HET GODSDIENSTIG LEVEN IN RUSLAND.

Op zekeren dag wandelde ik met een vriend door Archangel, om bezoeken

af te leggen. Wij hadden reeds in enkele huizen vertoefd, toen mijne

aandacht getrokken werd door een man in uniform, met een krijgshaftig

voorkomen en welgevormde gestalte, die telkens als wij ergens

binnentraden of uitkwamen, zich in onze nabijheid bevond. Hierover

verwonderd, voegde ik mijn vriend toe:

"Die man schijnt ons op den voet te volgen."

"O neen," klonk het lachende antwoord: "dat is een russisch

politie-agent."

"Maar waarom loopt hij ons dan altijd na?"

"Hij slaat geen acht op ons; hij doet zijne ronde, en gaat den

rijken eigenaars van huizen aanzeggen, dat zij heden avond, voor alle

vensters hunner woningen, die op de straat uitzien, vier brandende

kaarsen moeten zetten."

"Vier kaarsen! en waarom dat?"

"Ter eere van den Tsaar. Het is van daag de feestdag van zijn patroon;

tegen acht uur zult ge zien hoe alle huizen eensklaps geïllumineerd

worden... op aansporing van de politie."

"Maar, mij dunkt, de politie heeft niet noodig zich daarmede te

bemoeien. De keizer is populair en geliefd. Wie zou het feest van

Sint-Alexander kunnen vergeten?"

"Zeker, de keizer is zeer bemind, en toch vergist gij u: het volk zou

er waarschijnlijk niet aan denken, den Tsaar het hof te maken. Zie

maar eens: de winkels zijn open, en alle waren uitgestald; ieder is

aan zijn werk, als op een gewonen dag. De moujik bekommert zich niet

veel om keizers of koningen; hij kent slechts zijn beschermengel, zijn

eigen heilige. Vraag hem niet, u een kleedingstuk af te leveren, uw

rijtuig te herstellen, of hout voor u te gaan halen, op den feestdag

van zijn patroon: hij zou zich liever levend laten begraven, dan

dien dag door eenigen verboden arbeid ontheiligen. De moujik is geen

hoveling, maar hij is godsdienstig."

Weldra leerde ik door eigen ervaring de waarheid dezer getuigenis

erkennen. Het diepe bewustzijn van zijne plichten jegens den

Schepper beheerscht bij den Rus alle andere gevoelens. Dit bewustzijn

openbaart zich niet alleen door een gevoel van eerbied en kinderlijke

piëteit des harten, maar uit zich ook in menigvuldige godsdienstige

handelingen, plechtigheden en gebruiken; het openbaart zich in alle

kringen der maatschappij, in alle toestanden des levens. Gij vindt

het in de kazernen en legerkampen, zoowel als bij de feestvierende

schare op een dorpskermis en in de gehoorzalen der hoogescholen;

gij vindt het bij den prins, die zich in oostersche weelde baadt,

bij den handelaar op zijn kantoor, bij den boer, die zijn ploeg door

den zwaren kleigrond drijft; bij den dief zelfs, die zijn makker het

deel van den buit betwist.

Het is deze innige vroomheid, die het land met heiligdommen en

kerken overdekt en tot velerlei zonderlinge praktijken aanleiding

geeft; maar zij is het ook, die, zelfs waar zij niet van het kwaad

terughoudt, toch den zondaar niet met vrede laat en zijn gemoed

opent voor boete en berouw. Elk dorp heeft zijne relieken; elk kind

bidt tot zijn bijzonderen beschermengel, en draagt immer het kruis,

hem bij den doop geschonken. De russische steden zijn overrijk

aan kerken en kloosters. Te Kargopol, een stadje van tweeduizend

zielen, telde ik niet minder dan twintig kerktorens. Moskou bezit,

naar men zegt, meer dan vierhonderd kerken en kapellen; Kiew is, in

verhouding tot de bevolking, niet minder rijk bedeeld. De herinnering

aan alle merkwaardige gebeurtenissen wordt door de stichting eener

kerk in het aandenken des volks bewaard. Te Kiew herinnert de kerk

van Sint-Andreas aan het bezoek van een apostel; die van Sinte-Maria

aan de invoering van het Christendom. Sint-Wassili te Moskou werd

gebouwd ter gedachtenis aan de verovering van Kazan; het klooster

van Donskoï dankt zijn ontstaan aan de overwinning, door Feodor op

de Tartaren van de Krim behaald; de Sint-Salvator verrees als een

dankoffer voor de nederlaag van Napoleon. Na de eerste overwinning,

door de Russen op de Zweden behaald, werd de Sint-Alexanderskerk te

Petersburg gesticht; die van Sint-Isaäk verrees ter gedachtenis van

Peter den Groote. Waar wij een zuil of beeld zouden oprichten, bouwen

de Russen een bedehuis; de gewijde basilieken zijn als het ware de

levende monumenten, de sprekende getuigen van de geschiedenis des

rijks en de lotgevallen des volks.

Van de wieg tot het graf, leeft de Rus, om zoo te zeggen, in

voortdurenden omgang met God; de godsdienst neemt in zijn leven

eene zoo ruime plaats in, dat men zich bezwaarlijk daarvan een

denkbeeld maken kan. Even als de Arabier, is ook de Slaaf van nature

godsdienstig; voor deze volken is de godsdienst inderdaad eene macht,

die hun gansche leven en denken beheerscht. Zoo gij eene russische

hut binnentreedt, zult gij er immer eene kleine kapel of bidplaats

vinden. Alle vertrekken zijn in zekeren zin gewijd: want in elk vindt

gij een heiligen beeld; bijna zou ik zeggen: een huisgod. Het hoofd

des gezins betreedt zijne woning niet dan met zekeren eerbied: hij

staat even op den drempel stil, neemt zijne muts af, maakt het teeken

des kruises, en herhaalt bij zich zelf een vers der gewijde liturgie.

Het kruis, bij het toedienen van den heiligen doop ontvangen, en dat

de Rus tot aan zijn dood blijft dragen, is het teeken en zinnebeeld

van zijne volharding in het geloof. De godsdienst volgt en begeleidt

hem, als kind en knaap, bij het spel en bij de studie; als man, op het

kantoor en in de werkplaats.--Op alle hoogere en lagere scholen vindt

ge eene verzameling van gebeden, op de verschillende omstandigheden

van het schoolleven toepasselijk: gebeden bij den aanvang van

het studiejaar, bij het begin der vacantie, bij de opening van een

nieuwen cursus. De fabrieken en boerderijen staan hierin met de scholen

gelijk. De gebeden verschillen natuurlijk naar gelang van den aard der

bezigheden; maar niemand, oud of jong, zal ooit verzuimen, dagelijks

zijne gebeden ten hemel te zenden; niemand zal zich, zonder ernstige

redenen, aan zijne godsdienstplichten, bij voorbeeld, aan de bepalingen

omtrent de vasten, onttrekken. Vooral deze laatste wordt streng in acht

genomen: bijkans de helft van het russische jaar is aan boetedoening

gewijd. Gedurende de zeven weken, die het Paaschfeest voorafgaan, is

het gebruik niet alleen van vleesch, maar ook van visch, melk, eieren

en boter verboden. Gedurende zes weken vóór Kerstmis, en een maand

vóór Sint-Pieter, gelijke onthouding, alleen met deze uitzondering,

dat men dan visch mag eten. In de maand Augustus, wederom een strenge

veertiendaagsche vasten, ter eere van de Heilige Maagd, wier hemelvaart

in die maand wordt herdacht. De woensdag en de vrijdag van iedere week

zijn vastendagen. Deze algemeene regelen gelden altijd en voor allen;

maar de geloovige, die, na voorafgaande biecht, communie wenscht te

doen, behoort zich daartoe nog door bijzondere strenge boete voor te

bereiden. Hij moet zich onthouden van alle met vet bereide spijzen,

van lekkernijen, van suiker, van het rooken van sigaren; zelfs mag

hij niets eten, dat door middel van vuur moet worden klaar gemaakt.

Op den Stillen-Zaterdag, waarop ook in de russische kerk het water

gewijd wordt, mag niemand iets eten of drinken vóór den afloop der

plechtigheid, dat is omstreeks vier uur in den namiddag; dan wordt

eerst van het gewijde water gedronken, en daarna zet men zich neder,

om, in blijdschap des harten, maaltijd te houden. Om den noodigen

voorraad van wijwater op te doen, spoeden mannen en vrouwen zich om

het zeerst naar de kerken, beladen met kruiken, kannen en allerlei

vaatwerk; bovendien brengt ieder een kaars mede, die in de kerk

wordt aangestoken, en te huis voor het beeld van den heiligen patroon

geplaatst, om daar verder te verbranden.

Geen nieuw huis wordt betrokken, geen magazijn of winkel geopend,

zonder voorafgaande godsdienstige wijding. Bijna iedere maand bezoekt

de pope, gevolgd door den acolyth en den diaken, alle huizen in zijn

kerspel, besproeit de vertrekken met wijwater, reinigt ze door gebeden

en wijdt ze door het teeken des kruises.

Bij alle groote gebeurtenissen des levens, bij de geboorte, bij het

huwelijk, bij den dood, is de kerk, als eene zorgende en liefdevolle

moeder, met raad en troost en hulp en voorlichting nabij, zelf

deelnemende aan alle vreugden en smarten harer kinderen, en daaraan

hooger wijding gevende. Het sakrament des huwelijks vooral, dat den man

de kroon van het gezag schenkt en hem wijdt tot het hoofd van een nieuw

gezin, wordt met buitengewone plechtigheid gevierd. De vele ceremoniën,

die met de voltrekking van dit sakrament gepaard gaan, hebben allen een

diepen en verheven zin, eene schoone symboliek, en munten bovendien

door ernst, waardigheid en bevalligheid uit. De gebeden en lofzangen

klimmen op tot den troon des Almachtigen; de ringen worden gewisseld;

de zegen des hemels op het jonge paar afgesmeekt; eindelijk wordt op

de hoofden der jonggehuwden een gouden kroon gezet.

"Iwan, dienstknecht des Heeren," zegt de pope, "ontvang als uwe kroon,

Nadia, die dienstmaagd des Heeren!"

Sommige bruidsparen dragen deze huwelijkskroon eene geheele week lang,

en bezorgen haar daarna terug aan de sakristie, waar zij op nieuw

den zegen ontvangen. Ook aan het nederigste en meest alledaagsche

leven bereidt de godsdienst aldus een feestdag, een dag van poëzie,

van hoogeren glans en heerlijkheid. Op den bruiloftsdag is de bruid

steeds koningin, de bruidegom koning, al ware hij ook niets meer dan

een arme vergeten knecht.

De grieksche kerk leert dat iederen mensch een bijzondere beschermengel

is gegeven, die hem van de wieg tot het graf volgt, die getuige is van

al zijne daden, en dien hij nimmer misleiden of bedriegen kan. In zijn

slaapvertrek plaatst de Rus eene beeltenis van dien engelbewaarder,

en onderhoudt dag en nacht eene brandende lamp tot zijne eer. De

feestdag van dien beschermengel is geheel aan stille rust, aan vrome

overpeinzingen en werken der liefdadigheid gewijd. Men richt een

maaltijd aan, waarop de vrienden en bloedverwanten genoodigd worden;

tevens worden aan de armen aalmoezen uitgedeeld. Men gaat ter kerke, en

koopt daar gewijde brooden, voor de bedienden, de gasten, de bezoekers

bestemd. De pope komt, met het evangelie en het kruis, en zingt de

plechtige litanie ter eere des engelbewaarders, waarvoor hij van den

heer des huizes eene gave ontvangt, verschillende naar gelang van

diens fortuin.--De beschermheilige of patroon, wiens naam men draagt,

wordt met niet minder eerbied en ijver vereerd. Ook zijn beeld wordt

nooit in de woning gemist, en zijn naamdag godsdienstig gevierd. Door

niets ter wereld zou een Rus zich laten bewegen, den naam, dien hij bij

den doop ontvangen heeft, te laten varen. Zekere boer stond terecht,

als beschuldigd, een valsch paspoort te hebben vervaardigd, ten einde

zich voor een ander te doen doorgaan. "Hoe kan men meenen", riep hij

verbaasd uit, "dat ik een naam zou hebben aangenomen, die mij niet

toekomt? Ik zou daardoor immers mijn patroon hebben verloren. Zeker

heb ik dat niet gedaan; ik heb alleen mijne geboorteplaats veranderd."

De godsdienst bezielt en beheerscht zoozeer geheel het maatschappelijk

leven, dat, tot op zekere hoogte althans, het volle genot der

burgerrechten afhankelijk is van de getrouwe vervulling der

godsdienstplichten. Ieder Rus weet, dat hij gehouden is, eenmaal per

week de mis te hooren, zijne zonden te biechten, en minstens eenmaal in

het jaar de heilige communie te houden. En de overgroote meerderheid

denkt er niet aan, deze plichten te verzuimen, of ze in eenig opzicht

als een last te beschouwen. Die zich daaraan onttrekt, wordt ook

in burgerrechterlijken, maatschappelijken zin als dood beschouwd:

tenzij hij van den pope, zooals dat soms geschiedt, een bewijs weet te

verkrijgen, waaruit zijne getrouwe waarneming der kerkelijke plichten

blijkt. Maar nog eens: zij, die tot dergelijke middelen hunne toevlucht

nemen, vormen zeer stellig eene betrekkelijk onbeteekenende minderheid;

de overgroote massa des volks is oprecht en innig aan zijne godsdienst

gehecht, en toont dat op de meest ondubbelzinnige wijze. De zoogenoemd

voorname onverschilligheid, het praktisch atheïsme onzer moderne

westersche maatschappij vindt in Rusland nog zeer weinig aanhangers;

het zou daar door verreweg de meesten niet eenmaal worden verstaan.

Het Vrije Rusland De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 11 / 48 题