Meh Lieng had iets van het beangstigende, altijd met verrassingen
[4] dreigende van een dame van de groote wereld over zich.----
Toen zij met echte wilde-vrouwen-gracie den aanval van menschelijke
vergankelijkheid had doorstaan, richtte madame de onschuldige en
vriendelijke vraag tot mij:
"Toean, ga je mee in het rijtuig van mijn oudsten broer een beetje
lucht happen?"----
Maar in plaats mij dit rijtoertje onder de palmen en den verrustigenden
sterrenhemel te gunnen, liet zij zich toen door mij uitnoodigen om
mee te gaan naar den Siameeschen schouwburg, en plotseling, ik weet
niet hoe dat zoo gebeurde, zaten we daar. In een leeg tempelachtig
gebouw----veel te vroeg gekomen.
Onder het rooken van natuurblad-cigaretten vertelde Meh Lieng mij
over het stuk. Ze droeg een donkerrooden p'hanong, gele, smalle,
leeren pantoffeltjes aan haar bloote voeten en een lichten, bijna,
maar niet heelemaal witten sluier.
Ik kon er mij niet volledig van overtuigen of zij eigenlijk een
Siameesche met een tikje Chineesch bloed was of omgekeerd. Haar
verschijning was Maleisch-Arabisch, en ik dacht aan de duizend en
een nachten.
------toen begon de zaal vol te loopen. Indiërs, Chineezen, Maleiers,
Siameezen, wandelden naar binnen. Het zevenenvijftig man sterke,
zeer sterke orkest had zijn zevenenvijftig rijstbuiken volgestopt en
was tot onbaatzuchtige opofferingen en krachtdaden bereid.
Gongen, pauken, koperen piano's, fluiten en pijpen, houten trommels
en dubbel-snarige violen werkten zoo hevig samen, dat er toch in elk
geval een flinke dosis van een zeker soort muzikale begaafdheid noodig
was, om dat mooi te vinden. Ik, die moeite heb, om de eenvoudigste
Europeesche melodie te onthouden, bewonderde oprecht het telkens
weer samen stemmen van al die verschillende instrumenten, zelfs in
de meest warrelende klank-duikelingen en -watervallen, terwijl er
toch schijnbaar zonder noten werd gespeeld.
Madame kreeg het warm.
Ik begon mij te vlassen op de voorstelling; Meh Lieng zou alles
voor mij in het Maleisch vertalen! Ze was goed thuis in de opera. Ze
verstond de kunst om uit deze klanken-salade verschillende noten van
bizondere beteekenis op te diepen, waarnaar je den tijd kon afmeten,
dien het nog zou duren eer de voorstelling begon: "Psjeng!"----geduld,
nog een half uur, "Pioetsj!"----nog maar een kwartiertje! "Bam,
bam!"--aha, de artisten zijn klaar, het spel gaat beginnen!
Ook Siameesche drama's behandelen de oude stof. In het begin was het
uitgangspunt van het lintwormachtige stuk dat dien avond gegeven werd:
"Twee koningen en een koningin!" Later, kort na een vreemdsoortige,
onverklaarbare geboorte, waarin een groene bierflesch de rol van
zuigeling speelde, herdoopte ik het drama in "Banjak bini----Banjak
soesah.------Wie vele vrouwen heeft, heeft vele zorgen!"--------Heet
lag de avond over het rumoerige tooneel. Consumptie was veroorloofd,
maar alleen de allerkleinste. Een tante met hangborsten klauterde
telkens weer over de balustrade der loge. Tamil-vrouwen met fluweelige
oogen, vulden half-gesluierd een heele bank met heet leven.
Meh Lieng's stemmetje, rap als een spinnewieltje en scherp als haar
kleine tandjes, vertelde: "Sekarang radja nember satoe manoe bekin
prerang sama radja nember doea------Nu wil de eerste koning oorlog
voeren tegen den tweede------!"
------ik was op het punt hopeloos in het niet te onderscheiden gewarrel
van klanken, geuren en beelden weg te zinken----maar toen kondigde
zich op eens de wonderolie aan--en--redde mij.----
(Uit het Diertjesboek.)