HOOFDSTUK IX.

"TE VEEL VOLKS".

Terwijl Heyn Pomp de voor hem zoo onaangename operatie onderging,

bevond Sinjeur Bloem de vader van Arent, zich ten huize van de

Russische heeren, die het gevolg van den Czaar uitmaakten. Hij had

vernomen, dat de vorst een bezoek had gebracht bij Sinjeur Calff,

en vreezende, dat deze voorname koopman in het vervolg alleen de

vriendschap van den Czaar zou genieten, waaruit vele voordeelen

konden voortspruiten, besloot hij dadelijk den vreemden heeren een

gebouw aan te bieden, waarin zij meer volgens hun hoogen rang konden

verblijven. Dat huis was gelegen aan de Oostzijde, en in de toekomst

werd van het aanbod gaarne gebruik gemaakt.

"Was het Bloem [2] door deze aanbieding te doen geweest, om de aandacht

van den Czaar tot zich te trekken, dan gelukte hem dit bovenmatig;

want hij en Calff waren het, aan wie hij vervolgens het meeste

vertrouwen schonk.

"Des Donderdags gaf Peter gehoor aan eene uitnoodiging van Sinjeur

Bloem, om met den boeier van dezen een zeiltochtje op de Zaan te maken.

"De vele molens aan de Oostzijde van dien stroom gelegen, wekten

terstond zijn aandacht, en maakten de zucht levendig, om weder dit

of dat te gaan zien. Zoo werd eene stijfselmakerij en een pelmolen

bezichtigd. Het is waarschijnlijk dat het op dit tochtje was,

dat hij bemerkte, dat men aan den Kalverdijk, tegenover Zaandijk,

bezig was een molen te bouwen. Terstond kwam de begeerte bij hem op,

om dit werk van nabij te bezien; hieraan werd voldaan, en Peter kon

de lust niet bedwingen om mede de hand aan het werk te slaan. Deze

molen, een pelmolen, werd door den eigenaar ter herinnering aan deze

gebeurtenis "de Czaar van Moscoviën" genoemd. Hij is onder den naam

van "de Grootvorst" nog aanwezig.

"Denzelfden dag kocht de Czaar een boerenjacht met al zijn toebehooren

van Dirk Stoffels voor f 450 gereed geld. Terstond ging hij aan het

optuigen, en vervaardigde met eigene handen een nieuwen boegspriet, die

volgens het oordeel van deskundigen zeer wèl gemaakt was, zoo zelfs dat

men zich verwonderen moest, dat zulk een hooge personaadje zoo ijverig

in het zweet zijns aanschijns en zoo curieus konde werken.--Gerrit

Musch werd door hem als boeierknecht aangenomen. De Czaar was met dezen

man zoo ingenomen, dat hij, zoowel als zijne vrouw en de weduwe van

zijn broeder, ten allen tijde, ook te Amsterdam, den vrijen toegang

tot zijn persoon hadden, dikwijls door hem werden onthaald en met

geschenken vereerd, waarvan bij zijn nageslacht te Oldeboorn, in

Friesland nog 2 gladde gouden ringen bewaard zijn gebleven.

"De door het tochtje met Bloem opgewekte lust, om een boeier te

bezitten, was nu voldaan, en reeds des Vrijdags morgen om vier uren

zeilde hij op de Binnenzaan, en stond steeds zelf aan het roer;

later werd hij door Sinjeur Calff vergezeld, ten wiens huize hij het

middagmaal gebruikte. Des namiddags werd er wederom gezeild, maar nu op

de Voorzaan en het IJ. Vele Saardammer jachten en boeiers wilden partij

met hem maken, maar dit was niet naar den zin van den Vorst, zoodat hij

het naar Halfweg Haarlem wendde, en daar aan wal legde. Hier gaf Peter

eene proeve van zijne bijzondere vlugheid in het loopen, springen en

klauteren over de schepen, maar ook dat blijk van zijne geaardheid,

waarvoor men was gewaarschuwd, dat hij namelijk niet verdragen kon,

dat men hem te nabij kwam en strak in het aangezicht zag; want toen

Cornelis Albertsz. Blok, ook Martsen geheeten, dit beproefde, ontving

hij van den Czaar een geweldigen slag op het hoofd. Een spotboef zeide:

"Zie zoo, Marsje, daar zijt ge tot ridder geslagen!" hetgeen hem den

bijnaam van Ridder deed houden.

"Daar het getal boeiers gestadig toenam, en de Vorst als het ware

van nieuwsgierigen omringd was, werd hij daarover verstoord, en bleef

tot aan den avond in een der herbergen, zoodat het reeds donker was,

eer hij met zijn boeier te Saardam terugkeerde."

Den volgenden dag, het was toen Zaterdag, zou er iets belangwekkends te

zien zijn in Saardam, iets, wat altijd zeer veel volks op den Dam samen

deed stroomen. Het schip namelijk van Sinjeur Calff, dat op een van de

scheepstimmerwerven aan de Achterzaan werd gebouwd, was thans voltooid,

en zou naar de Voorzaan worden overgebracht. Daar slechts twee kleine

sluisjes de gemeenschap tusschen Voor- en Achterzaan onderhielden,

veel te klein om aan het pas gebouwde schip doortocht te verleenen,

moest het door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept,

wat wel de moeite waard was, om te zien.

Dat de Czaar naar het schouwspel zou komen kijken, spreekt wel van

zelf, en de magistraat verwachtte dientengevolgde een grooten toeloop

van volk, want het was thans uren ver in den omtrek bekend geworden,

dat de Czaar van Rusland in Saardam vertoefde, en iedereen wilde

hem zien.

Sinjeur Calff had den Czaar uitgenoodigd bij het overhalen van

het schip tegenwoordig te zijn, en de magistraat berichtte Zijne

Majesteit, dat men de meeste zorg genomen had, om door het plaatsen van

schuttingen en wachten de noodige ruimte voor hem en zijn gevolg open

te houden, ten einde hij alles, zonder overlast van het volk te lijden,

naar genoegen kon opnemen. Tevens zond zij hem de uitnoodiging haar de

eer aan te doen, bij haar op zijn Saardamsch een vischje te komen eten.

De Czaar wilde gaarne naar het overhalen van het schip komen zien,

maar op de laatste uitnoodiging antwoordde hij: "Waarhaftig in deze

week niet, in de volgende week."

De toeloop van volk werd echter zoo groot, dat de magistraat er

verlegen mede werd, en alle genomen maatregelen nutteloos bleken. De

schuttingen werden omvergeloopen en de wachten verdrongen.

Toen de Czaar naar buiten wilde treden, ontdekte hij de jubelende

schare, en hij werd opnieuw toornig. "Te veel volks! Te veel

volks!" zeide hij. Hij keerde in zijne kamer terug en verkoos deze

niet meer te verlaten. De deur smeet hij toornig achter zich dicht.

Het schip kwam intusschen voor den Dam, waar duizenden menschen stonden

te wachten, om den Czaar te zien. Hij bleef echter den geheelen

dag onzichtbaar, en nam het besluit, den volgenden dag Saardam te

verlaten. Hij was daar te veel door nieuwsgierigen omringd, en wenschte

niets liever, dan geheel te kunnen doen en laten, wat hij verkoos,

zonder altoos door een drom van menschen te worden aangestaard. Van

zijn besluit om te vertrekken schijnt hij de regeering kennis gegeven

te hebben. Deze had althans voorzorgen genomen, om hem daarbij van

dienst te zijn.

Het schip werd zonder ongelukken over den Dam gebracht. Aan weerskanten

van den Dam was daartoe een hellende vloer gelegd, die dus met

den Dam als het ware eene brug vormde. De planken vloeren waren

terdege ingesmeerd, om ze gladder te maken. Twee touwen werden aan

den voorsteven vastgemaakt, en ook twee aan de kiel van het schip. De

andere einden liepen om spillen of windassen, die elk door een twintig

à dertig man langzaam werden omgedraaid. Hierdoor werd het vaartuig

tegen de helling opgetrokken, en om te voorkomen, dat het door een of

ander toeval mocht terugglijden, deed men ook touwen boogsgewijze om

den achtersteven. Zoo ging men langzaam met winden voort tot het schip

zijn hoogsten stand had bereikt, waartoe heel wat arbeid noodig was,

daar de Dam eene breedte had van honderd- en vijftig voet. Maar was

het schip eenmaal geduikeld, dan kon het winden niet te hard gaan.

Onder het gejuich van duizenden menschen raakte het eindelijk in

de Voorzaan vlot. En de menigte verspreidde zich. Men begaf zich

huiswaarts, doch om den volgenden dag in nog grooter aantal terug

te keeren.

Nauwelijks was Kist dien morgen opgestaan, of hij zag verscheidene

schuitjes in de sloot bij het Krimp, en hij riep een van de opvarenden

toe:

"Wat beteekent die drukte hier in den vroegen morgen? Is er iets

bijzonders aan de hand?"

"Dat zal jij niet weten, Kist?" was het antwoord van den man in

de boot.

"Ik?--Ik weet nergens van! Waarlijk niet!" zei Kist.

"Weet je dan niet, dat de Czaar vandaag gaat vertrekken? Hij gaat

voor goed weg."

Wat was Kist verwonderd, want het gerucht van het op handen zijnde

vertrek had hem nog niet bereikt. En de Czaar zelf had hem er ook

niet over gesproken.

Kist spoedde zich naar binnen, en vertelde het groote nieuws aan

zijne vrouw, die er ook niet weinig verwonderd van opkeek.

"Dan mag hij ons wel rijkelijk al de moeite en drukte vergoeden,

die wij van hem gehad hebben," zei ze. "Is me dat de gansche week

een geloop en een gedoe geweest. Wij hebben geen rustig uur gehad

van het oogenblik af, dat hij hier gekomen is, tot nu toe."

"Zou je dan denken, Neeltje," zei Kist, "dat hij ons niet goed

beloonen zal? Daar blief ik niets van te gelooven. Hij zal in den

loop van den dag, en in elk geval voor zijn vertrek, wel met ons

afrekenen. En wel goed ook, daar ben ik van overtuigd."

"Ik mag het lijden," zei Neeltje schouderophalend. "Ik geloof er

echter niet veel van."

Kist begaf zich weer naar buiten, vergezeld van Ary, wien het wel

speet, dat de Czaar ging vertrekken. Hij had er vast op gerekend, dat

deze den geheelen winter blijven zou, wat hij trouwens zelf gezegd had.

De drukte aan het Krimp nam met elk oogenblik toe. Het zag er zwart van

de menschen. Wel waren de wachten op de beide bruggetjes verdubbeld,

maar de lieden hadden hen verdrongen, en op de sloot wemelde het thans

van roeibootjes, gevuld met nieuwsgierigen. Hier en daar klommen de

menschen op de daken, waarvan de pannen werden weggenomen, en men

zich voor een drie-gulden een goede plaats veroverde.

't Woei zeer hard, en 't werd langzamerhand zelfs een storm. De

magistraat, waaronder de heer Bloem, benevens Sinjeur Calff, de beide

vrienden van den Czaar, raadden hem aan, liever een of twee dagen te

wachten, daar de overtocht over het IJ werkelijk niet zonder gevaar

was, althans met een boeier. Maar de Czaar wilde van geen uitstel

hooren. Als hij eenmaal een plan gevormd had, liet hij zich daar

door niemand of niets afbrengen. En het gevaar vreesde hij niet,

wat hij al meermalen in zijn leven had getoond.

Kist liep onrustig om zijn huisje rond. Hij zag, dat de Czaar op het

punt stond om te vertrekken, en nog altoos had het den Vorst niet

behaagd, met hem af te rekenen. En hem om het geld vragen, durfde

Kist niet.

Eindelijk trad de Czaar naar buiten, om zich naar zijn boeier te

begeven. Deze lag aan den Runmolen, zijne gewone ligplaats. Nauwelijks

werd de Vorst zichtbaar, of het volk barstte los in een luid

gejubel, waarover hij echter zoo toornig werd, dat hij weer naar

binnen ging. Zijn woede werd daar zoo groot, dat het scheen of hij

stuipen had.

En ook Kist was zeer boos, want het bleek hem thans zonneklaar,

dat de Czaar van plan was, zonder betalen af te reizen.

De regeering besloot den boeier over te doen brengen naar de sluis aan

den Horn, en nadat zooveel ruimte was gemaakt als mogelijk was, begaf

de Vorst zich al worstelende en slaande, door de menigte, over het

Zuidelijke bruggetje van het Krimp, en bereikte gelukkig den boeier.

Men ging onder zeil. In het holle water gekomen brak het zwaardtouw,

en de schippers, die den boeier ontmoetten, waarschuwden den Vorst,

dat hij gevaar liep van om te slaan. Maar hij stoorde zich daaraan

niet, en kwam behouden aan de Oude Stadsherberg te Amsterdam aan.

't Is te begrijpen, dat de jongens van Saardam het vertrek van den

Czaar ook hadden bijgewoond. Nicolaas Calff was komen aanloopen

met Jacob Willemsz, die nog altoos hunkerde naar bericht omtrent

het Bonte Calff, over welk schip nog niets naders was vernomen. Nog

altoos bleven hij en zijne moeder de flauwe hoop koesteren, dat de

bemanning op de een of andere wijze gered mocht zijn.

Ook waren daar Arent Bloem, Cornelis Noomen, Dirk en Teeuwis Rogge en

Jan Gekeer aanwezig. Ary Kist voegde zich na verloop van eenigen tijd

ook bij hen. Hij deed dat, toen de Czaar het huisje had verlaten,

om zich naar den boeier te begeven, bij welke gelegenheid hij een

vol uur noodig had, om zich een doortocht te banen.

"Daar gaat hij nu," zeide hij tot zijne vrienden. "En hij heeft ons..."

"Eene vorstelijke belooning gegeven," viel Jan Gekeer in. "'t Zal

jelui geen windeieren gelegd hebben, Ary, dat verblijf van den

Russischen Czaar!"

"'t Mocht wat!" zei hij. "Hij heeft ons letterlijk niets gegeven, en

hij gaat heen zonder te betalen. Is het geen schande? En dat doet nog

wel een vorst, een machtig vorst. Een arme drommel zou ten minste nog

"dankje" gezegd hebben, maar hij gaat zonder groeten heen, onverwachts,

zonder er zelfs met een enkel woord over te kikken. 't Is netjes,

dat zeg ik."

"Niet eens betaald!" vroegen de jongens verbaasd.

"Neen, geen duit!" riep hij. "Kijk, daar stapt hij op den boeier. Het

zeil wordt geheschen! Daar gaat hij!"

"Hij zal het kwaad genoeg te verantwoorden hebben op het IJ," zei

Dirk Rogge. "Er zullen groote golven gaan."

"Als hij maar niet omslaat," zei Jacob Willemsz, die weer aan zijn

broer dacht. "Dat zou verschrikkelijk zijn."

Opeens bemerkte hij op eenigen afstand Heyn Pomp, die ook naar het

vertrek van den Czaar was komen kijken.

"Hola, Heyn, moet je den Czaar nog niet even gaan groeten?" vroeg

hij lachend. "Of heb je hem al gesproken?"

Alle jongens schoten in den lach, want zij hadden er van gehoord,

hoe de Czaar hem tegen wil en dank eene kies had getrokken, wat zij

verbazend grappig vonden.

En Heyn koos de wijste partij. Hij drong zich door het opgehoopte

volk heen en voegde zich bij hen. Lachend zei hij:

"Ik ben in het geheel niet verlangend meer om den Czaar van nabij te

zien; hij is mij te hardhandig."

Toen de boeier van den Czaar uit het gezicht verdwenen was, begaf

het volk zich langzamerhand naar huis, en de gewone stilte keerde

in Saardam's straten terug. Het verblijf van den Czaar was voor de

bewoners een zeer belangwekkend geval geweest, en het speet hun,

dat hij geen gevolg had gegeven aan zijn plan, om er den geheelen

winter door te brengen. Maar zij waren toch zeer vereerd met zijn

bezoek en stelden het op hoogen prijs.

Jongens van Oudt-Holland · 第 21 / 30 题