Solowetsk, het voornaamste van eene groep eilanden, op eenigen afstand
van de kust van Karelië gelegen, is slechts eene kleine bloeiende
plek gronds, tusschen de drie en vier mijlen lang, en twee tot drie
mijlen breed. De hevige golfslag in deze bijna altijd door stormen
bewogen zee heeft de uit veen en steenachtige lagen gevormde kust
sterk aangetast, en eene menigte kreeken en inhammen gevormd; in het
midden van het eiland is het water van weêrszijde zoover landwaarts
ingedrongen, dat niet meer dan eene smalle strook overblijft, waarop
het klooster is gebouwd.
Het Heilige-eiland ligt juist onder den zes-en-zestigsten graad
noorderbreedte, iets noordelijker dan Watna Jökull. De vele,
in het rond verspreidde, kleinere eilanden der groep leveren een
schilderachtigen aanblik op; de schuimende golven der wilde zee,
met bulderend gerucht op de rotsen brekende; de met donkergroene
mossen begroeide stranden, waarboven zich de ernstig sombere pijn- en
berkenbosschen verheffen; de grillig gevormde, ver in zee uitstekende
kapen; de bochtige inhammen, waar het onstuimige water tot rust komt;
de gele duinen en tamelijk hooge, met bosschen bedekte heuvelen:--dit
alles te zamen vormt een landschap van onbetwistbare romantische
schoonheid. Op elken heuvel troont eene witte kerk, die haar groenen,
met een verguld kruis versierden koepel boven het geboomte verheft. Het
land, de lucht en de zee, alles is in harmonie, boeit en bekoort u;
het geheele tafereel laat een onuitwischbaren indruk achter, dubbel
aangrijpend voor ons, na den doorworstelden bangen stormnacht.
Terwijl wij, na aan land gestapt te zijn, langs de kaai voortwandelen,
merken wij met genoegen overal de teekenen van leven en welvaart
en beweging op. Lappen, Russen, Samojeden, lieden van allerlei
nationaliteit en afkomst, loopen op de kaaien heen en weder:
Solowetsk is niet alleen een gewijd oord, een soort van toovereiland,
maar ook een brandpunt van beschaving. De aanlegplaats is ruim, de
haven gemakkelijk en doelmatig ingericht. Aan onze rechterhand zien
wij het dok, waarvan Vader Johannes met zoo billijken trots heeft
gesproken. De Hoop, die eigenlijk voor het vervoer der pelgrims is
bestemd, en daar ook veel beter voor geschikt is dan de Verra, waarmede
wij den overtocht gedaan hebben, ligt daar onttakeld.--Ter linkerhand
verrijst het logement voor de vreemde gasten: een smaakvol, bevallig,
sierlijk gebouw, dat gerust de vergelijking zou kunnen doorstaan met
de fraaiste hotels aan de italiaansche meren. Verderop zien wij nog
een paar kranen, en een paardenspoor, dat van de haven naar een groot
magazijn van koopwaren loopt.
Langs de kaai strekt zich een lange muur uit, met poorten en torens
voorzien. Achter dien muur verrijzen de gebouwen van het klooster, met
het paleis, en de vele koepels en vergulde kruisen. Een breede trap,
waarvan de onderste treden door de golven overspoeld worden, voert
naar de Heilige-poort; vlak daarbij staan twee votief-kapelletjes,
die de plaatsen aanwijzen, waar Peter de Groote en Alexander II,
bij hun bezoek te Solowetsk, aan wal stapten.
Al de gebouwen dragen een onbedriegelijken stempel van hechtheid
en sterkte; sommigen zijn betrekkelijk vrij oud. De geduchte muren
en de zware torens zijn, in de laatste helft der zestiende eeuw,
van reusachtige, uit zee opgevischte steenblokken gebouwd. Het
paleis, de kerk en de klokketoren, binnen deze omwalling gelegen,
zijn de oudste gewrochten van menschelijke kunst op dit afgelegen
eiland. De kerk der Transfiguratie is veel ouder dan de buitenmuur;
die der Hemelvaart dagteekent uit den tijd toen Sint-Filippus prior
van Solowetsk was. Maar behalve door deze aantrekkelijkheid van den
ouderdom, boeit het Heilige-eiland u ook door den zin voor kunst,
het gevoel voor kleur en harmonie, dat overal uit de monumenten
spreekt. De votief-kapellen, hier en daar in het donkere lommer der
bosschen verscholen, doen eene wonderschoone uitwerking; de roode
kruisen, in menigte langs den oever geplant, geven aan het geheele
landschap een eigenaardig ernstig karakter. Eenige ruwe, maar toch niet
geheel onverdienstelijke fresko's versieren den voorgevel der oude
kathedraal. Het gewelf der Heilige-poort is evenzoo met schilderwerk
getooid; de torenspitsen en koepels der kerken zijn een lust voor het
oog, en schitteren u reeds van verre tegen met haar levendig groene
verwen en rijke verguldsels.
Hoog boven alle andere gebouwen welft zich een hemelsblauwe, met
gouden sterren bezaaide koepel, die in de eerste plaats de blikken der
pelgrims tot zich trekt. Met dankbare verrukking staren zij hem aan:
want die koepel kroont eene nieuwe kerk, gesticht ter herinnering
aan het gedenkwaardige jaar 1854, toen de engelsche vloot door de
genadige tusschenkomst der moeder Gods werd overwonnen.
Van binnen ziet het klooster er veel indrukwekkender en veel prachtiger
uit dan van buiten. De muren, de torens, de kerken, het logement
voor de vreemdelingen, de gevangenis: alle gebouwen in één woord,
zijn van gehouwen en gebakken steenen opgetrokken. Geen portaal, geen
galerij, geen gang, die niet met schilderwerk is versierd. Het is
waar: deze schilderijen staan, als kunstwerken, op geen hoogen trap;
maar ondanks de onbeholpenheid en ruwheid der uitvoering, maken toch
deze tafreelen, aan de schrift ontleend, een stichtelijker indruk dan
eenvoudige witkalk. Het schilderwerk in de kerk, op de zuilen en de
beschotten, die het koor van het schip afscheiden, draagt blijken van
hooger ontwikkelde kunstvaardigheid: hoewel ook dit zeker geen genade
zou vinden in de oogen van hen, die alleen voor de meesterstukken
der italiaansche school hunne bewondering over hebben. De teekening
is zeer dikwijls zwak, de kleuren zijn schel en zonder harmonie, de
gouden versiersels zijn in veel te kwistigen overvloed aangebracht;
toch laat dit mozaïek van goud en kleuren u niet koel, vooral niet
wanneer de lampen zijn aangestoken, het statig psalmgezang door de
gewelven weergalmt, de blauwe wierookwolken opwaarts kronkelen, en de
monniken met hunne lange tabbaarden en zwarte kappen, in eerbiedige
houding, voor de koninklijke poort geschaard staan.
Tegen den muur van het klooster, dicht bij de Heilige-poort,
staat een net wit gebouwtje, dat den naam draagt der kerk van het
wonder. Een pelgrim, zoo luidt de overlevering, die op deze plek een
stuk tarwebrood at, hem door een weldadigen pope geschonken, liet
eenige kruimels daarvan op den grond vallen. Aanstonds schoot een
hond, van zonderlinge gestalte, toe, om deze kruimels op te happen;
maar het brood begon zich in den muil van het dier te bewegen, zoodat
hij het niet door kon slikken. Die hond nu was niemand anders dan de
duivel in eigen persoon. Verschillende menschen waren getuigen van
deze overwinning, door het gewijde brood op den vorst der duisternis
behaald; en de monniken van Solowetsk stichtten, tot een aandenken,
een kapel op de plek waar dit wonder was geschied.
De dagen van ons verblijf waren grootendeels gewijd aan verschillende
uitstapjes, te voet, te paard of met eene boot, naar de omliggende
eilanden. Overal dezelfde schoone, indrukwekkende landschappen, rijk
aan afwisseling en toch zoo geheel hetzelfde karakter dragende. Met
stille verrukking dwalen wij door de dennen- en berkenbosschen,
waar de fiere stammen als zuilen ten hemel rijzen, en in het dichte
kreupelhout kleurige bessen en bleeke noordsche bloemen den wandelaar
aanstaren. Van tijd tot tijd opent zich het ernstige woud, en volgt
uw blik de sierlijke golving van eene vredige, groene vallei, in wier
diepte een helder meertje sluimert. Verkwikkende geuren vervullen de
lucht; een diepe, weldadige, heilige stilte ligt over het geheele
landschap uitgebreid. Bij iedere kromming van den weg verrijst een
smaakvol gebeeldhouwd, rood geschilderd kruis; aan het einde van ieder
woudpad schuilt in het lommer eene met levendige kleuren beschilderde
kapel, de stille woning van een of anderen kluizenaar. De grootste
bekoorlijkheid dankt dit verrukkelijk schoonen landschap echter
aan zijne schilderachtige meren, in de diepe schaduwen der pijn- en
berkenbosschen verscholen, wier aantal op de verschillende eilanden
meer dan honderd bedraagt. Tooverachtig schoon is de aanblik dier
kalme, heldere waterkommen, van alle kanten door hoog, donker, ernstig
geboomte omgeven, somwijlen met eilandjes bezaaid, vredig kabbelende
in de ongestoorde eenzaamheid des wouds. Het beroemdste van al deze
meren is het zoogenaamde Heilige-meer achter den muur van het klooster,
waarin de pelgrims zich dadelijk na hunne aankomst gaan baden.
Geen vrouwelijk wezen mag in den gewijden archipel verblijf
houden. Op Solowetsk zelf worden de vrouwen niet dan voor zeer
korten tijd, om haar gebed te doen, toegelaten, en mogen zij, zonder
bepaalde vergunning, niet overnachten. Dit verbod is afkomstig van
Sint-Savatius, den eersten kluizenaar, die zich op deze eilanden
vestigde.
Op zekeren dag, toen hij nabij een meer zijn gebed deed, hoorde hij
plotseling een kreet, als van eene vrouw die in nood verkeert. In zijne
cel teruggekeerd, verhaalde hij dit vreemde geval aan den monnik, die
hem in deze eenzaamheid gevolgd was. Zijn metgezel beduidde hem, dat
hij zich vergist moest hebben: in deze wildernis was toch geene enkele
vrouw te vinden, en de kust van Karelië was verre weg. De heilige man
ging op nieuw naar buiten om te bidden; maar wederom werd hij gestoord
door luid roepen, jammeren en snikken. Den oever van het meer volgende,
ten einde te ontdekken vanwaar dat geluid kwam, vond hij eene jonge
vrouw op den grond liggen, wier lichaam de sporen droeg van slagen en
mishandeling. Het was de vrouw van een visscher. Op de vragen van den
kluizenaar, verhaalde zij dat haar, kort na het vertrek van haar man,
twee jongelingen waren verschenen, met stralend gelaat en in witte
kleeding; deze jongelingen hadden haar gelast, het eiland te verlaten,
er bijvoegende dat geene vrouw hier mocht overnachten, aangezien deze
grond aan God was gewijd. Op hare weigering, hadden de jongelingen haar
ter aarde geworpen en met roeden geslagen. Toen zij weder loopen kon,
vertrok de arme vrouw in hare boot, en Sint-Savatius zag haar niet
terug. Wel kwam haar man, als naar gewoonte, naar, Solowetsk om te
visschen; maar hij verscheen steeds alleen. Aldus werd de vrouw door
de engelen van het heilige eiland verdreven.
Sint-Savatius was monnik in het klooster van Belozersk te
Nowgorod. Onvoldaan met den leefregel in zijn klooster, naar
strenger tucht en meer volledige afzondering verlangende, wist
hij een zijner medebroeders, Valaam geheeten, te overreden, hem
te volgen naar de onherbergzame wildernissen langs de oevers der
IJszee. De krijgshaftige bojaren ondernamen juist in dien tijd
telkens nieuwe veroveringstochten naar het noorden: wat zij deden
om glorie en voordeel, wat de kooplieden deden uit winzucht, zouden
godvreezende mannen dat niet kunnen doen ter liefde van Christus? Na
den nacht, voor het altaar geknield, in gebeden te hebben doorwaakt,
togen dezen edelen en kooplieden naar hun aartsbisschop, en spraken
tot hem: "Vergun ons, o vladika! heen te gaan, ruiter en ros, om
nieuwe landstreken voor Sinte-Sophia te veroveren; en geef ons uwen
zegen!"--En de aartsbisschop gaf zijn zegen: en zij trokken heen vol
nobele geestdrift, om te Kem, te Soumo, te Sorozka en op vele andere
punten, nieuwe koloniën te stichten, die de macht en de welvaart
van het heerlijke Nowgorod hielpen vermeerderen. De groote daden der
bojaren wekten bij Savatius de vurige begeerte op, hun voorbeeld te
volgen, en op zijne beurt het zaad des levens te gaan strooien in de
huilende wildernis, waarheen zij den weg hadden gebaand.
Savatius en Valaam namen den staf op en trokken door onbetreden
wouden en naakte zandwoestijnen, altijd naar het noorden, tot zij,
ten jare 1429, aan de oevers van de Wyg kwamen, waar zij een monnik
vonden, Germanus genaamd, die mede uit het zuiden was gekomen. Alle
drie richtten zich nu naar het oosten, en bereikten den oever der
Witte-zee, vanwaar zij een eenzame eilandengroep uit de onstuimige
wateren zagen opdoemen; zij bouwden nu eene lichte boot, om den zeearm
over te steken, die hen van deze groep scheidde. Savatius en Germanus
landden aan het grootste eiland, en hielden stil aan den zoom van
een klein meer, aan den voet van een met dennen en berken beplanten
heuvel. Van den top diens heuvels konden zij de gansche eilandengroep,
en den breeden zeeboezem, van kaap Orloff tot de hooge kusten van
Kem, overzien.
Savatius had eene beeltenis van de heilige-maagd medegebracht, die hij
in eene eenvoudige, van planken getimmerde kapel ophing. Daarnevens
bouwde hij voor zich en zijn metgezel een rieten hut, waarin zij
te zamen een heilig en vreedzaam leven leidden, aan gebed en vrome
overdenking gewijd. Na verloop van zes jaren, keerde Germanus naar de
oevers van de Wyg terug. Savatius, alleen op zijn eiland te midden van
den oceaan achtergebleven, kon de gedachte niet verdragen dat geen
priester aan zijn sterfbed zou staan om hem de biecht af te nemen
en na zijn dood in gewijde aarde te begraven. Hij zette zich dus
in zijne boot, en kwam naar Sorozka, waar vader Nathanaël de prior,
die zich bij toeval juist aldaar bevond, hem ontving en de laatste
sakramenten toediende. De vrome kluizenaar had zijne taak hier op
aarde voleind: hij legde zich neder om te sterven.
Het lijk werd in de zandige velden van Sorozka ter aarde besteld,
en op zijn graf verrees eene eenvoudige kapel van dennenstammen, aan
de heilige-drie-eenheid toegewijd. Sint-Savatius zou waarschijnlijk
voor altijd daar eene vergeten rustplaats hebben gevonden, indien
niet een ander man, van doorzettend en ondernemend karakter, zijne
schreden naar deze plek had gericht.
Een moedig burger van Nowgorod, Gabriël genaamd, had zich met Barbara
zijne vrouw, in het pas gestichte dorp Tolvoi, nabij het meer Onega,
gevestigd. Deze lieden hadden een zoon, Zosimus geheeten, die, van
zijne kindsheid Gode gewijd, reeds als knaap de klooster-gelofte had
afgelegd. Toen Zosimus den jongelingsleeftijd bereikt had, verdeelde
hij zijne goederen onder zijne nabestaanden, nam den pelgrimsstaf ter
hand, en richtte zijne schreden naar het noorden. Te Suma ontmoette hij
Germanus, die hem verhaalde, hoe hij zes jaren lang, met Savatius, op
zijne rots midden in de zee, als kluizenaar had geleefd. Zosimus, door
dit verhaal levendig getroffen, bad Germanus hem de plek te wijzen,
waar hij en Savatius zoo vele jaren in stille afzondering hadden
doorgebracht. Germanus gaf toe: een gunstigen wind voerde de beide
reizigers, in hunne ranke boot, naar het eiland, waar zij in eene
kleine baai aan wal stapten. De oever was met hoog geboomte bezet,
en weldra ontdekten de beide pelgrims, in de nabijheid der kust,
een helder meer van zoet water, rijk aan visschen van allerlei soort.
Terwijl Zosimus op het strand geknield lag, had hij een verrukking
van zinnen. Aan den oever van dat bevallige, schilderachtige meer
zag hij, als in geestvervoering, eene indrukwekkende reeks statige
kloostergebouwen met torens en koepels gekroond. Toen het gezicht
verdwenen was, sprak hij met zijn vriend Germanus over dit verrukkelijk
visioen: hij beschreef hem, tot in de kleinste bijzonderheden,
het voorkomen en de verdeeling der gebouwen, met hunne muren en
poorten, hunne torens en tinnen en koepels: in één woord, het gansche
klooster, in al zijne heerlijkheid. De vrome reizigers twijfelden geen
oogenblik aan de beteekenis van dit gezicht: zij velden aanstonds
een boom, en hieuwen daarvan een groot kruis, dat zij in den grond
plantten. Aldus werd het groene eiland--eene oasis te midden van de
IJszee--plechtiglijk gode gewijd. Dit geschiedde in 1436, een jaar
na den dood van Savatius.
De twee kluizenaars bouwden zich nu hutten, in de nabijheid van het
door hen geplante kruis. De plaats, waar deze hutten gestaan hebben,
wordt thans nog door twee kapellen aangewezen.
Weldra ging het gerucht van deze vrome jongelingen uit door het
omliggende land, en verspreidde zich van klooster tot klooster;
al spoedig kwamen eene menigte monniken zich bij hen voegen,
vol ijver om de kluizenaars te helpen in de heilige taak, die zij
hadden aanvaard. Het duurde niet lang, of nevens het nederige kruis
van dennenhout verhief zich eene eenvoudige kerk, en daar geen der
pelgrims de priesterwijding ontvangen had, zonden zij een hunner
naar den aartsbisschop van Nowgorod, om zijn zegen op hun werk
te vragen, en hem tevens te verzoeken hun een priester te zenden,
die de kerk kon wijden en de mis bedienen. De aartsbisschop gaf aan
hun wenschen gehoor, en zond Pavel, zijn dienaar, naar Solowetsk;
deze wijdde de kerk en bediende de heilige mysteriën der godsdienst;
maar het ruwe klimaat dwong hem weldra, het opkomend klooster weder
te verlaten. Hij werd opgevolgd door Theodosius, die weinige jaren te
Solowetsk vertoefde, maar toen door ziekte genoopt werd den herdersstaf
neder te leggen. Ditzelfde was ook het geval met Yon, den derden prior.
Na het vertrek van dezen laatste, hielden de monniken te zamen raad. Er
waren nu ongeveer twaalf jaren verloopen, sedert Pavel de kerk had
gewijd: en reeds hadden drie priors elkander in het bestuur over
het klooster opgevolgd. De ondervinding had nu geleerd, dat mannen,
die het grootste gedeelte huns levens in zuidelijker streken hadden
doorgebracht, op den duur niet bestand waren tegen het ruwe klimaat van
de Witte-zee. Zij besloten mitsdien den aartsbisschop te verzoeken,
een uit hun midden tot prior te benoemen; en met algemeene stemmen
kozen zij Zosimus, die altijd de ziel, en leider en het wezenlijke
hoofd der kolonie was geweest, tot hun tijdelijk opperhoofd. Zosimus
liet zich, op aandringen der broederen, de keuze welgevallen;
hij nam den pelgrimsstaf ter hand en deed, te voet, de lange reis
naar Nowgorod: een tocht van minstens driehonderd-vijftig mijlen,
door eene landstreek, die toen, voor verreweg het grootste gedeelte,
eene ongebaande wildernis was. Hij bereikte zonder ongeval de groote
stad, en werd door den vladika tot priester gewijd; bovendien wist hij
van de bojaren eene schenking van den archipel van Solowetsk aan het
klooster te bekomen. Toen hij in het klooster terugkeerde, was hij met
de dubbele waardigheid van pope en prior bekleed. Vergunning bekomen
hebbende om de stoffelijke overblijfselen van Savatius, van Sorozka
naar Solowetsk over te brengen, liet hij het lijk van den kluizenaar
opgraven; het lichaam, dat nog geheel ongeschonden was, werd nu met
groote staatsie naar het eiland vervoerd, en in de krypt der jonge kerk
bijgezet. Zosimus regeerde als prior gedurende zes-en-twintig jaren,
en stierf, door de broederen betreurd, in den reuk van heiligheid.
Dit meldt de overlevering aangaande de stichting van het klooster
te Solowetsk.
Reeds voor mijn vertrek naar Archangel had ik van den bisschop een
aanbevelingsbrief aan Feofan, den archimandriet (abt) van Solowetsk
verzocht en verkregen, en dien vooruitgezonden. Nauwelijks was ik aan
wal gestapt; of vader Hilarion, een monnik, die in het klooster zoo
ongeveer de functiën van minister voor de wereldlijke aangelegenheden
vervult, kwam mij, uit naam van den archimandriet, tot een bezoek
uitnoodigen. Ik trok haastig andere kleederen aan, en begaf mij daarop,
met hem en vader Johannes, naar de Heilige-poort. In het voorbijgaan
werpen wij een blik op de modellen van het jacht en het fregat van
Peter den Groote, die hier bewaard worden: wij beschouwen vluchtig
eenige oude fresko's, bestijgen een trap, en staan weldra voor de
deur der woning van den archimandriet Feofan.
De archimandriet van Solowetsk is een aanzienlijk personage, die
geen gezag in de kerk boven zich erkent, dan alleen dat der Heilige
synode. Hij bewoont een paleis; hij geniet een jaarlijksch inkomen
van vierduizend roebels; bovendien voorziet het klooster in de kosten
zijner huishouding, zijner tafel, zijner kleeding, en zorgt voor
het onderhoud zijner booten. Behalve zijn geestelijken titel voert
hij nog dien van prins: hij bekleedt dus eene zeer hooge positie,
en regeert, met bijna onbeperkt gezag, niet alleen over de lichamen,
maar ook over de zielen zijner onderhoorigen.
Een klein mager man, met een ernstig sprekend gelaat, lange gekrulde
haren en een zwaren baard, treedt ons tot aan de deur te gemoet. Zijn
hoofd is gedekt met de gewone zwarte muts; op zijn eenvoudigen
monnikstabbaard schittert een prachtig saffieren kruis. Dat is de
archimandriet. Na vader Johannes zijn zegen geschonken en mij de
hand gedrukt te hebben, geleidt hij ons naar eene kamer, met fraaie
platen langs de wanden en zachte tapijten op den vloer; hij verzoekt
mij plaats te nemen op een sofa nevens hem, terwijl de beide monniken
zich op eenigen afstand houden.
De ontvangst is zoo vriendelijk mogelijk; de woning, het rijtuig, het
jacht van den archimandriet worden, met de grootste wellevendheid,
te mijner beschikking gesteld; geene moeite wordt gespaard om mij
het verblijf in het klooster zoo aangenaam mogelijk te maken. Mijn
vriendelijke, uiterst voorkomende gastheer zorgt zooveel mogelijk
voor afwisseling, en laat zich zelfs iederen avond een getrouw verslag
geven van de wijze waarop ik den dag heb doorgebracht.
Driehonderd monniken houden hun verblijf op het heilige-eiland. Aan
hun hoofd staat natuurlijk de archimandriet; op hem volgen veertig
monniken, die de priesterwijding hebben ontvangen en popen zijn;
vervolgens zeventig of tachtig monniken, die de kloostergelofte hebben
afgelegd; eindelijk de acolythen, de zangers, de dienende broeders,
de novisen. De scholieren, de gasten de gehuurde bedienden, geen
geestelijken, vormen eene klasse op zich zelf.
Deze broeders behooren tot elken leeftijd en tot alle standen der
maatschappij: van den aanvalligen knaap, die aan tafel dient, tot
den afgeleefden grijsaard, die zijne cel niet meer verlaten kan;
van den monnik van adelijke geboorte en groot fortuin, tot den armen
landlooper, die als een schooier op het eiland kwam. Zij dragen allen
hetzelfde gewaad, eten aan dezelfde tafel, zeggen dezelfde gebeden op,
leiden hetzelfde leven. Iedere broeder heeft zijne eigene cel, waarin
hij arbeidt en slaapt; maar allen moeten op de uren des gebeds in de
kapel, en op het etensuur in den reefter verschijnen, tenzij ziekte
of groote lichaamszwakte hen daarin verhindert. Zij laten allen hun
hoofdhaar en baard groeien, en besteden groote zorg aan deze mannelijke
sieraden, waarop men in Rusland den hoogsten prijs stelt.
Onder deze eerwaarde vaders zijn er niet weinigen, die boven het
alledaagsche peil verheven zijn. Voorzeker bevinden zich ook onder
hen enkele bekrompen dweepers; maar den meesten is het ernst met
hunne roeping, die zij uit wezenlijken aandrang des harten gekozen
hebben. Een vrij aanzienlijk getal monniken zijn hier als gevangenen
of boetelingen, uit kloosters in het zuiden en westen herwaarts
gezonden. Deze laatsten vormen wel de belangwekkendste klasse
van kloosterlingen. Hun misdrijf bestaat gewoonlijk in overdreven
ijver; een kritischen, onderzoekenden geest, die met de bestaande
toestanden geen vrede heeft; eene vurige begeerte naar hervorming,
naar een terugkeer tot de zuiverheid der eerste tijden. Voor dergelijke
gebreken heeft een gewone monnik geen medelijden, omdat hij van zulk
streven en worstelen niets begrijpt; voor de ongelukkigen die daaraan
lijden, wordt een verblijf van korter of langer tijd in de wildernis
van Solowetsk een uitnemend geneesmiddel geacht.
Een archimandriet, door de heilige synode tot die hooge waardigheid
geroepen, moet een man zijn van kennis en wetenschap, bekwaam om de
broederen te onderwijzen en het hem toevertrouwde huis te regeeren. Hij
moet een exempel zijn voor allen, dikwijls vasten, veel bidden, des
morgens vroeg opstaan, en leven, zooals het den heiligen betaamt. De
broeders slaan hun geestelijken vader nauwkeurig gade. Is hij streng
jegens zich zelf, dan zullen zij gewillig zijne strengheid over hen
dragen; maar wee hem, als hij zich zwak toont, als hij fijn linnen
draagt, als geurige schotels op zijne tafel verschijnen, als de
riumka--het fijne glaasje, waaruit de brandewijn gedronken wordt--te
dikwijls zijne lippen beroert. De archimandriet weet dat aller oogen
op hem zijn gevestigd, en al zijne handelingen nauwkeurig worden
bespied. En het is niet gemakkelijk allen te voldoen. Deze broeder
zou wenschen dat een strenger leefregel werd gevolgd; een ander
oordeelt de tucht reeds nu te hard. Weet de archimandriet zich niet
de genegenheid zijner onderhoorigen te verwerven, dan komen telkens
en telkens klachten over hem in bij de heilige synode, tot eindelijk
een onderzoek wordt ingesteld, en--ter wille van den lieven vrede--de
aangeklaagde kloostervoogd naar elders wordt verplaatst.