De vreemdeling, die niet aan den uiterlijken schijn der dingen
blijft hangen, en niet enkel de officiëele waarheid als de alleen
geldende aanneemt, zal weldra tot de ontdekking komen, dat in de
diepte der russische maatschappij vijandige elementen aan het woelen
en gisten zijn: een conflict van vrij wat meer beteekenis, dan de
meer of minder openlijk gevoerde strijd tusschen de wereldlijke
geestelijkheid en de kloosterlingen. Ook in Rusland bestaan er
partijen, die, overeenkomstig den geheelen maatschappelijken toestand
en het standpunt van ontwikkeling, waarop het russische volk staat,
tegelijk een kerkelijk en een staatkundig karakter hebben: sekten
in de eerste plaats, maar tevens ook politieke factiën. Trouwens,
de orthodoxe kerk is eene staatsinstelling, waarvan de keizer het
erkende hoofd is; wie zich dus van haar afscheidt, keert zich tegelijk,
in meerdere of mindere mate, tegen de regeering zelve.
Keizer Nikolaas wilde er niet gaarne van hooren, dat een zijner
onderdanen van zijne kerk afvallig was geworden; hij trachtte zich
het onaangename feit, dat er toch werkelijk dissidenten waren, zooveel
mogelijk te ontveinzen; vooral het naar buiten geheim te houden. Nu,
wat de meester niet wilde vernemen, trachtten de ministers ook niet te
zien. De tsaar beroemde er zich gaarne op, dat millioenen Muzelmannen,
Joden en Boeddhisten in vrede onder zijn schepter leefden; maar dat
een zijner eigene landgenooten zich veroorloofde in godsdienstige
overtuiging met den keizer te verschillen, stond in zijne oogen bijna
met oproer en hoogverraad gelijk. De kerk had nu eenmaal vastgesteld
wat ieder te gelooven had, den eenigen weg afgebakend om aan het eeuwig
verderf te ontkomen: daaraan moesten nu ook allen zich houden. Had
de keizer zelf niet gezworen, dat hij dit geloof zou eerbiedigen en
handhaven? Zoolang Nikolaas leefde, behoorde het in het Winterpaleis
tot den goeden toon, niet meer aan het bestaan der vroegere sekten te
gelooven: men deed het voorkomen, alsof zij allen verdwenen waren, en
er in het gansche rijk inderdaad niet meer dan ééne christelijke kerk
bestond. Misschien is keizer Nikolaas de eeuwigheid ingegaan, zonder
ooit de waarheid te hebben vernomen omtrent die vele duizende menschen,
die, naar het heette, voor zijne ongenade als versmolten waren.
Intusschen won, buiten het Winterpaleis en de officiëele kerkelijke
kringen, de afscheiding in kracht en tal, gedurende de geheele
regeering van den tsaar. Ongetwijfeld keerden enkelen in den schoot
der orthodoxe kerk terug--maar door geweld gedwongen. Doch dergelijke
maatregelen mogen sommigen ontrouw doen worden aan hun geloof:
zij, voor wie dat geloof waarlijk ernst, eene zaak des harten was,
waren op deze wijze niet te winnen, al moesten zij bittere tijden
doorleven. Eene godsdienstige overtuiging wordt niet waarlijk
overwonnen door het bestormen van de bedehuizen harer belijders;
en de dertigjarige vervolging heeft niet anders uitgewerkt, dan
dat de dissidenten heden ten dage talrijker, welvarender, vaster
aaneengesloten zijn, dan toen keizer Nikolaas den troon beklom.
Niemand in geheel Rusland zal durven beweren, dat hij de namen, het
aantal aanhangers en de bijzondere geloofsartikelen van al deze sekten
kent; veel minder, dat hij iets weet van haar ontstaan en verborgen
ontwikkeling. Niet alleen wordt alles wat de raskol, de afscheiding,
betreft, zooveel mogelijk geheim gehouden: maar ook de sekten zelf
hullen zich zooveel zij kunnen in het duister. Volgens den minister
van politie splitsen zij zich in vier hoofdgroepen, te weten: I de
Doukhobortzis of Pneumatomaken, worstelaars van den geest; II de
Malakhanys, melkëters; III de Khlystis, geeselaars en IV de Skoptzis,
eunuken of gesnedenen. [1]
Het is misschien niet gemakkelijk, het in opzettelijke zelfmisleiding
verder te brengen, dan in deze officiëele lijst geschiedt. Vier groepen
alzoo, en niet meer? Maar de waarheid is, dat de russische raskolniken
(dissenters, afgescheidenen) zich wel in honderd sekten verdeelen. Ook
de rangschikking is zonderling, en berust op geen enkelen redelijken
grond. De Worstelaars van den geest, die het eerst worden genoemd, zijn
noch eene oude, noch eene machtige sekte. De Melkëters zijn van lateren
oorsprong dan de Geeselaars en de Gesnedenen; ook dragen deze beide
laatste sekten een geheel ander karakter dan de beide eerstgenoemden,
die, in sommige opzichten, met de Methodisten en Puriteinen zijn
te vergelijken. De Khlystis zijn niet zoo talrijk als de Skoptzis,
hoewel zij hoogstwaarschijnlijk de Doukhobortzis in aantal overtreffen.
De oorsprong der Khlystis moet wellicht in de dertiende of veertiende
eeuw worden gezocht; niemand schijnt daarvan met juistheid iets te
weten; volgens sommigen zou de sekte in de eerste jaren van tsaar
Alexis Michaelowitsch, dat is dus omstreeks de helft der zeventiende
eeuw, zijn ontstaan. Zij zelf noemen Christus als de stichter hunner
sekte. De Skoptzis zijn nog ouder; zij zijn zeer talrijk en over het
algemeen zeer vermogend, maar houden zorgvuldig alles wat hun geloof
en hunne gebruiken betreft, geheim. Zij noemen zich zelf Beliegolubis,
witte duiven, en gelooven, naar het schijnt, aan eene voortdurende
incarnatie van Christus: een dezer laatste verschijningen van den
Heiland was, volgens hen, tsaar Peter III, dien zij allen bijzondere
eer bewijzen.
Doch deze vier groepen zijn, heden ten dage, niet meer de
belangrijkste; wel bestaan zij nog altijd, komen voor in officiëele
lijsten en verslagen, worden besproken in boeken en verhandelingen;
maar zij zijn, in zekeren zin, historische sekten, die tot een
vroegeren tijd behooren, en voor wie, zooals het gaat, de tijd van
aanvallende propaganda grootendeels voorbij is. De altijd werkzame
schismatieke geest gaat nog voortdurend voort, zich in andere,
nieuwere vormen te openbaren. Naarmate het onderwijs algemeener wordt,
vermenigvuldigen zich de sekten. Een pope zeide eens tot mij: "Hetgeen
in onzen tijd gebeurt, verbaast en bedroeft mij. Ik wil gaarne van
deze eeuw het beste denken: maar het is mijne doorgaande ervaring,
dat zoodra een boer kan lezen en voor zich zelf begint te denken,
hij onvermijdelijk een ketter wordt."--Er heerscht in de russische
maatschappij, in de russische kerk, eene sterke beweging, eene
machtige gisting: een voorgevoel van de naderende crisis vervult de
gemoederen der menschen met vrees en hoop, met twijfel en dorst naar
zekerheid; het is of allen, in angstige spanning, uitzien naar eene
openbaring van boven, die aan de bestaande onzekerheid en verwarring
een einde zal maken. Vandaar, dat ieder stoutmoedige dweeper of listige
bedrieger, die zich zelf voor een profeet durft uitgeven, aanstonds
eene schare van volgelingen vindt. Deze verschijnselen zijn teekenen
der tijden, die met de diepste bewegingen in de wereld der geesten,
met den historischen ontwikkelingsgang des volks, samenhangen,
en getuigen van bestaande behoeften, die op deze wijze bevrediging
zoeken. De meesten dezer sekten hebben zoowel een politiek als een
godsdienstig karakter. Inlichtingen, die ik in verschillende, ver
verwijderde provinciën van het groote rijk heb ingewonnen, stellen
mij in staat het een en ander mede te deelen omtrent godsdienstige
genootschappen van zoo jongen datum, dat zelfs in Rusland hunne namen
nog ternauwernood bekend zijn.
In het jaar 1868 vormde zich plotseling in de stad Atkarsk, in het
gouvernement Saratow en in het bisdom van Tsaritzin, eene nieuwe
sekte. Zestien personen scheidden zich van de orthodoxe kerk af,
zonder daarvan kennis te geven aan hun pope; zij stichtten eene
nieuwe godsdienst, en begonnen, op hunne wijze, het Evangelie te
prediken. Heiligenbeelden en altaarstukken beschouwen zij als afgoden;
het brood en de wijn des avondmaals hebben, volgens hen, hun tijd
gehad. Zij zeiden van Christus zelf den last ontvangen te hebben om
te onderwijzen, te prediken, te lijden en eene kerk te stichten. Om
aan die goddelijke lastgeving te voldoen, begaven zij zich naar de
rivier de Wolga, dompelden elkander in hare wateren, namen een anderen
naam aan, en hielden te zamen een plechtig feest. Dit gebeurde midden
in den winter, op asch-woensdag, 26 Februari, toen de wateren van de
Wolga met ijs waren bedekt, waarin gaten gehouwen moesten worden.--Deze
nieuwe apostelen der waarheid geven zich zelf den bescheiden naam van
kleine-christenen. Zij hebben geen priesters, geen formulieren, geen
beelden; gebruiken geen hostiën en geen gewijde olie. In plaats van
het gewijde brood, eten zij een soort van koeken, in vorm en omvang
aan een half-stuivers broodje gelijk, die zij als een bijzondere gave
van God vereeren, en waaraan zij allerlei geheimzinnige krachten en
bovennatuurlijke vermogens toeschrijven.
Zoodra de bisschop van Tsaritzin van deze beweging onder zijne kudde
hoorde, richtte hij een schrijven aan graaf Tolstoï, den minister
van onderwijs, die aanstonds zijne bevelen zond naar de plaatselijke
politie. De nieuwe sektarissen moesten nauwkeurig worden gadegeslagen;
geen indompelingen in het ijs mochten meer worden toegelaten; met
het bakken der gewijde koeken mocht niet worden voortgegaan. Elke
prediking van deze nieuwe leer moest onmiddellijk worden verboden;
de bisschop moest geraadpleegd worden omtrent hetgeen verder tegen de
sektarissen te doen viel. Al deze bevelen werden stiptelijk uitgevoerd;
de politie bereikte ook hier het gewone resultaat van hare ijverige
pogingen: de ketterij der kleine-christenen wint met den dag veld.
Datzelfde jaar 1868 was getuige van de opkomst van nog eene andere
sekte. De gouverneur van Kherson vernam, tot zijne verbazing, dat
eenige boeren in zijne provincie door de politie in hechtenis waren
genomen om de zeker niet alledaagsche reden, dat zij zich veel te goed
en te ordentelijk gedroegen voor lieden van hun stand. Naar men zeide,
dronken die boeren geen sterken drank, vloekten niet, logen niet,
waren niemand iets schuldig, en gingen ook niet ter biecht om den
pope hunne zonden te belijden. Niemand begreep daar iets van; en de
politie, geërgerd dat zij niets ten nadeele van die lieden vinden
kon, nam ze allen met een slag gevangen, zette ze in den kerker,
en berichtte den gouverneur welke vermoedens bij haar waren gerezen.
Deze al te deugdzame boeren waren broeders, Ratushni genaamd,
woonachtig in het dorp Osnowa, waar zij eenig land in eigendom
bezaten. Osnowa ligt in de nabijheid van een kleine stad, Ananiew
genaamd, waar een eenvoudig burger, Vonsarski, woonde, die ook bij de
politie met een zwarte kool stond aangeschreven, omdat ook hij een veel
te braaf man was voor zijn stand. Vonsarski betaalde zijn schulden,
en brak nooit zijn woord; hij leefde in vrede met zijne vrouw,--en
verscheen nooit ter kerk. Hij werd dus ook gevangen genomen, tot de
gouverneur uitspraak zou hebben gedaan.
Naar men zegt, had de politie gehandeld op aansporing van de
monniken. Al was er op het oogenblik met grond niets tegen de
gevangenen in te brengen, toch hoopte men dat op het gerucht hunner
gevangenneming, de tongen los zouden worden, en dan wellicht het een
of ander uit zou lekken, waaruit met fatsoen eene niet al te dwaze
beschuldiging tegen deze lieden ware samen te stellen.
De Ratushni's en Vonsarski stonden bekend als verlichte mannen;
men wist ook dat zij meermalen in aanraking waren geweest met de
hernhuttersche kolonisten in het zuiden van Rusland. Het gaf reeds
ergernis genoeg, dat zij blijkbaar de voorkeur gaven aan de wijze
waarop deze vreemdelingen hunne paarden optuigden en hunne ossen voor
den wagen spanden. Bovendien was er alleszins grond voor het vermoeden,
dat zij geen onbepaalde bewonderaars waren van de organisatie der
landelijke gemeenten, maar een ander stelsel wenschten, dat meer ruimte
liet voor de betooning van rechtvaardige en waarlijk godsdienstige
onderlinge liefde en behulpzaamheid. Men gaf hun om die reden den
naam van Helpers. Maar hun voornaamste misdaad was toch altijd hunne
minachting voor de kerkelijke ceremoniën, en hun zucht voor huiselijke
godsdienstoefening, zonder inmenging van den pope.
De gouverneur van Kherson aarzelde geen oogenblik wat te doen:
hij liet de gevangenen aanstonds in vrijheid stellen. De monniken
beschuldigden hem nu van medeplichtigheid aan ketterij, en noemden
hem een scheurmaker; maar hij wees hen op paragraaf elf van de
keizerlijke ukase betreffende de dissenters, waarin met zoovele
woorden te lezen staat dat ieder mag gelooven wat zijn geweten hem
gebiedt, en deswege geen overlast zal lijden, zoolang hij door zijne
pogingen om anderen te bekeeren geen onrust en ergernis verwekt. De
prins voegde er de vermaning bij, dat de geestelijkheid, indien zij
hare roeping waardiglijk wilde vervullen, zich beijveren moest om de
afgedwaalde schapen weder tot de kudde terug te voeren.
In de omstreken van Kazan hoorde ik voor het eerst spreken van een
nieuwe sekte, die in het gouvernement Wjatka was ontstaan, en der
regeering vele moeilijkheden dreigde te veroorzaken. De aanhangers
dezer sekte waren arme boeren, die zich verbeeldden dat zij een
aangeboren recht op den grond hadden, en het dus eene ongehoorde
tyrannie was, van hen de betaling van pacht te vorderen. Het kanton
Mostowinsk, in het district Sarapul, was het tooneel dezer beweging. De
provincie Wjatka, aan de aziatische grenzen gelegen, heeft eene zeer
gemengde bevolking, uit Russen, Finnen, Basjkiren, Tartaren bestaande;
in hare diepe, moeilijk toegankelijke dalen vindt men belijders van
bijna iedere godsdienst: christenen, mohammedanen, boeddhisten,
heidenen; onder allerlei namen en vormen. In deze eene provincie
tieren zeker twintig verschillende christelijke sekten; en daar
alle vreemdelingen en afgodendienaars in dat gouvernement het recht
hebben om door hunne eigene hoofden te worden geregeerd, is het geen
gemakkelijke taak de ketterij in al hare verwarde vertakkingen na te
gaan. Maar eene sekte als deze kon kwalijk verborgen blijven. Willen
zij hun plicht betrachten en hun leeraar gehoorzamen, dan moesten
deze sektarissen voor de wereld optreden, hunne leer bekend maken en
verdedigen: dit was het noodzakelijk gevolg hunner bekeering; en toen
dan ook de tijd voor het betalen der pacht gekomen was, weigerden
zij de betaling. Evenals alle kroonboeren (en deze hervormers waren
allen voormalige kroonboeren) hadden zij hunne woningen en een zeker
stuk land in eigendom ontvangen, onder voorwaarde dat zij, gedurende
zekeren tijd, eene zeer matige rente zouden betalen. Nu weigerden
zij dit en wel om godsdienstige redenen.
De gouverneur van Wjatka, hierover ongerust, schreef naar Petersburg
om nadere instructies. Hem werd gelast, een onderzoek in te stellen,
de leiders gevangen te nemen; en zorgvuldig te waken tegen elk
begin van verzet of oproerigheid. Ongeveer tweehonderd wanbetalers
werden door de politie gevangen genomen, in afdeelingen gesplist en
ondervraagd. Eenigen werden, op voorspraak van den gouverneur, weder
ontslagen; maar toen ik Kazan verliet, waren drie-en-twintig dezer
wanbetalers nog altijd in de gevangenis. Men kon hun maar niet aan
het verstand brengen dat zij dwaalden; zij wilden zich niet verbinden,
hunne leer niet verder te verspreiden; en, wat nog het ergste van alles
was, zij bleven hardnekkig de voldoening der op hun land klevende rente
weigeren. Wat moet een praktisch staatsman aanvangen met lieden, die,
uit gemoedsbezwaren, de betaling van belasting en pacht weigeren?
Bij mijne komst in de provincie Simbirsk had ieder den mond vol
van een zonderlinge soort van lieden, wier bestaan eerst onlangs
was ontdekt. Een zekere Peter Mironoff, een gewoon soldaat, had zich
opgeworpen als stichter eener nieuwe godsdienst, waarvan de belijdenis
en gebruiken zeer geheim moesten worden gehouden, en die zelfs geen
naam droeg. Deze Peter stond als een braaf, oppassend man bekend;
hij was vroom, ernstig, ordelijk en betamelijk in zijn gedrag;
als soldaat ontbrak hij nooit bij de exercitiën; als biechteling
gaf hij zijn pope nimmer reden tot klachten. Niemand verwachtte van
hem iets bijzonders. Naar men zegt, begon hij met veertien zijner
makkers te bekeeren, die zich allen bij eede verbonden, dat zij
de hun geopenbaarde waarheid geheim zouden houden; dat zij zooveel
mogelijk alle aanleiding tot achterdocht zonden vermijden; dat zij,
des noods, ballingschap, pijniging en zelfs den dood zouden ondergaan,
maar nooit de geheime leer openbaren.
Peter, die zelf niets geleerd heeft en dus hoegenaamd geen eerbied
heeft voor boeken, is een verklaarde vijand van alle formulieren, van
alle liturgiën, van alle levensbeschrijvingen der heiligen. Volgens
hem, zijn lezen en schrijven gevaarlijke verleidingen en dwalingen: de
overlevering, door eene levende persoonlijkheid bewaard en verkondigd,
is voor hem de echte bron en toetssteen der waarheid. Hoewel hij
ijvert tegen alle kruisen en beelden, hangt toch een zilveren
heiligenbeeld, op eene zeer zichtbare plaats, in zijne kamer, en
draagt hij voortdurend een koperen kruis om zijn hals. Hij leert
zijn discipelen, dat de ware godsdienst bestaat in een voortdurenden
strijd tegen het vleesch, en schrijft daarom zeer strenge vasten en
onthouding voor. Als zij vasten, moeten zij zich volstrekt van alle
spijze onthouden, om den Heer niet te bespotten; en zelfs wanneer zij
aan de physieke behoeften des lichaams moeten voldoen, behooren zij
toch alle overtollige weelde, als den uitverkorenen niet voegende, te
vermijden, zooals het gebruik van vleesch en wijn, van melk en eieren,
van olie en visch. Hij waarschuwt de jongelieden tegen de zonde van
het huwelijk, en vermaant de gehuwden, met elkander als broeders
en zusters te leven, in reinheid en vrede, zooals de engelen in den
hemel. Volgens Peter is het menschelijk hart vol van goede en kwade
beginselen en neigingen; hij houdt zich overtuigd dat het mogelijk
is, het kwaad door het goed te overwinnen; vasten en bidden zijn de
eenige en ook afdoende middelen om de booze geesten te verdrijven,
die over het vleesch heerschappij voeren.
De volgelingen van dezen nieuwen apostel verwerpen alle mysteriën
en sacramenten, alle uiterlijke teekenen en symbolen van
Godsvereering. Zij leven in vrede met de wereld, helpen elkander
zooveel in hun vermogen is, en gehoorzamen onvoorwaardelijk aan de
bevelen van eene door hen gekozen heilige maagd: de door de zonde
gevallen mensch kan, naar hunne meening, alleen eene vrouw en maagd
als voorganger en leeraar erkennen. Het ware hoofd der sekte is dan
ook eene boerenvrouw, Anicia genaamd, woonachtig in het dorp Perewoz,
in het gouvernement van Tambow; zij staat niet alleen boven Peter
Mironoff zelf, maar ook boven den Zaligmaker en Sint-Nicolaas.
De godsdienstoefeningen dezer sekte, die in het geheim, met gesloten
deuren gehouden worden, beginnen en eindigen met gezang, begeleid
door eene eigenaardige soort van kort afgebroken muziek, en vergezeld
van dansen en springen. De vormen der eeredienst zijn gedeeltelijk
aan de moskee ontleent. Zij bidden staande, buigen zich nu en dan
met het aangezicht ter aarde, en onthouden zich van het teeken des
kruises. Evenals alle dissidenten zonder onderscheid, zijn ook deze
sektarissen vijandig gekant tegen den officiëelen staat, niet minder
dan tegen de officiëele kerk.
Het duurde een geruimen tijd, eer Peter en zijne volgelingen bij de
politie werden aangeklaagd; en nu zij er zich eenmaal mede heeft
gemoeid, en de profeet en de maagd in de gevangenis zitten, weet
de regeering niet best wat te doen. Bijna alle mannen en vrouwen
toch, die beschuldigd werden leden te zijn van deze onwettige en
godslasterlijke sekte, staan in de provincie Simbirsk bekend als
lieden van een onberispelijken wandel. De hoofden der sekte staan
bijzonder hoog aangeschreven, niet alleen als trouwe kerkgangers,
maar zelfs als ijverige medearbeiders der geestelijkheid. Zij die
door de politie op vermoeden werden gevat, waren in den regel in het
bezit van een door den pope afgegeven certificaat, ten bewijze dat
zij regelmatig ter biecht kwamen en hoogtijd hielden. Moeder Anicia,
in haar dorp gevangen genomen, werd ten scherpste ondervraagd; maar
toch men heeft niets tot haar nadeel kunnen vinden. Zij is veertig
jaar oud, en, hoewel sedert negentien jaar gehuwd, nog altijd maagd:
en al hare buren verklaren eenstemmig dat zij een onberispelijk
voorbeeldig leven heeft geleid. Toch geeft de politie de zaak nog niet
op: Peter en Anicia vertoeven nog altijd in den kerker: het proces is
nog steeds aanhangig, en zal hoogstwaarschijnlijk daarmede eindigen,
dat de model-soldaat en de onberispelijke boerin hun verder leven in
een der Siberische mijnen zullen slijten.
Te Moskou verhaalde men mij van een sekte, die zeker wel de
zonderlingste van allen mag worden genoemd: de zoogenaamde
Napoleonisten. Hun haat tegen het rijk en de officiëele kerk heeft
hen er toe gebracht, den geduchtsten vijand, dien Rusland in de
laatste tijden gehad heeft, Napoleon I, als een soort van messias,
als een beschermgod van het Slavonische ras, te vereeren. Natuurlijk
dienen zij dit weinig vaderlandslievend geloof geheim te houden; ook
laten zij niemand bij hunne godsdienstoefeningen toe. Toch beweert
men dat zij een vast aaneengeschakeld genootschap vormen, en dat hun
aantal gedurig toeneemt. Zij vergaderen met gesloten deuren, onder
het oog der politie; maar zoovele sekten te Moskou doen hetzelfde,
dat deze omstandigheid op zich zelf niet zoo bijzonder vreemd is. Naar
men zegt, hebben zij in hunne woning een soort van altaar, waarop het
borstbeeld van Napoleon staat, en waarvoor zij nederknielen. Zij houden
zich overtuigd, dat hun messias nog in leven is; volgens hen, zou hij
aan de handen zijner vijanden zijn ontkomen, en van St.-Helena naar
Midden-Azië zijn gevlucht, waar hij nu zijn verblijf houdt te Irkutsk,
nabij het meer Baïkal, op de grenzen van chineesch Tartarije. Vandaar
zal hij te zijner tijd wederkomen, aan de onderlinge twisten der vele
sekten een einde maken, zich aan de spitse van een machtig leger
stellen, en de aanhangers van Satan, dat wil zeggen de regeerende
dynastie en hare dienaren, slaan met de scherpte des zwaards.