III.

Pet's familie gaat zonder scherp afgeteekende grenzen in de

dorpsinwoners over.

In zijn huis hangen ineengedrongen jongens rond; jonge mannen, mannen,

grootvaders komen een kwartiertje babbelen, gaan weer heen, rooken

even gauw wat, brengen boodschappen, halen orders.

Dat kunnen Pet's zoons zijn, vaders, broers, neven, ooms------wanneer

Pet afwezig is, zijn zij------plaatsvervangers.----

Onder anderen Loem.

Als vergankelijk vleesch beschouwd, zooals men ook een stuk vee

bekijkt, is Loem een prachtexemplaar van een man. Hoe hij aan zijn

naam is gekomen, die "gat" beteekent, is een van de vele, nog niet

opgeloste Siameesche raadsels.

Loem rookt, en tweemaal op een dag, een keer 's ochtends en een keer

's avonds, maakt hij zich gereed om aan zijn werk te gaan, klautert in

een suikerpalm naast het huis om een zorgvuldig in schors gewikkelden

knop te----kietelen!

Dat gebeurt zoo, dat hij dezen knop zoowat een kwartier lang heen en

weer beweegt, zooals men een houten pin, die men uit den grond wil

rukken, al maar heen en weer duwt.

Toen ik Loem vroeg: "Tham a'rai--Wat doe je?" riep hij: "Tham nam

tan----Ik maak suiker!"

In het rijk van Siameezen en Maleiers · 第 37 / 68 题