere man in Rusland te herkennen is.

Van de winkels in den bazar ziet ge niet veel meer dan donkere

openingen in den muur, die eene sterke gelijkenis vertoonen met de oude

moorsche winkels te Sevilla en te Grenada; de koopman staat voor zijn

toonbank, en maakt u opmerkzaam op zijn armoedigen voorraad van platen

en snuisterijen, zijn potten en pannen, zijn heiligenbeelden, zijne

kandelaars en zijn pakken speelkaarten. Na tarwebrood en zoute visch,

zijn heiligenbeelden en speelkaarten de meest gezochte artikelen;

want in Rusland is ieder even ijverig bij het kaartspel als bij het

gebed: allen spelen, de edelman in zijn club, de koopman in zijn

winkel, de bootsman in zijn vaartuig, de pelgrim onder het kruis

langs den weg. De hartstocht voor het gebed en die voor het spel zijn

misschien voor een deel uit dezelfde oorzaak te verklaren, namelijk

uit een zeker bijgeloovig vertrouwen op de macht van het onzienlijke,

van het bovennatuurlijke en toevallige, van hetgeen aan de gewone

menschelijke berekening ontsnapt. Bijna iedereen in Rusland speelt

boven zijn vermogen; en het is volstrekt geen zeldzaamheid dat een

gezeten burger de speeltafel niet verlaat, dan na eerst zijn geld,

dan zijn laarzen, zijn muts, zijn kaftan, in één woord zijn gansche

kleeding tot zijn hemd toe, te hebben verspeeld. Spel en sterke drank

zijn voor een Rus twee onwederstaanbare verzoekingen.

Maar hoezeer deze spelers ook in hun spel verdiept mogen zijn,

dadelijk werpen zij toch hunne kaarten neder, nemen hunne mutsen af en

vallen op hunne knieën, wanneer de priester, met zijn heiligenbeeld en

zijn kruis, nadert. Het is marktdag in de stad, en de pope is op weg

naar den een of anderen nieuw geopenden winkel in den bazar; dien hij

zegenen moet. Zulk een wijding is eene zeer eigenaardige plechtigheid,

vol aantrekkelijke, roerende poëzie. De pope, vooraf gewaarschuwd,

bepaalt den dag en het uur, zoodat de vrienden en buren gelegenheid

hebben, de plechtigheid bij te wonen. Is het oogenblik nu gekomen, dan

neemt de priester zijn kruis van het altaar; een koorknaap ontsteekt

den wierook; en voorafgegaan door een voorlezer en diaken, gaat de

priester naar de woning, tusschen twee rijen van knielende mannen en

vrouwen, waarvan de meesten hem, opstaande, volgen, ten einde bij de

inzegening tegenwoordig te zijn.

In het huis of den winkel gekomen, reinigt de priester eerst het

vertrek door het uitspreken van een formuliergebed; dan zegent hij

den eigenaar of bewoner, en wijdt eindelijk het gebouw door op de

eereplaats het beeld op te hangen van den patroon des bewoners, zoodat

voortaan niets in deze woning geschieden kan, dan onder het oog en als

in tegenwoordigheid van dien beschermheilige. Hoe weinig beteekenend

ook als kunstwerken, oefenen toch deze beelden een machtigen invloed

uit. Niet ver van Tambow woonde eene oude dame, die hare eigenhoorigen

met zeldzame hardvochtigheid behandelde, tot eindelijk de ongelukkigen,

door voortdurende mishandelingen tot wanhoop gedreven, op zekeren nacht

in hare kamer drongen, en haar aankondigden dat zij sterven moest. Van

haar bed springende, greep zij haastig het heilige beeld, dat aan

den wand hing, en hield dit haar aanvallers voor, hen uittartende

om de Moeder Gods te slaan. Van ontzag bevangen, lieten zij hunne

knuppels zakken en vloden uit het huis. De onvoorzichtige vrouw, door

deze zegepraal verblind, hangt nu het beeld weder aan den muur, slaat

haar overkleed om, en gaat naar buiten, haar lijfeigenen achterna;--en

deze, ziende dat zij haren talisman niet meer bij zich heeft, vallen

met luid geschreeuw op haar aan en dooden haar.

Bij eene wandeling door de stad, kunt ge niet nalaten getroffen te

worden door het groote aantal drankwinkels en de menigte beschonkenen,

die gij ontmoet. De tegenwoordige keizer heeft den brandewijn--waarvan

de verkoop een staatsmonopolie is--met water doen aanlengen, en den

prijs van een glas op vijf kopeks in plaats van vijftien bepaald. Die

verandering valt niet in den smaak der echte drinkebroers, die hun

aangelengden brandewijn minachtend dechofka--een koopje--noemen; maar

eenvoudiger zielen zijn den tsaar dankbaar voor zijne gave. "Is hij

niet goed, onze tsaar, zeggen zij, dat hij ons drie glazen geeft voor

hetzelfde geld als vroeger een glas kostte?"--Toch, hoe slap hij wezen

moge, is eene betrekkelijk kleine hoeveelheid brandewijn voldoende om

den Rus van de been te helpen; want zijn maag is leeg, zijne zenuwen

zijn verslapt, en zijn bloed is arm. Ware hij beter gevoed, dan zou

hij minder behoefte aan prikkelende dranken hebben. Gelukkig zijn de

Russen, als zij dronken zijn, over het algemeen niet twistziek; zij

lachen en zingen, en hebben eene onweêrstaanbare behoefte elkander

te omhelzen, wat meermalen tot dwaze tooneelen aanleiding geeft.

De oudste en voornaamste steden van Rusland, hare heilige plaatsen

en metropolen, lang voordat het Kremlin aan de oevers der Moskowa, of

het Winterpaleis aan de boorden der Newa verrees; hare gewijde en door

de dichterlijke legende verheerlijkte steden, zijn nog altijd Kiew en

Nowgorod: de eerste de grondzuil van haar geloof, de andere van haar

wereldlijke macht. Te Kiew verheft zich de vergulde koepel, die nog

altijd getuigt van de bekeering van Rusland tot de Kerk van Christus;

in het Kremlin van Nowgorod prijkt de bronzen groep, opgericht bij

de gedachtenisviering van het duizendjarig bestaan des rijks.

Kiew, de oudste russische bisschopszetel, ligt niet in eigenlijk

Rusland, en verschillende geschiedschrijvers hebben haar, niet

geheel ten onrechte, als eene poolsche stad beschouwd. De inwoners

zijn Ruthenen, en de stad zelf was eeuwen lang eene schitterende

parel in de kroon der Jagellonen. De vlakte, die zich, onafzienbaar

ver, voor de poorten van Kiew uitstrekt, is de steppe van Ukraine,

het vaderland der Kozakken: het land der hetmannen en van Mazeppa,

rijk aan dramatische legenden, aan hartstochtelijke liederen, ter

eere der vrijheid en van het wilde nomadenleven. Het volk behoort

tot den poolschen stam, en de zeden zijn poolsch. Toch staat hier de

bakermat dier kerk, die geheel het maatschappelijk en huiselijk leven

in Rusland naar haar beeld gevormd, van haar geest doordrongen heeft.

De stad bestaat uit drie wijken of liever drie afzonderlijke steden:

Podol, Vitch-Gorod en Petchersk. Alle drie zijn opgevuld met kantoren,

magazijnen, bureaux, winkels, kloosters; maar toch is Podol meer

bepaaldelijk de zetel van den handel en de nijverheid; Vitch-Gorod

is de officiëele wijk, waar de regeeringscollegiën zijn gevestigd;

Petchersk is de heilige stad, het doelwit der pelgrims. Deze

drie steden verheffen zich op eene steile hoogte, aan den oever

van den Dnjeper; zij tellen eene bevolking van ongeveer zeventig

duizend zielen, en bevatten, in twee verschillende heiligdommen,

de stoffelijke overblijfselen van dien heidenschen Grootvorst, die

sedert haar voornaamste heilige is geworden.

Kiew is eene stad van legenden en wondervolle gebeurtenissen. Wat al

herinneringen dringen zich hier aan uwe geest op: de prediking van

Sint-Andreas, de teedere vroomheid van Sinte-Olga, de bekeering van

Sint-Wladimir, de inval der Mongolen, de poolsche overheersching,

de herovering en bevrijding door Peter den Groote. De omliggende

provinciën zijn niet minder rijk in geschiedkundige herinneringen. De

Ukraine, het vaderland van Mazeppa en Gonta, weet te verhalen van

stroop- en plundertochten, van vijandelijke overvallen en verrassingen,

van geplunderde steden en geblakerde woningen, van blijde zegetochten

en van overhaaste vlucht. Elk dorp heeft hier zijne eigene legende;

iedere stad haar eigen heldenzang van liefde en krijg. Het geheele

land is vol herinneringen, leeft als 't ware een eigen romantisch

leven. Hier, waar die kapel verrijst, werd een grootvorst vermoord;

deze heuvel is de grafstede van eene tartaarsche horde; op gindsche

vlakte werd een veldslag tegen de Polen geleverd. De mannen zijn

krachtiger en opgewekter; de huizen zijn beter gebouwd, en de velden

beter bearbeid, dan in het oosten en noorden. De muziek is levendiger,

de brandewijn sterker, de liefde vuriger, de haat onverzoenlijker,

dan elders in het groote rijk.

Evenals alle steden van zuidelijke Rusland, viel ook Kiew in de

macht van Batoe-Khan, den mongoolschen veroveraar, en zuchtte eeuwen

lang onder de ijzeren roede der aziatische begs. Deze begs waren

afgodendienaars; en onder hunne heerschappij moesten de kinderen

van Sint-Wladimir bittere beproevingen ondergaan: maar Kiew mag er

zich op beroemen dat zij, ook in de donkerste dagen der vervolging,

in haar nederige kerken en onderaardsche katakomben, het heilige

vuur des geloofs voor volslagen vernietiging heeft bewaard.--Aan den

voet van twee hooge heuvels, op drie mijlen afstands van Vitch-Gorod,

waar Wladimir zijn harem bouwde en een standbeeld oprichtte ter eere

van zijn heidenschen afgod, hadden eenige christelijke kluizenaars,

Antonius, Feodosius en hunne volgelingen, zich in de rots cellen

en woningen uitgehouwen, waar zij jaren lang een godzalig leven

leidden en als heiligen stierven. De plaats waar deze onderaardsche

woningen werden aangelegd, ontving den naam van Petchersk naar

het woord petchera, dat kelder beteekent. Mettertijd verrezen

twee kloosters boven die cellen, waar de vrome kluizenaars hadden

geleefd; die kloosters werden aan Antonius en Feodosius gewijd, nu

de beschermheiligen van Kiew geworden, en weldra alom vereerd als de

vaders van allen, die in Rusland het kloosterleven omhelzen.

Met graszoden belegde en met boomen beplante glooiingen scheiden

het eerste klooster, dat van Antonius, aan de eene zijde van de oude

stad, en aan de andere zijde van het klooster van Feodosius. De beide

groote kloosters, in een edelen stijl gebouwd, behooren wel tot de

schoonste en statigste bouwgewrochten in oostelijk Europa. Vergulde

koepels en torens verheffen zich boven ieder heiligdom; de muren zijn

beschilderd met tafereelen uit de levens der heiligen. De grond zelf is

hier heilig. Meer dan honderd kluizenaars sluimeren in de katakomben;

en onder den grond, in al de vele nissen in den donkeren muur, rusten

heiligen, wier lichamen, naar het zeggen der monniken, onverderfelijk

zijn. In het klooster van Sint-Antonius toont men u den schedel van

Sint-Wladimir: dat wil zeggen, een stuk fluweel, waarin zijn hoofd

gewikkeld is. Men verzekert u, dat de huid nog ongerimpeld, de spieren

nog veerkrachtig, het geheele hoofd nog ongeschonden en welriekend

is. Het is natuurlijk voor een vreemdeling niet wel mogelijk, zich

van de waarheid dezer bewering te overtuigen: hetzij ten aanzien van

het hoofd van Sint-Wladimir, hetzij ten aanzien der honderde lijken,

die in de onderaardsche gangen en gewelven worden bewaard. Ge bekomt

toch niets anders te zien, dan een lijkkist, een fluweelen kleed en

een opschrift in het Slavonisch; alles hangt dus af van de mate van

geloof, die gij medebrengt. Vijftig duizend pelgrims, voornamelijk

Ruthenen uit de volkrijke provinciën Podolië, Kiew en Wolhynië,

trekken iederen zomer in bedevaart naar deze heilige plaatsen.

Toen Kiew het juk der Tartaren had afgeschud, maakten de wisselvallige

kansen van den oorlog haar tot eene poolsche stad, in plaats van eene

moskovische, zooals zij eigenlijk was. Losgerukt van den oostelijken

tak van den grooten slavischen volksstam, werd zij bij den westelijken

ingelijfd. Nooit was Kiew russisch geweest, zooals Moskou russisch

was; eene ruwe, barbaarsche stad, met eene bevolking van handelaars

en boeren, en de zetel van een half tartaarsch hof; en nu zij dus

in rechtstreeksche verbinding met het Westen werd gebracht, werd zij

gaandeweg een tweede Praag. Eeuwen lang kweekte zij in haar schoot de

kunsten en wetenschappen der westersche beschaving; en toen zij door

Peter den Groote weder met Rusland werd vereenigd, was zij niet alleen

de schoonste parel in zijne kroon, maar ook een vereenigingspunt voor

alle takken en afdeelingen der groote slavische nationaliteit.

Geen andere binnenlandsche stad van Rusland is zoo schilderachtig en

zoo gunstig gelegen. Van haar hooge heuvelen overziet zij de wijd

uitgestrekte steppe, en beheerscht zij den statigen, koninklijken

stroom. Zij is de hoofd- en havenstad van de Ukraine; zij raakt

Polen met haar rechter-, Rusland met haar linkerhand; zij steunt

tegen Gallicië en Moldavië, en keert haar aangezicht naar Servië en

Bulgarije. Zij is, als het ware, een kort begrip der geheele Slavische

wereld. Haar bevolking bestaat voor een derde uit Moskovieten,

voor een derde uit Russen, voor een derde uit Polen; zij herbergt in

haar schoot de belijders der orthodoxe kerk, benevens katholieken en

Vereenigde-Grieken. Meer dan eenige andere stad in Europa, zou Kiew

aanspraak hebben op den rang van hoofdstad van het groote Slavische

rijk, wanneer de droom van het Panslavisme immer voor verwezenlijking

vatbaar was.

Op dit oogenblik schijnt die verwezenlijking verder verwijderd dan

ooit. Tot voor korten tijd vormden de panslavistische droomers eene

afzonderlijke partij in den staat; en nog op dit oogenblik hebben

zij aan het hof vermogende vrienden. Hun leus is, Panslavonië voor

de Slavoniërs; of liever, de verschillende stammen van den grooten

slavischen stam,--één staat, onder één hoofd: de slavische eenheid

alzoo. Twee jaren geleden, riepen de leiders van deze partij te Moskou

een congres bijeen, waarop zij in de eerste plaats hunne landgenooten

uitnoodigden, van de Witte- tot de Zwarte-zee, van den Weichsel tot

den Amoer; en voorts vertegenwoordigers van alle slavische stammen,

die onder vreemden schepter leven:--de Czechen van Praag, de Polen

van Krakau, de Bulgaren van Sjoemla, de Montenegrijnen van Cettinje,

de Serviërs van Belgrado; maar juist deze algemeene vergadering

te Moskou deed de oogen van verstandige en gematigde mannen

opengaan voor de onpraktische en zelfs gevaarlijke zijde van dit

panslavistisch streven. Op den bodem ligt een diep gewortelde afkeer

van het eigenlijke russische leven, zooals het in den loop des tijds

geworden is. Deze droomers zien verlangend uit naar andere vormen,

die, zooals zij zeggen, door een hooger en edeler nationaal leven

zullen worden bezield.

Evenals de oud-geloovigen, willen ook de Panslavisten niets weten

van den keizer, en kennen zij alleen den tsaar. Ook voor hen is

Peter de Groote de Antichrist, en het welslagen zijner doortastende

hervormingen beschouwen zij als een tijdelijke zegepraal van den

booze. Daarom kanten de Panslavisten zich tegen alles wat Peter heeft

gedaan, en tegen bijna alles wat zijne opvolgers op den troon hebben

verricht. Zij wenschen alle vreemde elementen uit hun midden weg te

doen: zij verlangen hunne oude nationale hoofdstad terug; zij vragen

vrijheid om hunne baarden te laten groeien, om bonte mutsen en hooge

laarzen te dragen, zonder deswege bespot of gekweld te worden. Zoowel

de oud-russische als de jong-russische partij verzet zich echter tegen

het streven dezer panslavistische dweepers, die, terwijl zij breken met

het verleden van Rusland sedert de laatste anderhalve eeuw, tegelijk

alle denkbeelden en vorderingen der westersche beschaving hardnekkig

verwerpen, en een onmogelijke hersenschim najagen, waaraan zij alle

wezenlijke en praktische verbeteringen en hervormingen opofferen.

Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 31 / 48 题