Pet's familie gaat zonder scherp afgeteekende grenzen in de
dorpsinwoners over.
In zijn huis hangen ineengedrongen jongens rond; jonge mannen, mannen,
grootvaders komen een kwartiertje babbelen, gaan weer heen, rooken
even gauw wat, brengen boodschappen, halen orders.
Dat kunnen Pet's zoons zijn, vaders, broers, neven, ooms------wanneer
Pet afwezig is, zijn zij------plaatsvervangers.----
Onder anderen Loem.
Als vergankelijk vleesch beschouwd, zooals men ook een stuk vee
bekijkt, is Loem een prachtexemplaar van een man. Hoe hij aan zijn
naam is gekomen, die "gat" beteekent, is een van de vele, nog niet
opgeloste Siameesche raadsels.
Loem rookt, en tweemaal op een dag, een keer 's ochtends en een keer
's avonds, maakt hij zich gereed om aan zijn werk te gaan, klautert in
een suikerpalm naast het huis om een zorgvuldig in schors gewikkelden
knop te----kietelen!
Dat gebeurt zoo, dat hij dezen knop zoowat een kwartier lang heen en
weer beweegt, zooals men een houten pin, die men uit den grond wil
rukken, al maar heen en weer duwt.
Toen ik Loem vroeg: "Tham a'rai--Wat doe je?" riep hij: "Tham nam
tan----Ik maak suiker!"