"TE VEEL VOLKS".
Terwijl Heyn Pomp de voor hem zoo onaangename operatie onderging,
bevond Sinjeur Bloem de vader van Arent, zich ten huize van de
Russische heeren, die het gevolg van den Czaar uitmaakten. Hij had
vernomen, dat de vorst een bezoek had gebracht bij Sinjeur Calff,
en vreezende, dat deze voorname koopman in het vervolg alleen de
vriendschap van den Czaar zou genieten, waaruit vele voordeelen
konden voortspruiten, besloot hij dadelijk den vreemden heeren een
gebouw aan te bieden, waarin zij meer volgens hun hoogen rang konden
verblijven. Dat huis was gelegen aan de Oostzijde, en in de toekomst
werd van het aanbod gaarne gebruik gemaakt.
"Was het Bloem [2] door deze aanbieding te doen geweest, om de aandacht
van den Czaar tot zich te trekken, dan gelukte hem dit bovenmatig;
want hij en Calff waren het, aan wie hij vervolgens het meeste
vertrouwen schonk.
"Des Donderdags gaf Peter gehoor aan eene uitnoodiging van Sinjeur
Bloem, om met den boeier van dezen een zeiltochtje op de Zaan te maken.
"De vele molens aan de Oostzijde van dien stroom gelegen, wekten
terstond zijn aandacht, en maakten de zucht levendig, om weder dit
of dat te gaan zien. Zoo werd eene stijfselmakerij en een pelmolen
bezichtigd. Het is waarschijnlijk dat het op dit tochtje was,
dat hij bemerkte, dat men aan den Kalverdijk, tegenover Zaandijk,
bezig was een molen te bouwen. Terstond kwam de begeerte bij hem op,
om dit werk van nabij te bezien; hieraan werd voldaan, en Peter kon
de lust niet bedwingen om mede de hand aan het werk te slaan. Deze
molen, een pelmolen, werd door den eigenaar ter herinnering aan deze
gebeurtenis "de Czaar van Moscoviën" genoemd. Hij is onder den naam
van "de Grootvorst" nog aanwezig.
"Denzelfden dag kocht de Czaar een boerenjacht met al zijn toebehooren
van Dirk Stoffels voor f 450 gereed geld. Terstond ging hij aan het
optuigen, en vervaardigde met eigene handen een nieuwen boegspriet, die
volgens het oordeel van deskundigen zeer wèl gemaakt was, zoo zelfs dat
men zich verwonderen moest, dat zulk een hooge personaadje zoo ijverig
in het zweet zijns aanschijns en zoo curieus konde werken.--Gerrit
Musch werd door hem als boeierknecht aangenomen. De Czaar was met dezen
man zoo ingenomen, dat hij, zoowel als zijne vrouw en de weduwe van
zijn broeder, ten allen tijde, ook te Amsterdam, den vrijen toegang
tot zijn persoon hadden, dikwijls door hem werden onthaald en met
geschenken vereerd, waarvan bij zijn nageslacht te Oldeboorn, in
Friesland nog 2 gladde gouden ringen bewaard zijn gebleven.
"De door het tochtje met Bloem opgewekte lust, om een boeier te
bezitten, was nu voldaan, en reeds des Vrijdags morgen om vier uren
zeilde hij op de Binnenzaan, en stond steeds zelf aan het roer;
later werd hij door Sinjeur Calff vergezeld, ten wiens huize hij het
middagmaal gebruikte. Des namiddags werd er wederom gezeild, maar nu op
de Voorzaan en het IJ. Vele Saardammer jachten en boeiers wilden partij
met hem maken, maar dit was niet naar den zin van den Vorst, zoodat hij
het naar Halfweg Haarlem wendde, en daar aan wal legde. Hier gaf Peter
eene proeve van zijne bijzondere vlugheid in het loopen, springen en
klauteren over de schepen, maar ook dat blijk van zijne geaardheid,
waarvoor men was gewaarschuwd, dat hij namelijk niet verdragen kon,
dat men hem te nabij kwam en strak in het aangezicht zag; want toen
Cornelis Albertsz. Blok, ook Martsen geheeten, dit beproefde, ontving
hij van den Czaar een geweldigen slag op het hoofd. Een spotboef zeide:
"Zie zoo, Marsje, daar zijt ge tot ridder geslagen!" hetgeen hem den
bijnaam van Ridder deed houden.
"Daar het getal boeiers gestadig toenam, en de Vorst als het ware
van nieuwsgierigen omringd was, werd hij daarover verstoord, en bleef
tot aan den avond in een der herbergen, zoodat het reeds donker was,
eer hij met zijn boeier te Saardam terugkeerde."
Den volgenden dag, het was toen Zaterdag, zou er iets belangwekkends te
zien zijn in Saardam, iets, wat altijd zeer veel volks op den Dam samen
deed stroomen. Het schip namelijk van Sinjeur Calff, dat op een van de
scheepstimmerwerven aan de Achterzaan werd gebouwd, was thans voltooid,
en zou naar de Voorzaan worden overgebracht. Daar slechts twee kleine
sluisjes de gemeenschap tusschen Voor- en Achterzaan onderhielden,
veel te klein om aan het pas gebouwde schip doortocht te verleenen,
moest het door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept,
wat wel de moeite waard was, om te zien.
Dat de Czaar naar het schouwspel zou komen kijken, spreekt wel van
zelf, en de magistraat verwachtte dientengevolgde een grooten toeloop
van volk, want het was thans uren ver in den omtrek bekend geworden,
dat de Czaar van Rusland in Saardam vertoefde, en iedereen wilde
hem zien.
Sinjeur Calff had den Czaar uitgenoodigd bij het overhalen van
het schip tegenwoordig te zijn, en de magistraat berichtte Zijne
Majesteit, dat men de meeste zorg genomen had, om door het plaatsen van
schuttingen en wachten de noodige ruimte voor hem en zijn gevolg open
te houden, ten einde hij alles, zonder overlast van het volk te lijden,
naar genoegen kon opnemen. Tevens zond zij hem de uitnoodiging haar de
eer aan te doen, bij haar op zijn Saardamsch een vischje te komen eten.
De Czaar wilde gaarne naar het overhalen van het schip komen zien,
maar op de laatste uitnoodiging antwoordde hij: "Waarhaftig in deze
week niet, in de volgende week."
De toeloop van volk werd echter zoo groot, dat de magistraat er
verlegen mede werd, en alle genomen maatregelen nutteloos bleken. De
schuttingen werden omvergeloopen en de wachten verdrongen.
Toen de Czaar naar buiten wilde treden, ontdekte hij de jubelende
schare, en hij werd opnieuw toornig. "Te veel volks! Te veel
volks!" zeide hij. Hij keerde in zijne kamer terug en verkoos deze
niet meer te verlaten. De deur smeet hij toornig achter zich dicht.
Het schip kwam intusschen voor den Dam, waar duizenden menschen stonden
te wachten, om den Czaar te zien. Hij bleef echter den geheelen
dag onzichtbaar, en nam het besluit, den volgenden dag Saardam te
verlaten. Hij was daar te veel door nieuwsgierigen omringd, en wenschte
niets liever, dan geheel te kunnen doen en laten, wat hij verkoos,
zonder altoos door een drom van menschen te worden aangestaard. Van
zijn besluit om te vertrekken schijnt hij de regeering kennis gegeven
te hebben. Deze had althans voorzorgen genomen, om hem daarbij van
dienst te zijn.
Het schip werd zonder ongelukken over den Dam gebracht. Aan weerskanten
van den Dam was daartoe een hellende vloer gelegd, die dus met
den Dam als het ware eene brug vormde. De planken vloeren waren
terdege ingesmeerd, om ze gladder te maken. Twee touwen werden aan
den voorsteven vastgemaakt, en ook twee aan de kiel van het schip. De
andere einden liepen om spillen of windassen, die elk door een twintig
à dertig man langzaam werden omgedraaid. Hierdoor werd het vaartuig
tegen de helling opgetrokken, en om te voorkomen, dat het door een of
ander toeval mocht terugglijden, deed men ook touwen boogsgewijze om
den achtersteven. Zoo ging men langzaam met winden voort tot het schip
zijn hoogsten stand had bereikt, waartoe heel wat arbeid noodig was,
daar de Dam eene breedte had van honderd- en vijftig voet. Maar was
het schip eenmaal geduikeld, dan kon het winden niet te hard gaan.
Onder het gejuich van duizenden menschen raakte het eindelijk in
de Voorzaan vlot. En de menigte verspreidde zich. Men begaf zich
huiswaarts, doch om den volgenden dag in nog grooter aantal terug
te keeren.
Nauwelijks was Kist dien morgen opgestaan, of hij zag verscheidene
schuitjes in de sloot bij het Krimp, en hij riep een van de opvarenden
toe:
"Wat beteekent die drukte hier in den vroegen morgen? Is er iets
bijzonders aan de hand?"
"Dat zal jij niet weten, Kist?" was het antwoord van den man in
de boot.
"Ik?--Ik weet nergens van! Waarlijk niet!" zei Kist.
"Weet je dan niet, dat de Czaar vandaag gaat vertrekken? Hij gaat
voor goed weg."
Wat was Kist verwonderd, want het gerucht van het op handen zijnde
vertrek had hem nog niet bereikt. En de Czaar zelf had hem er ook
niet over gesproken.
Kist spoedde zich naar binnen, en vertelde het groote nieuws aan
zijne vrouw, die er ook niet weinig verwonderd van opkeek.
"Dan mag hij ons wel rijkelijk al de moeite en drukte vergoeden,
die wij van hem gehad hebben," zei ze. "Is me dat de gansche week
een geloop en een gedoe geweest. Wij hebben geen rustig uur gehad
van het oogenblik af, dat hij hier gekomen is, tot nu toe."
"Zou je dan denken, Neeltje," zei Kist, "dat hij ons niet goed
beloonen zal? Daar blief ik niets van te gelooven. Hij zal in den
loop van den dag, en in elk geval voor zijn vertrek, wel met ons
afrekenen. En wel goed ook, daar ben ik van overtuigd."
"Ik mag het lijden," zei Neeltje schouderophalend. "Ik geloof er
echter niet veel van."
Kist begaf zich weer naar buiten, vergezeld van Ary, wien het wel
speet, dat de Czaar ging vertrekken. Hij had er vast op gerekend, dat
deze den geheelen winter blijven zou, wat hij trouwens zelf gezegd had.
De drukte aan het Krimp nam met elk oogenblik toe. Het zag er zwart van
de menschen. Wel waren de wachten op de beide bruggetjes verdubbeld,
maar de lieden hadden hen verdrongen, en op de sloot wemelde het thans
van roeibootjes, gevuld met nieuwsgierigen. Hier en daar klommen de
menschen op de daken, waarvan de pannen werden weggenomen, en men
zich voor een drie-gulden een goede plaats veroverde.
't Woei zeer hard, en 't werd langzamerhand zelfs een storm. De
magistraat, waaronder de heer Bloem, benevens Sinjeur Calff, de beide
vrienden van den Czaar, raadden hem aan, liever een of twee dagen te
wachten, daar de overtocht over het IJ werkelijk niet zonder gevaar
was, althans met een boeier. Maar de Czaar wilde van geen uitstel
hooren. Als hij eenmaal een plan gevormd had, liet hij zich daar
door niemand of niets afbrengen. En het gevaar vreesde hij niet,
wat hij al meermalen in zijn leven had getoond.
Kist liep onrustig om zijn huisje rond. Hij zag, dat de Czaar op het
punt stond om te vertrekken, en nog altoos had het den Vorst niet
behaagd, met hem af te rekenen. En hem om het geld vragen, durfde
Kist niet.
Eindelijk trad de Czaar naar buiten, om zich naar zijn boeier te
begeven. Deze lag aan den Runmolen, zijne gewone ligplaats. Nauwelijks
werd de Vorst zichtbaar, of het volk barstte los in een luid
gejubel, waarover hij echter zoo toornig werd, dat hij weer naar
binnen ging. Zijn woede werd daar zoo groot, dat het scheen of hij
stuipen had.
En ook Kist was zeer boos, want het bleek hem thans zonneklaar,
dat de Czaar van plan was, zonder betalen af te reizen.
De regeering besloot den boeier over te doen brengen naar de sluis aan
den Horn, en nadat zooveel ruimte was gemaakt als mogelijk was, begaf
de Vorst zich al worstelende en slaande, door de menigte, over het
Zuidelijke bruggetje van het Krimp, en bereikte gelukkig den boeier.
Men ging onder zeil. In het holle water gekomen brak het zwaardtouw,
en de schippers, die den boeier ontmoetten, waarschuwden den Vorst,
dat hij gevaar liep van om te slaan. Maar hij stoorde zich daaraan
niet, en kwam behouden aan de Oude Stadsherberg te Amsterdam aan.
't Is te begrijpen, dat de jongens van Saardam het vertrek van den
Czaar ook hadden bijgewoond. Nicolaas Calff was komen aanloopen
met Jacob Willemsz, die nog altoos hunkerde naar bericht omtrent
het Bonte Calff, over welk schip nog niets naders was vernomen. Nog
altoos bleven hij en zijne moeder de flauwe hoop koesteren, dat de
bemanning op de een of andere wijze gered mocht zijn.
Ook waren daar Arent Bloem, Cornelis Noomen, Dirk en Teeuwis Rogge en
Jan Gekeer aanwezig. Ary Kist voegde zich na verloop van eenigen tijd
ook bij hen. Hij deed dat, toen de Czaar het huisje had verlaten,
om zich naar den boeier te begeven, bij welke gelegenheid hij een
vol uur noodig had, om zich een doortocht te banen.
"Daar gaat hij nu," zeide hij tot zijne vrienden. "En hij heeft ons..."
"Eene vorstelijke belooning gegeven," viel Jan Gekeer in. "'t Zal
jelui geen windeieren gelegd hebben, Ary, dat verblijf van den
Russischen Czaar!"
"'t Mocht wat!" zei hij. "Hij heeft ons letterlijk niets gegeven, en
hij gaat heen zonder te betalen. Is het geen schande? En dat doet nog
wel een vorst, een machtig vorst. Een arme drommel zou ten minste nog
"dankje" gezegd hebben, maar hij gaat zonder groeten heen, onverwachts,
zonder er zelfs met een enkel woord over te kikken. 't Is netjes,
dat zeg ik."
"Niet eens betaald!" vroegen de jongens verbaasd.
"Neen, geen duit!" riep hij. "Kijk, daar stapt hij op den boeier. Het
zeil wordt geheschen! Daar gaat hij!"
"Hij zal het kwaad genoeg te verantwoorden hebben op het IJ," zei
Dirk Rogge. "Er zullen groote golven gaan."
"Als hij maar niet omslaat," zei Jacob Willemsz, die weer aan zijn
broer dacht. "Dat zou verschrikkelijk zijn."
Opeens bemerkte hij op eenigen afstand Heyn Pomp, die ook naar het
vertrek van den Czaar was komen kijken.
"Hola, Heyn, moet je den Czaar nog niet even gaan groeten?" vroeg
hij lachend. "Of heb je hem al gesproken?"
Alle jongens schoten in den lach, want zij hadden er van gehoord,
hoe de Czaar hem tegen wil en dank eene kies had getrokken, wat zij
verbazend grappig vonden.
En Heyn koos de wijste partij. Hij drong zich door het opgehoopte
volk heen en voegde zich bij hen. Lachend zei hij:
"Ik ben in het geheel niet verlangend meer om den Czaar van nabij te
zien; hij is mij te hardhandig."
Toen de boeier van den Czaar uit het gezicht verdwenen was, begaf
het volk zich langzamerhand naar huis, en de gewone stilte keerde
in Saardam's straten terug. Het verblijf van den Czaar was voor de
bewoners een zeer belangwekkend geval geweest, en het speet hun,
dat hij geen gevolg had gegeven aan zijn plan, om er den geheelen
winter door te brengen. Maar zij waren toch zeer vereerd met zijn
bezoek en stelden het op hoogen prijs.