"De Witte-zee!" riep, met een luiden lach, onze deensche gezagvoerder,
terwijl hij zijn dunnen rossigen knevel opstreek;--"de Witte-zee! een
mooie naam, inderdaad, voor eene zee, die er uitziet als engelsch
bier! De bedding moge wit zijn, want die is bezaaid met de beenderen
der schipbreukelingen;--maar het water is het nooit, tenzij dan dat
het bevroren en met sneeuw bedekt is. Neen, dan hebben de matrozen
en de zeehondenvisschers een beteren naam bedacht: zij noemen haar
de IJszee."
Na de Noordkaap--eene lichtgrijze, fantastisch gevormde, sombere
rotsmassa, die ver in de schuimende golven der Poolzee uitsteekt,--te
zijn omgevaren, stevenen wij zuidoostwaarts, onophoudelijk gedurende
twee verschrikkelijke dagen geteisterd door wind, hagel en regen. In
al dien tijd zagen wij niets van de zon: wel bespeurden wij omstreeks
middernacht een flauw schijnsel, dat aan den morgenstond deed denken:
maar op den middag was het weder dezelfde onbestemde schemering,
juist even voldoende om de omringende duisternis zichtbaar te maken.
De schilderachtige, overal door baaien en inhammen afgebroken en met
hooge bergen geteekende kust, die wij tot dusver volgden, ligt achter
ons: wij zeilen nu langs een vlak, eentonig, somber, ongebroken strand,
bijna altijd in een dichten nevelsluier gehuld, die ons slechts nu en
dan een blik op de akelige, levenlooze streek gunt. Na eene vervelende
vaart van ongeveer vijftig uren, komen wij eindelijk aan een laag
land, dat, half in den nevel verloren, zich verre weg naar het zuiden
uitstrekt, niet ongelijk aan eene grauwe wolkenlaag. Wij varen tusschen
kaap Kanin en de zoogenaamde Heilige-kaap, Swioetoi-Noss, door, en
stevenen vervolgens het ongeveer dertig mijlen breede kanaal binnen,
dat van de Poolzee naar de ruime en grillig gevormde binnenzee voert,
onder den naam van de Witte- of IJszee bekend.
De kust aan onze rechterhand is die van Lapland: een treurig, akelig
land, waar men niets ziet dan sombere, doodsche meren en poelen,
en naakte, grijze duinen, door een grauwen hemel overwelfd. Hier
en daar zetten enkele jagers, te midden dezer eenzame wildernissen,
het schrale wild na; ettelijke visschers werpen hunne netten in de
naargeestige wateren. Deze lieden zijn onderdanen van den Tsaar en
leden der orthodoxe kerk: maar zij spreken eene taal, die in het
Winterpaleis bezwaarlijk verstaan zou worden; en zij hebben zekere
godsdienstige ceremoniën en gebruiken bewaard, waaraan de heilige
Synode hare goedkeuring nog niet gehecht heeft.
Lapland is ééne groote wildernis van reusachtige rotsen, en diepe en
donkere poelen en moerassen; hier en daar kronkelt zich daartusschen
eene smalle vallei, langs wier hellingen die schrale mosplanten
groeien, waarmede zich de rendieren voeden. Groepen van pijn- en
berkeboomen brengen nu en dan in dit sombere landschap een weinig
afwisseling; maar in deze koude luchtstreek tiert geen graan,
en de bewoners moeten van de opbrengst hunner jacht en visscherij
leven. Hunne eenige weelde, het roggebrood, moet te water uit Onega
en Archangel worden aangevoerd: deze steden zelf ontvangen dit
brood uit de zuidelijker provinciën. De Laplanders zijn nomaden;
zij brengen den eindeloozen winter door in hutten, die zij zoo
goed mogelijk inrichten; gedurende den vluchtigen zomer vertoeven
zij in tenten. De piramidaalvormige hutten worden uit ruw behouwen
boomstammen opgetrokken; eene dikke laag van mos belet het doordringen
van het ijskoude water. Hunne tenten deden mij denken aan die der
Comanches-Indianen: zij bestaan uit aaneengenaaide rendiervellen,
die over een paal gespannen worden; eene opening van boven dient om
den rook door te laten.
Naar gelang van het jaargetijde, verplaatst de Laplander zijne woning
van de eene plek naar de andere; nu eens laat hij zijne rendieren langs
de hellingen der heuvelen grazen; dan weder tracht hij de visschen
in de rivieren en langs de kusten te verschalken; des zomers zwerft
hij door het binnenland, om mossen op te zoeken; in den winter trekt
hij naar het strand, om zeehonden en kabeljauw te vangen. De mannen
weten evengoed om te gaan met de lans, het oude nationale wapen, als
met het geweer, dat zij in later tijd van vreemde kolonisten hebben
overgenomen. De vrouwen, die er met hare broeken van zeehondenvel en
hare jassen van rendierenvel alles behalve bevallig uitzien, zijn
meest allen in allerlei tooverkunsten ervaren. In alle noordsche
landen gewaagt men niet dan met schrik van die afschuwelijke heksen,
die, naar de boeren meenen, altijd een of anderen boozen geest tot
hare beschikking hebben. Eene Laplandsche leest in de toekomst,
en voorspelt wat de komende dag brengen zal. Zij heeft de macht om
iemand te betooveren of met kwalen en ziekten te bezoeken; zij kan
zich naar goedvinden in de lucht verheffen, en de schepen doen zinken,
die op den verren oceaan met de golven worstelen.
Aan onze linkerhand hebben wij het schiereiland Kanin, dat mede
deel uitmaakt van de woeste, dorre landstreek, waar de Samojeden hun
zwervend leger opslaan: eene akelige ijswoestijn, nog verschrikkelijker
dan de wildernissen, waarin de Laplander het wild vervolgt. Deze
provincie van het groote rijk heeft noch dorpen, noch wegen, noch
akkers; zij heeft zelfs geen eigen naam, want de Russen noemen haar
nooit anders dan het land der Samojeden. Zij strekt zich noord- en
oostwaarts uit, van de muren van Archangel en de kust van kaap Kanin,
tot aan de toppen van het Oeral-gebergte en de IJzeren poorten van den
zeeboezem van Kara. In hare dalen en kloven smelt de sneeuw nooit; en
hare kusten, die eene lengte van ongeveer zevenhonderd mijlen beslaan,
zijn gedurende acht maanden van het jaar ongenaakbaar door onafzienbare
ijsmassa's. In Juni, wanneer de winter voor korte oogenblikken wijkt,
bekleeden zich de hellingen van enkele gunstig gelegen valleien
met mossen, waarvan het doffe, sombere groen, hier en daar, scherp
afsteekt tegen het eentonige bruin der naakte rotsen en het grauwe
lijkkleed van vuile sneeuw. Met deze kostbare mossen voedt zich het
rendier, het kameel der poollanden, dat in deze onherbergzame oorden
het leven voor de menschen voor 't minst mogelijk maakt.
Het woord Samojeed beteekent kannibaal, menscheneter: althans zoo zegt
de taalwetenschap. De Samojeden zouden dus antropophagen zijn. Maar ook
deze wetenschap is niet onfeilbaar: en om eene dergelijke uitspraak
te staven, zijn er duchtige bewijzen noodig, meer afdoende dan
tot dusver zijn aangevoerd: er blijft dus nog ruimte voor verdere
onderzoekingen. De Samojeden koken hunne spijzen niet; het is mij
onbekend, of zij menschenvleesch eten; wel weet ik dat zij het
vleesch der rendieren rauw verslinden. Hunne jacht- en zwerftochten
steeds verder uitstrekkende, zijn de Samojeden, aanvankelijk in het
hooge noorden van Azië gevestigd, het Oeral-gebergte overgetrokken,
en hebben zich in de landstreken tot nabij kaap Kanin verspreid:
een land, zoo koud, zoo ruw en zoo dor, dat waarschijnlijk geen
ander menschenras het daar zou kunnen uithouden. Daar vonden hen
de Zarayny, die hen hebben overwonnen en in een toestand gebracht,
zeer nabij aan de slavernij grenzende.
Deze Zarayny, een dapper en verstandig volk, schijnen, wat afstamming
en taal betreft, het naast aan de Finnen verwant; waarschijnlijk
zijn zij de overblijfselen eener aloude volkplanting van trappers
of jagers. Zoowel door gestalte en voorkomen als door aanleg en
ontwikkeling, munten zij boven de Samojeden uit; evenals de Russen,
bouwen zij zich houten hutten, en bezitten talrijke kudden rendieren,
waarvan de bewaking aan het overwonnen volk wordt opgedragen. Deze
onderwerping aan een meer begaafd en ontwikkeld ras is voor den
Samojeed de natuurlijke voorbereiding tot een hooger trap van
beschaving; hij leert het menschelijk leven ontzien en eerbiedigen,
de rechten van den eigendom erkennen en waardeeren. Een amerikaansche
Roodhuid leeft van de buffeljacht; hij doodt veel meer dieren
dan hij voor zijne behoefte noodig heeft, louter uit zucht om
te dooden en de vernielen. De Samojeden zouden evenzoo handelen:
maar de Zarayny hebben hun geleerd, het zoo onontbeerlijke dier,
zonder hetwelk de mensch hier niet leven kan, te vangen, te temmen
en als huisdier te gebruiken. Als een echte wilde, maar weinig hooger
staande dan de Pawnie van Noord-Amerika, bouwt de Samojeed zich geene
vaste woning; hij weet niets van landbouw, en heeft ook geen begrip
van grondeigendom. Even als de Laplander, woont hij in eene hoogst
eenvoudige tent, die, vooral van binnen, dadelijk aan een indiaanschen
wigwam denken doet: want zij bevat niets dan eenige huiden, waarop
de bewoners plaats nemen. In deze tenten zoudt ge vruchteloos naar
eenig spoor van kunstvaardigheid zoeken; zelfs de ruwe teekeningen,
waarmede enkele indiaansche stammen hunne armelijke woningen opsieren,
ontbreken hier. Toch heeft de Samojeed eenige, het is waar zeer
onbestemde, denkbeelden en voorstellingen van maatschappelijk leven,
zelfs van eene regeering. Eene groep van een zeker aantal woningen
draagt den naam van choum; aan het hoofd van iederen choum staat een
chaman, een soort van geestelijk opperhoofd.
De tegenwoordige keizer heeft eenige priesters naar deze stammen
afgezonden, zooals weleer Marfa Boretski zijne popen en monniken naar
Lapland en Karelië zond, in de hoop de onbeschaafde heidensche inwoners
tot het Christendom te bekeeren. Men zou zoo gaarne willen gelooven,
dat deze zendelingen inderdaad nut stichten en eenige vrucht op hun
arbeid zien: maar de Russen, die van nabij met het land en zijne
bewoners bekend zijn, halen glimlachend de schouders op, als men hen
spreekt over de orthodoxe propaganda langs de kusten van de golf van
Obi en de zee van Kara. Uit eigen ervaring kan ik hieromtrent geen
oordeel vellen; het toeval heeft mij echter in aanraking gebracht met
een dier grieksche priesters, die, waarschijnlijk wanhopende aan de
mogelijkheid om het volk tot zich op te heffen, mooi op weg was om
zelf tot het peil zijner onwillige hoorders af te dalen. Hoewel hij
nog altijd den titel van pope bleef voeren, leefde hij als een chaman;
hij had de kleeding van zulk een samojeedsch opperhoofd aangenomen,
en met elken dag naderde hij in zijn gang, manieren en voorkomen,
meer en meer tot de mongoolsche type. Men beweerde zelfs, dat hij
zijne tent met eene inlandsche tooverkol deelde.
Deze volksstammen bewaken de grenzen van het rijk der Tsaren;
hunne naakte rotsen en wilde bergen zijn als het ware de voorhof van
Groot-Rusland, dat aloude vaderland der Russen van echten ouden stam,
welks velden en vlakten en bosschen nooit hebben weergalmd van den
hoefslag der tartaarsche ruiters.
Waarom, vraagt iemand wellicht, dus door het uiterste noorden
Rusland binnen getreden? Mijn waarde lezer, ik had daarvoor mijne
goede redenen. Stel eens dat de Groot-mogol in de zeventiende eeuw
Engeland veroverd had; dat de aziatische denkbeelden en gewoonten,
gedurende meer dan twee eeuwen, te Londen den toon hadden gegeven;
dat ons Brittanje, eindelijk het juk afwerpende, zijne burgerlijke
zelfstandigheid, zijne overoude vrijheden, instellingen en rechten
had herwonnen:--welk land denkt gij dan, dat een vreemdeling, die het
echte engelsche karakter zou willen bestudeeren, in de eerste plaats
zou bezoeken? Zou hij niet zijne schreden naar Amerika richten,
om daar, in Massachusetts, een zuivere type te vinden, door geen
vreemde oostersche invloeden verbasterd? Eerst later zou hij de daar
aangevangen studiën willen voltooien door een bezoek aan de boorden
van den Theems en de Mersey.
Evenzoo moet de reiziger, die zich eene juiste voorstelling wil
vormen van het vrije Rusland der toekomst, waaraan de Krimoorlog het
leven gegeven heeft, zijne waarnemingen beginnen in de noordelijke
provinciën: want alleen in dit land van wouden en meren en moerassen
vindt hij een tak van den grooten slavischen stam, die nimmer voor
een vreemden heerscher gebogen heeft, en nooit, door de aanraking met
andere nationaliteiten, van zijne voorvaderlijke zeden en levenswijze
is afgetrokken.
De landstreek tusschen Perm en Onega, die eene oppervlakte beslaat
van zevenmaal de uitgestrektheid van Frankrijk, werd door kolonisten
uit Nishny-Nowgorod bevolkt en ontgonnen, ten tijde toen deze
groote stad nog in het genot harer volle zelfstandigheid was,
rijk door haar handel, beroemd door haar kunstliefde en haar
godsdienstzin, de mededingster van Frankfort en Florence, evenals
Londen en Brugge, lid van het machtige verbond der Hansa. De aldus
gestichte koloniën handhaafden en verdedigden eeuwen lang hare aloude
rechten en vrijheden; zij weerden zoowel den duitschen invloed als de
overheersching der Tartaren af, en bewaarden het nationale karakter
in al zijne zuiverheid, vrij van alle vreemde bijmengselen. "Nooit,"
zeide mij, met blijkbare fierheid, een pachter van Archangel, "nooit
hebben wij onder ons edelen of slaven gekend." In alle opzichten,
zoowel ten goede als ten kwade, zijn zij aan hunne oude levenswijze
en zeden getrouw gebleven; en toen de Tsaar Godounoff, ten jare 1601,
de aartsvaderlijke inrichting van het dorps- en gemeentewezen naar het
tartaarsche model wilde vervormen, boden zij een even hardnekkigen
weerstand, als toen, zes-en-zestig jaren later, de patriarch Nikon
in de eeredienst veranderingen wilde invoeren, die meer met den
byzantijnschen geest dan met de oud-russische traditie strookten.
Deze vrije kolonisten, niet wijkende voor den aandrang van wereldlijke
en geestelijke machthebbers, weigerden standvastig hun ouden ritus
te verruilen voor de officiëele liturgie, die men hun opdringen
wilde. Zij behielden hunne taal, hoewel de hoofdstad die verworpen
had; en eindelijk, toen de bestemde tijd vervuld was, schonken zij
aan de wereld een groot dichter, Michael Lomonosoff, die, in eene
boerenhut geboren, der vernederde en vergeten taal een nieuwen
luister schonk, en haar de heerschappij verzekerde in de school,
in de regeeringscollegiën en zelfs aan het hof.