I.

Pet is koning.

Zijn huis staat minder scheef dan al de andere in het dorp en is het

gebruikelijke pied-à-terre voor de reizigers.

Ik heb er drie nachten gewoond.

In de bruine pracht van een strak-spannenden buik weerspiegelt zich

Pet's majesteit. Wie met hem spreekt, kruipt vrijwillig, en ik heb

nooit kunnen vergeten------Pet verstaat de kunst om twee vrouwen in

eendracht naast elkander te----voeden.------------

Pet's huis heeft een ruime benedenverdieping, welker eenig meubilair

uit het algemeene betelkauw-gerei alsmede de door het gebruik rood

geworden kwispedoor bestaat. Behalve dit bevinden zich daar in twee

schuinloopende hoeken nog twee britjes, net tingeltangeltooneeltjes

in een zevenderangsch werkliedenkroeg----

En voor mij zijn dat werkelijke, echte tooneelen zooals in een

schouwburg, links in een hoek, rechts in een hoek----

Dat zijn de plekjes, waar Pet's vrouwen den dag door-kauwen.

Ieder à drie tot vier kinderen.

Juist nu, terwijl ik daar zoo op mijn pakje beddegoed neerzit, kruipt

de eene op handen en voeten den harden leemen grond opdweilend rond,

zoodat ik onwillekeurig moet denken "geit"! en de andere lacht me

verleidelijk toe--!

Maar Pet, die dubbel rijke----arme, werpt een langen blik naar mijn

whiskeyflesch.----

In het rijk van Siameezen en Maleiers · 第 35 / 68 题