DE WEGEN.--IN HET WOUD.--RUSSISCHE DORPEN.

Hij, die gewoon is op reis niet meer dan het volstrekt noodige mede

te nemen, zal op zijne tochten door Rusland dikwijls in verlegenheid

geraken, vooral als zijn weg hem door de wouden of de steppen voert. De

toebereidselen voor een reis zijn hier een zaak van groot gewicht en

van veel overleg. De reiziger heeft te zorgen voor allerlei dingen,

waaraan hij in andere landen niet behoeft te denken: kaarsen en

kussens, messen en vorken en honderd andere zaken. Twee artikelen

bovenal kan hij niet ontberen--een bed en een samovar (trekpot).

Mijn weg van de IJszee tot de zuidelijke hellingen van den Oeral,

en van de straat van Jenikale tot de golf van Riga, loopt over land

en meer, over heuvel en heide, door het woud en de steppen. Ik moet

mij daarbij afwisselend bedienen van alle middelen van vervoer, die

in het land in gebruik zijn: droshkis, wagens, schuiten, tarantassen,

stoombooten, sleden en spoorwegen. Van Solowetsk voer ik naar Archangel

met de boot, die de benoodigdheden voor het klooster haalt. Vader

Johannes was zelf aan boord; het was fraai weder; de overtocht werd

in den bepaalden tijd volbracht. Van Archangel naar Wietegra, een

afstand van achthonderd wersten, heb ik vijf á zes dagen en nachten

met postpaarden te rijden door een onmetelijk woud van beuken en

dennen. Hier beginnen mijne tribulatiën. Eerst, gehaspel met de politie

over mijn podorodjna, een soort van pas, door de politie afgegeven,

en waarbij den reiziger het recht wordt toegekend om, tegen een

bepaalden prijs, aan de posthuizen paarden te vorderen. Men begrijpt

niet, waarom ik niet, als iedereen, met een boot de Dwina opvaar, in

plaats van door een land te trekken, waar haast geen wegen zijn. Mijn

antwoord, dat ik het dorp Kholmogory, de geboorteplaats van den dichter

Lomonosoff, wil bezoeken, bevredigt de politie maar half. Wat is

daaraan te zien? Eindelijk echter geeft zij toe: de pordorodjna wordt

geteekend. Nu komt de tweede vraag--die van het voertuig: een wagen,

een kar of een slede? Er zijn geen diligences: niets dan een karretje,

juist groot genoeg om een brievenzak en een knaap te bergen, en dat

tweemaal in de week naar de hoofdstad vertrekt. Niemand anders dan

de postillon kan daarvan gebruik maken; de vreemdeling moet dus zelf

voor een vervoermiddel zorgen: en zijne keus is beperkt tot een kar,

eene tarantasse of een slede, welke laatste natuurlijk alleen in den

winter bruikbaar is. Ik kies de tarantasse.

Een tarantasse is een beter soort kar, voorzien van een slijkbord, een

kap en een trede. Zij heeft geen veeren; want veeren zijn onderhevig

aan breken: en wanneer dit ongeval u overkwam in een streek, waar

ge mijlen en mijlen in den omtrek geen enkele menschelijke woning

vindt, zou de ramp onherstelbaar wezen. De eenvoudige bak rust

op balken, ruwe pijnstammen, van de takken en bladeren beroofd,

met de bijl gehouwen, en bevestigd aan de assen van twee paar

wielen, die negen of tien voet van elkander verwijderd zijn. Een

lederen huif en kap beschermen eenigszins tegen den regen: niet veel

echter, want de snijdende windvlagen en geweldige stortbuien dringen

overal door. Het aartsvaderlijke voertuig is licht en luchtig; noch

voor de vervaardiging, noch voor de herstelling wordt bijzondere

kunstvaardigheid vereischt. Het kan wel gebeuren, dat, bij het

voortdurend hossen en stooten, een der balken breekt; geen nood: gij

houdt even aan den boschrand stil; de voerman hakt een denneboom om,

stroopt er de takken en bladeren af--en ziedaar, de zaak is weêr in

orde! Binnen een half uur is de schade hersteld.

Ik wenschte de tarantasse tot Petersburg, of althans tot Wietegra,

te huren: maar de eigenaar was daartoe niet te bewegen. Ik moest dan

het rijtuig koopen: maar dit ging niet, want wat zou ik, eenmaal ter

plaatse mijner bestemming gekomen, met de tarantasse uitvoeren? De

engelsche consul redde mij uit de verlegenheid: hij gaf mij zijn

bediende Dimitri mede, die het rijtuig weder terug zou brengen. De

eigenaar nam daarmede genoegen.

De tarantasse staat voor de deur: een ledige bak, waarin onze bagage

geborgen wordt; eerst de grootere stukken, hoedendoos, geweerkist,

koffer; dan bossen hooi, om de ledig gebleven ruimten en openingen

op te vullen, gevlochten koorden van stroo, om den boel bijeen te

houden, over dit alles ons bed, onze mantels en pelzen. In de hoeken

en openingen vinden vervolgens een houthakkersbijl, een kabeltouw,

een kluwen garen, een zak met spijkers, een pot met vet, een korf

met brood en wijn, een stuk gebraden vleesch, een trekpot en een

sigarenkoker, eene meer of minder geschikte plaats.

Wij vertrekken met de eerste schemering, ten einde bij het aanbreken

van den dag aan het veer over de Dwina te zijn; onder de hoeven

onzer paarden spat het slijk naar alle kanten, en kraakt het houten

plaveisel der straten van Archangel.--"Vaarwel! Pas op de wolven

en op de roovers! Vaarwel! goede reis!" klinkt het uit een dozijn

monden:--en de vriendelijke, half bevrozen stad ligt achter ons.

Den ganschen nacht rijden wij, onder een donkeren hemel, nu en

dan flauwelijk door een enkele ster verlicht, langs een doodschen

akelig-eentonigen weg: dennen ter rechterzijde, dennen ter linkerzijde,

dennen voor ons, dennen overal. Wij hotsen door een dorp, en wekken

eenige rondzwervende honden uit hun slaap; wij komen aan het veer,

en steken de rivier over op een vlot; wij rijden over steenen en door

zand; wij waden door poelen en moerassen; nachten, dagen achtereen;

altijd door onze weg vervolgende te midden der sombere bosschen, waar

nu de verdorde bladeren bij hopen den grond bedekken, en ronddwarrelen

bij iederen windvlaag, die huilende door het woud vaart. De eene dag

van dezen tocht is volkomen gelijk aan den anderen. Zoo ver wij zien

kunnen, strekt zich een open baan, ongeveer dertig ellen breed, voor

ons uit. De dennen en beuken gelijken allen op elkander; de dorpen

zijn nog meer aan elkaar gelijk dan de boomen. De eenige verandering

is in de gesteldheid van den weg: afwisselend zand of moeras, gras of

boomstammen. Op een afstand van duizend wersten, zijn er honderd met

boomstammen geplaveid; tweehonderd wersten zijn zand; driehonderd gras;

vierhonderd slijk en moeras. Wij spotten met de Russen, die spoorwegen

aanleggen in streken, waar geen straatweg en zelfs geen gewoon pad te

vinden is. Ten onrechte: een ijzeren baan is juist de meest natuurlijke

weg in deze wouden, waar steenen uiterst zeldzaam zijn.

Is het rijden door het zand al erg genoeg, dit is niets bij hetgeen

u te wachten staat, als ge aan de boomstammen komt. Op zekeren nacht

kon ik het niet langer uithouden; ik troostte mij met de gedachte,

dat onze bagage slecht was ingepakt, en dat eene andere schikking

ons meer gemak zou bezorgen. Mijn koffer vooral eischt dringend eene

andere plaats. Daar hij mij bij dag voor bank, en de nachts voor bed

dient, speelt hij een voorname rol in onze kleine komedie; maar geene

verschikking van de andere voorwerpen, geen opvullen met hooi of stroo,

geen overdekken met mantels en pelzen, kan dien oproerigen koffer tot

rust brengen. Hij glijdt en schudt en woelt onder mij, en springt op

bij elken schok. Wij beproeven hem vast te binden met koorden en touwen

en riemen: niets helpt--hij blijft even onrustig. Wat mijn rug en mijn

lenden daarbij te lijden hadden, zal ik maar niet pogen te schetsen!

Goddank!--wij zijn eindelijk te Kholmogory! Op een hoogte langs de

rivier gebouwd, vroolijk en vriendelijk met zijn gouden kruis, zijn

grasrijke paden, zijn witte en rooskleurige huizen, zijn booten aan

den oever, zijn zandige vlakten in het verschiet, ligt daar het fraaie

dorp, ruim en luchtig. Hier ziet ge een kerk, ginds een klooster,

schitterend van kleuren en verguldsels; de huizen zien er netter en

welvarender uit, dan doorgaans in zulke vlekken het geval is. Zooals,

het daar voor u oprijst, met dien donkeren gordel van dennen- en

beukenwouden, is Kholmogory inderdaad waardig de geboorteplaats te

zijn van een volksdichter als Lomonosoff.

Tusschen Kholmogory en Kargopol, tusschen Kargopol en Wietegra,

vindt men niets dan dorpen: op dezen ganschen langen weg van minstens

vierhonderd mijlen lengte, ontmoet ge geene enkele verzameling van

huizen, waaraan ge met eenigen schijn van waarheid den naam van stad

zoudt kunnen geven. De heirbaan loopt maar altijd voort: nu eens langs

de oevers der rivier, dan weder zich verliezende in de diepten van

het woud; doch steeds onafgebroken, als een smal lint, voortgaande

van het noorden naar het zuiden. Niets stuit dien eentonigen weg:

hij steekt de rivieren over, hij vervolgt zijn loop over steenen,

moerassen en veengronden; hij kruipt voort over gebroken rotsen; hij

bestijgt de lage heuvelen, en daalt af in de vochtige valleien. De

voerman, trotsch op zijn vier paarden, met touwen en kettingen naast

elkander voor de tarantasse gespannen, jaagt rusteloos voort, als gold

het een helschen wedloop met den booze, in de hoop, dat hij daarvoor

een extra kop thee verdienen zal. Dit harde rijden is trouwens eene

vaste gewoonte bij de russische koetsiers, die er zich op beroemen, dat

zij het iemand, voor tien kopekken, groen en geel voor de oogen kunnen

doen worden. Dag aan dag, van den vroegen morgen tot den laten avond,

rennen wij voort door moerassen en dennenwouden. Nergens is een sloot,

een dijk, een haag, een omheining te bespeuren: geen enkel teeken dat

de grond aan iemand toebehoort. In vliegende vaart hollen wij voorbij

een groot houtvuur, waar omheen een groep armelijk gekleede lieden

zitten, die ons op onvriendelijken toon groeten, terwijl sommigen

opstaan om ons na te oogen.

"Wat zijn dat voor lieden, Dimitri?"

"Landloopers. Waarschijnlijk zijn het vluchtelingen."

"Vluchtelingen? Waarvoor vluchten zij dan?"

"Ja, dat zijn zonderlinge lui, die niet werken willen, zich aan wet

noch gebod storen, en zich nergens willen vestigen. Gij kunt ze hier

overal in de bosschen vinden: het zijn ware wilden. Te Kargopol zult

gij er wel meer van hooren."

In deze stad, aan de rivier de Onega, in het gouvernement Olonetz

gelegen, vernam ik meer bijzonderheden omtrent deze landloopers, die

inderdaad een lastig en gevaarlijk slag van menschen zijn. Ook in

Nowgorod en in Kazan hoor ik van deze zwervende bevolking spreken,

die in een groot deel des rijks verspreid is: een verschijnsel, op

zich zelf reeds een kwaad, maar als teeken van den maatschappelijken

toestand nog veel bedenkelijker. In de gouvernementen, Jaroslaw,

Archangel, Wologda, Nowgorod, Kostroma en Perm, zwerven gansche benden

dezer onrustige, weerspannige vagebonden rond. Zij zijn nomaden, in

den waren zin des woords. Zij verlaten hunne huizen en landerijen,

doen afstand van hunne rechten als boeren of burgers, kleeden zich

in lompen, nemen den pelgrimsstaf ter hand, verbreken alle banden

der familie, trekken zich in het diepst van het woud terug, en

wonen in moerassen en zandwoestijnen, in openbare vijandschap met

de maatschappij, de kerk en den staat. Sommigen doen inderdaad geen

kwaad: zij brengen hunne dagen door in sluimering en hunne nachten

in gebed, terwijl de boeren hen van spijs en drank voorzien; maar ook

al bepaalt zich hun verzet tegen de gevestigde orde van zaken alleen

tot zulk een lijdelijken wederstand, dan nog is dit een bedenkelijk

verschijnsel. Deze lieden willen niet arbeiden voor de spijze, die

vergaat; zij weigeren zich te onderwerpen aan de bevelen der overheid;

zij erkennen de wet niet, waaronder zij leven. Zij beweren dat het

tegenwoordige regeeringsstelsel een werk des duivels is; de tsaar

is voor hen de vorst der duisternis; zijn raadslieden en de heeren

van zijn hof zijn valsche getuigen en gevallen heiligen. Zij zelf

willen niets gemeens hebben met de booze wereld, waarvan zij vlieden,

zooals Abraham vlood van de ten ondergang gedoemde steden der vlakte.

Naar het schijnt hebben deze nomaden, althans in sommige provinciën,

eene eigene organisatie, met opperhoofden aan wie zij gehoorzamen,

als ook bepaalde plaatsen van bijeenkomst en gemeenschappelijke

Godsvereering. Doorgaans vinden zij steun en hulp bij de boeren, hetzij

dan uit werkelijke sympathie, hetzij uit vrees voor wraakoefening. Zeer

zelden vinden zij de deur der hoeve voor zich gesloten; en bijna

nooit wordt een aanklacht tegen hen bij de politie ingediend. Zelfs

in die streken, waar zij, naar men zegt, nu en dan plunderen en

gewelddadigheden plegen, valt het uiterst moeilijk iets omtrent hen

te vernemen, en vindt vooral de politie niet de minste medewerking.

Niemand zal ontkennen dat, vooral in de ernstige crisis waarin de

russische maatschappij thans verkeert, zulk een staat van zaken een

wezenlijk gevaar oplevert. De geest, die deze benden avonturiers

bezielt, en hen drijft zich aldus vijandig tegenover de maatschappij

en hare inzettingen te plaatsen, en feitelijk tot den chaos der

barbaarschheid terug te keeren, is zekerlijk een der moeilijkste

hinderpalen, die eene waarlijk vrijzinnige en hervormingsgezinde

regeering op haar weg ontmoeten kan. Tegenover dit onrustbarend

verschijnsel rijzen ernstige vragen op. Is de russische boer inderdaad

rijp voor vrijheid en zelfbestuur, alleen door de gehoorzaamheid aan de

wet beperkt? Indien de ondervinding mocht bewijzen, dat een aanzienlijk

deel der landelijke bevolking in Rusland zich over dezen hartstocht

voor een zwervend nomadenleven laat vervoeren,--zooals sommigen

hopen en velen vreezen--dan is de proeve van emancipatie, door den

tegenwoordigen tsaar genomen, mislukt, en is de burgerlijke vrijheid

misschien voor meer dan honderd jaren verloren. De keizer heeft eene

bijzondere commissie benoemd, om de door de regeering ingewonnen

berichten en rapporten betreffende deze zaak te onderzoeken. Dat

onderzoek is nog niet afgeloopen; naar het schijnt heeft de commissie

nog tot geen besluit kunnen komen, en geen middel aan de hand weten

te doen om het voortwoekerend kwaad te stuiten.

Inmiddels gaat ons het eene dorp na het andere voorbij!

Deze russische dorpen gelijken zoozeer op elkander, dat wie er een

gezien heeft, er honderden heeft gezien; hebt ge er twee verschillende

gezien, dan kent gij ze allen. Het doet er weinig toe, of het model

groot of klein is, van hout of van leem gebouwd, in het woud verscholen

of te midden der naakte steppen geplaatst: gij zult overal dezelfde

vormen en dezelfde groepeering van woningen vinden, duizende malen

herhaald. Er zijn slechts twee verschillende typen van dorpen: die

van Groot- en die van Klein-Rusland; van de eerste vindt ge de beste

voorbeelden in de omstreken van Moskou; van de laatste in den omtrek

van Kiew.

Een groot-russisch dorp bestaat uit twee rijen hutten, door eene

breede en vuile straat gescheiden. Elk huis staat op zich zelf;

het getal dezer woningen wisselt af van tien tot honderd. Van geheel

gelijkvormige dennestammen opgetrokken, die op dezelfde wijze gehouwen

en saamgevoegd zijn, zijn de huizen onderling volkomen gelijk, alleen

behoudens het verschil in grootte. De woning van het dorpshoofd

is grooter dan de anderen; daarop volgt die van den slijter, de

brandewijnkroeg. Vier ruwe wanden, waarvan de gaten en spleten met

mos zijn toegestopt, en waarin een paar deuren en eenige vensters

zijn uitgehouwen; een schuin oploopend, vooruitstekend dak--ziedaar

het uiterlijke. Van binnen geen andere vloer dan de naakte bodem; de

zoldering bestaat uit dennen balken en planken. Verf is eene onbekende

weelde; het duurt dan ook niet lang, of de wanden en de gevel zien

bijna geheel zwart door den regen en den rook. De ruimte tusschen

de huizen ligt geheel open: een vuile modderpoel, waarin de varkens

zich welbehagelijk rondwentelen, en de nijdige wolfshonden grommen

en vechten. De zoogenaamde straat is met planken bevloerd. Hier en

daar prijkt eene enkele woning met een soort van balkon, een koestal,

en zelfs met eene bovenverdieping. Nabij het dorp verrijst een kapel,

eveneens van boomstammen gebouwd en met planken gedekt; maar hier

vindt ge, zoo al niet verguldsel, dan ten minste eene mengeling van

kleuren. De wanden der kapel zijn wit geschilderd, het dak is groen;

en misschien heeft een of andere rijke boer, voor zijne rekening,

het kruis laten vergulden.

Rondom deze akelige woningen strekken zich de weinig minder

akelige velden en akkers uit, die de dorpelingen met hun zweet

besproeien. Vlak, laag, zonder hagen of eenige afsluiting, missen die

akkers, in hunne naakte eentonigheid, schier alle poëzie; nergens

een welriekende rozenheg, nergens een boomgaard, niets dat aan een

thuis, eene eigene woning, herinnert. De moestuinen hebben niets van

tuinen: zij zijn niets meer dan regelmatig afgedeelde stukken grond,

waarop groenten geteeld worden. Geen enkel bloempje verkwikt in deze

wildernis uw oog.

In Klein-Rusland, in de oude poolsche provinciën van het westen en

het zuiden, vindt ge een andere type van dorpen. In plaats van de

vuile, berookte boomstammen, eene schilderachtige mengeling van groen

en wit; in plaats van de regelmatig op eene rij gezette blokhuizen,

eene groep woningen, te midden van het geboomte verspreid. De huizen

zijn meest van aarde en biezen gebouwd; het dak is met stroo gedekt;

de wanden zijn met kalk bestreken; een haag van biezen en doornen

omgeeft die gansche groep. Is elk huis op zich zelf ook klein, het

heeft toch zijn voorplaats en zijn tuin. Er zijn geen straten in het

dorp; de haag heeft slechts twee openingen, eene ten noorden, en eene

ten zuiden; en zoo ge van de eene opening naar de andere wilt gaan,

moet ge een aantal paden of stegen doorkruisen, met doornen hagen

en biezen omzoomd, en bevolkt door nijdige, gevaarlijke honden. Het

schijnt wel, dat ieder hier volle vrijheid had om zijn huis te

bouwen, waar hij wilde, alleen zorg dragende dat zijn erf binnen de

algemeene omwalling bleef. Zulke dorpen, zonder eenig plan gebouwd,

en waarin ieder huis door een tuin is omringd, beslaan natuurlijk

eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds; sommige dorpen der Kozakken

doen in omvang voor geen matige stad onder. Natuurlijk heeft ieder

dorp zijn kerk, wier rijke kleurenpracht en eigenaardige bouworde de

bekoorlijkheid van het landschap verhoogen.

In de wijde landstreek tusschen Kiew aan de Dnjeper en Kalatsh aan

den Don, behooren al de dorpen tot deze tweede type. Het verschil met

de groot-russische dorpen ligt zoowel in het huis als in den tuin;

en dit verschil wijst op eene andere opvoeding, misschien wel op een

ander ras. De Groot-Russen zijn schroomvallig, zachtaardig en meegaand

van karakter; zij sluiten zich gaarne aaneen, en trachten zooveel

mogelijk bij elkander te blijven en in eene soort van gemeenschap

van goederen te leven. De Klein-Russen daarentegen zijn levendig,

prikkelbaar, ondernemend van aard; zij zijn gaarne hun eigen meester

en heer, en staan liefst op zich zelf, ten einde gelegenheid te hebben

om al hunne krachten en talenten te kunnen ontplooien. Een inwoner

van Groot-Rusland voert zijne bruid naar de ouderlijke woning; een

inwoner van Klein-Rusland geleidt haar liefst zijn eigen huis binnen.

Het woud duikt achter ons weg in eindeloos verschiet, en wordt dunner

en dunner. Wij ontmoeten eene vrouw, alleen in haar eenvoudige kar

gezeten; straks komt ons een wagen tegemoet, door soldaten te voet

begeleid, en waarmede gevangenen, die deels geboeid zijn, onder

opzicht van eene oude vrouw worden vervoerd. De zorg voor de dienst

langs de wegen is, bij wijze van heeredienst, aan de dorpen opgelegd;

wanneer een reisgezelschap in een dorp aankomt, moet de oudste of

hoofdman zorgen voor het noodige--wagens, paarden, voerlieden--zooals

in de podorodjna staat geschreven. Maar zeer dikwijls gebeurt het,

dat er in het dorp geen andere mannen te vinden zijn dan knapen of

grijsaards. De volwassen mannen zijn verre, verre weg: zij zwerven

als visschers door de Poolzee; zij hakken hout in de wouden rondom

Kargopol; zij zijn op de bever- en vossenjacht in het Oeralgebergte,

en laten hunne vrouwen maanden lang alleen achter.

Dorpen, dorpen en nog eens dorpen! Wij ontmoeten nogmaals een

boerewagen, door soldaten begeleid en waarin een gevangene geboeid

ligt; uit het kreupelhout gluurt ons een wolf aan; een pelgrim gaat

ons voorbij, op weg naar Solowetsk; wij rennen langs een troep spelende

jongens, wier kleederen op dit oogenblik in de wasch schijnen te zijn;

daar staat, half omvergevallen, een gebroken wagen; straks doet het

woeste geblaf van eenige honden ons opschrikken; en dan gaat het weer,

uren achtereen, door het stille zwijgende woud. Toch komt een straal

van liefelijkheid en poëzie ook deze eenzame streken verhelderen

en bezielen. Een geurige, frissche koelte doet de bladeren zachtkens

ritselen; de lucht is helder; en zijn de lijnen ook bijna allen vlak en

effen, de hemel is blauw, en de zon giet haar gouden stralen over het

landschap uit. Dikwerf prijken de oude boomstammen met de fraaiste

kleurschakeeringen, en de zwevende koeltjes ruischen als muziek

door de hooge dennen. Hier en daar groet u van verre, in het lommer

verscholen, een schilderachtig klooster. Daar ginds is een boschbrand

uitgebarsten; de bleekroode vlammen verheffen zich hoog in de lucht,

half gehuld in dikke wolken van purperkleurigen rook. Een open plek,

getuige van een vroegeren brand, straalt in al de kleurenpracht der

liefelijkste herfstbloemen. Een aanvallig kind, met blonde krullen

en zachte blauwe oogen, staat langs den weg, en groet ons met bijna

oostersche bevalligheid. Daar ritselt en klatert een beek dwars door de

afgevallen bladeren. Nieuwe groepen: eene vrouw, met eene kom melk in

de hand; meisjes, die in het heldere riviertje haar linnengoed spoelen,

onder het oog van het Onze-Lieve-Vrouwenbeeld. Overal zijn de lieden

wel is waar eenigszins plomp en ruw, maar inderdaad godsdienstig en

wellevend; in hunne donkere wouden richten zij kruisen en kapellen

op, en maken alzoo de sombere vervelende wegen tot lichtende sporen,

die de gedachten ten hemel heffen.

Wij houden stil in een dorp, aan den oever van een klein donker meer.

Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 27 / 48 题