ONG EH

In een ver wouddal aan den Kau-Yai, den grooten berg, heb ik een

tijdlang bij Ong Eh, een grijzen Chinees gewoond, aan wien ik niet

minder vriendelijk terugdenk dan aan een mijner grootouders. Bejaarde

lieden, dunkt mij, zijn menschen in den meest menschelijken vorm;

in hen zijn de hartstochten vervaagd, en dikwijls is al het slechte

en kwade in het op- en neergaan van hun lange leven bezweken.

Den drie-en-zestigjarigen Ong Eh met het streng-gevormde, gladgeschoren

ascetengezicht, de grijze, tot een dunner wordende vlecht gedraaide

haren en de verstandig kijkende oogen, vond ik een der sympathiekste

onder al de vele Chineezen die ik ontmoette.

Bij de twintig jaar leefde hij destijds al aan den Kau-Yai, had zich

met taai volhardende Chineesche vlijt zijn huis en zijn tuintje,

dat op den duur tot een tuin werd, verdiend en leidde daar van de

karige opbrengst zijner bananen en boonen en suikerriet een eenvoudig

leven. Negentien keer was reeds de regentijd met zijn bruisende

wateren gekomen, had zijn beetje aarde weggesleept of steenen en

slik over het vruchtbare land gedragen----iederen keer verhielp

hij de aangebrachte schade, en ieder jaar kwam ook weer de droogte,

zoodat hij nauwelijks water genoeg te drinken had en 's ochtends en

's avonds met den gieter zijn tuinbedden moest nagaan.

Ong Eh's doelbewuste arbeid scheen geheel de uiting te zijn van een

idealistisch, gelukkig-tevreden leven.

Maar zoo heel beschouwend en idyllisch zijn Chineezen niet

aangelegd. Om zoo'n beetje groente zou hij zijn oude dagen toch zeker

niet in den vreemde--want dat is Siam immers voor een Chinees--hebben

doorgebracht. Neen, hij wist, dat er in den grond onder zijn tuin

tinerts lag en hij wachtte er op, dat er iemand kwam om hem zijn land

af te koopen. Drieduizend Singapore-dollars, een aardig sommetje, was

zijn prijs. En hierin had zijn groote voorliefde voor het tuiniersvak

zijn oorsprong gevonden.

Ik woonde gedurende een paar weken in Eh's huis, welks deuren allemaal

gewend waren, naar den kant waar de zon opkwam en waarin ik toch nooit

het gevoel kwijt raakte, alsof het mèt de zon zou ondergaan. Over

een steile trap en door een valluik kwam men op de groote, oneffen

zolderkamer, waar men Ong Eh vaak achter drie groote kisten, die zijn

schatten verborgen, rookend, lezend, den tijd langs zich heen latend

trekken of ook wel slapend kon vinden.

Hij was de oudste man in het dal en als zoodanig tegelijkertijd

opperpriester en plaatsingsbureau voor de koelies in de enkele in

het oerwoud verspreid liggende mijnen.

Iederen avond boog hij ootmoedig voor zijn goden, onder wier altaar

mijn reismatrasje was neergelegd, en offerde hun in deemoed een

paar kaarsjes en wierookwolkjes, en hij werd eens zeer ontstemd,

toen ik die "dwaze lichtjes" uitblies, omdat ze mij hinderden bij

het inslapen. Hij was een maniak. Iederen ochtend werd hij precies

op tijd wakker, hing zijn beddegoed op, spuwde eens flink (door een

kwastgat in den houten vloer) en ging eindelijk rijst koken. De half

gare rijst zette hij in een hoek (altijd precies in denzelfden) en

tusschen het koken en het gaar worden in gunde hij zich iederen dag

precies driemaal een pijp tabak.

's Ochtends wandelde hij rond in den tuin, somstijds diep in gepeinzen

verzonken, doch meestal luid met zichzelf pratend. Van tijd tot

tijd zag ik hem aankomen, zijn linker broekspijp ongelooflijk hoog

(heelemaal tot boven aan toe) opgerold of het lijfje, dat behalve

de broek zijn eenige kleedingstuk was, tot aan zijn harige borst

afgeslagen. Wat dit buik-zonnen beteekende heb ik nooit kunnen

ontdekken.

Als hij in zijn drie geheimzinnige schatkisten muisde, ritselde en

rinkelde het vreemdsoortig. Op een dag liet hij mij, een half dozijn

over elkaar heen geknoopte smerige gescheurde lappen openmakend, het

heiligste zien wat hij bezat, een glashelderen, kleinen kogel, dien

een Maleier zoogenaamd in een schelp had gevonden. En hij vertelde

mij, dat hij tweehonderd dollar voor het wonderding had betaald. Ik

dacht: Jij goeie, oude slimmerd, wat mag er in jouw sluwe brein zijn

omgegaan, eer zich de overtuiging er voor goed in had vastgezet, dat

deze parel een half vermogen waard is. Want ik zag onmiddellijk dat

dit kogeltje niet een echte parel was, maar uit een "kogelfleschje"

stamde. En vanaf dat oogenblik was het met de betoovering, die er

van zijn drie kisten uitging, gedaan.

Vredige avonden heb ik in Eh's huis doorgebracht, wanneer ik na den

arbeid in den jungle een pijp rookend op mijn plekje uitgestrekt

lag. Dan drukte Ong Eh soms zijn grooten, gaffelvormigen hoornen bril

op zijn overhoekige jukbeenderengezicht (om nog een stichtelijk uurtje

te hebben) en begon mij eentonig met bijna tandelooze kaken uit een

soort Chineesche Odyssee voor te prevelen.

Ong Eh was mij van meet af zeer genegen en ik voelde al duidelijker:

hij mag me wel.

Zijn warme begroeting zei me dat, wanneer hij, mij bij mijn pols

grijpend, over mijn blanke hand streelde, zijn twee veel te lange

scheptanden vertelden mij van zijn genegenheid, als hij mij van uit

de verte toeriep:

"Toean, di?--Is het land goed?" en ik merkte het, als hij Holloeki

een bosje verschgeplukte spinazie voor mij bracht.

Hij hield van mij op deze manier: Misschien is dit de vreemdeling,

die mijn tuin koopt, zoodat ik geld genoeg zal hebben om terug naar

China te gaan, nog voordat ik dood ben.----

Zijn voorliefde voor mij was dus menschelijk. Zooals elke liefde. Doen

wij zelf ook niet al wat goed is alleen daarom, omdat wij hopen net

zooveel of duizendmaal meer aan schoonheid en aan geluksgevoel terug te

winnen! Is onze reinste en beste en schijnbaar onbaatzuchtigste liefde

in wezen niet ook maar een middel, dat in ons innerlijk harmonieën

en gelukzaligheden wil wekken, die de beste vergoeding zijn, welke

er in het leven der menschen is!

Het was roerend, hoe Ong Eh soms mijn hand greep:

"Toean, is het land goed, ik zou zoo graag mijn vaderland nog eens

terugzien----?!"

En Aris verklaarde mij later: "Alle Chineezen smeeken om een zoon,

die, als zij zelf niet levend in hun land kunnen weerkeeren, tenminste

hun gebeente eens naar China kan terugbrengen. De meisjes achten ze

geringer, daarom kan men die koopen."

Maar op een ochtend was Eh dood.

Men vond hem achter zijn kisten.

De mare van zijn overlijden ging snel en opwindend als een onweer

door het dal. Van alle kanten kwamen zijn vereerders aangeloopen,

angstig trachtend bij de hemelvaart van den heilige mee te werken.

O, wonderlijk-zwaar beeld: Chineesche begrafenis! Leven en

dood! Drieëndertig mijnkoelies droegen de baar, waarop de doode

lag. Een man met offer-gebraad voor de goden opende den stoet, een

hamerde op een gong en onder het geknetter van vuurwerk ging het op

een draf (opdat vooral geen booze geesten op het laatste oogenblik een

hekserij konden bedrijven) over heg en steg langs en door de onstuimige

beek naar den jungle------Ong Eh ruste in de eeuwige zaligheden----!

Half zingend en vreemdsoortig-onsamenhangend krijschend verdween

de lijkstoet.

Een wegje was van te voren door het oerwoud gekapt en midden in het

dichtste geslinger van teeder wuivende rotangpalmen een laag graf

gedolven. Het was precies noord-zuid gericht. Wolkjes van heilige

vuurstaafjes trilden door de lucht en de stralende zon bescheen Ong

Eh's graf.

Siameesche en Chineesche priesters prevelden lange gebeden, elk der

aanwezigen wierp een handvol aarde in de groeve en toen ik ontroerd

door het woud naar huis wandelde, nog geheel onder den indruk der

plechtige ter-aarde-bestelling, dacht ik: minstens zoo mooi als

wanneer bij ons een beroemd professor sterft!--

Ong Eh zal weder opstaan! Op een dag zal daarginds ergens in het

Rijk van het Midden zijn zoon een ernstig gezicht zetten, ernstig

met zichzelf pratend rondloopen, zal plotseling, een besluit nemend,

in een zeilboot stappen en over de Golf van Siam hierheen varen.

Dan zal Ong Eh's verbleekte gebeente nog één keer wit in het licht

der tropische zon opschijnen naar den "grooten Berg," voordat het

den verren terugtocht naar het land der vaderen aanvaardt.----

Zoo is het den menschen beschoren. Ook zwervers, die het leven naar

vreemde werelden voert, zouden ergens thuis willen hooren. Zelfs

Chineezen hebben een vaderland.--Het heet China.

In het rijk van Siameezen en Maleiers · 第 39 / 68 题