PATRIARCHALE ZEDEN.--EEN STAAT IN DEN STAAT.

"Hoe nu, kan ik hier vóór den avond geen paarden krijgen?"

"Zoo als gij ziet," antwoordde de oudste glimlachend, "het is hier

feest vandaag; er wordt eene bruiloft gevierd, en de patriarch geeft,

eene groote partij ter eere van het huwelijk van Vanka met Nadia."

"Nadia! Dat 's een mooie naam! Dus kunnen we toch van avond paarden

krijgen, niet waar?--Wie zijn dat daar? Aha, de kerk! Komt, laat

ons daarheen gaan en de kroning zien. Is die Vanka een flinke,

knappe jongen?"

"Ja; of liever hij zal het eenmaal zijn. Vanka is een knaap van

zeventien jaar, die voor achttien doorgaat--de bij de wet vereischte

leeftijd. Maar och, hij telt bij dit alles weinig mede."

"Maar waarom trouwt hij dan?"

"Omdat de patriarch het verlangt. Daniël heeft hulp noodig in zijn

huishouding. De oude Daan, moet ge weten, is Vanka's vader; en het

oude moedertje is zoo afgesloofd, dat zij niet veelmeer is dan vel

over been. Zij is tien jaar ouder dan hij, en de patriarch heeft eene

jonge vrouw noodig, die hij naar hartelust bevelen kan, eene die vlug

en bij de hand is, die zijne koe kan melken, zijn kachel aanmaken en

zijn thee zetten."

"Het is hem dus eigenlijk te doen om eene goede dienstmeid?"

"Ja, juist, eene goede dienstmeid: en die zal hij in Nadia gevonden

hebben."

"Het is dus geen huwelijk uit liefde?"

"Och, zooals doorgaans. De knaap, hoe jong ook, is naar men zegt toch

verliefd geweest; want de jongens zijn mal en de meisjes zijn slim;

maar hij was niet verliefd op de vrouw, die zijn vader voor hem

gekozen heeft."

"Woonde zijne beminde hier in het dorp?"

"Ja; zij heet Lousha: eene aardige flinke meid, met ronde blauwe oogen

en lippen om te kussen, maar zonder een roebel in de wereld. Nadia

daarentegen brengt vijf koperen samovars en vijftien zilveren lepels

ten huwelijk. Die zilveren lepels veroverden het hart van den ouden

Daan."

"En wat zegt Vanka wel van dit huwelijk?"

"Niets; wat kan hij zeggen? De patriarch heeft alles beredderd, de

lepels gekeurd, de bruid aangenomen, het feest aangelegd en den dag

voor het huwelijk bepaald."

"Rusland is wel het beloofde land voor vaders!"

"Ieder op zijn beurt; eerst de vader, later de zoon. Te zijner tijd

zal Vanka ook een patriarch zijn. De zoon is niets, zoolang zijn

vader nog leeft."

"Zelfs niet, als het er op aankomt zich eene vrouw te kiezen?"

"Neen; juist het minst als hij eene vrouw moet kiezen. Zooals gij

ziet, zijn onze zeden nog ouderwetsch en eenvoudig, zooals die in

den bijbel beschreven zijn. De huisvader is koning in zijne eigene

woning, als de patriarchen van ouds; en hebt gij ooit gelezen dat,

in de dagen der aartsvaders, de jonge lieden het land afliepen, om

zich naar eigen begeerte eene vrouw te zoeken? Onze patriarch regelt

dat; hij en de koppelaarster."

"De koppelaarster! Wie is dat?"

"Eene oude vrouw, die in gindsche hut nabij de brug woont; een

arm oud wijf, die waarzegt en uit kaarten de toekomst voorspelt;

die als tusschenpersoon optreedt in de liefdesgeschiedenissen der

jonge meisjes, huwelijken bekonkelt, en door allen als een tooverheks

gevreesd wordt."

"Is er in ieder dorp zulk eene koppelaarster?"

"Neen; sommige dorpen zijn daarvoor te arm; want deze oude wijven laten

zich goed betalen. Die het wat verder in de kunst gebracht hebben,

vestigen zich in de steden, waar zij nog voordeeliger zaken kunnen

doen. Die tooverheksen in de steden hebben macht over de planeten;

de onzen moeten zich met kaarten behelpen."

"Gelooft ge waarlijk dat zij macht hebben over de planeten?"

"Wie zal dat uitmaken? Wij zien dat zij macht hebben over mannen en

vrouwen: en toch heeft ieder mensch zijn eigen planeet en zijn eigen

beschermengel. De meisjes, die de hulp der koppelaarster inroepen,

geven haar een lijst van al wat zij bezitten--zooveel samovars,

zooveel linnen, zooveel huisraad. Het gebeurt niet dikwijls dat zij

ook zilveren lepels bezitten. De patriarchen gaan naar de tooverheks,

om die lijsten in te zien. Een slimme kwant, zooals die oude Daan, gaat

liefst 's avonds tegen de schemering, als niemand hem ziet, naar hare

woning, zet zijn flesch brandewijn op de tafel, en noodigt de oude tot

drinken. "Kom, moedertje," meesmuilt hij, "haal uw lijst eens voor den

dag, en laat ons wat praten."--"Wat zoekt ge, vader Daniël?" grijnst

het wijf.--"Een vrouw voor Vanka, moedertje, een vrouw. Kom, drink

eens, dat zal je goed doen; en nu--met het boek voor den dag. Ik

wil eene flinke meid met een aardig duitje."--"Aha," zegt de heks,

met haar hand aan het glas; "ge wilt mijn boek zien! Wel, vadertje,

ik heb hier twee knappe deerns--aardige meisjes, en niet onbemiddeld

ook; zij zijn beiden juist voor Vanka geschikt. Hier is Lousha: een

aardig ding, maar geen huisraad; blauwe oogen, maar nog geen twintig;

tandjes als parelen, maar..... Blieft ge er niet van gediend? Waarom

niet?--Nu, zooals ge wilt; ik prijs mijn waren aan; het staat u vrij,

die al of niet te nemen. Lousha is een aardige meid--gij behoeft niet

zoo laag op haar neer te zien!--Zie hier, hier is Dounia; welgemaakt,

een fiksche, stevige meid; zij gaf nooit stof tot praten, en had maar

één vrijer in haar leven, eens buurmans zoon. Wat ze meebrengt? Dounia

is zelf een lot uit de loterij--zij eet heel weinig, en werkt als

een paard. Zij heeft vier samovars.--Niet gediend? Wel nu, gij treft

het bijzonder van avond, vadertje. Hier is Nadia;"--en nu volgt de

geschiedenis van haar samovars en haar zilveren lepels."

"En zoo wordt de zaak beklonken?"

"Men betaalt den pope het verschuldigde; de dag voor de

huwelijksplechtigheid wordt bepaald, en alles is gedaan--uitgenomen

het feest, het drinken en de hoofdpijn als napret."

"Vertel mij nu eens iets van Nadia."

"Vindt ge Nadia zulk een mooie naam? Ik geef de voorkeur aan

Marfousha. Mijne vrouw heet Marfa; als kind werd zij Marfousha

genoemd."

"Is Nadia jong en mooi?"

"Jong? Ze is negen-en-twintig jaar. Mooi? Ze is zoo bruin als leer."

"Negen-en-twintig, en Vanka zeventien!"

"Maar zij is groot en fiksch gespierd; sterk als een muilezel, en

kan den heelen dag, met weinig eten, blijven doorwerken."

"Dat zou goed zijn, als er een slaaf werd verlangd, om het land om

te spitten of een wagen te besturen."

"Maar dat wil de patriarch ook: eene dienstmeid voor zich zelven,

en eene echtgenoote voor zijn zoon."

"Hoe kwam Vanka er toe, haar aan te nemen?"

"Daniël toonde hem haar zilveren lepels; haar blinkende trekpotten,

en haar kist vol huisraad. De jongen ziet al die fraaiigheden met

begeerige oogen aan. Lousha is afwezig, en de oude man geeft een

wenk. De bruid omhelst Vanka--en de zaak is in orde."

"Arme Lousha! waar is zij vandaag?"

"Zij blijft op het veld om nog wat te groeien. Zij is nog niet sterk

genoeg om te trouwen. Zij zou voor haar man en voor haar schoonvader

niet kunnen werken, zooals eene vrouw behoort te doen. Het is veel

beter voor haar, nog wat te wachten. Op haar negen-en-twintigste jaar

zal zij evengroot en sterk zijn als Nadia; dan zal zij geschikt zijn

voor het huwelijk, want dan zullen de wilde haren er wat uit zijn."

Wij wandelen over de met planken bevloerde straat, van het posthuis

naar de kerk, die geheel opgevuld is met mannen en vrouwen in hun

zondagskleed: de vrouwen en meisjes in roode jurken met bont omzoomd,

en soms wel met zilvergalon versierd; de mannen in nette overjassen

en ronde bonte mutsen, met gouden kwasten en een roode punt. De

plechtigheid is bijna voleindigd; de priester heeft het huwelijk, in

den naam van God, gesloten; de jonggehuwden treden uit het heiligdom

met hunne kronen van klatergoud op het hoofd. De koning geleidt

zijne koningin, die er zeker oud genoeg uitziet om zijne moeder te

zijn. Men hoort hier in Rusland zooveel spreken van de rechten van

den echtgenoot, en van de zonderlinge eigenaardigheid der vrouwen,

die het als een bewijs van liefde beschouwen, wanneer hare mannen

haar slaan,--dat onwillekeurig de vraag oprijst, hoelang het nog

wel duren moet eer ook Vanka zijne vrouw zal kunnen slaan. Vooreerst

gaat dat nog niet, dat is duidelijk; men zou daarom kunnen twijfelen

aan hun echtelijk geluk, wisten wij niet dat, bij gebreke van Vanka,

de patriarch niet verzuimen zal van zijn zweep gebruik te maken.

De forsch gespierde bruid, met haar vergulde kroon op het hoofd, in

stijf brokaat gehuld en zich blijkbaar van de waarde harer vijftien

zilveren lepels bewust, wandelt statig langs de slijkerige straat,

naar hare nieuwe woning.

De kroegen--er zijn er twee in het dorp, ten behoeve van tachtig of

negentig zielen--zijn vol luidruchtig gezelschap. De brandewijnflesch

gaat rusteloos rond. Groote, baardige mannen omhelzen elkander, en

drukken hunne glazen tegen de borst; terwijl de knapen en meisjes,

schroomvallig en zwijgend, naar een open plaats gaan, waar het feest

met een dans zal worden besloten. Dit landelijk bal is wel een kijkje

waard. Een kring van dorpelingen, ouden en jongen, schaart zich in het

rond, om van de pret getuige te zijn. De dansers staan van elkander

afgezonderd: hier een groepje jongelieden, daar een groepje meisjes:

allen ernstig en doodstil. Eindelijk laat zich een fluit hooren;

een der jonkers neemt zijn muts af, en noodigt met eene buiging

zijne danseres uit. Geeft het meisje aan die uitnoodiging gehoor,

dan wuift zij met haar zakdoek; de jonkman treedt op haar toe, vat de

punt van den zakdoek, en draait met zijn meisje in de rondte. Niemand

spreekt een woord, niemand lacht. Stijf geregen en in haar opgeschikte

kleeding ingeperst, kan het meisje zich niet dan met moeite bewegen;

zij draait om en om zonder dat haar danser ooit hare hand aanraakt. De

melankolieke fluit speelt maar altijd voort, uren achtereen, op

dezelfde eentonige wijs; en de schoone, die gedurende het gansche bal

haar decorum het best bewaart, geen woord spreekt en geen lach haar

lippen laat plooien, heeft, naar het oordeel der omstanders, boven

allen de prijs verdiend!--De mannen praten en lachen onder elkander:

maar zoodra zij de vrouwen naderen, zijn zij met stomheid geslagen,

en maken enkel gebaren met hunne mutsen; deze zwijgende uitnoodiging

wordt door het wuiven met den zakdoek beantwoord, doch ook zonder dat

het meisje den mond open doet. Dit ronddraaien duurt voort, tot de tijd

is gekomen om naar bed te gaan, wanneer de mannen, opgewonden door de

drank, indien al niet door de liefde, wat los op hun beenen beginnen

te staan en allerlei onwelluidende kreten en liederen aanheffen.

De patriarch zit in zijn huis, en brengt den avond genoegelijk door,

in gezelschap van Nadia en haar zilveren lepels.

Ook al is haar echtgenoot een volwassen man, moet de vrouw toch

haar intrek nemen onder het ouderlijk dak, en zich aan den regel

van het ouderlijk huis onderwerpen. Verlangt zij mede haar deel van

de groentesoep en van de podding van gerstemeel, om niet te spreken

van een nieuw jakje nu en dan, dan moet zij haar best doen om het

haar schoonvader naar den zin te maken: en dit kan zij niet doen,

indien zij niet onverwaardelijk aan zijne bevelen gehoorzaamt. De

grieksche kerk laat geen echtscheiding toe: eenmaal getrouwd, zijn

de echtgenooten voor hun leven verbonden;--gelukkig zijn de eischen

niet hoog, en heeft geen der beide partijen veel overlast van een

te sterke verbeelding, zoodat zij zich in den regel tamelijk wel in

hun lot schikken, en zich alleen ongelukkig gevoelen als de boonen

mislukken of de patriarch wat al te druk gebruik maakt van zijn zweep.

"Verdedigt een man zijne vrouw dan niet?"

"Neen," antwoord de oudste, "niet tegenover zijn vader."

Een patriarch, huisvader, is onbeperkt gebieder in zijn huis en

gezin; niemand heeft het recht daar tusschenbeiden te komen: noch

het dorpshoofd, noch zelfs de keizerlijke rechter. Hij staat boven

de wet. Zijn hut is niet alleen een kasteel, maar een kerk: al wat

hij binnen die gewijde wanden verricht, is onaantastbaar en heilig.

"Maar als nu de vrouw bij haar man bescherming zoekt tegen

mishandeling?"

"De man moet zich onderwerpen, Wat zoudt ge dan verlangen? Twee heeren

onder één dak? Dan zou het huis spoedig in duigen vallen."

"Dus geven de jonge mannen altijd toe?"

"Wat zouden zij dan moeten doen? Moet men den ouderdom niet

eeren? Geeft de ondervinding geen aanspraak op den voorrang? Kan een

man een lang leven achter zich hebben, zonder met de jaren ook wijsheid

te vergaderen? Naar men zegt, zal dit alles eerlang veranderen; dan

zullen de jongelieden het huis regeeren, en de patriarchen hun baard

verbergen. Maar niet in mijn tijd! niet in mijn tijd!"

"Onderwerpen de vrouwen zich gewillig aan de bevelen van den

patriarch?"

"Zij moeten wel. Veronderstel dat Nadia door den ouden Daan geslagen

wordt. Zij komt tot mij, en toont mij haar schouders, die bont en blauw

zijn. Ik beleg eene vergadering van patriarchen om hare aanklacht te

hooren. Wat zal de uitkomst daarvan zijn? Zij vertelt hun, dat haar

vader haar slaat, en toont de litteekenen. De patriarchen vragen haar,

waarom zij geslagen werd? Zij bekent, dat zij ongehoorzaam is geweest,

toen haar schoonvader haar het een of ander gelastte: misschien wel

iets, dat hij niet behoorde te vorderen, en dat zij niet gehouden was

te doen. Maar het beginsel des gezags, dit voelt men, staat daarbij

op het spel: want is de patriarch niet langer gebieder in zijn huis,

hoe zal dan de oudste zijn dorp, de gouverneur zijne provincie, de

tsaar het rijk regeeren? Alle soorten en vormen van gezag hangen te

zamen, en staan of vallen met elkander. De patriarchen zijn dus van

meening dat de vrouw eene zottin is, en dat een tweede dracht slagen

haar goed zal doen."

"Kunnen zij niet bevelen, dat zij gegeeseld worde?"

"Tegenwoordig niet; de wet verbiedt het; dat wil zeggen, in het

openbaar. In zijn eigen huis mag Daniël, zoo vaak het hem goeddunkt,

Nadia geeselen."

De wet waarbij dit geeselen der vrouwen in het openbaar verboden

wordt, is door den tegenwoordigen keizer uitgevaardigd, en behoort

mede tot het groot geheel van maatschappelijke hervormingen, die

hij tot stand poogt te brengen. Zij is niet populair in het dorp,

waar zij beschouwd wordt als een inbreuk op de rechten der mannen,

omdat zij de patriarchen belet, naar goedvinden met de vrouwen te

handelen. Sedert deze wet het geeselen der vrouwen in het openbaar

heeft afgeschaft, hebben de mannen nieuwe middelen van bestraffing

uitgedacht: zij houden zich overtuigd, dat een geeseling met gesloten

deuren niet veel helpt, omdat daarbij de eer der schuldige ongerept

blijft. Wat zij alzoo uitgevonden hebben, blijkt uit hetgeen een

nieuwsblad verhaalt.--Euphrosine M--, de vrouw van een boer in

het gouvernement Kherson, werd door haar echtgenoot van ontrouw

beschuldigd. De man roept eene vergadering van patriarchen bijeen,

die zijne aanklacht aanhooren, en, zonder verdere getuigenis,

zonder de vrouw toe te laten zich te verdedigen, haar veroordeelen

om, op klaarlichten dag, in tegenwoordigheid van al hare vrienden,

moedernaakt door het dorp te worden geleid! Dit vonnis werd op een

kouden dag, bij vorst, ten uitvoer gelegd. Toch kon de ongelukkige,

wier schuld niet bewezen was, van de uitspraak van deze dorpsrechtbank

niet in hooger beroep komen. Want een dorp is een zelfstandige macht;

in den vollen zin des woords, een staat in den staat, eene republiek,

die door eigen wetten en zelf gekozen opperhoofden bestuurd wordt.

In westelijk Europa is een dorp niet anders dan eene stad in het klein,

waar een zeker aantal lieden van verschillenden stand gevestigd zijn,

die volkomen vrijheid hebben om, zoo zij dit verkiezen, naar elders te

gaan. Een russisch dorp daarentegen is een verzameling van hutten, die

allen bewoond worden door menschen van denzelfden stand en hetzelfde

beroep; menschen, wien het niet vrij staat zich te verwijderen van

den akker, dien zij bebouwen; die met elkander hetzelfde lot deelen,

en hunne landen onder dezelfde verplichtingen bezitten; die als

belasting eene gemeenschappelijke som betalen, en te zamen een zeker

aantal recruten voor de militaire dienst moeten leveren.

Deze dorpsrepublieken zijn in bijzonderen zin aan Groot-Rusland eigen,

waar het eigenlijke echt russische volk woont. Men vindt ze noch

in Finland en de Oostzee-provinciën, noch in Astrakhan, Siberië en

Kazan, noch in Kiew, Podolië, de Ukraine, en evenmin in de kaukasische

provinciën. Waar ge deze landelijke republieken aantreft, kunt ge met

zekerheid weten, dat ge u op echt-russischen bodem, en te midden van

het oud-russische volk bevindt. De provinciën, die ze bezitten, zijn

velen in aantal, groot in omvang, en rijk aan vaderlandsche deugden,

en met trouwe liefde aan den voorvaderlijken grond en de voorvaderlijke

inzettingen gehecht. Zij reiken van de muren van Smolensk tot nabij

Wiatka; van de golf van Onega tot de Kozakken-koloniën aan den Don:

eene landstreek, vijf of zesmalen zoo groot als Frankrijk, het oude

rijk van Iwan den Verschrikkelijke, dat aloude echte Rusland rondom

zijne vier hoofdsteden--Nowgorod, Wladimir, Moskou en Pskow--gegroept.

Een dorpsrepubliek is eene vereeniging van boeren, die als het

ware een groot gezin vormen, maar op hun eigen land en onder hun

eigen oversten leven, die naar oude overgeleverde wetten het bestuur

voeren. Een zeker aantal mannen, een van stand en van beroep, hebben

zich met gemeenschappelijk goedvinden op dezelfde plaats gevestigd,

een dorp gebouwd, een oudste gekozen, die met zeer uitgestrekte

macht is bekleed; het land, bij het dorp behoorende, is aller

gemeenschappelijke bezitting, niet ieders bijzondere persoonlijke

eigendom; zij wonen nabij elkander, in hutten van dezelfde grootte en

gedaante, naast en tegenover elkaar op twee rijen geplaatst. Behoefte

aan verdediging tegen de gemeenschappelijke vijanden, hetzij dan

menschen, wilde dieren, of vernielende natuurverschijnselen, was

ongetwijfeld de eerste aanleiding tot deze soort van vereenigingen,

waarvan het groote doel, ook nu nog, onderling hulpbetoon is.

De grondslag en onmisbare voorwaarde dezer eigenaardige inrichting

is het communaal grondbezit. Geen dezer boeren bezit den grond

in zijn eigen naam en krachtens eigen recht, maar allen bezitten

dien gezamenlijk, in naam van allen, en wel voor altijd en in

gelijke deelen. Het huisgezin, bestaande uit man en vrouw, is de

maatschappelijke éénheid: en ieder huisgezin heeft recht op een

billijk aandeel in de algemeene bezitting: op zooveel akker-, op

zooveel bosch-, op zooveel tuingrond, naar evenredigheid der grootte

van de bezitting en de talrijkheid der deelgerechtigden. Om de drie

jaren vervallen alle bestaande titels en indeelingen, en grijpt eene

nieuwe verdeeling plaats. Daar de gemeente eene zuivere republiek

is, waar alle hoofden van huisgezinnen gelijk zijn en geheel gelijke

rechten hebben, moet ieder zijne stem uitbrengen in den raad, en moet,

bij de verdeeling van het land, ook zorgvuldig op alle aanspraken

worden gelet. Het geheel wordt in zoovele deelen gesplitst, als

er huisgezinnen in het dorp zijn, waarbij tevens gelet wordt op de

hoedanigheid van den grond en den meerderen of minderen afstand van

de woning.

Maar evenals de behoeften, waarin voorzien moest worden, verder reiken

dan het dorp, zoo heeft ook het beginsel van associatie zijne werking

verder uitgestrekt. Acht of tien gemeenten vereenigen zich, en vormen

te zamen een soort van kanton of kerspel; tien of twaalf kantons

vormen op hunne beurt een wolost of distrikt. Deze afdeelingen hebben

wederom haar eigen bestuur en organisatie, en zijn ook metterdaad

zelfstandige republieken.

Sinds overoude tijden zijn de leden dezer landelijke democratiën in het

bezit van zekere rechten, waarvan de oorsprong misschien betwistbaar

is, maar waaraan een wijs en voorzichtig staatsman toch niet dan

bij volstrekte noodzakelijkheid raken zal. Zij kiezen hunne eigene

overheden, hebben hunne eigene rechtbanken, en leggen eigenmachtig

boeten en straffen op. Zij beleggen openbare vergaderingen, waar de

gemeenschappelijke belangen en aangelegenheden besproken en besluiten

genomen worden. Zij hebben macht over alle leden der vereeniging,

onverschillig of die rijk dan wel arm zijn. Zij mogen hunne oudsten

afzetten, en anderen in hunne plaats benoemen. Zulk een boersche

republiek is eigenlijk niet anders dan eene uitbreiding van het

patriarchale huisgezin, en daarom in het bezit van rechten en

bevoegdheden, die de keizer niet gegeven heeft, en die hij ook niet

durft ontnemen.

Het dorpsopperhoofd voert den titel van oudste, starosta. Hij wordt

door de boeren uit hun midden gekozen, en wel voor den tijd van

drie jaren; echter brengt de gewoonte mede, dat hij na verloop

van dien tijd weder herkozen wordt; en het is niet zeldzaam dat

iemand deze waardigheid van zijn veertigste jaar tot aan zijn dood

bekleedt. Ieder is als starost verkiesbaar: maar de regel is dat de

rijkste boer daartoe gekozen wordt, en de vreemdeling, die in een of

ander dorp den oudste wil spreken, zal zich maar zelden vergissen als

hij zijne tarantasse voor het grootse huis doet stilstaan.--Moet er

een starost gekozen worden, dan komen de boeren samen in eene kapel,

in een schuur of in de herberg; zij fluisteren elkander den naam van

den uitverkorene in het oor; dan volgt een luid gejuich en handgeklap;

en wanneer de man hunner keuze het hoofd heeft gebogen, ten teeken

dat hij zijne benoeming aanneemt dan drukt men elkander de hand,

en wordt de plechtigheid besloten met een drinkgelag. Hoewel zijne

betrekking als een eerambt beschouwd, en dus niet bezoldigd wordt,

is de starost niettemin de verantwoordelijke persoon, die voor

alles heeft te zorgen, en wien elk onheil en elke ongeregeldheid

verweten wordt. Somwijlen, maar niet dikwijls, tracht een rijke boer

zich aan de keuze te onttrekken; doch de gemeente heeft recht op de

dienstvaardigheid en toewijding harer leden, en wie weigert aan haar

roepstem te beantwoorden, moet boete betalen.

Deze door het dorpsparlement verkozen magistraatspersoon is bekleed

met een hoogst eigenaardig, moeilijk te omschrijven gezag: hij is

half burgemeester, in den europeeschen zin, en half sheikh, in de

arabische beteekenis van dat woord. Hij is een door de wet erkende

overheidspersoon, en tevens een soort van familiehoofd, een patriarch,

die vaderlijke rechten uitoefent. Sommige van zijne functiën liggen

geheel buiten de wet, ja zijn daarmede zelfs in strijd. Zoo heeft

een starost, in zijn vierschaar gezeten, het recht behouden, iemand

tot den knoet te veroordeelen. Niemand anders in geheel Rusland;

noch de landheer op zijne goederen, noch de generaal in zijn kamp,

noch de koopman in zijn winkel, noch de reiziger in zijn slede,

heeft het recht zijn onderhoorige te slaan. Dit verbod, door den

tegenwoordigen keizer uitgevaardigd, wordt streng gehandhaafd: maar

een starost kan, gesteund door den dorpsraad, het keizerlijk gebod

straffeloos overtreden en de wet trotseeren.

Hoewel de rechten dezer gemeenten in de laatste jaren eenigermate zijn

ingekort, zijn zij toch nog, in menig opzicht, buitengewoon groot. Is

de vergadering der familiehoofden van oordeel, dat iemand niet langer

waardig is, lid der gemeente te zijn, dan kan zij den veroordeelde in

handen der politie overleveren, en naar de naastbijgelegen stad laten

brengen. Hij is van nu voortaan een balling en zwerver. Uitgeworpen

door zijne gemeente, heeft hij geen plaats meer in de maatschappij;

hij kan zich niet in eene stad vestigen, noch in een ander dorp gaan

wonen, hij is een vagebond, een verworpeling die buiten de menschelijke

samenleving staat. De gouverneur der provincie, gesteld dat hij

zich de zaak aantrekt, kan weinig voor hem doen. Hij kan de gemeente

niet dwingen, den uitgeworpene weder op te nemen; zijn al de vormen

behoorlijk in acht genomen, dan is de uitspraak van de dorpsvierschaar

onherroepelijk; en den getroffene blijft bijna geen andere keus over,

dan soldaat te worden, of zijn geluk te gaan beproeven in de mijnen

van Siberië.--In ernstige gevallen, waarbij de rechtbanken betrokken

zijn, heeft de gemeente het recht, het uitsproken vonnis te herzien

en zelfs te vernietigen. Gesteld, iemand wordt beschuldigd een schuur

in brand te hebben gestoken. Op last van den starost gegrepen en aan

de politie overgeleverd, wordt bij naar de stad gebracht, waar de

rechtbank is gevestigd, die zijne zaak onderzoeken moet. Na verhoor

van getuigen en nauwkeurig onderzoek, wordt hij vrijgesproken. Meen

nu echter niet, dat hij, krachtens deze vrijspraak, veilig naar zijne

hut en zijn akker kan terugkeeren. De gemeente is bevoegd, hem niet

meer in haar midden te ontvangen. De dorpsraad kan het vonnis des

rechters vernietigen, de zaak nog eenmaal onderzoeken, en den man,

in zijn afwezigheid, veroordeelen, niet alleen tot het verlies van

zijn huis en land, maar ook van zijn stand en goeden naam.

De gemeente heeft nog andere rechten. Geen harer leden mag zijn dorp

verlaten, zonder de toestemming van de vergadering en zonder een

paspoort van den starost, die hem ieder oogenblik kan terugroepen,

ook zonder opgave van redenen. Weigert hij te komen, dan wordt hij uit

de gemeente gebannen. Bij de vergunning is tevens een termijn gesteld,

gedurende welken zij geldig zal zijn: een maand, soms drie maanden,

echter nooit langer dan een jaar. Is die termijn verstreken, dan moet

de afwezige naar zijne gemeente terugkeeren, op straffe van door de

politie te worden aangehouden als een landlooper zonder paspoort.

Eenmaal in het jaar wordt eene algemeene vergadering gehouden,

waarop ieder bezitter van een huis en erve het recht heeft gehoord te

worden. De stemming is geheim. Ieder lid heeft het recht een voorstel

te doen, dat de oudste, die tevens de voorzitter der vergadering is,

aan hare beslissing moet onderwerpen. Somwijlen wordt een onpopulaire

starost afgezet, en een ander in zijne plaats gekozen. Natuurlijk

ontbreekt het ook in deze dorpsparlementen niet aan punten van

verschil; vooral als het op de verdeeling der landerijen, op den

omslag der belastingen, de levering van recruten, het onderhoud

der wegen en dergelijke zaken aankomt, kan het er soms heftig

toegaan. Wat men de buitenlandsche aangelegenheden der republiek zou

kunnen noemen--de groote wegen, de visscherijen, de exploitatie der

wouden--wordt geregeld, niet met de keizerlijke ambtenaren, maar met

de afgevaardigden van den kanton en het district (wolost), die zich op

hunne beurt rechtstreeks in betrekking stellen met den gouverneur,

den generaal en de hoofden der politie. De minister richt zich

niet tot de afzonderlijke gemeenten, noch minder tot de individuen:

wanneer het bedrag der belasting en het cijfer van het contingent

zijn vastgesteld, wordt daarvan door de regeering kennis gegeven aan

het district en het kanton, die voor de verdere verdeeling en levering

hebben te zorgen. De kroon zendt hare bevelen: het geld wordt betaald,

de manschappen worden geleverd. Dit stelsel is zoo eenvoudig en zoo

afdoende, dat tot dusver niemand de hand heeft durven of willen slaan

aan de rechten en de inwendige huishouding dezer republieken.

Deze gemeentelijke organisatie is iets geheel oorspronkelijks en

heeft ook niets met de naburige steden te maken. De menschen, die in

deze hutten leven, deze velden bebouwen, in deze wateren visschen,

vormen eene maatschappij op zich zelf. Hunne wetten zijn niet anders

dan overlevering en gewoonte; hunne vrijheden en rechten zijn ouder

dan iemand heugt. Zij stellen zelf hunne belastingen vast, en maken

hunne eigene wetten; alleen zeer ernstige gevallen uitgezonderd,

spreken zij zelf recht, leggen boeten en straffen op, zenden de

schuldigen naar Siberië, en roepen zoo noodig de hulp is van de

overheid om hunne besluiten ten uitvoer te leggen.

Ten aanzien van het nut dezer inrichting en de wenschelijkheid om haar

in stand te houden, zijn de gevoelens in Rusland verdeeld. Mannen, wier

meeningen op alle andere punten uit elkander loopen, zijn eenstemmig

in den lof dezer zelfstandige gemeenten. Anderen, die het in alles met

elkander eens zijn, verschillen geheel ten aanzien van de deugden en

gebreken dezer instelling. Velen van de bekwaamste en uitnemendste

hervormers wenschen niets liever dan den bloei en de ontwikkeling

dezer gemeenten: vurige aanhangers der monarchie, zoo als Samarin en

Cherkaski, ijverige republikeinen, zoo als Herzen en Ogareff, zien

in deze landelijke gemeenebesten de vruchtbare kiemen eener nieuwe

beschaving, die zoowel voor het Oosten als voor het Westen gezegende

vruchten zal dragen. Daarentegen kunnen wetenschappelijke mannen,

zoo als Valouef, Bungay en Besobrasoff, in deze gemeenten niet dan

kwaad zien; in hunne oogen is deze geheele inrichting niet anders

dan een overblijfsel van vroegere barbaarsche tijden, dat met den

voortgang der beschaving en verlichting verdwijnen moet.

Ontegenzeggelijk zijn aan dit stelsel der zelfstandige gemeenten

voordeelen verbonden, die niet gering zijn te achten. De ministers van

oorlog en van financiën zullen wel de eersten zijn om deze voordeelen

te waardeeren: want, waar het er op aankomt, op de spoedigste en

goedkoopste manier belastingen te innen en contingenten voltallig

te maken, is het natuurlijk veel verkieslijker met vijftig duizend

starosten dan met vijftig millioen boeren te doen te hebben. Ook de

minister van justitie kan niet anders dan met welgevallen denken aan

dat heirleger onbezoldigde bewakers van de openbare rust en veiligheid,

wier eigenbelang het medebrengt een wakend oog te houden op allen,

die gevaar loopen van het rechte pad te dwalen.--Maar deze voordeelen

zijn toch slechts van ondergeschikten aard, en tot verdediging der

gemeenten valt nog wat anders en wat gewichtigers te zeggen. Een

stelsel van landbezit, dat aan iederen gehuwden man een aandeel in den

gemeenschappelijken grond verzekert, is bij uitnemendheid geschikt tot

aankweeking van dien orde- en vredelievenden, waarlijk conservatieven

geest, die een onmisbaar element is in iedere maatschappij. Er

is misschien geen volk op aarde, dat meer dan het russische aan

oude inzettingen en gebruiken is gehecht, en vuriger den vrede

wenscht. Waar ieder landbezitter is, daar is uit den aard der zaak

de kanker van het pauperisme onbekend; en Rusland heeft dan ook tot

dusver weinig of geen behoefte gevoeld aan armenwetten en werkhuizen,

want de noodlottige kwaal, die men met deze toch altijd onvoldoende

middelen poogt te bestrijden, bleef hier nog onbekend. Hier vindt

ge, althans op het land, geene steeds aangroeiende klasse van niets

bezittende proletariërs, die uitsluitend van den arbeid hunner handen

moeten leven: ieder hoofd van een huisgezin heeft zijn eigen hut,

zijn koe, zeer dikwijls zelfs zijn paard en wagen. De leden der

gemeenten zijn allen onderling gelijk, en hebben volkomen dezelfde

rechten en verplichtingen; zij moeten elkander bijstaan en te zamen

de gemeenschappelijke lasten dragen. De luiaard of doorbrenger kan wel

zich zelf ongelukkig maken, maar hij sleept althans zijn gezin en zijne

kinderen niet in zijn ondergang mede. Dezen behouden hunne plaats in de

gemeente, en wanneer zij volwassen zijn, ontvangen ook zij hun aandeel,

en kunnen voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid

een nieuw leven beginnen. De dronkaard en leeglooper sterft, zonder

eene bijna onontkoombare erfenis van armoede, schande en misdaad na

te laten. De gemeenten kweeken de groote deugden van ouderliefde en

eerbied voor de grijsheid aan; zij houden het gevoel van broederschap

en gelijkheid levendig, het heilzaam bewustzijn der onderlinge

afhankelijkheid en der noodzakelijkheid van wederkeerig hulpbetoon,

den geest van onverbreekbare solidariteit, die alle leden van een groot

geheel behoort saam te binden. Zij werpen een zeer hechten dam op tegen

het veldwinnend individualisme, dat onze westersche maatschappijen met

volslagen ontbinding dreigt, en zijn tevens eene uitmuntende school

voor zelfregeering en ter oefening in alle eigenschappen, die voor

de verkrijging en handhaving der ware vrijheid onontbeerlijk zijn.

Daar is echter eene keerzijde. Vooreerst zijn de afzonderlijke leden

der gemeente te zeer aan de willekeur hunner medegenooten overgeleverd,

die van hunne macht bijwijlen erg misbruik kunnen maken. Ook voeden

en onderhouden deze gemeenten een geest van bekrompen particularisme:

zij maken scheiding tusschen dorpen en steden, tusschen standen en

beroepen, en geven voet aan de gevaarlijke dwaling, dat er een staat

in den staat kan zijn. Geheel in zijne eigene republiek levende en

zich daarin als verliezende, is de boer maar al te zeer geneigd, den

stedeling als een wezen van lager rang te beschouwen, die onder eene

andere bedeeling leeft, en aan een ander gezag gehoorzaamt. Want in

waarheid bestaat er tusschen zijne inzettingen en wetten en die der

burgers van de naburige stad, een zeer groot verschil.

Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 29 / 48 题