Op dienzelfden Zondagmorgen vonden Sinjeur Calff en diens vrouw, toen
zij uit de kerk kwamen, iemand op hen wachtende, en Calff herkende
dadelijk in hem een handelsvriend uit Amsterdam. 't Was Sinjeur
Anthonie van Vollenhoven, iemand die ook schepen ter walvischvaart
uitzond.
De begroeting tusschen hen was zeer hartelijk, en Sinjeur Calff
noodigde hem dadelijk uit, dien dag zijn gast te blijven. Maar dit
heusche aanbod werd afgeslagen.
"Waarde vriend Calff," sprak Sinjeur van Vollenhoven, "ik heb eene
tijding vernomen, die ik voor u en voor het dorp Saardam van veel,
zeer veel belang acht, en ik meende verplicht te zijn, zelf naar hier
over te komen, teneinde u daarvan mededeeling te doen."
"Goede tijding, naar ik hoop?" vroeg Sinjeur Calff, die dadelijk
begreep, waarover zijn gast hem kwam spreken.
"Helaas, neen!" was het antwoord. "Ik moet u een Jobstijding
brengen, tot mijn leedwezen. Laat mij u zeggen, wat er van de zaak
is. Gisterenavond, tegen zonsondergang, is een van mijne schepen
uit het hooge noorden teruggekeerd, en werd mij door den commandeur
gerapporteerd, dat door hem stukken wrakhout in zee zijn gevonden, die
het ergste doen vreezen voor uw Bonte Calff. Ik mag u niet verhelen,
dat dit fraaie schip vermoedelijk, neen, zelfs waarschijnlijk en
bijna zeker, is vergaan."
De spreker hield stil, en Sinjeur Calff zeide met een zucht:
"Ik vreesde het,--ik vreesde het. Maar nu heb ik zekerheid.--Waardoor
kon uw commandeur weten, dat het wrakhout van het Bonte Calff afkomstig
was, Sinjeur van Vollenhoven?"
"Er was geen twijfel mogelijk, mijn vriend," was het antwoord. "Aan
boord van de Twee Gebroeders is onder de meegebrachte wrakhouten ook
een deel van den spiegel aanwezig, waarop met vergulde letters het
woord Calff staat. 't Is aan geen twijfel onderhevig, of het schip is
vergaan.--Dat zal een zware slag zijn voor u en voor geheel Saardam,
wanneer althans de bemanning niet is gered."
"Heeft u daaromtrent niets vernomen?" vroeg de vrouw des huizes,
wier oogen met tranen gevuld waren.
"Ik weet er niets van, Juffrouw Calff.--Omtrent de bemanning wist mijn
commandeur mij niets mede te deelen. Wellicht is het haar gelukt, zich
te redden. Dat zou niet de eerste maal zijn, niet waar? Reeds dikwijls
hebben de walvischvaarders het behoud van hun leven aan de ijsschotsen
te danken gehad, waarop zij eenige dagen drijvende konden blijven..."
"'t Is waar, en ik heb daarop ook mijne hoop gevestigd," sprak Sinjeur
Calff. "Hoewel mij gisteren echter reeds is medegedeeld, dat het Bonte
Calff met man en muis is vergaan. 't Is eene recht treurige tijding
voor de arme weduwen en weezen, die achterblijven zonder kostwinner."
Een paar uren later keerde Sinjeur van Vollenhoven naar Amsterdam
terug. Calff en Nicolaas welke laatste zeer onder den indruk van
het treurige bericht verkeerde, omdat zijn vriend Jan Willemsz nu
ook in het hooge noorden zoo jammerlijk om het leven gekomen was,
brachten hem naar de veerschuit, waar de koopman afscheid van hen nam.
Vader en zoon keerden zwijgend naar huis terug, en het ontging
den Saardammers niet, dat Sinjeur Calff er bezorgd en verdrietig
uitzag. Het gevolg daarvan was, dat men dadelijk aan het gissen ging,
wat hiervan de reden kon zijn. "Zou er misschien slechte tijding van
het Bonte Calff gekomen zijn?" vroeg men elkander af. En al spoedig
ging het gerucht door de plaats, dat het met dit schoone schip niet
in orde was, en dat het misschien wel was vergaan.
"Vader," vroeg Nicolaas, toen zij dicht bij hun huis gekomen
waren,--"moet de treurige tijding nog langer geheim gehouden worden? Is
het niet beter, dat zij langzamerhand bekend wordt?"
"Wij mogen haar niet langer verzwijgen, jongen," was het antwoord. "De
menschen hebben er recht op te weten, wat er gebeurd is."
Juist toen zij binnen wilden gaan, kwam Jacob Willemsz aanloopen. Hij
groette Sinjeur Calff door het afnemen van zijn muts, en zeide:
"Heb je al van de vreemdelingen gehoord, Nicolaas? Er zijn Russen in
Saardam aangekomen, ongetwijfeld groote heeren, die hier een ambacht
komen leeren."
"Ja, ik heb ze gezien," was het antwoord, maar Nicolaas zag er zoo
droevig uit, toen hij Jacob aankeek, dat deze het dadelijk opmerkte.
"Scheelt er wat aan?" vroeg Jacob belangstellend. "Ben je ziek,
of--is er iets droevigs bij jelui voorgevallen?"
Sinjeur Calff keerde zich bij die vraag tot Jacob, en antwoordde voor
zijn zoon:
"Ja, jongen, iets zeer droevigs, althans iets, dat zeer droevig kan
worden--ook voor jou."
"Voor mij?" vroeg Jacob verwonderd. En hij herhaalde na een oogenblik
de vraag: "Voor mij?"
"Ja, voor jou ook. Maar 't kan alles nog goed afloopen, Jacob, want
wij hebben nog in het geheel geen zekerheid. Er gaan slechte geruchten
over het Bonte Calff, die in de Poolzee vergaan moet zijn."
Jacob werd doodsbleek bij het hooren van die woorden en zijn adem
hokte hem in de keel.
"Het Bonte Calff vergaan?" mompelde hij zacht. En daarop vroeg hij
bevend van angst over het lot van zijn broer Jan:
"En de bemanning, Sinjeur,--en Jan...?"
"Daaromtrent is mij niets bekend, totaal niets. 't Is mogelijk
dat zij het leven hebben kunnen redden, dat is zelfs zeer goed
mogelijk,--maar--"
Sinjeur Calff haalde bedenkelijk de schouders op.
"Zij kunnen ook vergaan zijn," vulde Jacob zacht den onvoltooiden
volzin aan, en de tranen vloeiden hem langs de wangen.
Ook Sinjeur Calff was ontroerd, en Nicolaas had evenzoo de tranen in
de oogen.
"God geve, dat zij gered zijn, Jacob," sprak de koopman ernstig. "Laten
wij nog niet wanhopen. Geen muschje valt ter aarde zonder Zijn wil,
en Hij is machtig om zelfs uit den grootsten nood uitredding te geven."
Sinjeur Calff zeide dit om den knaap wat te bemoedigen, maar zelf
twijfelde hij niet, of de geheele bemanning had den dood gevonden in de
golven. Ware het anders geweest, dan zou dit geen geheim gebleven zijn.
Bedroefd keerde Jacob naar zijn huisje op den Lagen Horn terug,
en voorzichtig deelde hij aan zijne moeder de treurige tijding
mede. Het arme schepsel was er tot in de ziel toe door geschokt, en
de tijding verpletterde haar dermate, dat zij zelfs niet schreien
kon. Onbeweeglijk, aan een blok gelijk, zat zij in haar armelijk
huisje op een stoel in droef gepeins verloren. Soms mompelden hare
lippen den naam van haar lieven Jan, dien zij zoo noode had zien
vertrekken naar de verre zee...
O, 't was, of zij er een voorgevoel van had gehad, dat het met haar
kind niet goed zou afloopen. Hoe had zij hem nagestaard bij zijn
vertrek, en hoe wee en leeg was het in haar borst geweest, toen zij
hem uit het oog verloren had.
En nu zou zij hem nooit,--nooit wederzien; nooit meer zou zij hem
aan haar liefhebbend moederhart kunnen drukken, nooit meer hem
in de trouwe, open oogen kijken. O, had zij hem maar niet laten
gaan! Ware zij maar liever gaan bedelen, om brood te krijgen voor
hare kinderen. Dan zou dit vreeselijke verdriet haar bespaard gebleven
zijn...
Moeder noch zoon merkte op, hoe druk het in den loop van den
middag werd op den Lagen Horn, veel drukker, dan het daar ooit
geweest was. Het gerucht van de aankomst der vreemdelingen had vele
wandelaars op de been gelokt, en honderden passeerden den Lagen
Horn, om de woning van Kist aan het Krimp te zien, waarin een van
die vreemdelingen zich bevond.
Maar die vreemdeling zelf vond dit drukke geloop verre van aangenaam,
en bleef voor de Saardammers onzichtbaar. Den geheelen middag verliet
hij het huisje niet, waar hij in een druk gesprek met Kist gewikkeld
was en dezen allerlei vragen stelde, waaruit ten duidelijkste zijn
groote weetgierigheid bleek.
"Hoeveel molens zijn er aan de Zaan?" vroeg hij onder anderen.
"Meer dan vierhonderd, Pieter Michaeloff," antwoordde Kist, die het
woord Majesteit niet meer op de lippen durfde nemen.
"Alleen aan houtzaagmolens zijn er 183, oliemolens 70, pelmolens 35,
papiermolens 20..."
"Die ik zien wil," viel de Czaar in. "Ik zal er modellen van maken
en dergelijke molens in mijn rijk doen bouwen."
"En dan zijn er nog verfmolens, tabaksmolens, meelmolens, mosterdmolens
en volmolens," hernam Kist. "De Zaan is het land, waar de menschen
van den wind leven!"
Kist begon zich in het bijzijn van den Czaar blijkbaar meer op zijn
gemak te gevoelen, en de Czaar vond zijn grappige opmerking wel aardig.
"Hoeveel scheepstimmerwerven vindt men hier!" vroeg hij.
"Zeer vele," was het antwoord, "en daaronder wel een 50 groote. Nog
onlangs is hier aan de Zaan een schip van meer dan 90 voeten lengte
gebouwd in vijf weken tijds, kant en klaar om in zee te gaan. Er
is hier één scheepstimmerwerf, waar jaarlijks wel 10 à 12 schepen
worden gebouwd."
"Wat zeer veel is, verre boven mijn verwachting," sprak de Czaar. "Ik
elk geval zal op een van al die werven wel een plaatsje te vinden wezen
voor mij. Den scheepsbouw wil ik tot in de kleinste bijzonderheden
leeren kennen."
"Heel dicht hier in de nabijheid is de werf van Lynstbaas Teeuwisz
Rogge," hernam Kist. "Zij is gelegen aan den Hoogendijk en 't zou
dus voor u wel gemakkelijk zijn, daar uw werk te verrichten."
"Goed,--ik trachten zal, mij daar als knecht te doen aannemen,"
hernam Czaar Peter. "Morgen ga ik er heen, als de menschen allen aan
den arbeid zijn, en mij hun gezelschap niet opdringen.--Is hier een
kompaswinkel, waar ik verschillende instrumenten kan koopen?"
"O ja, bij Lauwrens Pieter Louwen, in de Passer, op den Dam. Daar is
alles goed en billijk te verkrijgen, wat men van dien aard van dingen
mocht noodig hebben."
"Morgen ga ik er heen," sprak de Czaar. "Varen van hier vele schepen
ter zee?"
"Wel honderd," was het antwoord. "Zij bevaren alle zeeën, en er gaan
er ook vele ter walvischvaart. De vloot zal weldra terugkeeren. Dezen
middag vernam ik nog, dat hier van Saardam een van de mooiste
walvischvaarders moet zijn vergaan. Als dat waar is, zal het eene
groote ramp voor deze plaats zijn, want er waren meer dan veertig
koppen aan boord. En voor Sinjeur Calff eene groote schade, daar het
schip geheel of voor een groot deel zijn eigendom was."
"Wie die Sinjeur Calff is?"
"Een van de grootste kooplieden van Saardam. Hij bezit verschillende
molens, en er vaart van hem meer dan een schip buitengaats. Hij zal
dan ook wel niet arm worden door het vergaan van het Bonte Calff,
maar 't zal alevel eene groote schade voor hem zijn."
De Czaar had tijdens dit gesprek telkens aanteekeningen in zijn
zakboekje gemaakt, en begon daarin verder te bladeren. Kist meende
daarom, dat zijn gezelschap langer niet gewenscht was, en wilde
vertrekken. Doch toen hij reeds bij de deur was, vroeg de Czaar
hem nog:
"Waar woont hier een bekwaam kleedermaker, die in den kortst mogelijken
tijd mij en mijn gevolg flinke werkpakken kan bezorgen, zooals hier
door de Saardamsche timmerlieden gedragen worden?"
"Dan komt u het beste terecht bij Sinjeur Jan Cornelis Noomen, hier
in de Molenbuurt. Hij heeft een grooten lakenwinkel, en is zeker in
staat, u vlug te bedienen."
Nadat de Czaar ook dit opgeteekend had, verliet Kist het vertrek. En
de Czaar begaf zich vroeg ter ruste, om den volgenden morgen tijdig
bij de hand te kunnen zijn.
Hij was 's Maandags dan ook al bij 't opgaan van de zon in de
weer. Zoodra hij ontbeten had, verliet hij zijn eenvoudig verblijf, en
begaf zich naar den winkel van de weduwe Jacob Ooms, op den Zuiddijk,
waar hij onderscheidene gereedschappen kocht, die hij zelf onder den
arm nam en naar huis droeg. Hij liet zich hout brengen, trok zijn
wambuis uit, en ging ijverig aan den arbeid. Hij wilde badkuipen maken
en nog ander werk. De heeren van zijn gevolg, die in de Westzijde een
geschikt onderkomen hadden gevonden, en hem kwamen bezoeken, gelastte
hij, zoo spoedig mogelijk werk te zoeken, een bevel dat hun verre van
welkom was. Hun fijne handjes waren niet aan groven arbeid gewoon. Zij
waagden het echter niet hun vorst te wederstreven, en volgden tegen
wil en dank het bevel op. Een van hen, Prins Menzikoff genaamd,
werd mastenmaker, anderen leerden het bootenmaken of iets anders.
In den loop van den morgen begaf de Czaar zich naar den winkel van
Sinjeur Noomen, en zocht daar voor zich en zijn gevolg rood baai uit
voor werkpakken, waarbij Sinjeur Noomen hem zelf hielp. Nog dienzelfden
dag zond deze een bode met de gekochte stof naar Amsterdam, om de
kleeren daar in allen spoed te laten maken. Het was deze zelfde Sinjeur
Noomen, die van het verblijf van den Czaar dagelijks aanteekeningen
maakte, welke later voor de geschiedschrijvers van het grootste belang
gebleken zijn. Toen de Czaar bij hem in den winkel kwam, vermoedde
Noomen diens hoogen staat reeds, maar hij wachtte zich wel daarvan
iets te doen blijken.
Van Noomen begaf Czaar Peter zich regelrecht naar de scheepstimmerwerf
van Lijnst Teeuwisz Rogge, aan den Hoogendijk, en het kostte hem weinig
moeite, zich aldaar als gewoon knecht te doen aannemen. Onder den naam
van Pieter Michaeloff begaf hij zich dadelijk naar den meesterknecht,
om diens bevelen te vernemen. En een volgzamer knecht dan den Czaar
had deze nog nooit gehad, want Pieter volgde zijn bevelen met de
grootste stiptheid op, en toonde zich in den scheepsbouw volstrekt geen
vreemdeling. Trouwens, daarvoor had hij in Rusland bij de Hollandsche
werklieden reeds te veel bijl en hamer gehanteerd.
Toen het twaalf uur was, ging hij gelijk met het gewone werkvolk mede,
dat zich naar huis begaf om te schaften, en hij verbaasde zich over den
stroom van ambachtslieden, dien hij zich op de straat zag bewegen. Van
een dergelijk nijvere bevolking had hij zich nooit eene voorstelling
kunnen maken, want onder zijn half beschaafde Russen bestond daarvan
geen spoor.
Toch ging hij niet naar het huisje aan het Krimp, om daar het eenvoudig
middagmaal te gebruiken. Neen! Hij begaf zich op weg, om aan de
vrouwen, wier echtgenooten in het verre Rusland als ambachtslieden
werkzaam waren, de groeten van dezen over te brengen en haar te zeggen,
dat de mannen gezond waren en dat het hun goed ging. Later heeft iemand
van dezen grooten vorst getuigd: "Niets was den grooten man te klein,"
maar op dezen middag gaf Czaar Peter de Groote het doorslaande bewijs,
dat dit geen ijdele lofspraak is geweest.
Zijn eerste gang was naar Mary Hitmans, de moeder van Thomas
Josias. Zij was een arme vrouw, wie hij bericht kwam brengen omtrent
haar zoon. Van hier begaf hij zich naar de vrouw van Jan Rensen, wien
hij, als scheepstimmerman, in Rusland bijzondere gunst en achting
betoond had.
Op de vraag van deze vrouw, of hij bij haar het middagmaal wilde
gebruiken, antwoordde hij toestemmend, aan deze vrouw eene eer gevende,
die hij later aan grooten en machtigen weigerde.
Hij maakte ook kennis met Antje, de vrouw van Arrien Meetjen, die
hem naar haar man vroeg.
"Uw man is gezond en maakt het best," antwoordde de Czaar. "Ik ben er
trotsch op hem te kennen, want hij is een van de knapste scheepmakers,
die ik ooit heb ontmoet. Dicht bij het zijne heb ik ook een schip
getimmerd."
"Zijt gij dan ook scheepmaker?" vroeg Antje.
"Ja ik ook timmerman ben," antwoordde de Czaar lachend. 's Middags
bezocht hij nog Anthonis van Couwenhoven, die een zoon te Moscou en
eene dochter te Archangel had wonen. De Czaar was bij dat bezoek van
een van de heeren van zijn gevolg vergezeld. Sinjeur van Couwenhoven
wist, dat het de Czaar was, die hem thans een bezoek bracht, maar de
geschiedschrijvers vermelden niet, hoe hij aan die wetenschap gekomen
was. Terwijl de twee vreemdelingen daar vertoefden, kwam dominee
Vergeer, predikant der Hervormden te West-Saardam, in gezelschap van
een ouderling binnen, en Sinjeur van Couwenhoven fluisterde hem toe:
"Bezie den langsten of grootsten persoon wel terdege, ik zal het U,
als zij vertrokken zijn, wel zeggen, wat een groot Heer dat is;
want wij mogen het niet zeggen, zoolang zij hier te lande zijn."
Kort daarop vertrokken de dominee en zijn ouderling, om hun huisbezoek
te vervolgen, en nu ging het bericht natuurlijk als een vliegend vuur
door de stad, dat de Czaar van Rusland zich in hoogst eigen persoon
te Saardam bevond, en als een gewoon timmerman werkte op de werf van
Lijnstbaas Rogge.
Intusschen bracht Jacob Willemsz een zeer droevigen dag door op
school. Voor hij daarheen ging, liep hij nog even bij Nicolaas Calff
aan om te vernemen, of er misschien nadere berichten aangekomen waren,
maar tot zijne teleurstelling was dat niet het geval. In gezelschap
van Nicolaas begaf hij zich naar school, en deze deed al het mogelijke,
om hem te bemoedigen.
"'t Is al zoo dikwijls gebeurd, Jacob," zeide hij, "dat
walvischvaarders zich op het ijs hebben kunnen redden. Waarom kan dit
nu ook niet geschied zijn? Het Bonte Calff is hoogst waarschijnlijk
tusschen twee ijsbergen verpletterd, zooals reeds dikwijls met
Groenlandvaarders is gebeurd. Maar dan heeft meestal de bemanning, die
het gevaar natuurlijk ziet naderen, tijd om daarop over te springen."
"Ja,--maar als zij gered waren, zou dat evenzeer bekend geworden zijn
als het vergaan van het schip. Ik geloof er niet veel van, Nicolaas,
al geef ik toe, dat het de eenige hoop is, die ons overblijft."
"We zullen het spoedig genoeg vernemen, want de vloot kan niet lang
meer uitblijven," hernam Nicolaas. "Enkele schepen zijn teruggekeerd,
zooals je weet."
De jongens voor de school, die het druk hadden gehad over het bezoek
van de Russische vreemdelingen, omringden Jacob, met wien zij veel
deernis hadden, en vroegen hem of het waar was, wat zij van het
Bonte Calff hadden gehoord. En zij werden er ernstig door gestemd
want allen hadden veel van Jan Willemsz gehouden.
Toen de school aanging, was Jacob zijne medeleerlingen gevolgd, maar
zijne gedachten waren niet bij zijn werk. Den geheelen dag moest
hij aan Jan denken, en soms vielen de tranen op zijn leesboek. De
meester, gezeten achter zijn lessenaar, in een soort van katheder,
met een veeren ganzenpen achter het oor en de gevreesde plak in zijne
onmiddellijke nabijheid, had hem al eenige malen verboden, en dreigde
hem een gevoelige afstraffing met zijn plak te zullen toedienen,
indien hij niet beter oplette. De jongens hadden zeer met Jacob te
doen en hielpen hem zooveel mogelijk voort, en Jacob slaakte een zucht
van verlichting, toen eindelijk het uur van eindigen aangebroken was.
"Hoort eens, jongens!" zei Dirk Lijnstz Rogge. "Een van de Russen
is knecht geworden bij ons op de Werf. Hij heet Pieter Michaeloff,
maar de knechts noemen hem Pieter Timmerman. Kom jelui straks bij
me? Dan kunnen we hem eens goed bekijken. Hij werkt best, zegt de
meesterknecht."
"En de menschen willen wel beweren, dat het een groot heer is," zei
Jan Gekeer, terwijl hij de schouders ophaalde. "Als hij zoo goed kan
timmeren, geloof ik daar niets van."
"'t Is de Czaar zelf!" zei een ander. "Dominee Vergeer heeft het van
middag bij ons verteld, toen hij huisbezoek kwam doen. De dominee zei,
dat hij het zeker wist."
"Een Czaar als timmermansknecht," lachte een derde. "Maak jij dat
een ander wijs, mannetje; ik geloof er niets van, niemendal."
"Toch wordt het door velen geloofd," sprak Arent Bloem. "En mijn
vader heeft gezegd, dat de Czaar in Rusland ook dikwijls als een
gewoon timmerman meêwerkt. Ik zeg, dat het de Czaar best kan wezen,
en wil hem graag eens van naderbij zien. Ik kom stellig bij je, Dirk."
"Ik ook! Ik ook!" klonk het van verschillende kanten, en werkelijk
bevonden zich een uur later verscheidene jongens op de werf van
Lijnstbaas Rogge, waar zij kwansuis met Dirk en Teeuwis kwamen spelen,
doch inderdaad alleen oog hadden voor den Czaar, die met den grootsten
ijver arbeidde. De jongens durfden hem niet naderen, want er was dien
middag veel bezoek op de werf geweest, ook al om den Czaar te zien,
waardoor deze erg uit zijn humeur was. Deze nieuwsgierigheid van de
menschen verveelde hem, en hij kon haar niet uitstaan.
Om zeven uur ging het werkvolk naar huis, en ook Czaar Peter verliet de
werf. En nauwelijks was hij vertrokken, of Heyn Pomp kwam buiten adem
aanloopen. Hij had tot zeven uur in den scheerwinkel moeten blijven
om zijn vader te helpen, en kreeg toen een uurtje vrijaf, om met zijn
kornuiten te gaan spelen. Heyn ging niet meer school, maar 's avonds
was hij nog graag bij zijne makkers. Thans had hij zich gehaast om
bij Lijnstbaas Rogge op de werf te komen, in de hoop, dat hij den
vreemdeling daar nog zou aantreffen. Tot nog toe was hij bijzonder
ongelukkig geweest, want hij had nog niemand van de vreemdelingen in
't vizier kunnen krijgen. Telkens als zij hier of daar te zien waren,
was Heyn toevallig om de een of andere reden afwezig, en als hij ze
ergens meende aan te treffen, waren zij juist vertrokken, als Heyn
daar aankwam.
"Is hij er niet meer?" vroeg Heyn, die brandde van
nieuwsgierigheid. "Ik tref het ook altijd ongelukkig."
"Als je hard loopt, kun je hem nog zien!" zei Ary Kist met een
knipoogje tegen de anderen. "Hij is de Oostzijde ingewandeld naar de
werf van Jan Pik. Loop maar hard!"
"Dat zal ik!" zei Heyn, die zich op een draf verwijderde. "Ik mòèt
en zàl hem zien."
Heyn maakte echter een dutreis, want de Czaar zat goed en wel in
het huisje aan het Krimp, en verdiepte zich in het beschouwen van
de teekeningen, die de meesterknecht hem medegegeven had. 't Waren
teekeningen, die betrekking hadden op het bouwen van schepen.
Den volgenden dag, dat was dus op Dinsdag, kocht hij van den schilder
Willem Harmsz een roeischuitje. Na lang dingen was die koop gesloten
voor 40 gulden en een kan bier, die door kooper en verkooper in een
der herbergen op den Dam gezamenlijk werd gebruikt.--Toen bezocht hij
ook de weduwe van Claes Willemsz Musch, aan wie hij bij den dood van
haar man, die in Rusland werkte, een geschenk van f 500 gezonden had
uit Rusland. Tevens bezocht hij verschillende scheepstimmerwerven,
olie-, houtzaag-, en papiermolens, alsmede lijnbanen, ankersmederijen,
zeilmakerijen, ijzer- en kompaswinkels. Overal gaf hij blijken van
eene zeldzame weetgierigheid, en was hij onuitputtelijk in het doen
van vragen, veel meer dan men kon of wilde beantwoorden. Bijzonder
werd zijne aandacht getrokken door het doen stilstaan der molens door
middel van den vang. In een papiermolen vroeg hij, waarom men, als de
molen stilstond, den vang wederom een weinig oplichtte. En toen men hem
dit uitlegde, zei hij: "Dat is goed, dat is goed." In den papiermolen
"de Kok" nam hij, na alles bezien te hebben, den vorm van den schepper
over, en schepte zulk een volmaakt blad papier, dat niemand het hem
had kunnen verbeteren. Hij gaf den knecht een rijksdaalder, louter
van vreugde, dat deze proef hem zoo goed gelukt was.
Intusschen werd er op dezen dag als een publiek geheim rondverteld,
dat de groote vreemdeling niemand anders was dan de Czaar van Rusland
in eigen persoon, maar zekerheid kon men daaromtrent in het geheel
niet geven. De Czaar liet zich gewoon Pieter noemen, en was niet
meer in zijn schik, dan als men hem als Pieterbaas toesprak. Zijn
hoogen rang trachtte hij zorgvuldig verborgen te houden, en het was
zijn plan, den geheelen winter te Saardam te blijven, om daar als
timmermansknecht te werken.