HOE NIEUWSGIERIG DE SAARDAMMERS WAREN.

"Majesteit!" stamelde Kist, die van verbazing totaal in de war was

en niet wist, wat hij zeggen moest.

"Majesteit?"--klonk het in vrij goed Hollandsch terug. 't Werd alleen

met een vreemd accent uitgesproken, waaruit duidelijk blijken kon,

dat de man een vreemdeling was.--"Hier geen Majesteit is. Ik ben

Pieter Michaelof, van beroep timmerman en kom hier om den scheepsbouw

te leeren. Ik heb u hier laten komen, om u te zeggen, dat ik bij u

mijn intrek zal nemen."

Nu raakte Kist nog veel meer in de war.

"Bij mij uw intrek nemen, Majesteit! Maar dat is onmo..."

De vreemdeling stampte driftig met den voet op het dek en herhaalde:

"Ik zeg, hier geen Majesteit is! Mijn naam is Pieter Michaeloff,

en bij u zal ik mijn intrek nemen."

"Maar Majest..."

De oogen van den vreemdeling begonnen van toorn te flikkeren, waarop

Kist zichzelven schielijk in de rede viel:

"Maar Pieter Timmerman, ik ben maar een eenvoudige smidsknecht en

heb een groot gezin. 't Is niet mogelijk, dat een machtig vorst..."

De vreemdeling, die bij den naam Pieter Timmerman tevreden geglimlacht

had, want dien naam klonk hem aangenaam in de ooren, gaf weer

blijken van drift, zoodra hij de laatste woorden van Kist vernam,

wat duidelijk bleek uit een eigenaardig trekken met den rechterarm

en zenuwtrekkingen aan de rechterzijde van zijn gelaat. Kist haastte

zich dan ook te zeggen:

"'t Is onmogelijk, Pieter. Mijn gezin is armoedig en klein behuisd. Ik

kan u niet herbergen."

Maar de vreemdeling wees met een gebiedend gebaar naar de boot,

waarin de beide jongens naast de aak voeren, en zeide kortaf:

"Ga naar uw huis en maak daar plaats voor me. Ik wil dat, hoort

ge,--ik wil dat. Bij u en niemand anders wil ik wonen. Ga heen!"

Kist keek den man verwonderd en verlegen aan, en wilde nog

tegenwerpingen maken. Maar de vreemdeling herhaalde:

"Ga heen! Ik wil niet anders! En ik beveel u te zorgen, dat niemand

iets anders van mij weet dan dat ik Pieter Michaeloff ben, en hier

kom om den scheepsbouw te leeren.--Vertrek!"

Kist durfde niet langer wederstreven. Hij kende dat gebiedende gebaar

en wist, dat hij alleen te gehoorzamen had. Hij wenkte daarom de

jongens, dat zij naderbij moesten komen, en liet zich in de boot

afglijden.

"Roei naar den wal, Ary!" zeide hij peinzend en blijkbaar nog diep

onder den indruk van deze vreemde ontmoeting.

Ary en Jacob gaven elkander een geheimzinnig knipoogje, en de eerste

zeide op goed geluk af:

"Vader,--die man in schipperskleeren is Czaar Peter, niet waar?"

"Ja, dat is de Czaar, niet waar, buurman?" voegde Jacob er bij.

Kist schrikte bij die woorden uit zijn gepeins op.

"De Czaar?" zei hij verward, denkende aan het gebod van den

vreemdeling. "Wie zegt je, dat het de Czaar is? Heb ik dat gezegd?"

Ary en Jacob begonnen te lachen.

"Neen Vader," zei Ary, "maar zóó dom zijn we niet, of dat kunnen

wij wel begrijpen. Zei u zelf niet, dat hij en de Czaar op elkander

gelijken als twee droppels water, en hebben wij niet gezien, hoe

diep u voor dien man boog? Dat doet men niet voor een eenvoudigen

schipper. Neen, Vader, die man is de Czaar!"

Kist geraakte hoe langer hoe meer in de war, want hij was niet gewoon

te liegen. En toch was hem uitdrukkelijk bevolen, den hoogen stand

van den vreemdeling niet bekend te maken.

"Hoort eens, jongens," zei hij, "ik geef toe, dat hij sprekend op den

Czaar gelijkt,--maar hij heeft mij gezegd, dat hij Pieter Michaeloff

heet en timmerman is. Hij komt hier, om den scheepsbouw te leeren. Zou

jij dan denken, dat de Czaar bij ons in den kost zou komen, Ary?"

"Wat!" riep Ary verbaasd uit, "komt hij bij ons in den kost? Maar

neen, dan kan hij de Czaar ook niet wezen. Die zou wel niet in zoo'n

klein huisje en in zulk eene eenvoudige buurt willen wonen. Is het

echt waar, vader?"

"'t Is volkomen waar, jongen," zei Kist. "Bega dus geen dwaasheid en

vertel nergens, dat het de Czaar van Rusland is, want iedereen zou

je uitlachen, en je zoudt je zelven bespottelijk maken in het oog

der menschen."

De boot lag nu aan wal, en Kist stapte er uit. Hij gebood de jongens

voor de paling te zorgen, en liep met groote schreden naar zijn

nederige woning. Hier had hij dadelijk een lang en fluisterend

gesprek met zijne vrouw, die weldra op hare beenen stond te beven

van ontsteltenis, en wier verbazing geen grenzen kende.

"Maar mijn hemel, Gerrit, hoe is dàt nu mogelijk!" zei ze wel

honderdmaal. En dan zei Gerrit telkens:

"Maar vrouw, laat geen woord ervan aan je mond ontsnappen, want

't is een driftig heerschap, die soms van toorn niet weet, wat hij

doet. Ik ga dadelijk naar Mary-buur en zal zien, haar het huis te

doen ontruimen. Ik weet er anders niets op."

Kist ging de deur uit en begaf zich naar de vrouw, die het achterste

deel van het huisje bewoonde. Want Kist, die het niet te breed had,

verhuurde aan de weduwe Mary Freeriks de twee kleine achterkamertjes

van zijn huis. Het voorste gedeelte bewoonde hij zelf.

"Goêmorgen, Mary-buur. Daar ben ik al vroeg, hè?"

"Dat zou ik meenen, buurman. Goêmorgen,-- ga zitten."

"Dat zal ik doen, maar veel tijd heb ik niet. Ik zal dus maar met de

deur in huis vallen, Mary-buur, en je kort en goed zeggen, waar het om

gaat. Ik wou, dat je op stel en sprong ging verhuizen,--dadelijk. Ik

zal je den boel wel helpen overbrengen..."

Buurvrouw sloeg hare handen van verbazing in elkaar, en staarde Kist

met open mond en opengespalkte oogen aan. 't Was haar, of ze 't te

Keulen hoorde donderen.

"Verhuizen?" stamelde ze na een oogenblik van

stilzwijgen. "Verhuizen?--Man,--hoe haal je 't in 't hoofd? Je loopt

toch niet met molentjes?"--

"Neen Goddank, Mary-buur. Maar ik moet dit huisje vrij hebben, en

wil je graag vergoeding geven, eene ruime vergoeding. Mij dacht,

je kon wel tijdelijk bij je vader gaan inwonen. Die heeft nog wel

plaats over, en je krijgt er eene goede fooi voor, dat verzeker ik je."

"Eene goede fooi?" zei de vrouw, die wel een buitenkansje noodig had,

want zij had het arm. "Maar waarvoor is het noodig, dat ik op stel

en sprong verhuize? Kan het niet wachten, tot ik alles..."

"Geen dag,--en ook zelfs geen uur, buurvrouw. Luister! 't Geldt hier

een geheim, dat ik niet noemen màg, maar ik moet deze twee kamers

vrij hebben, en wel direct. Wat dunkt u, zouden vijf Carolus-guldens

in staat zijn, om u tot verhuizen te bewegen?"

De vrouw kneep bij het hooren van dat aanbod welbehaaglijk de oogen

dicht, want vijf Carolus-guldens was voor een arme weduwe eene groote

som. Maar zij gaf zich niet dadelijk gewonnen, en zeide:

"Zeg tien, buurman. Voor tien Carolus-guldens zal ik opstaan, 't Is..."

"Kort en goed, ik zal zeven geven, maar geen duit meer, en praat er

nu niet langer over, want de tijd dringt. Straks is het te laat en

gaat zoo'n buitenkansje uw neus voorbij. Toegeslagen?"

Kist stak haar de hand toe, en vrouw Mary legde er de hare in.

"Toegeslagen, buurman," sprak ze.

Een uur later was het huisje ontruimd, en haastte vrouw Kist zich

alles in gereedheid te brengen voor de ontvangst van den machtigen

vreemdeling.

Intusschen was de aak met zijne vreemde passagiers langzaam den Dam

genaderd. Daar werd het laatste zeil gestreken, en de man, voor wien

Kist zoo eerbiedig gebogen had, sprong met een touw in de hand aan wal,

en legde 't vaartuig vast.

't Begon al drukker te worden op den Dam, en de menschen bleven een

oogenblik verwonderd staan, om naar het schip en de vreemd gekleede

reizigers te zien. En toen er eenmaal een groepje gevormd was, werd

dit al spoedig grooter, want de menschen kwamen van alle kanten

toeloopen in de meening, dat er "een standje" was, en daar wilden

zij graag bij zijn.

Dat was den man in het roode wambuis blijkbaar in het geheel niet

naar den zin, want hij keek den menschendrom met fonkelende oogen

aan en gaf meer dan eens zijn ongenoegen te kennen.

Ook de andere vreemdelingen stapten aan wal, en hunne vreemde en zeer

kostbare kleeding trok in hooge mate de belangstelling der Saardammers,

die het zevental vreemdelingen steeds meer naderden, zoodat dezen bijna

geen voet konden verzetten. De man in schipperskleeding echter wist

daar wel raad op. Hij stapte met groote schreden op de omstanders af

en drong zich met groote onverschilligheid door hen heen. De menschen

vonden het geraden, een weinig voor dien forschen schipper op zijde

te gaan, want hij werkte geducht en ook gevoelig met zijne ellebogen,

en zag er uit, of hij op het punt stond, links en rechts klinkende

opstoppers uit te deelen. De andere vreemdelingen volgden hem, waar

hij ging.

't Is te begrijpen, dat de menschen over dit bezoek verwonderd waren,

en elkander afvroegen, wie die mannen toch wel zijn konden.

"Ik denk," zei meester Pomp, "dat het leden zijn van het groote

Russische gezantschap. In elk geval zijn het Russen, dat weet

ik zeker. 'k Heb dikwijls genoeg Russen gezien, toen ik nog

scheepschirurgijn was, en kan mij niet vergissen. 't Zijn stellig

Russen!"

"Ja, en hooge heeren bovendien," meende een ander. "Kijk eens, wat

hebben zij een blanke handen en fijne vingertjes."

"Aha, als je dat maar begrijpt!" riep een derde. "En die groote

schipper met zijne krachtige vuisten en zijne vurige oogen is zeker

hun knecht!"

"'t Kan wel," zei meester Pomp, "in elk geval zou ik liever met hem

willen eten, dan vechten. 't Is een stoere baas!"

"De anderen loopen hem na als hondjes," merkte een schipper op. "En

rijk zijn ze zeker, want zooeven had een van hen eene beurs in de hand

van fijne zijde, en ik zag er meer goudstukken in, dan ik en al mijne

voorvaders te zamen ooit gehad hebben. 'k Wil ruilen met de mijne."

De lieden lachten om deze woorden, en het aantal kijkers werd zoo

groot, dat de vreemdelingen niet dan voetje voor voetje vooruit konden

komen. De groote schipper struikelde bijna over Castor, den hond van

Nicolaas Calff, die met zijn jongen meester een wandeling gemaakt

had. En de man gaf den hond een geduchten schop, waarover Nicolaas

zeer verontwaardigd was.

"Hola lomperd!" zei hij half binnensmonds, maar toch luid genoeg, om

door den schipper verstaan te worden. "Zoo zijn hier onze manieren

niet! Pas maar op, of hij bijt je in de kuiten, dat het lachen je

wel vergaan zal."

Inderdaad was Castor zóó beleedigd, en bromde en gromde hij zóó

dreigend, dat de menschen niet zonder eerbied een weinig plaats voor

den grooten hond maakten.

Maar de schipper vreesde hem niet. Hij keek Castor met zijne fonkelende

oogen zoo strak aan, dat deze kwispelstaartend achteruit week en zich

tegen Nicolaas aandrong.

De schipper was thans voor eene herberg aangekomen en stapte daar

binnen, om aan het gedrang, dat hem blijkbaar eene ergernis was,

te ontkomen. De rijke vreemdelingen volgden hem.

Zij namen aan de tafeltjes plaats en bestelden iets, in de meening,

dat het volk op straat zich wel verspreiden zou. Maar daarin hadden

zij zich bedrogen.

De schipper sprak daarop even met een van de anderen, waarop deze

zich verwijderde, en zich tusschen het volk begaf.

't Scheen een Hollander te zijn, want hij sprak de Hollandsche

taal zeer vloeiend. Hij was dat dan ook inderdaad. Zijn naam was

Nicolaas van der Hulst, en de Czaar van Rusland, want de man in

schipperskleeding was inderdaad niemand anders, had hem medegenomen,

om als tolk te dienen.

"Ha, daar is weer zoo'n vreemde snoeshaan!" riep er een uit, toen

Van der Hulst buiten kwam.

"Ja, goede vriend," zei Van der Hulst, tot verbazing van iedereen in

vloeiend Hollandsch, "hier is er een. En wat denk jij nu eigenlijk

wel van ons?"

"Wat ik denk?" zei de ander. "Wel, ik dacht dat ge Russen waart,

misschien wel lieden van het groote gezantschap, dat de Czaar van

Rusland naar Holland zenden zou."

"Misgeraden!" antwoordde Van der Hulst. "Totaal misgeraden, vriend. Wij

zijn gewone handwerkslieden, en komen hier om het scheepstimmeren te

leeren, en ook andere ambachten. Wij hooren in het geheel niet bij

het groote gezantschap van den Czaar."

"Gewone handwerkslieden?" riep er een lachend. "'t Mocht wat. Laat

dat heerschap zijne handen maar eens toonen. Kijk eens, wat een fijn

huidje! Gekheid, hij speldt ons wat op de mouw!"

"Gewone handwerkslieden hebben geen zijden beurzen, gevuld met

goudgeld!" zei de ander, die de beurs had gezien. Waarop Van der Hulst

zijne stem verhief, met de bedoeling om door velen verstaan te worden,

en uitriep:

"Toch is het waar, menschen. Ik ben een Hollander van afkomst, maar

mijne reisgenooten zijn werkelijk Russen, die hier een handwerk komen

leeren. Wij blijven den geheelen winter hier, en dus kunt ge ons nog

dikwijls genoeg zien. Gaat daarom nu heen, opdat wij ons wat vrijer

bewegen kunnen. Zooveel volks hindert ons."

Nicolaas Van der Hulst trad de herberg weer binnen, in de hoop,

dat de menschen zouden vertrekken. Maar hij had zich misrekend. Zij

verzamelden zich voor de ramen en drukten er de neuzen bijna op plat,

om beter naar binnen te kunnen gluren. En de brutaalsten traden ook de

herberg binnen en eischten een kan bier, om op die wijze gemakkelijker

hunne nieuwsgierigheid te kunnen bevredigen.

Dat was den Czaar een doorn in het oog, en toen het steeds voller

werd in de zaal, ontbood hij den kastelein, en verlangde eene

vrije kamer. Daarin onttrok hij zich met zijn gevolg aan de al te

nieuwsgierige blikken.

Eenigen tijd later trad Gerrit Kist de kamer binnen. Hij begaf zich

naar den Czaar, en een enkele blik was voldoende om hem te overtuigen,

dat de machtige Heer zeer boos was. Dat was niet geschikt om Kist meer

op zijn gemak te brengen. Hij keek den vorst schuw aan, en wilde eene

eerbiedige buiging voor hem maken, maar--hij was daarmede nauwelijks

begonnen, of hij hield er mede op,--omdat hij niet durfde. En hoe

moest hij hem noemen?

"Pieter?" Dat durfde hij al evenmin, en "Majesteit" nog veel

minder. Hij bleef dientengevolge zwijgend voor den Czaar staan,

met de oogen naar den grond gericht.

"Welnu?" vroeg Czaar Peter. "Is alles gereed en kan ik komen? 'k

Verlang er naar, om vanhier te vertrekken. De menschen vervelen mij."

"Uwe Majest....." zei Kist, maar de Czaar bulderde hem toe:

"Alweer Majesteit? Ik heb je mijn naam gezegd en wil niet anders

genoemd worden. Heb je me nu verstaan? Spreek op, is alles in orde

om mij te ontvangen?"

"'t Is in orde, Pieter, als u het eenvoudige voor lief wil nemen. Ik

heb u gezegd, dat wij arm...."

"Genoeg!" zei de Czaar. "Dat weet ik al. Laten wij gaan."

En zich tot zijn gevolg wendende, gebood hij kortaf:

"Tracht hier of daar een onderkomen te vinden, en zeg aan niemand, wie

wij zijn. Men behoeft alleen te weten, dat wij hier werk komen zoeken."

De Czaar verliet de herberg, en Kist bracht hem naar zijn eenvoudig

huisje op het Krimp, een der achterbuurten van Saardam.

De vrouw van Kist had den moed niet, haar doorluchtigen gast te

ontvangen. Van achter haar gordijntjes begluurde zij echter met

onbeschrijfelijke nieuwsgierigheid den nieuwen bewoner van het

achterkamertje. En zij vond, dat hij er schrikwekkend genoeg uitzag,

om bij haar het plan te doen rijpen, zich zooveel mogelijk op een

eerbiedigen afstand te houden.

Ook Ary en Jacob hadden den gast zien komen, en het ontging hun niet,

dat Kist hem met den grootsten eerbied behandelde, iets dat anders in

het geheel niet in den aard van Kist lag, want hij was zeer vrijpostig

in zijn doen en laten, en had gewoonlijk meer praats, dan iemand

van zijn stand paste. Maar nu gevoelde hij zich blijkbaar zeer klein

en nietig, en hij sprak zoo bescheiden en nederig, dat Ary en Jacob

beiden er zich over verbaasden.

Toen de Czaar het kleine vertrekje binnengetreden was en de deur

achter zich gesloten had, zei Ary tot Jacob:

"Wil ik je eens wat zeggen?"

"Ja,--graag!"

"Nu,--als dàt de Czaar van Rusland niet is, mag jij van middag mijn

heele portie paling hebben, de graten incluis!"

"Ik geloof, dat je best gelijk kon hebben," zei Jacob. "Je vader heeft

zich versproken, van morgen in de boot. Maar laten wij er over zwijgen,

want je vader zal er wel goede redenen voor hebben, als hij het niet

weten wil."

"Dat ben ik met je eens, Jacob. Dit is een geheim tusschen jou en

mij, en een ander heeft er niet mede noodig.--Maar de Czaar is het,

dat staat bij mij als een paal boven water."

Een oogenblik later kwam Kist binnen. Hij zag er verbazend geheimzinnig

uit, en had het kolossaal warm. Hij wischte zich het zweet van het

voorhoofd, en haalde zoo diep adem, of hij zich verruimd gevoelde,

nu hij het gezelschap van den vreemdeling had kunnen verlaten.

"Vrouw, heb je nog bier in huis?" vroeg hij.

"Bier, wel neen, man, hoe wou ik bier in huis hebben. Je hebt

gisterenavond immers de laatste kan leeggedronken!"

"Dan moet er dadelijk gehaald worden, want de Cza...."

Ha, daar had Kist zich bijna versproken. Ary en Jacob wisselden een

geheimzinnigen glimlach met elkander. Maar Kist begreep, dat hij zijn

geheim bijna verraden had, en werd daar boos om.

"Apen van jongens, wat doe jelui hier en kijkt een mensch de woorden

uit den mond! Allo, maakt dat je de deur uitkomt, of ik schop je

er uit!"

"Je wou immers bier hebben, man?" vroeg de vrouw. "Mij dunkt, dan

kon Ary dat wel eens gaan halen. Hij is dan meteen van den vloer."

"Goed, maar dan gauw. En drinkkannen moeten er ook komen, want wij

hebben van dergelijk spul niet genoeg in huis. Ga maar in "De drie

Swaanen," en zeg, dat het voor mij is. En als men je vraagt, hoe onze

nieuwe bewoner heet, zeg dan..."

"Dat het de Czaar van Rusland is!" viel Ary zijn vader in de rede.

Kist sprong toornig van zijn stoel op, met het vaste plan zijn zoon

een oorveeg te geven, die hem lang heugen zou.

"Wees gerust, Vader!" zei Ary, om de tafel vluchtende. "Geen mensch

zal het van mij hooren, maar ik weet, wat ik weet."--

"En wat weet jij dan, bengel van een jongen?"

"Dat het de Czaar is, Vader, de Czaar en niemand anders. Maar wij

bunnen wel zwijgen, hè Jacob, en wij zullen tegen iedereen zeggen,

dat hij Pieter Michaeloff heet, en hier komt om het scheepstimmeren

te leeren."

Kist bromde nog wat in zijn baard, maar hij knikte de jongens toch

goedkeurend toe en ging weer zitten. En Ary en Jacob haastten zich

naar de "Drie Swaanen", om bier en kannen te halen. En zij kregen

al dadelijk gelegenheid te over, om het geleerde lesje op te zeggen,

want het was drukker op de straat dan gewoonlijk, en velen vroegen hun,

hoe de vreemdeling heette, en wie hij was. Steeds klonk hun antwoord:

"Wie hij is? Wel, hij heet Pieter Michaeloff, en hij komt hier,

om het timmeren te leeren."

Als de menschen daarmede niet tevreden waren, voegde Ary er nog bij:

"'t Is nog familie van ons: zijne moeder was eene zuster van de nicht

van mijn overgrootvaders meutje, en als je het niet gelooven wilt,

mag je het hem zelf gaan vragen."

Na zoo'n antwoord maakte Ary gewoonlijk, dat hij spoedig uit de voeten

kwam, want hij was er van overtuigd, dat hij dan heel goedkoop een

draai om zijne ooren kon oploopen, iets, waaraan hij in het geheel

geen behoefte voelde.

Op den Dam kwam Heyn Pomp op hem toe, met een stuk zeep in de hand

en een doek over den schouder.

"Is een van die mannen bij jelui in huis?" vroeg hij nieuwsgierig

aan Ary.

"Ja," antwoordde deze. "Waarom?"

"Wel, iedereen praat over die vreemdelingen, en wil je wel gelooven,

dat ik nog niets van hen gezien heb?"

"Dat is jammer," spotte Ary. "Ze zien er verbazend vreemd uit. Eén is

er bij met drie beenen, twee hebben een staart, en de drie anderen

hebben ieder twee hoofden. Ze laten vragen, of je hen wilt komen

scheren."

"Loop rond!" zei Heyn. "Jij houdt mij altoos voor den gek. Maar zeg,

Ary, is het waar, dat een van die mannen bij jelui zijn intrek heeft

genomen, en dat Mary Freeriks op stel en sprong haar huis voor hem

heeft moeten ruimen?"

"Ja, dat is waar," zei Ary.

"En is het waar, dat het een schatrijke prins is uit het gevolg van

Czaar Peter?" vroeg Heyn nieuwsgierig verder.

"Ook waar," zei Ary. "De diamanten zitten hem met eene dubbele laag

op den rug van zijn rood schipperswambuis genaaid, zijn hoed is bezet

met paarlen, en zijne waterlaarzen zijn van klinkklaar goud. Hij laat

je vragen, of je een potteken biers met hem komt drinken."

"Hoe grappig ben je toch," grinnikte Heyn met een zuurzoeten

glimlach. "Toe Ary, vertel er me nu eens wat van, want ik heb den

ganschen morgen moeten inzeepen. 't Is veel drukker in den winkel dan

gewoonlijk.--Toe zeg, vertel me nu eens, wie het is, zonder gekheid."

"Och Heyn, 't is doodgewoon een achterneef van ons. Hij heet Pieter

Michaeloff, en zijne moeder was de zuster van de nicht van mijn

overgrootvaders meutje. Zie je, nu weet je er alles van. Dag Heyn!"

Ary en Jacob vervolgden hun weg, Heyn vrij beteuterd en nog veel

nieuwsgieriger, dan hij al was, achterlatende. En zij lachten hem

smakelijk uit.

Gewapend met een goeden voorraad bier en een aantal kannen keerden

zij naar het huisje aan het Krimp terug, en 't was wàt een feest

voor Ary, dat hij den Czaar zelf het gehaalde mocht brengen. Zijn

vader was er door den Czaar op uitgezonden, om te gaan zien, waar de

overige heeren een onderkomen hadden gevonden, en zijn moeder durfde

voor geen geld ter wereld bij den Czaar binnengaan.

Ary noodigde Jacob uit hem te helpen, want alleen kon hij alles

onmogelijk dragen. Zij kwamen aan de achterdeur, deden de bovenhelft

daarvan open, daarna de onderdeur, en riepen:

"Vollek!"

De Czaar was in het voorvertrekje, maar spoedig kwam hij met groote

schreden nader. Zijne booze bui scheen hem verlaten te hebben, want

hij keek hen vriendelijk aan en zeide:

"Wat jij moet?"

"Hier is bier, Sinjeur!" zei hij flink! "Ik heb het gehaald uit de

"Drie Swaanen.""

"En kannen, Sinjeur," zei Jacob. "Willen wij alles maar op de tafel

zetten?"

"Goed--zeer goed. Hoe is jou naam?"

"Ary Kist, Sinjeur."

"Jij ook smid ben?" vervolgde de Czaar.

"Neen, Sinjeur, ik ga nog op school, maar als ik wat grooter ben,

ga ik naar Rusland, naar den Czaar, om te werken."

Ary keek den Czaar scherp aan, om te zien, hoe deze zich houden

zou. Maar er gebeurde niets bijzonders. Alleen klopte de Czaar hem

op den schouder, en zeide:

"Dat is flink, Ary. In Rusland is werk in overvloed en kun-je veel

geld verdienen. Maar eerst een vak leeren."

En zich tot Jacob wendende, vervolgde hij:

"En hoe jij heet?"

"Jacob Willemsz, Sinjeur. Mijn vader is dood."

"En jij ook nog op school gaat?"

"Ja, Sinjeur."

"Doen alle jongens dat?" vroeg de Czaar met belangstelling.

"Ja Sinjeur, bijna alle."

"Dus bijna alle menschen hier schrijven kunnen en lezen, en rekenen?"

"O ja, bijna iedereen. Stellig wel het meerendeel."

De Czaar verzonk in gepeins. Blijkbaar dacht hij er over na, hoe iets

zoo schoons ook in Rusland te bereiken zou zijn.

Hij nam eene kan van de tafel, en schonk elk der jongens en ook

zichzelven een beker vol in.

"Daar!" zei hij. "Drink op,--dat gezond is."

Ary en Jacob lieten zich niet lang noodigen, en dronken den beker tot

den laatsten droppel ledig. Daarop begaf de Czaar zich naar de andere

kamer, en liet de jongens doodgewoon staan. Dezen wisten daarom niet

beter te doen, dan ook maar te vertrekken. Zij deden de deur achter

zich dicht, en waren den koning te rijk, dat zij den machtigen Czaar

gesproken hadden, en dat hij zoo vriendelijk tegen hen was geweest.

Korten tijd daarna begaf Jacob zich naar huis, want het werd tijd,

om het middagmaal te gebruiken. En hij vond het zeer vereerend voor

hem, dat de machtige Czaar van Rusland dien middag paling zou eten,

die hij voor een deel gevangen had. En zelf had hij er ook grooten

trek in. Hij en Ary hadden de dieren schoongemaakt en eerlijk verdeeld,

elk naar de behoeften van het gezin.

Hij smulde er dan ook verbazend aan, en hij had zijne moeder heel

wat te vertellen onder het eten. Dat de Czaar zelf ook onder de

vreemdelingen was, deelde hij echter niet mede. Dat was een geheim,

hetwelk hij aan niemand verraden mocht.

Jongens van Oudt-Holland · 第 17 / 30 题