DE ZWARTE GEESTELIJKHEID.

Bijna alle Russen van aanzienlijken of beschaafden stand zien met

verachting neder op hunne ordens-geestelijken, op de zoogenaamde

Zwarte geestelijkheid, aldus genoemd naar de kleur van hun gewaad. Zij

beschouwen de kloosterlingen in het algemeen als een hoop onbeschaafde

lieden, als onwetende, zedelooze leegloopers, die tot niets dienstig

zijn, en die, hoe eer hoe beter, behooren opgeruimd te worden. "Weg

met de monniken en kloosters!" is het wachtwoord van verreweg de

meeste jonge vrijzinnige Russen.

En zij die aldus spreken, zijn niet altijd spotters en ongeloovigen,

verklaarde vijanden van iedere godsdienstige overtuiging, van elke

geestelijke of kerkelijke instelling. Neen, zeer dikwijls zijn het

ernstige mannen, die hunne kerk liefhebben, den priester hunner

parochie gaarne ondersteunen, en die niets liever wenschen dan hun

vaderland den eersten rang onder de christelijke mogendheden te

zien innemen. In Rusland, zeggen zij, leven tienduizend monniken:

eene overtollige, om niet te zeggen schadelijke bevolking; het beste

wat men zou kunnen doen; is, er soldaten van te maken, opdat zij ten

minste het land van eenig nut zijn.

Deze niet altijd billijke vijandschap der beschaafde klassen tegen de

kloosterlingen vindt eenigermate hare verklaring in den hardnekkigen

tegenstand, dien schier te allen tijde iedere maatregel tot hervorming,

hetzij op staatkundig, hetzij op kerkelijk gebied, bij de monniken

heeft ontmoet. Om zich van deze stemming der gemoederen en den aard der

bestaande spanning volledig rekenschap te kunnen geven, is het noodig

den omvang en den oorsprong van de macht der monniken van naderbij

te bestudeeren. De afdwaling van ons eigenlijk onderwerp zal slechts

schijnbaar zijn: onze studie zelf zal ons naar Solowetsk terugvoeren.

Een woestijn met kloosters bezaaid;--de naam zou niet slecht passen

voor de gansche onmetelijke landstreek, die van de Poolzee tot de

tartaarsche steppen reikt. Voor Nieuw-Rusland, voor de gouvernementen

van Kazan en de Krim, voor de streken langs de Beneden-Wolga en

voor Siberië, ware deze beschrijving onjuist: maar het eigenlijke

Groot-Rusland is voor de monniken een waar paradijs. Van Kem aan den

oever der Witte-zee tot Bjelgorod aan de grenzen der Ukraine,--een

afstand van omstreeks duizend (engelsche) mijlen;--en van Pskow, nabij

het meer Peïpus, tot Wassil aan de Wolga--een afstand van ongeveer

zevenhonderd mijlen--is het gansche land als overdekt met kloosters,

klinkt u overal het welluidend klokgelui tegen.

Ge kunt u moeilijk iets treurigers en naargeestigers denken dan

een russisch woud, tenzij dan eene russische vlakte. Het woud is

eene opeenvolging van dwergachtige berken en pijnen; de boomen zijn

allen genoegzaam even hoog en even dik; de eentonige donkere lijn

wordt slechts nu en dan afgebroken door een stinkend moeras of een

vaalkleurig, levenloos meer. De vlakte is eene onafzienbare hei,

zonder eene enkele verheffing van den grond, zonder een enkelen boom,

zonder eene enkele stad, op eene uitgestrektheid van misschien honderd

mijlen; eene naakte hei, met schraal, armelijk, bruin gras begroeid;

en hier en daar met eene verzameling van ellendige leemen hutten, in

modder en slijk verzonken, waaraan de naam van dorp kwalijk voegt. De

schrikkelijke eenvormigheid van zoodanig landschap ware niet uit te

houden, indien niet telkens het oog van den reiziger geboeid, zijn

hart verkwikt werd, door het gezicht van een klooster, dat op een

open plek in het woud, aan den zoom der eenzame vlakte, zijn stralend

kruis en schitterend bemaalde torens ten hemel heft; een klooster met

zijn krans van groen, zijn wit-gepleisterden voorgevel, zijn groep

van vergulde of beschilderde koepels. De wouden rondom Kargopol, de

moerassen langs het meer Ilmen, de vlakke velden rondom Moskou, danken

aan de kloosters kleur en leven; terwijl zoo menig kleiner convent,

wegduikende in de schemerende diepte des wouds, of den eenzamen

rivieroever verlevendigende, met vroolijken ernst den reiziger groet.

De oude steden van Groot-Rusland--Nowgorod, Moskou, Pskow,

Wladimir,--zijn veel rijker aan kloosters dan hare mededingers

van later tijd. De oevers van de rivier de Wolchow, die de oudste

metropolis van Rusland besproeit, zijn over eene uitgestrektheid van

vele mijlen boven en beneden de stad, met oude godsdienstige gestichten

bezaaid. De voorsteden van Nowgorod prijken met de prachtige kloosters

van Sint-George, Sint-Cyrillus en Sint-Antonius van Rome. Moskou is

omgeven van een breeden krans van kloosters en abdijen--Simonoff,

Donskoï, Troïtza, Danieloff, Alexiewski, Iwanowski, en nog vele

anderen; Pskow heeft haar prachtig convent der katakomben, in

heerlijkheid ternauwernood onderdoende voor het klooster van gelijken

naam te Kiew.

Evenwel is het er verre van, dat al deze vrome stichtingen juist uit

vroeger tijd zouden dagteekenen. Rusland verkeert nog in het tijdperk,

waarin godsdienstige geestdrift een der machtigste drijfveeren in

het leven des volks en der individuen is:--een tijdperk, dat aan den

middeleeuwschen heldentijd der germaansche wereld denken doet. Wat

echter voor ons, behoudens enkele uitzonderingen, tot het verleden

behoort, is hier nog eene zeer levende werkelijkheid, wier kracht en

invloed zich telkens openbaart. Ik wil daarvan een voorbeeld aanvoeren.

In het jaar 1803 werd in eene der ellendige hutten van het kleine dorp

Pretchistoi, nabij de stad Wladimir, een lijfeigene geboren, van zoo

lagen stand dat zijn geslachtsnaam in vergetelheid is geraakt. Jaren

lang leefde hij, als andere eigenhoorigen, op het landgoed van

zijn heer; hij huwde twee malen een meisje van zijn eigen stand,

en won drie zonen, die voorspoedig opgroeiden. Tot dusverre was

zijn leven gelijk geweest aan dat zijner lotgenooten; maar toen hij,

op zeven-en-dertig jarigen leeftijd, voor de tweede maal weduwnaar

geworden, door zijn heer werd vrijgelaten, verliet hij zijn dorp en

begaf zich naar Troïtza, nabij Moskou. Daar nam hij den naam van

Filippus aan, kleedde zich in een pij en kap, en groef voor zich

zelven een hol onder den grond. In deze onderaardsche woning sleet

hij vijf jaren; toen zocht hij een ander verblijf op, nog beter aan

zijn wenschen beantwoordende, en wel op het kerkhof, te midden der

graven van het klooster; daar bracht hij twintig jaren door. Hij had

zijne vrijheid te lief, om zich door het afleggen der kloostergelofte

daarvan te berooven: maar door de ondervinding geleerd, dat ook in

Rusland, als elders, in spijt van het spreekwoord, de pij den monnik

maakt, kleedde hij zich in grof sergie en omgordde zijne lendenen

met een zware ketting. Aldus uitgedost toog hij naar Moskou, naar

den metropolitaan Philarethes, vroeg dien prelaat om zijn zegen, en

tevens om de vergunning zijn naam te mogen aannemen. De aartsbisschop

schiep behagen in dien zonderlingen bedelmonnik, en willigde zijn

verzoek in: en van dat oogenblik werd de voormalige lijfeigene van

Pretchistoi door den ganschen omtrek bekend als Philarethes-Ouchka

(Philarethes de Kleine).

Het kerkhof van Troïtza ligt op eene stille eenzame plek, aan den

oever van een schilderachtig meer, omgeven door donkere bosschen. Te

midden dezer groenende grafheuvelen sloeg de monnik zijne kluis

op. In het klooster van Troïtza kocht hij, voor twee kopeks per stuk,

eenige kruisen en heiligenbeelden; hij ging daarmede door de straten

en langs de huizen van Moskou, en deelde ze, met zijn zegen, aan

de lieden uit, zonder iets te vragen, maar aannemende wat men goed

vond hem te geven. De een schonk hem een roebel, een ander tien, een

derde honderd: iedere gave was hem welkom. Weldra had hij een niet

onaardig kapitaaltje in de bank. De prenten brachten hem meer op dan

de kruisen; want, naar de algemeene overtuiging des volks, brengen de

eersten zegen aan, terwijl de anderen boden zijn van ongeluk. Schonk

Philarethes aan eene of andere vrome vrouw een kruis, dan keerde zij

huiswaarts, bezwaard van harte. Het symbool des christelijken geloofs

is in Rusland nog niet afgedaald tot den rang van een gewoon sieraad

of toilet-artikel. Geene russische boerin zou het in de gedachte

komen, zich met een kruis op te tooien; ook zoekt ge het vergeefs

als ornament in de woningen der aanzienlijken. De priester draagt een

kruis; het kruis straalt op de kerktorens en koepels: maar zeldzaam

zult ge het gewijde teeken, hetzij in schilder- of beeldhouwwerk,

in een gewoon huis vinden. Toch draagt iedere rechtgeloovige Rus een

kruis, dat hij nooit aflegt--het is dat, hetwelk hem bij zijn doop

om den hals wordt gehangen; maar dit is geen sieraad.

Zonderling in kleeding, manieren en spreekwijze, droeg

Philarethes-Ouchka noch schoenen noch kousen; in plaats van de gewone

russische begroeting: "Het ga u wel!" sprak hij de lieden aan met

de woorden: "Uw engelbewaarder geve u een blijden dag!" In zijne cel

en op al zijne tochten was hij steeds vergezeld door een ander, niet

minder zonderling personage, Iwanouchka, Johannes de Kleine (familiaar

Jantje) genoemd, die nooit sprak, maar altijd zong. Iwanouchka zong

in zijne cel, zong op den weg, zong langs de huizen, zong in de

kerk. Aan den toon waarop hij zong, herkende men de gemoedsstemming

van zijn meester; en uit het zingen van Iwanouchka kon menige arme,

eenvoudige vrouw reeds vooraf berekenen of zij van Philarethes dien

dag een kruis of een heiligenbeeldje te wachten had.

Vooral bij den kleinen, neringdoenden burgerstand stond de kluizenaar

in groot aanzien. De meer aanzienlijke dames hielden zich op een

afstand: niet omdat hij geld van haar vroeg, maar omdat hij hare mooie

kamers vuil maakte. De uiterlijke verschijning van den vromen man was

toch niets minder dan bevallig: maar zijne verregaande onreinheid,

zijne verroeste ketting, zijne met stof en vuiligheid bedekte huid,

zijne ongekamde haren, waren, in de oogen zijner trouwe volgelingen,

zoo vele teekenen zijner uitnemende heiligheid. De vrouwen der

kooplieden en winkeliers van Moskou dweepten met hem. Eene dame

verhaalde mij eens, dat toen zij op zekeren dag een bezoek ging

afleggen bij eene harer vriendinnen, de echtgenoote eens koopmans van

het eerste gilde van Moskou, zij deze voor den kluizenaar geknield

vond, bezig zijne voeten te wasschen. En dit was niet maar een ijdele

beleefdheidsvorm: want Philarethes liep barrevoets, en de straten

van Moskou zijn met harde keien geplaveid en bij uitnemendheid

morsig. Zekere bejaarde juffer Seribrikoff placht er zich op te

beroemen, dat het haar eenmaal vergund was geweest, de wonden van den

heiligen man te reinigen. Jonge bruiden baden hem op hare bruiloft

te verschijnen: want bij zulke gelegenheden was hij vaak gewoon

te profeteeren; en met godsdienstigen eerbied werden de duistere

woorden opgevangen, waarin de aanduiding van het toekomstig lot der

jonggehuwden lag opgesloten. Op zekeren dag was hij op de bruiloft

van Gospodin Sorokin, een der rijkste inwoners van Moskou; plotseling

wendde hij zich tot de bruid en sprak: "Als de feesten voorbij zijn,

zult ge uw man met honing moeten zalven." Niemand begreep wat hij

zeggen wilde; maar drie dagen later was Sorokin een lijk: nu was de zin

der voorspelling openbaar, want bij eene russische begrafenis mag geen

honing ontbreken. Natuurlijk won het geloof aan de profetische gave van

Philarethes, door zulk een opzienbarend feit, niet weinig in kracht.

Eene zijner ijverigste en vermogendste volgelingen, Mevrouw Loguinoff,

schonk hem eene aanzienlijke som gelds, om daarvoor een klooster

en een kerk te bouwen; en toen deze heiligdommen te midden der graf

heuvelen van Troïtza waren verrezen, scheen de taak van den bedelmonnik

voltooid. Toch waren de laatste levensjaren van Philarethes-Ouchka

niet de gelukkigste. Zijn machtige beschermheer was gestorven; en

Innocentius, de nieuwe metropolitaan, een ernstig man, vol ijver

voor zijn geloof, had weinig op met de zonderlinge praktijken van

den kluizenaar, en verklaarde zich tegen hem. Philarethes verliet nu

zijn klooster en trok naar het dorp Tcheglowe, in het gouvernement

Toela, waar hij een nieuw klooster bouwde. Daar stierf hij in 1868,

ruim vijf-en-zestig jaren oud. De beide door hem gestichte kloosters

worden nu door gewone monniken bewoond.

Dergelijke verschijnselen mogen zeker wel als ongezonde openbaringen

van het godsdienstig leven worden beschouwd. Toch zoekt de zwarte

geestelijkheid daarin een wapen tegen de spotternijen en aanvallen

eener vijandig gezinde wereld, die aan dezen staat van zaken een

einde maken wil. In dien strijd is het voordeel tot dusverre aan de

zijde der monniken. De liberale opinie en de moderne wetenschap zijn

hun vijandig; maar deze beide machten zijn in Rusland, immers bij de

overgroote meerderheid des volks, nog in geenen deele inheemsch, zij

staan, in zekeren zin, buiten het nationale leven. Daarentegen hebben

de monniken op hunne zijde de traditie, de ingewortelde gewoonte, de

overgeleverde piëteit. Ook beschikken zij over alle hooge kerkelijke

betrekkingen, en over zeer groote levende krachten op allerlei

gebied. De vrouwen zijn voor hen; voor hen is ook de meerderheid der

landelijke bevolking. Te allen tijde hebben de vrouwen zich bijzonder

aangetrokken gevoeld door de monniken, wier gelofte hen bindt allen

omgang met haar te vermijden; en er zijn weinig steden in Rusland,

waar men u niet weet te verhalen van een of anderen eerwaarden vader,

die, even als Philarethes de Kleine, door eene gansche schare van

lieve discipelinnen gevolgd en gevierd werd.

De monniken hebben niet alleen alle geestelijke macht in handen,

maar de elementen zelf, waaruit deze macht is samengesteld, zijn

in hun bezit. Hunner zijn de kloosters, de katakomben, de heilige

plaatsen. Zij bewaren de beenderen der heiligen; uit hun midden

komen nieuwe heiligen voort. In het gouden boek der russische kerk

komt geen enkele naam voor van een gekanoniseerden wereldlijken

priester. De monniken bezitten de gave der zelfverloochening en de

gave der wonderen--twee zoo machtige en invloedrijke factoren in een

land als Rusland.

Zelfverloochening is voor den Rus het onbedriegelijkst merk van het

ware geloof, de hoogste kroon van een Gode gewijd leven. Ook deze

eerste en edelste aller deugden neemt echter dikwerf zonderlinge vormen

aan. In het vorige jaar (1868) stierf in het krankzinnigengesticht

te Moskou een man, Iwan Jacowlewitch genaamd, eene zonderlinge

vermaardheid verworven had. Velen hielden hem voor krankzinnig; anderen

vereerden hem als een heilige. Daar de eersten de meerderheid hadden,

sloten zij hem op, en hielden hem tot aan zijn dood onder geneeskundige

behandeling en toezicht.

Deze Iwan, burger der kleine stad Cherkosowo, achtte zich geroepen,

zijne gezondheid, en alle gemakken en genietingen des levens den

Heer ten offer te brengen. Op jeugdigen leeftijd reeds legde hij

de plechtige gelofte af, nimmer zijn aangezicht te zullen wasschen,

noch zijne haren te kammen; nimmer zijne lompen te zullen afleggen;

nimmer op een stoel of bank te gaan zitten; nimmer aan een tafel

te eten, noch een mes of vork te gebruiken. Krachtens deze gelofte

leefde hij als een hond, op den grond liggende en zijne spijzen

opslurpeude. Toen men hem in het krankzinnigengesticht bracht, werd

hij behoorlijk gewasschen en van nieuwe kleederen voorzien: maar

aanstonds verontreinigde hij die, en zijne oppassers kwamen spoedig

tot de overtuiging, dat het onmogelijk was hem zindelijk te houden.

Inmiddels ging de roep van hem uit door de gansche stad, en het

duurde niet lang, of de cel van Iwan Jacowlewitch was eene gevierde

bedevaartsplek geworden. Niet alleen dienstmeiden en boerinnen,

maar deftige burgervrouwen, kwamen hem dagelijks opzoeken,

brachten hem allerlei lekkernijen, gaven hem geld ten geschenke,

en vertelden hem hare dierbaarste geheimen. Op den grond gezeten,

staarde hij met half wezenloozen blik zijne bezoekers aan, en mompelde

eenige onsamenhangende woorden, die zijne hoorders, met de uiterste

inspanning, trachtten te verstaan en te ontcijferen. Somwijlen maakte

hij balletjes van de kruimels zijner koekjes; en wanneer kranken bij

hem genezing kwamen zoeken, stopte hij hun deze vuile pillen in den

mond. Deze man nu heette "uitzinnig om des Heeren wil."

De directeur van het gesticht liet hem naar eene ruime kamer

overbrengen, waar hij zijne bezoekers kon ontvangen. Men wist dat hij

stapelgek was; dat dit drukke bezoek en die gedurige aandoeningen

allernadeeligst voor hem waren: maar de toeloop was zoo groot en

de begeerte van het publiek om hem te zien zoo levendig, dat de

uitspraken der wetenschap en de regelen van het gesticht daarvoor

zwichten moesten. Toen de arme krankzinnige eindelijk stierf, was de

ontsteltenis onder de lagere volksklasse in Moskou algemeen; en eenigen

tijd na zijn dood las men in het Dagblad van Moskou eene oproeping, om

voor dien man in zijne geboorteplaats een gedenkteeken op te richten.

In den regel neemt echter deze zucht voor zelfverloochening een

anderen, minder aanstootelijken vorm aan: dien van afzondering van de

wereld. Het kluizenaarsleven geldt als het Gode gevallige leven bij

uitnemendheid. Alle afdeelingen der oostersche kerk--de armenische,

de koptische, de grieksche--werken deze richting in de hand: maar

geene andere kerk kan op zulk eene menigte kluizenaars wijzen als

de russische. Haar kalender wemelt van de namen van kluizenaars en

asceten; en hetgeen men van de ontberingen en zelfkastijdingen dezer

lieden verhaalt, is somwijlen bijna ongeloofelijk. Zoo vertelt men

van zekere zuster Maria, die zich in een rotsspleet liet opsluiten;

zij kreeg haar voedsel door een gat in de rots, en bracht twaalf

jaren in dit levend graf door.

Ongeveer veertig mijlen van Moskou, niet verre van de abdij van

Troïtza, bevindt zich eene soort van monniken-kolonie, Gethsemané

genaamd en bestaande uit een klooster en katakomben, door een meer van

elkander gescheiden. Het klooster, een type van armoede en ellende,

is van ruwe boomstammen opgetrokken, die ternauwernood geverfd

zijn. Nergens is een spoor van goud of zilver te bespeuren; alle

sieraden zijn van cypressenhout. De monniken dragen tabbaarden van

de gemeenste sergie, en voeden zich met de schraalste spijs. Geene

vrouw mag deze heilige plek betreden, dan eenmaal in het jaar, op

den dag van Maria-Hemelvaart.--Aan gene zijde van het meer bevinden

zich de katakomben, diep in den grond uitgegraven. Wij staan voor

de nauwe opening, die naar deze onderaardsche verblijven voert, en

steken ieder onze kaarsen aan; een monnik maakt het teeken des kruises,

prevelt eenige onverstaanbare woorden, en daalt de smalle trap af. Wij

volgen langzaam, een voor een, zwijgend, zoo dicht mogelijk langs den

muur voortgaande. Eene benauwde lucht komt ons tegen; een zonderling

dof geluid treft onze ooren; wij ademen met moeite in dezen zwaren,

bedorven dampkring. De kaarsen flikkeren en branden al flauwer in

de dikke duisternis. In een smallen gang zien wij enkele getraliede

vensters, nauwe openingen en met ijzer beslagen deuren: dit zijn

toegangen naar cellen. Het gewelf is doortrokken van vocht; op den

grond kruipen allerlei ongedierten.

"Hush!" fluistert de monnik, als wij langs enkele getraliede vensters

en met ijzer beslagen deuren heen gaan, als vreesde hij dat wij

de rust der dooden zouden storen.--"Wat is dit voor eene opening

in den muur?"--De monnik staat stil en beweegt zijn spookachtigen

fakkel. "Een cel, zegt hij; hier ligt een goede man. Hush! zijne ziel

is nu bij God!"--"Dood?"--"Dood voor de wereld--ja."--"Hoe lang is

hij hier?"--"Hoe lang?--Elf jaar en langer."

Wij gaan met eene huivering voorbij dit levend graf, en treden

weldra uit den nauwen gang in eene kleine kerk. De lamp brandt voor

het altaar; twee monniken liggen geknield, met het aangezicht ter

aarde; een priester zingt, op doffen toon, de liturgie. Achter dit

kerkje bevindt zich de heilige put, waarvan het water, naar men zegt,

heilzaam is voor lichaam en ziel.--Toen wij weer boven waren gekomen,

vroegen wij nadere inlichtingen omtrent den kluizenaar, die langer

dan elf jaar in dit onderaardsche hol zou hebben doorgebracht;

wij vernamen nu dat hij van tijd tot tijd uit zijn graf verrijst,

om de kloosterklok te luiden, hout te halen, en zich op de hoogte te

houden van hetgeen er al zoo omgaat.

Maar deze begeerte naar zelfverloochening openbaart zich ook nog op

andere, minder sombere wijze. In de kloosterhoven van Solowetsk kunt ge

een zonderling wezen zien, in lompen gehuld, zich voedende met afval

en op den grond slapende, die, zonder de gelofte te hebben afgelegd,

toch als behoorende tot de monnikenorde wordt beschouwd. Hij rekent

zijn leven eene verbeurde weldaad, en wijdt zich zelven dagelijks

ten offer. Hij streeft naar de afzichtelijkste verworpenheid, en

wil in zijn eigen persoon de nietigheid en de ellende van al het

aardsche zichtbaar vertoonen. Deze wonderlijke man wordt vooral

door de pelgrims uit de lagere volksklasse in hooge eere gehouden

en bijna als een heilige beschouwd, vader Nikita--zoo heet hij--is

nog geen vier-en-een-halven voet hoog: in Rusland vooral mag hij

dus met recht een dwerg worden genoemd. Een dunne grijze baard,

verwarde haren, een donkerkleurig gelaat, en kleine scherpe

oogen--ziedaar zijn portret. Nooit besmet hij zijn lichaam door

de aanraking met water of zeep; nooit kamt hij zijn haren of zijn

baard: wat toch is de mensch, dat hij zich zou verhoovaardigen op

zijn vleesch? Zijne kleeding bestaat uit vodden en lompen; want hij

versmaadt het betamelijke en warme gewaad van den monnik. Heeft hij

dringende behoefte aan eenig kleedingstuk, dan gaat hij niet naar

het magazijn, maar naar de bergplaats waar de afgedragen kleederen

worden bewaard, en vraagt van den monnik, met het opzicht daarover

belast, de versleten en weggeworpen plunje van een of anderen armen

broeder. In het klooster staat eene cel tot zijne beschikking: maar

ook een houten bank en een strooien peluw zijn nog veel te goed voor

een wezen van stof en slijk; en ten teeken zijner diepe onwaardigheid,

brengt hij den dag door op de kaai, den nacht op de binnenplaats van

het klooster. Nooit heeft hij zich laten overhalen in den reefter

nevens de andere monniken plaats te nemen: kaas, roggebrood, stokvisch

zijn voor hem ongeoorloofde lekkernijen; maar wanneer de maaltijd is

afgeloopen en de tafels afgeveegd, sluipt hij naar de spijskamer,

zamelt de weggeworpen brokken en afgekloven beenderen op, en stilt

zijn honger met hetgeen de boeren en bedelaars hebben laten liggen.

In de kerk wil hij nooit zijne plaats onder de andere geloovigen

innemen; nimmer wil hij door de heilige-poort gaan. Als de dienst is

begonnen, sluipt hij naar een donkeren hoek der kerk, en luistert,

met het aangezicht op de steenen, naar de gebeden en lofzangen. Het

is hem een genot door de menigte geschopt of vertreden te worden. Hij

maakt zich tot aller dienaar, en is immer gereed elk bevel, door wien

ook gegeven, te volvoeren; ontdekt hij onder de schare een of anderen

schooier, zoo vuil en ellendig dat iedereen hem schuwt, dan zoekt

hij dien verlatene op en groet hem als zijn meester. In den winter,

als de sneeuw in dichte lagen den grond bedekt, slaapt hij op de

binnenplaats in de open lucht; des zomers, als de hitte op het hoogst

is geklommen, gaat hij blootshoofds in de zon liggen. Wie hem bespot,

mishandelt, besteelt, is zijn vriend. Als alle lieden van zijn stand,

is hij verzot op geld: maar juist dezen hartstocht maakt hij dienstbaar

aan de loutering zijner ziel: hij vlecht korfjes van berkenschors,

en verkoopt die, voor twee kopeks het stuk, aan matrozen en pelgrims;

hij wikkelt het kopergeld in een vuillapje of stuk papier, en verbergt

het hier of daar onder een steen, in de hoop dat iemand het zal zien

en het geld zal wegnemen.

Uitnemender nog dan de gave der zelfopoffering, is de gave

der wonderen, en ook deze beweert de zwarte geestelijkheid te

bezitten. Hare wonderen behooren niet tot een ver verleden, maar tot de

geschiedenis van den dag; zij geschieden niet in het verborgen, in een

of anderen vergeten hoek, maar op klaarlichten dag, in groote steden,

ten aanschouwe der gansche wereld. Ook hiervan een paar voorbeelden.

Seraphim, een koopman van Kursk, verliet zijne vrouw, zijne kinderen en

zijn handel, en werd monnik. Hij trok naar het klooster, de Woestijn

van Sarow genaamd, in het gouvernement van Tambow; daar groef hij

een gat in den grond, waarin hij verblijf hield en overnachtte. Het

gebeurde op zekeren tijd dat dieven hem overvielen; zij sloegen en

mishandelden hem, maar bevindende dat hij niets bezat, begrepen zij

dat zij met een heilige te doen hadden. Weldra ging nu het gerucht

van hem heinde en verre uit; van alle kanten kwamen de geloovigen

hem bezoeken, geschenken medebrengende van brood, kleederen en

geld, die hij allen aannam, om ze vervolgens aan de armen uit te

deelen. Zijne woestijn werd welhaast eene volkrijke plaats, en het

klooster van Sarow werd door het gansche land beroemd.--Op tien

mijlen afstands van zijne eigene kluis, stichtte Seraphim een tweede

klooster voor vrouwen. Van een edelman ontving hij een stuk gronds ten

geschenke; kooplieden gaven hem het noodige geld: want zijne gunst

werd begeerlijker geacht dat het bezit van geld of goed. Schoone en

aanzienlijke vrouwen kwamen hem bezoeken; zij namen haar intrek in

het huis, dat hij voor haar had gesticht, en waar zij van de wereld

afgezonderd konden leven, zonder zich door de kloostergelofte voor

altijd te verbinden. Eindelijk gebeurde er een wonder. Eene lamp,

die voor eene beeltenis der Heilige-Maagd hing, ging plotseling uit,

terwijl Seraphim op den grond lag geknield; het werd duister in de

kapel; de pelgrims voelden zich onthutst; toen eensklaps, tot verbazing

van allen die het zagen, een lichtstraal van de schilderij uitgaande

de lamp weder deed ontbranden!--Een tweede wonder volgde spoedig. Op

zekeren dag stond eene schare armen voor Seraphim's cel; wachtende

op brood. Hij zag zijn voorraad na, en bespeurde dat hij maar twee

brooden had: wat zou hij met twee brooden aanvangen tegenover deze

hongerige schare? Hij riep tot God--en zie, twintig brooden lagen op

zijne tafel! Sedert ging er geen jaar voorbij, zonder dat er een of

ander wonder te Sarow gebeurde; de voorbeelden van genezing waren

talrijk; en voor zijne cel verdrongen zich kreupelen en blinden,

dooven en stommen, om door hem verlost te worden van hunne kwalen.

Seraphim stierf in 1833; toch geschieden er nog voortdurend wonderen op

zijn graf, tot op dezen dag. Reeds door het volk heilig geacht, wacht

hij zijne plechtige canonisatie nog slechts van de kerk. Iedere nieuwe

keizer maakt een heilige, zooals in Turkije iedere nieuwe sultan een

moskee bouwt; en de publieke opinie wijst Seraphim aan als den man,

die zijne heiligverklaring van Alexander III wacht.

Nog beroemder is Tikhon, weleer bisschop van Woronesj, thans een

erkende heilige van de orthodoxe kerk: Tikhon is de officiëele heilige

van de tegenwoordige regeering; hij dankt zijne canonisatie aan den

regeerenden keizer.

Timotheus Sokoloff, de zoon van een armen voorlezer in eene dorpskerk,

werd in het jaar 1724 in de provincie Nowgorod geboren, die aan

Rusland zoo vele heiligen geschonken heeft. De voorlezer had een

groot gezin en een gering inkomen. Timotheus werd al vroeg bij een

boer op eene naburige hoeve in dienst gedaan. Des daags op het veld

arbeidende, des nachts in de schuren toevende, weinig slapende en

nog minder etende, wist hij toch gelegenheid te vinden om lezen en

schrijven te leeren. Hij werd nu naar eene pas geopende school te

Nowgorod gezonden, waar hij zoo ijverig leerde en arbeidde, en zoo

groote vorderingen maakte, dat hij, na afloop van zijn leertijd, tot

onderwijzer bij die school werd benoemd. Maar zijn hart was niet bij

het onderwijs. Reeds als kind was het zijn lust, gewijde liederen te

zingen, de mis bij te wonen, alleen te zijn met zijne boeken; mitsdien

vermeed hij zooveel mogelijk den omgang met menschen en schuwde hij de

vermaken der jeugd. Een gezicht bepaalde zijne keus voor zijn volgend

leven. "Toen ik nog onderwijzer in de school was,--zoo verhaalde

hij later aan een vriend--placht ik geheele nachten op te zitten,

lezende en peinzende. Op zekeren nacht in Mei, begaf ik mij naar

buiten. Het was prachtig weder, en een heldere, onbewolkte lucht. Ik

zag naar de fonkelende sterren, en heilige gedachten van eeuwig leven

en hemelsche heerlijkheid rezen in mijne ziel op. Plotseling opende

zich de hemel voor mijn blik: een gezicht, in geen menschelijke taal

weder te geven. Mijn gansche hart werd als van zaligheid overstroomd;

en van dat oogenblik kende ik geen vuriger begeerte dan de wereld

te verlaten."

Weinige jaren nadat hij de monnikspij aangetogen en zijn wereldlijken

naam Timotheus voor dien van Tikhon verwisseld had, werd hij uit zijne

nederige cel geroepen om den bisschoppelijken zetel te bestijgen, eerst

te Nowgorod, later te Woronesj. Het bisdom van Woronesj, aan de grenzen

der tartaarsche steppen gelegen, had eene zeer eigenaardige, half wilde

bevolking: Kozakken, Kalmukken, Malo-Russen: een wonderlijk mengelmoes

van allerlei stammen, die een zwervend leven leidden, lui, roofzuchtig,

aan dronkenschap en onmatigheid ten prooi. De geestelijkheid was

misschien nog dieper gezonken dan de leeken. Woronesj bezat geene

scholen; de popen konden ter nauwernood lezen; de heilige dienst

werd slecht en oneerbiedig afgeraffeld. De geheele bevolking was

in allerlei zonde en ongerechtigheid verzonken. Tikhon aanvaardde,

met zeldzamen moed, den strijd tegen deze overmacht des kwaads, en

tastte het in den wortel aan, beginnende met de geestelijkheid. Ten

einde den priesterlijken stand te verheffen, en hen die zich daarvoor

voorbereidden, achting voor zich zelf in te boezemen, verbood hij het

gebruikelijke geeselen op de seminariën. Deze hervorming was slechts

een voorteeken van hetgeen volgen zou. Langzamerhand wist hij door

leer en voorbeeld zijne geestelijkheid te bekeeren; hij noopte hen als

priesters te leven, alle onmatigheid en ongerechtigheid te schuwen,

en zich als ware dienstknechten Gods te gedragen. Binnen twee jaren

hervormde hij de scholen en zuiverde hij de kerk. Met niet minder zorg

waakte hij over de hem toevertrouwde kudde; ook daar ging hij het kwaad

te keer. Meermalen moest hij harde woorden spreken: maar zoo groot was

de eerbied, dien allen voor den goeden, ernstigen bisschop gevoelden;

dat niemand zijn gebod dorst te overtreden. "Gij moet doen wat Tikhon

u zegt," spraken de burgers en landlieden menigmaal tot elkander;

"anders zal hij u bij God verklagen." De bisschop zelf ging allen

voor. Hij kleedde zich zoo eenvoudig mogelijk; hij gebruikte de meest

alledaagsche spijzen; de wijn werd onaangeroerd van zijne tafel naar

de zieken gezonden. Hij was de vriend der armen, en ging alleen dan de

rijken bezoeken, wanneer geen ellendigen of ongelukkigen zijne hulp

behoefden. Het geheim van Tikhon's macht lag in zijn onberispelijken

wandel, in zijne medelijdende teederheid, in zijn edel liefhebbend

hart:--trouwens, waar elders schuilt de macht van alle waarlijk edelen

en goeden, van alle echte volgelingen des Heeren? "Gebrek aan liefde,

placht de waardige herder te zeggen, is de oorzaak van al onze ellende;

hadden wij onze broeders hartelijker lief, het zou ons lichter vallen

smart en moeite te dragen; de liefde weet alle leed en alle pijn te

verzachten en te genezen."

Zoo leefde hij twee jaren in Nowgorod, vijf jaren in Woronesj, tot een

zegen voor allen, die hem leerden kennen: toen werd de begeerte naar

afzondering hem te sterk. Hij legde den herdersstaf neder, verliet

zijn bisschoppelijk paleis, en trok zich terug in het klooster van

Zadonsk, eene kleine stad aan de Don, waar hij zich onledig hield

met schrijven en het bezoeken van armen. Maar ook nu was zijn arbeid

gezegend en rijk aan gevolgen: Tikhon was een der eersten, zoo niet de

eerste, die openlijk optrad als voorspraak en pleitbezorger voor de

lijfeigenen. Vijftien deelen van zijne hand hebben het licht gezien;

naar men zegt, zijn er nog vijftien deelen in handschrift aanwezig;

en sommigen van deze werken hebben vijftig herdrukken beleefd. Zijne

grootste verdienste als schrijver bestaat wel hierin, dat hij de

vrijlating der lijfeigenen voorzag, voorbereidde en onvermoeid

verdedigde en aanprees.

Vijftien jaren lang leidde hij het leven van een heilige. Als

vriend en voorspraak der verdrukte lijfeigenen, ging hij op zekeren

dag naar het kasteel van een prins in den omtrek van Woronesj, om

dezen te onderhouden over het ongelijk dat zijn onderhoorigen werd

aangedaan, en hem om Jezus wil te bidden, medelijden te hebben met de

armen. Tikhon zeide ronduit wat hij te zeggen had; de prins maakte

zich boos; het kwam tot vrij hooge woorden, en in een oogenblik van

drift gaf de prins hem een slag in het aangezicht. Tikhon stond op

en verliet het huis; maar toen hij een eind weegs was voortgegaan,

begon hij te begrijpen dat hij zelf verkeerd had gehandeld, niet

minder dan zijn beleediger. Deze man, zoo sprak hij bij zich zelf,

heeft iets gedaan, waarover hij, als zijn drift voorbij is, zich zal

schamen; en wie heeft aanleiding gegeven tot deze booze daad? "Het was

mijne schuld, antwoordde de boetprediker, keerde zich om en ging terug

naar het kasteel. Daar wierp Tikhon zich aan de voeten van den prins,

hem vergeving vragende omdat hij hem tot toorn had geprikkeld en tot

zonde verleid. De prins was, door deze onverwachte verschijning, zoo

getroffen, dat hij zich nevens den monnik op de knieën wierp, diens

handen kussend, en zijne vergiffenis en zegen afsmeekende. Van dien

dag was de prins een ander mensch, door geheel de provincie bekend

en geliefd als een vriend en vader zijner onderhoorigen.

Tikhon bereikte den ouderdom van tachtig jaren. Voor zijn dood

voorspelde hij aan de broederen van zijn klooster nauwkeurig den dag

van zijn sterven: en deze voorspelling werd letterlijk vervuld. Hij

werd in de kloosterkerk begraven, en weldra stroomden van alle

kanten scharen van bedevaartgangers naar zijne grafstede. Want van

het gebeente des heiligen mans ging kracht uit tot genezing der

kranken: de kreupelen werden gezond, de blinden ziende, de gebogenen

opgericht. De stemme des volks vorderde de heiligverklaring van

dezen vriend der lijfeigenen; en de tegenwoordige keizer, aan die

roepstem gehoor gevende, noodigde de heilige synode uit, het voor

de canonisatie gevorderde onderzoek in te stellen. Eene commissie

werd benoemd; de zaak werd onderzocht; de wonderen worden bewezen;

vervolgens werd het graf geopend. Een geur van bloemen steeg uit de

lijkkist op; het lichaam was ongeschonden, bloeiend en frisch: het

besluit der canonisatie werd geteekend in het jaar 1861, het jaar

der groote emancipatie. Tikhons naam is onafscheidelijk aan dien

maatregel verbonden.

Maar het grootste wonder uit dien nieuweren tijd, het schitterendst

bewijs der bijzondere bescherming Gods over het heilige Rusland,

is de verdediging van Solowetsk door de moedermaagd, toen de

engelsch-fransche vloot in 1854 de heilige-eilanden bedreigde.

Zoodra te Petersburg de tijding was ontvangen, dat eene engelsche

vloot naar de Poolzee koers had gezet, werden door het ministerie

van oorlog de gewone maatregelen van tegenweer genomen, voor zoover

dat, in de bestaande omstandigheden, mogelijk was. Zes oude stukken

vestinggeschut, die eene plaats in een museum hadden verdiend,

werden van Archangel naar het klooster gezonden, tegelijk met vijf

artilleristen en vijftig liniesoldaten, uit het invaliden-corps

gekozen. Aan het hoofd dezer krijgsmacht stond een officier, die

echter spoedig overleed, juist toen de engelsche schepen in de

Witte-zee waren gekomen.

In hun eersten schrik hadden de monniken de kostbare gewaden

en kerksieraden, de charters en edelgesteenten naar de steden

in het binnenland gezonden, vader Alexander, de archimandriet,

had gebeden en bijzondere diensten in de verschillende kerken en

kapellen uitgeschreven; hij zelf bediende de mis voor de graven

van Savatius en Zosimus, in de krypt der kathedraal, en ook voor de

wonderdoende afbeelding der heilige maagd, door Savatius naar het

eiland gebracht. Naarmate de tijdingen onrustbarender werden en het

gevaar naderde, sterkte de archimandriet de broederen door toespraak

en vermaning, hen opwekkende al hun vertrouwen op God te stellen en

van hem alleen de hulpe te verwachten.

In den morgen van dinsdag, 18 Juli 1854, berichtten de wachters dat

twee fregatten kaap Beluga waren omzeild;--de archimandriet schreef

een driedaagsche vasten uit. De beide fregatten wierpen het anker uit,

op zeven mijlen afstands van de kust:--de archimandriet beval dat

de kloosterklok zou worden geluid voor eene bijzondere dienst ter

eere der Allerheiligste Moeder Gods. Als een der oude hebreeuwsche

koningen, ontdeed hij zich van zijn plechtgewaad, vernederde zich voor

het oog der eerwaarde vaders, en bad voor de graven van Savatius en

Zosimus geknield. Toen nam hij het wonderdoende beeld der Panagia

(de Alheilige, bijnaam der Maagd Maria in de oostersche kerk) van

den wand, en droeg dit in statigen ommegang langs de wallen, gevolgd

door al de monniken. En zie--de beide fregatten lichtten het anker,

en verwijderden zich.

Echter, daar de schepen in het richting van Kem waren weggestoomd,

bestond er alle reden om te vreezen, dat zij terug zouden komen. De

vaandrig Niconowitsj, die het bevel over de kompagnie invaliden

op zich had genomen, ging op verkenning van het strand uit, twee

drieponders door het zand met zich medevoerende; terwijl een aantal

pelgrims en werklieden zich vrijwillig aanboden om de wacht te

betrekken. Niconowitsj wierp, van zand en graszoden, eene soort

van batterij op, waarachter hij zijn geschut plaatste; ook werden

acht kleine veldstukjes op de torens en wallen geplaatst, waarna de

monniken hunne gebeden hervatten.

Den volgenden dag werd een donkere rookkolom in de heldere zomerlucht

zichtbaar. De twee schepen, die weldra bleken de Brisk en de Miranda

te zijn, stoomden de baai binnen. De Brisk begon den aanval: zij vuurde

met schroot op het klooster. Het scheelde weinig, of de archimandriet,

die op de kaai stond, ware door een kogel getroffen; de monniken,

verschrikt door het ratelend geschut, vloden naar het binnenplein,

en sloten de heilige-poort achter zich toe.

Een zekere Drushlewski, een onderofficier, die met tien man en een

kanon in den Weverstoren stond, beantwoordde het vuur der Engelschen;

waarop het fregat, zich naar den toren keerende, dezen de volle laag

gaf. Drushlewski raapte den hem toegeworpen handschoen op; maar

daar hij slechts weinig buskruit had, spaarde hij zijne krachten

en berekende zijne slagen. De Brisk vuurde dertig malen; slechts

driemalen werd het kanon in den Weverstoren afgeschoten. Het laatste

schot deed het engelsche fregat afdeinzen: de kogel was in de zijde

van het schip gedrongen en had een man gedood.

De nacht werd in gebeden doorwaakt. De archimandriet kuste Drushlewski,

en gaf aan allen, die in de Weverstoren waren geweest, zijn zegen. Toen

de zon aan de kimme verdwenen was, waren de fregatten uit het gezicht;

maar toch was niemand gerust; het gevaar was nog niet geweken.

De volgende dag, donderdag 20 Juli, was een der grootste heiligedagen

in den russischen kalender: het was de feestdag van Onze-Lieve-Vrouwe

van Kazan: een dag waarop in geheel Rusland geen ploeg door het land

gedreven, geen fabriek geopend, geen school gehouden wordt. Evenals

naar gewoonte, werden, ten half drie in den morgen, de metten in de

kathedraal gezongen; juist was het Te Deum geëindigd, toen een sloep,

de witte vlag voerende, van de Brisk afstak en naar de kaai voer. Zij

bracht een brief voor den archimandriet, waarbij de overgave van

het klooster werd geëischt, met bepaling tevens dat de bevelhebber

in persoon zijn zwaard moest overgeven, en dat het garnizoen

krijgsgevangen zou worden. De engelsche admiraal Ommaney waarschuwde

den archimandriet, dat wanneer een schot van de wallen werd gelost,

het bombardement onmiddellijk zou beginnen. De archimandriet zeide,

dat hij zijn antwoord aan den admiraal zou zenden. Dit antwoord was

eene uitdrukkelijke weigering om de sleutels van het klooster over te

geven; een pelgrim, Soltikoff genaamd, werd met de overbrenging belast.

De admiraal las den brief, en verklaarde dat alle verdere

onderhandeling overbodig was, en het bombardement aanstonds zou

beginnen. Met moeite stond hij eenig uitstel toe; nauwelijks had

Soltikoff de heilige-poort bereikt, of de eerste bom vloog over de

wallen van het klooster. Het was nu kwartier over zevenen. Juist

toen de engelsche schepen hun vuur openden, riep de kloosterklok de

monniken ten gebede. Bommen, kogels en granaten daalden in suizende

vaart en met ratelend gerucht, als een hagelbui, op de muren en koepels

neder; rusteloos woedde de verdelgende oorlogsorkaan daar buiten: toch

werd de heilige dienst den ganschen dag door onverpoosd voortgezet,

en zweeg in den tempel de stem des gebeds geen oogenblik! Terwijl de

schare geknield lag, sloeg een bom in den koepel van de kathedraal,

vernielde de houten kap, en deed de zoldering naar beneden tuimelen. De

balken vatten vuur; de gansche kerk werd met rook gevuld; de vensters

rammelden, de deuren vlogen open; het gansche gebouw dreunde en

sidderde op zijne grondslagen;--de ontzette schare wierp zich met het

gelaat op de steenen. Een man alleen behield zijne tegenwoordigheid

van geest. Voor de koninklijke poort staande, riep de archimandriet

zijn kinderen toe: "Blijft! blijft! Weest niet verschrikt; de Heer

zal de zijnen bewaren!"--Opziende, zagen de monniken en pelgrims den

eerwaardigen grijsaard, staande voor het altaar, kalm en onversaagd,

terwijl groote tranen langs zijne wangen biggelden. Dit gezicht

bezielde hen met nieuwen moed. Zij sprongen op, haalden water, doofden

de vlammen uit, ruimden de neergestorte planken en balken weg; en nadat

de kerk gereinigd was, bogen zij zich op nieuw ter aarde en baden.

Voor de graven van Savatius en Zosimus werd de dienst den ganschen

dag voortgezet. Eenmaal trof een kogel het altaar; de dienstdoende

pope sprong terug; de gemeente boog in ontzetting het aangezicht

ter aarde. Ieder dacht dat zijn laatste uur gekomen was; en in hunne

bekommering vroegen velen om het laatste sakrament. Vader Varnau zette

zich in den biechtstoel, nam de geloovigen de biecht af, en diende

het sakrament toe. De archimandriet was de eerste, die belijdenis

zijner zonden deed, en het lichaam des Heeren genoot. De popen en

andere broeders volgden; toen de pelgrims, de soldaten, de vrouwen,

en nadat allen de absolutie ontvangen hadden, knielden zij neder voor

de altaren en bij de graven van Filippus, Savatius en Zosimus, en in

de kapel der moeder Gods. Inmiddels zweeg de donder van het geschut

niet, en raasde de wilde storm van ijzer en vuur onophoudelijk over

het sidderende klooster.

Het was middag geworden. Daar luidden nogmaals de kloosterklokken:

de monniken en pelgrims verzamelden zich op den wal en schaarden

zich daar in rijen voor de groote processie. De monniken openden den

langen trein; op hen volgden de pelgrims, daarachter kwamen de vrouwen

en kinderen. Toen zij allen gereed waren, nam de archimandriet de

wonderdoende beeltenis der heilige maagd, die nevens het altaar hing,

en het groote, hoog vereerde crucifix. Het kruis in de rechter, de

madonna met de linkerhand gevat houdende, plaatste hij zich aan het

hoofd der schare en leidde haar langs de wallen, onder het vuur des

vijands. De groote klok luidde, de monniken en pelgrims hieven hun

psalmen aan. Kogels en granaten vlogen snorrend over hen heen; de

muren sidderden; de pannen stoven in splinters van de daken. Nabij

den hoektoren aan het Heilige-meer gekomen, moest de processie

stilhouden: een granaat had den windmolen getroffen en de wieken in

brand gestoken. Psalmen zingende en luide biddende, wachtten allen tot

het vuur was uitgebrand, en vervolgden daarna hun tocht. Een weinig

verder, vloog een bom midden door den muur, steenen, balken en planken

verpletterende en voortslingerende tot midden onder de processie: die

daardoor in tweeën werd gebroken. "Gaat voort!" riep de archimandriet,

met zijn kruis zwaaiende,--en de schare ging voort, altijd voort.--Bij

den Weverstoren gekomen, riep de archimandriet den monnik Gennadius,

en gaf hem het kruis, met last om daarmede in den toren te gaan,

en het beeld des Heilands door de soldaten te doen kussen.

Thans zou er een wonder geschieden. De processie had den Weverstoren

verlaten, en een open plek bereikt, die zij over moest steken onder

het geweldige vuur des vijands en den vernielenden kogelregen. Geen

menschelijk wezen kon ongestraft dat vuur trotseeren, tenzij dat

eene bovenaardsche macht hem beschermde. Nu zou het geloof dezer

onverschrokken mannen inderdaad op de proef worden gesteld. Een

oogenblik stond de processie stil; maar de aarzeling duurde ook

slechts een oogenblik. De archimandriet, de beeltenis der moedermaagd

opheffende, trad onbeschroomd in die dwarrelwolk van stof en rook;

de monniken en pelgrims, de vrouwen en kinderen volgden, luide hunne

lofzangen zingende.--En zie--de bommen en granaten der engelsche

schepen weken van haar baan, dwarrelden boven de koepels en torens,

en stortten neder in het Heilige-meer achter het klooster. Aller

oogen aanschouwden het wonder; en uit aller harten steeg, met heilige

ontroering, de dank tot onze-lieve-vrouwe, de machtige en zegepralende

Panagia!

De fregatten hielden af en verwijderden zich, om niet weder terug

te keeren; overwonnen en te schande gemaakt, hoewel niet door

menschelijke macht. Niemand in het klooster had eenig letsel bekomen,

niettegenstaande het woedende bombardement langer dan een halven dag

geduurd had.

De tijding van dezen onwaardigen en heiligschennenden aanval vloog, als

een elektrieke schok, door het gansche groote rijk, overal de heftigste

gemoedsbewegingen in het leven roepende. De gewaarwording, die de

geloovige Rus bij dit bericht moest ondervinden, laat zich het best

vergelijken met hetgeen in ons gemoed zou omgaan op het vernemen der

tijding dat een of andere turksche pâsha de kerk van het Heilige-graf

te Jeruzalem had laten bombardeeren. Verbazing, verontwaardiging,

woede kookten in aller hart; tot straks de blijde mare kwam dat deze

hemeltergende aanslag was mislukt en geheel te schande gemaakt. Sinds

dat wonderjaar is de glorie van Solowetsk hooger dan ooit geklommen:

eene bedevaart naar het klooster op het Heilige-eiland geldt voor bijna

even verdienstelijk als een pelgrimage naar Bethlehem en het graf des

Heeren. Boeren en landlieden gaven het voorbeeld; monarchen en vorsten

volgden. Alexander III is in bedevaart naar Solowetsk getogen; zijn

broeder Constantijn is hem gevolgd; twee van 's keizers zonen zullen

eerlang denzelfden tocht aanvaarden. Men zegt zelfs dat de keizerin

de gelofte heeft afgelegd, het graf van Savatius te zullen bezoeken,

indien de hemel haar hare gezondheid wedergeeft.

Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 21 / 48 题