Ongeveer vier maanden waren voorbijgegaan, en 't was Zaterdag 17
Augustus geworden. De veerschuit van drie uur in den middag kwam
uit Amsterdam aan en werd aan den steiger vastgemeerd. Verscheidene
kooplieden, die voor zaken naar de stad waren geweest, stapten er uit,
pratende en lachende. Onder hen bevond zich ook Sinjeur Calff, maar
hij liep zwijgend met zijne vrienden mede en nam geen deel aan hun
levendig gesprek. Blijkbaar hielden ernstige gedachten hem bezig, die
hem geheel in beslag namen. Zijn voorhoofd was gefronst, en zijn gelaat
teekende zorg. Hij nam spoedig van zijn reisgenooten afscheid en begaf
zich naar zijne woning, waar zijne vrouw hem met een vriendelijken
groet tegemoet trad. En dadelijk gaf zij bevel het middagmaal voor
hem op te zetten, waaraan zij de dienstbode ijverig medehielp.
Het ontging aan haar scherpziend oog echter niet lang, dat haar man
iets schortte, en dat hij in zorg verkeerde. Terwijl hij zwijgend
zijn middagmaal gebruikte, zette zij zich aan den overkant van de
tafel en nam hare breikous ter hand, gedachtig aan de oude spreuk,
dat een paardentand en eene vrouwenhand nooit moeten stilstaan. Een
paar malen zeide zij iets over het weer, dat dien dag heel mooi was,
maar haar man hoorde haar niet en gaf geen antwoord. Nicolaas kwam
binnen en groette zijn vader, maar deze merkte hem niet op. Blijkbaar
waren de gedachten van den koopman elders. En zijne vrouw maakte zich
ongerust, vooral, toen het haar bleek, dat haar man zeer weinig at,
veel minder dan anders.
"Smaakt het je niet, Cornelis?" vroeg zij luider, om zijne aandacht
te trekken.
"Smaken,--jawel vrouw, zeker, 't smaakt me heel goed," was het
antwoord, maar tegelijkertijd ontsnapte een diepe zucht aan zijn
borst, zoodat het voor haar niet twijfelachtig meer was, of er was
iets ernstigs gebeurd.
"Ben je dan niet goed,--of scheelt er iets anders aan?" vroeg zij
verder. "Er is toch stellig iets niet in orde."
"Je hebt gelijk, Dieuwertje," antwoordde haar man zacht en ernstig. "'k
Heb zeer slechte tijding gehoord, zéér, zéér slechte en droevige
tijding."
Juffrouw Calff sprong verschrikt op en kwam naast hem staan. Zij
legde hem haar hand op den schouder en zeide:
"Zeer slechte tijding, Cornelis? Je doet me schrikken! Zeg me toch
spoedig, wat er gebeurd is..."
"Vrouw, 'k sprak dezen middag een commandeur van een teruggekeerden
walvischvaarder, en die zeide mij, dat onder de visschersvloot het
gerucht ging, dat het Bonte Calff met man en muis is vergaan..."
Juffrouw Calff sloeg ontzet de armen ten hemel, en Nicolaas, die stil
in een hoekje van de kamer bij het raam had gezeten, sprong van zijn
stoel op en liep naar zijn vader.
"Het Bonte Calff vergaan,--met man en muis,--en Jan Willemsz dan,
Vader, is Jan Willemsz ook verdronken?"
Sinjeur Calff keek zijn zoon, wiens tegenwoordigheid in de kamer hij
niet vermoed had, een oogenblik verrast aan, en zeide:
"Wat, jongen, ben jij hier? Ik heb je niet gezien!"
"'k Ben een oogenblik geleden binnengekomen, Vader, maar u merkte
mij niet op," zei Nicolaas, die van den schrik op het hooren van
deze ongelukkige tijding bleek geworden was, evenals zijne moeder,
die zoo begon te beven, dat zij op haar stoel moest plaatsnemen.
"Arme menschen!" mompelde zij zacht voor zich heen.
"Hoor eens, Nicolaas," sprak Sinjeur Calff langzaam en met
nadruk,--"hoor eens, jongen, deze tijding was niet voor jou ooren
bestemd, en had ik geweten, dat jij je in de kamer bevond, dan zou
geen woord daarvan aan mijn mond ontsnapt zijn. Ik draag je dus op,
over deze zaak het diepste stilzwijgen te bewaren,--ik zeg, het diepste
stilzwijgen. Begrijp je dat goed, Nicolaas? Er mag geen woord daarvan
over je lippen komen."
"Ik zal er niet over spreken, Vader, wees daar gerust op. Maar o,
dat Jan Willemsz ook verdronken is..."
"Hoor eens, lieve vrouw, en Nicolaas, luister jij ook, want nu je
het eenmaal toch weet, is het beter, je alles te zeggen, wat ik
denk. Ik zeide straks, dat het nog slechts een gerucht is, en niets
meer. Commandeur Jan Pietersen van Amsterdam is niet in gezelschap
van het Bonte Calff geweest, en heeft het schip zelf niet gezien. Hij
heeft alleen van een anderen Walvischvaarder gehoord, dat het schip
is vergaan, en dat geen der schepelingen, voor zoover hem bekend,
was gered. Maar ook die andere schipper had het slechts van hooren
zeggen, zoodat het tot nog toe niets meer is, dan een los gerucht. 't
Is best mogelijk, dat het waarheid bevat, en het gerucht op zichzelf
is al erg genoeg en geeft mij redenen tot groote bezorgdheid, maar
zoolang wij geen meerdere zekerheid hebben, acht ik het noodig, er
het diepste stilzwijgen over te bewaren. Er zijn nog verschillende
gevallen mogelijk. 't Schip kan van de andere afgeraakt zijn en is
misschien niet meer door hen gezien, wat allicht het vermoeden kon
wekken, dat het vergaan is. En zelfs als dat zoo ware, als het schip
werkelijk ten gronde is gegaan, blijft nog zeer wel de mogelijkheid
over, dat de mannen zich op de ijsschotsen hebben geborgen, en konden
zij door andere schippers worden opgemerkt. In allen gevalle zou het
verkeerd zijn, de familieleden van de bemanning noodeloos in angst
en zorg te brengen, door alleen op een los gerucht af te gaan."
"Je hebt volkomen gelijk, Cornelis," sprak Juffrouw Calff. "Laten
wij hopen, dat een zoo vreeselijke slag onze plaats niet getroffen
heeft. Wat een tal van weduwen en weezen zou in ongelukkige
omstandigheden achterblijven."
"Ja, Vrouw, 't zou vreeselijk zijn, en ik zal geen gerust oogenblik
meer hebben, voor ik het Bonte Calff weer aan den Hoogendijk zie
liggen."
"Wist ik maar, of Jan Willemsz nog leefde," zei Nicolaas bedroefd.
"Ook voor de Weduwe Willemsz zou het een zware slag zijn, dat is waar,
mijn jongen. Het arme schepsel heeft al genoeg te dragen. 't Is te
wenschen, dat de Heere God dezen zwaren slag van haar en van ons allen
zal afwenden, want ook voor ons zou het een geducht verlies wezen. Het
Bonte Calff vertegenwoordigt een groote waarde. Doch dit zeg ik van
ganscher harte: als een van beiden verloren moet gaan, het schip of de
bemanning, dat het dan het schip moge wezen. 't Zou mij tot in mijne
ziel bedroeven, indien zoovele gezinnen ongelukkig moesten worden."
Bij die woorden stond Sinjeur Calff op, om zich naar het kantoortje
te begeven, dat aan zijn huis was gebouwd.
Aan den avond van dienzelfden dag werd de deur geopend van het kleine
huisje op het Krimp, dat bewoond werd door Gerrit Kist, den vader
van Ary, en drie gestalten, een groote en twee kleine, traden naar
buiten, elk met eene lantaren in de hand, waarin eene smeerkaars
brandde en walmde. 't Waren Gerrit Kist, de smidsknecht, zijn zoon
Ary en Jacob Willemsz, die blijkbaar in den laten avond nog iets te
verrichten hadden. Zij liepen den Hoogendijk af, tusschen de beide
huizenrijen door, en kwamen op den Westzanerdijk, welke het doel van
den tocht bleek te zijn. Zij hadden het dorp nu verlaten en hadden
aan weerskanten van den dijk het vrije veld.
"Zie zoo, jongens," zei de smid, "hier zijn we, waar we wezen moeten,
en ik denk wel, dat we klaar komen. 't Is er mooi weer voor, want
er hangt een zware dauw over het veld, en de wormen zullen liever in
het natte gras, dan in den uitgedroogden grond kruipen. Kijkt nu maar
goed uit je oogen."
"Daar zal het niet aan mankeeren, buurman," zei Jacob, terwijl hij
langzaam langs de helling van den dijk afdaalde, en bij het flauwe
licht van zijn lantaren de wormen zocht, die er mochten rondkruipen.
Ary had hem 's middags verteld, dat zijn vader en hij den volgenden
morgen vroeg uit poeren zouden gaan, wat zij in de zomermaanden wel
eens meer deden. Kist had een groot huisgezin, want hij was gezegend
met acht kinderen, die een gezond gestel en een goeden eetlust
hadden. Daar zijn verdiensten als smidsknecht hem niet toelieten,
dikwijls spek of vleesch te koopen, had hij nog al eens de gewoonte,
des Zondagsmorgens heel vroeg uit poeren te gaan, ten einde zijn gezin
en zichzelven daarmede een Zondagsmaal te verschaffen. Hij was een
meester in de kunst van poeren, wat een echt geduldswerkje is, en het
gelukte hem dikwijls een lekker maaltje paling te verschalken. Zoodra
Jacob nu van Ary gehoord had, dat zij den volgenden morgen weer uit
poeren zouden gaan, had hij dadelijk lust gekregen om mede te doen.
"Zou ik mogen?" vroeg hij aan Ary.
En deze antwoordde:
"Dat zou ik wel denken. Kom maar tegen een uur of acht, want tegen
dien tijd gaan wij wormen zoeken aan den Westzanerdijk. Dan kun je
het vader vragen."
Dat had Jacob gedaan, en tot zijne groote vreugde had Kist er in het
geheel geen bezwaar tegen gehad. Zoo kwam het, dat zij zich thans met
hun drieën aan genoemden dijk bevonden en ijverig aan het zoeken waren.
De drie dwalende lichtjes zagen er voor de weinige voorbijgangers, die
niet konden vermoeden, wat er gedaan werd, vrij geheimzinnig uit. Want
van de drie personen was door de duisternis niets te onderscheiden;
alleen de langzaam her- en derwaarts zwervende lichtjes waren te zien.
De vangst was vrij voorspoedig. 't Was al dagen lang zeer zonnig
geweest, en de dijk was dor en uitgedroogd. Toen nu 's avonds zich een
heerlijke dauw over het veld verspreidde en de dorstige grassprietjes
verkwikte, boorden zich ook wormen uit den grond, en kropen rond in
het vochtige gras.
Telkens bukten de drie jagers, om een worm op te rapen en in klompen
te bergen, die zij voor dat doel hadden medegebracht.
"Hè, wat heb ik hier eene lekkere pier!" zei Ary. "Wat zullen de
palingen daaraan zuigen!"
"Ik heb er ook al heel wat," zei Jacob. "Hè, zeg, kijk eens, wat een
groote! Deze is nog grooter dan die van jou."
"Ik heb er al bijna genoeg voor een poer!" riep Kist de beide jongens
toe. "En jelui?"
"'t Gaat best, Vader," zei Ary. "Eene rijke vangst!"
"Nog een kwartiertje, langer niet!" riep weer Kist terug. "'t Is nog
een heel werk, om de poeren te maken."
Het drietal ging ijverig met zoeken voort en kon niet vermoeden,
dat iemand op eenigen afstand niet weinig verbaasd en erg angstig
hen bespiedde.
't Was Heyn Pomp, de zoon van den chirurgijn-barbier. Hij had in den
avond eene boodschap moeten doen naar Westzaan en was thans op den
terugweg naar huis. Een groote held was hij nooit geweest, en in donker
voelde hij zich altoos min of meer ongerust, vooral in de eenzaamheid.
En op den Westzanerdijk wàs het thans donker en eenzaam. Er was bijna
geen huis te zien, alleen een paar nederige stulpjes van arbeiders
op eenigen afstand.
Heyn had, behoedzaam luisterende naar verdachte geluiden, den weg van
Westzaan naar hier afgelegd zonder iets vreemds of angstwekkends op
te merken, tot hij opeens langs de helling van den dijk drie dwalende
lichtjes ontwaarde, die hem den schrik op het lijf joegen. Hij stond,
lang en dun als hij was, midden op den dijk stil, en hield de starende
oogen onafgebroken op de geheimzinnige lichten gericht.
"Hemel,--kijk daar eens, wat zou dat zijn?" mompelde hij zacht voor
zich heen. "Dat is niet pluis daar!--Kijk, ze gaan op en neer, nu
hooger, dan lager. Hu,--zouden dat spoken zijn?--Menschen kunnen het
niet wezen. Wat zouden daar nu menschen moeten doen? Neen, dat moeten
spoken zijn, of mijn naam is--geen Heyn Pomp.--Hoe moet ik daar nog
voorbij komen?"
Opeens werd Heyn in zijne alleenspraak gestoord, en keerde hij met
groote stappen, maar toch op zijne teenen, om geen leven te maken, op
zijne schreden terug. Want tot zijn grooten schrik had hij bemerkt,
dat een van de lichten langzaam naderbij kwam, en hem weldra zou
hebben bereikt.
Wat liep Heyn hard. Maar toch keek hij telkens achterom, ten einde
te zien, of het dwaallicht hem achtervolgde.
Ja, het kwam nader.
En nu twijfelde Heyn niet langer. 't Waren vast en zeker drie spoken,
die daar ronddwaalden langs den Westzanerdijk. Hij werd meer dan
bang en wenschte niets liever, dan thuis te zijn. Maar hij zag geen
kans er te komen, zonder de spoken te passeeren. En dat zou hij niet
gedaan hebben voor al het geld ter wereld.
Ha, nu verwijderde het lichtje zich weer, maar nauwelijks had hij dat
opgemerkt en was hij zijn grootsten angst weer te boven, of hij zag,
dat het hem opnieuw met spoed naderde.
De schrik sloeg den dapperen Heyn om het hart, en hij zette het
op een loopen, zoo hard hij kon. Zijn besluit was genomen: hij zou
naar een van de huisjes gaan, daar ginds aan den voet van den dijk,
en de bewoners te hulp roepen. Alleen durfde hij niet naar Saardam
terugkeeren.
Hij liep of de nikkers hem op de hielen zaten, en met zijn lange dunne
beenen nam hij stappen, of hij de zevenmijlslaarzen van klein-Duimpje
aan had. Hij keek op noch om, en hield zijn blik alleen gericht op
het flauwe lichtje, dat hem uit een van de ramen tegenflikkerde.
Hij had het spoedig bereikt, rolde meer dan hij liep bij den dijk neer,
ging een vondertje over, en rinkelde aan de lage deur van het hutje. De
deur was gesloten, misschien wel, omdat de bewoners geen bezoek
van ongenoode gasten wilden hebben. Er liep in dien tijd dikwijls
vreemd bedelvolk langs de wegen, die het de buitenmenschen wel eens
onaangenaam konden maken. Het wachten duurde Heyn al spoedig te lang,
want elk oogenblik vreesde hij het spook om den hoek van het huis te
zullen zien komen. Hij rinkelde nog eens,--en nog eens, tot hem opeens
de barsche stem van den bewoner in de ooren klonk, die hem toeriep:
"Wat is dat voor een helsch lawaai aan de deur? Wie is daar?"
"Ikke!" riep Heyn bevend van angst. "Ikke ben het! O, doe toch open! Er
zijn spoken op den dijk."
"Als jij er zelf maar geen bent!" klonk het boos terug. "Je maakt er
althans leven genoeg voor. Wie is ikke?"
"O, doe de deur toch open. Ik ben het,--Heyn Pomp, van den
chirurgijn. Ik ben naar Westzaan geweest, en durf niet verder. Er
loopen spoken op den dijk."
De man in het hutje hoorde duidelijk, dat het eene jongensstem was,
die tot hem doordrong, en dat de eigenaar er van in hevigen angst
verkeerde. Hij opende daarom de deur,--en Heyn vloog gejaagd binnen.
"Wat praat jij van spoken?" vroeg de man, terwijl ook de vrouw des
huizes naderbij kwam met eene walmende kaars in de hand, die zij vlak
bij Heyn's gezicht hield, om hem goed te kunnen bezien.
"O ja, heusch waar, er loopen spoken langs den dijk. Drie lichtjes
dwalen heen en weer,--en ik durf er niet langs. Och, brengt u me
asjeblieft een eindje weg."
"Kom, kom, wat zou er wezen? Ik woon hier al dertig jaar en heb nog
nooit een spook gezien," sprak de man. "Je zult je bang maken voor
niets. Wacht, ik zal eens even gaan kijken."
De man verliet het huisje en begaf zich op den dijk. Maar spoedig
kwam hij terug en zeide:
"Ik zie niets, dan een paar lantarens in de verte. Jij bent zeker
een beetje bang uitgevallen, jongetje. Ga maar meê, dan zal ik wel
een eindje met je opwandelen. 't Is mooi weer."
Zij gingen met hun beiden op weg, en Heyn hield angstig zijne blikken
op de lichtjes gericht, die zij weldra zouden hebben bereikt.
"Zacht loopen!" fluisterde Heyn zijn metgezel bijna onhoorbaar
toe. "Misschien merken zij ons niet op."
De man lachte en zeide:
"Je bent zoo laf, als je dun en lang bent, jongen. Kom, ga een beetje
op zijde. Je kruipt me bijna in mijn diezak!" [1]
En zijne stem verheffende, want zij waren het eerste lichtje nu
genaderd, riep hij luid tot grooten schrik van Heyn:
"Goeden avond!"
"Ook goeden avond!" was het antwoord van Kist.
"Wat ben je daar aan 't zoeken? Heb-je wat verloren?" vervolgde de
man uit het hutje.
"Verloren, neen, gelukkig niet. We zoeken wormen, om een poer te
maken."
De man begon smakelijk te lachen.
"Die is mooi!" riep hij uit. "En hier is nog wel een jongen, die jelui
voor spoken aanzag en niet naar huis durfde. Ha-ha-ha! Dat is grappig!"
Kist lachte ook, en hij en de beide jongens, die er ook braaf pret
in hadden, klommen tegen den dijk op, en voegden zich bij hen.
"Wie is die dappere held?" vroeg Ary Kist, zijne lantaren opheffende,
om beter te kunnen zien. "Wel heb ik van mijn leven! Dat is zoowaar
Heyn Pomp! Heyn, Heyn, wat ben jij bang. Je moest je schamen."
"Dat heb ik ook al gezegd!" zei de man lachend. "Zoo'n groote
jongen! 't Is waarlijk al te erg.--Kom, ik ga naar huis, of ben je nog
bang, Heyn Pomp? 't Beste is, dat de spoken je maar thuisbrengen. Dan
heb je een veilig geleide. Goeden avond samen."
"Goeden avond!" was het antwoord.
De terugreis werd aanvaard, want zij hadden nu wormen genoeg. Och,
och, wat werd Heyn onderweg geplaagd! Jacob en Ary namen hem zorgvuldig
tusschen zich in, om hem te beschermen, zooals zij zeiden, en zij deden
bijna niet anders, dan lachen en spotten met zijn lafhartigheid, wat
Heyn ook wel had verdiend. Heyn was wat blijde, toen zij den Lagen
Horn hadden bereikt en hij van zijn kwelgeesten bevrijd werd. Hij
zelf woonde een eindje verder, op den hoek van het Dampad.
Het zoeken van de wormen, bij het licht van eene lantaren, had Jacob
wel een aardig werkje gevonden, maar het maken van den poer vond
hij meer dan vies. Alle wormen werden aan een langen sajetdraad
geregen en tot bundels vereenigd. Om elken bundel kwam een dun,
maar sterk touwtje, waarvan het andere einde aan een korten stok werd
bevestigd. Daarmede waren de poeren gereed, en Jacob keerde naar zijn
huis terug, erg ongerust, dat hij zich verslapen zou. Want hij moest om
half vier opstaan, daar Kist gezegd had, dat hij niet op hem wachtte,
indien hij later dan vier uur aan de boot was.
Jacob werd dien nacht wel twintig keer wakker, en na twee uur deed hij
geen oog meer dicht, om zeker te zijn, dat hij zich niet verslapen zou.
De klok van half vier was nog niet koud, toen hij reeds bezig was
zich te kleeden. Haastig at hij eene boterham, of een stuk, zooals
zij toen zeiden, en zonder leven te maken begaf hij zich naar de
boot van Kist, die hij zeer goed wist te liggen. Ary had hem beloofd,
zijn poer voor hem mede te zullen nemen.
't Was nog schemerig, want de zon was nog niet op. Toen Jacob bij
de boot kwam, trof hij daar Ary en diens vader reeds aan. Zij hadden
een kleine tobbe medegebracht, welke zij in de boot zetten.
Na een korten groet namen zij plaats en staken van wal. Kist roeide
de Voorzaan langzaam af, en keek uit naar eene geschikte plek, om de
poeren uit te werpen. Deze was spoedig gevonden, aan den kant van den
Hoogendijk. De boot werd vastgelegd, de tobbe overboord gezet en met
een touwtje aan het middelbankje verbonden, en de poeren daalden in
het water neder. Langzaam bewoog het drietal visschers ze op en neder,
gereed om op te halen, zoodra zij er eenige zwaarte aan mochten voelen.
Maar de palingen lieten op zich wachten, en Jacob werd huiverig van
de koude morgenlucht.
"'t Is frisch genoeg op het water," zei hij huiverend.
"Ja, 't is koud," zei Kist.
"Je broer Jan zal het vrij wat kouder hebben," merkte Ary op. "In de
Noordelijke IJszee tusschen de torenhooge ijsbergen zal hij het wel
laten, om in den vroegen morgen te gaan poeren."
"Dat denk ik ook wel," lachte Jacob.
"Ja, jongens, 't zal daar erg koud zijn. Wie nooit in die streken
geweest is, kan er eigenlijk geen flauw denkbeeld van krijgen, wat
zoo'n koude zeggen wil. Dat heb ik in Rusland ondervonden. Daar is het
's winters ook niet pluis. Vooral niet in Archangel, waar ik ook nog
eenigen tijd heb gewerkt."
"Ik geloof het graag," zei Jacob. "Is het waar, buurman, dat die
Russen nog zoo onbeschaafd en ruw zijn, als men wel zegt! En gelooft
u werkelijk, dat de Czaar van dat groote rijk dikwijls als gewoon
timmerman met hamer en beitel aan het werk is? Ik geloof er geen
woord van."
"Toch is het zoo," zei Kist. "De Russen zijn vreeselijk ruw en
onwetend. Denk je bij voorbeeld, dat zij eenig begrip hebben van eene
roeiboot, om maar iets te noemen? 't Lijkt er niet naar. Zij varen op
vlotten of uitgeholde blokken hout, en van zeilen of varen hebben zij
evenveel verstand als een walvisch van vioolspel. 't Is een dom volk,
dat eigenlijk nog van weinig afweet. Vechten kunnen ze, en opstaan
tegen hun Czaar, daar hebben ze ook slag van, maar overigens wonen
er rijke edelen en grondeigenaars, die niets uitvoeren, en slaven en
lijfeigenen, die hard moeten werken en als beesten behandeld worden. 't
Is een raar en een naar land, al moet ik toegeven, dat ik zelf het
er heel goed heb gehad."
"Maar hoe komt dat Russische volk dan zoo dom, vader?" vroeg Ary,
die met groote belangstelling geluisterd had.
"Och, zij kijken niet verder, dan hun neus lang is, en hebben er
geen flauw begrip van, dat de menschen in andere landen hen zooveel
vooruit zijn. Trouwens, hoe zouden zij dat ook kunnen weten? Het is
hun verboden het land te verlaten, en zelfs de Czaar is voor zijn
volk onzichtbaar. Hij moet altoos in zijn paleis blijven, en het
wordt voor een onderdaan of een vreemden gezant als een verbazend
groote eer beschouwd, indien hij het gelaat van den Czaar mag zien..."
"O, dus het is toch niet waar, dat de Czaar van Rusland dikwijls als
een gewoon timmerman aan het werk is, en met de scheepstimmerlieden
als hunsgelijke omgaat?" viel Jacob in.
"Ja, dat is toch wèl zoo," was het antwoord van Kist. "De vader van
den tegenwoordigen Czaar, en zijn grootvader ook, hebben ingezien,
dat het met de beschaving van het Russische volk treurig gesteld was,
en lieten daarom bekwame handwerkslieden uit andere landen komen, om
de Russen in allerlei nuttige zaken te onderrichten. Zoo komt het ook,
dat er zoovele Saardammers naar Rusland getrokken zijn, waar zij met
eer behandeld worden en goed geld verdienen. Ook Italianen zijn er,
en Engelschen, en Zwitsers, en Franschen. Maar de Russen zelf haten
alle vreemdelingen, en zouden niets liever willen, dan hen een kop
kleiner te maken. Want om een menschenleven geven zij al bitter
weinig. Voor een flesch brandewijn doen sommigen van hen een moord...."
"Een mooi volkje!" zei Ary.
"Het zal echter wel beter worden. Wat Czaar Alexeï begonnen is,
wordt door zijn zoon met kracht voortgezet. Czaar Peter is iemand,
die weet, wat hij wil, en voor geen klein geruchtje vervaard is. Het
is zijn heilig voornemen, het Russische volk tegen wil en dank de
Europeesche beschaving deelachtig te maken, en zelf geeft hij het
voorbeeld, door met hamer en beitel op de scheepstimmerwerven te
arbeiden. Ik heb hem zelf dikwijls gezien, en met hem gesproken ook
wel. Hij kent mij zeer goed."
"Hoe oud is Czaar Peter?" vroeg Jacob nieuwsgierig. "Ha, daar voel
ik den eersten paling!" riep hij uit, en werkelijk gelukte het hem,
het beest in het tobbetje te doen vallen. Het was met zijne kleine
tandjes aan den sajetdraad blijven hangen. Spoedig werden er nu meer
palingen gevangen, maar de jongens hielden toch niet op met vragen,
en Kist vond het wel aardig, van zijn verblijf in Rusland te vertellen.
"Hoe oud de Czaar is?" vroeg hij. "Wel, hij is van het jaar 72,
dus moet hij nu 25 jaar oud zijn. 't Is een forsche, sterke man,
met wien niet te spotten valt. En bang is hij ook niet. Eens werd
hem verteld, dat een groot aantal Russen in een huis vergaderd waren,
met het plan, hem dien nacht te vermoorden. Zij waren voornemens een
huis in brand te steken, omdat ze wel wisten, dat de Czaar gewoon
was, bij het blusschingswerk zelf mede te helpen. In de verwarring
zouden zij hem dan dooden. 't Waren mannen, die het in Czaar Peter
afkeurden, dat hij zooveel nieuwigheden in zijn land invoerde. Zij
wilden liever alles bij het oude laten. 't Was 's avonds om tien uur,
dat de Czaar het hoorde, en nadat hij een officier bevel gegeven had
het huis te omsingelen, ging hij geheel alleen naar de samenzweerders,
die hem verrast en ontsteld aankeken.
"Ik kom een glas met u drinken, vrienden," zei hij vroolijk, precies
of er niets bijzonders aan de hand was. Hij was een uur te vroeg, want
pas om elf uur zou de officier met zijne... "Hé, dat is een dikkerd,
jongens! Kijk eens, wat een pracht van een paling! Die zal smaken."
"En toen!" vroeg Jacob, die veel meer belang stelde in het verhaal
van Kist, dan in diens vangst.
"Wel, hij praatte vroolijk, en de samenzweerders dronken op zijne
gezondheid. Eindelijk fluisterde een van hen zijn buurman toe: "Het is
tijd, broeder." Waarop de Czaar opstond en met donderende stem uitriep:
"Ja, het is tijd, schurken, moordenaars!" En met een geduchten slag op
de tafel gebood hij: "Staat op en bindt elkander!" En de mannen waren
zoo verschrokken van dit optreden, dat zij werktuiglijk gehoorzaamden
en elkander de handen op den rug snoerden. Een oogenblik later kwam
de officier binnen, die hen allen gevangen nam."
"Dat was dapper, Vader!" zei Ary. "Dien Czaar zou ik ook wel eens
willen zien!"
"Zij zullen wel geducht gestraft zijn," meende Jacob.
"Allen opgehangen of onthoofd!" zei Kist. "Ja, Czaar Peter maakte
korte metten met zijn tegenstanders. Die niet gehoorzamen wil, moet
maar dood. En hij is er niet bang van, om zelf den beul een handje
te helpen."
"Brrr,--toch ook nog echt Russisch," zei Jacob.
"Ja, natuurlijk,--hij is zelf ook niet overbeschaafd, maar toch
is hij een zeldzaam man, voor wien ik grooten eerbied heb. Ik ben
er van overtuigd, dat hij het Russische rijk nog eenmaal groot en
krachtig zal maken, want hij deinst voor niets terug. Ik geloof,
dat het zijn liefste wensch is, eenmaal eene machtige oorlogsvloot
te krijgen, en zijn gebied uit te breiden tot aan de Oostzee. Het
zou mij althans niet verwonderen, indien dat zoo was. In elk geval
wil hij zijn voornaamste onderdanen laten zien, hoe het in beschaafde
landen toegaat, en daarom heeft hij kortgeleden een gezantschap op reis
gezonden, bestaande uit wel 270 personen, waaronder zich verscheidene
prinsen bevinden. Zij hebben in last, Holland te bezoeken, en goed
uit hunne oogen te kijken."
"Dat is aardig!" zei Jacob. "Misschien komen zij hier ook nog wel. Of
zou u het niet denken, buurman?"
"Best mogelijk, jongen, want de Saardammers staan bij den Czaar in
hoog aanzien.--Zoo, Ary, dat is een dunnetje; 't lijkt waarlijk wel
een pier!"
"Die het kleine versmaadt, is het groote niet waard," zei Ary lachend.
"Maar deze is dikker!" riep Jacob uit, terwijl hij behendig een dikken
paling in de tobbe wipte. "Ze beginnen beter te bijten, vind ik. Wij
krijgen al een mooi zoodje."
"Genoeg om je moeder ook een Zondagsmaal te bezorgen," zei Kist. "Het
begint gelukkig wat warmer te worden; ik kreeg het koud!"
De zon was opgekomen en verjoeg langzaam den dauw. 't Werd inderdaad
wat warmer, en de drie visschers begonnen zich recht behaaglijk te
voelen. Ook omdat het met de vangst zoo meeliep. Kist had het geluk
gehad een goed plaatsje te treffen.
't Zal ongeveer tegen zes uur geweest zijn, toen Ary zeide:
"Kijk eens, Vader, wat komt ginds een vreemde schuit aan? Wat is er
dat voor een?"
Kist bekeek het vaartuig nauwkeurig, en antwoordde:
"Dat is een Rijn-aak, als ik mij niet bedrieg. Zoo, dat is
vreemd. Zulke schepen ziet men hier niet dikwijls. Ik begrijp niet,
wat dat ding hier komt uitvoeren."
Het vreemde vaartuig kwam langzaam naderbij, en hoe meer het naderde,
des te meer begon het de belangstelling van Kist te trekken. En ook
Ary en Jacob merkten er blijkbaar iets vreemds aan op, want zij keken
meer naar het schip dan naar hun poer.
"Wat een vreemde passagiers bevinden er zich op!" zei Jacob. "Kijk
eens, wat eene eigenaardige kleeding."
"Dat moeten Russen zijn," sprak Kist, wiens verbazing steeds toenam.
"Russen?" riep Ary verrast uit.
"Russen?" vroeg ook Jacob. "Zouden het misschien leden van het groote
gezantschap zijn, waar u van sprak?"
"'k Weet het niet,--'k weet het niet!" mompelde Kist, wiens blik
voortdurend gericht was op een man, die voor aan de plecht stond. 't
Scheen een schipper te zijn, want hij was niet, als de andere
vreemdelingen, gekleed in uitheemsche kostbare kleeren, maar droeg
een eenvoudige, witte broek en een rood wambuis, zooals meestal door
schippers gedragen werd. Kist hield de hand boven de oogen om beter
te kunnen onderscheiden, en mompelde:
"Vreemd, jongens,--vreemd! Jelui wilde immers zoo graag den Czaar
zien? Welnu, die man daar, op de plecht van die aak, lijkt op Czaar
Peter, als de eene druppel water op den anderen. Als je hèm ziet,
kun je gelooven, den Czaar te zien."
"Bedoelt u den man met die schitterende kleeding, bij den mast?" vroeg
Jacob.
"Ik zeg, den man op de plecht van de aak. Hij heeft een rood wambuis
aan en een witte linnen broek. Die is het!"
"Maar dat is een schipper, Vader!" riep Ary verwonderd uit.
"Ja, dat is een gewoon schipper!" zei ook Jacob.
En Kist antwoordde:
"Ik beweer ook niet, dat het de Czaar van Rusland is. Ik zeg alleen,
dat hij op den Czaar gelijkt, als de eene druppel water op den
anderen."
't Was een forsche, indrukwekkende gestalte, de man daar op de
plecht, die met fonkelende oogen het voor hem oprijzende Saardam
aanschouwde. Zijne fiere houding en de vorstelijkheid van zijne
verschijning boezemde den knapen eerbied in, ondanks de eenvoudige
schipperskleeding.
Op de aak werd het groote zeil gestreken, en de Russische heeren, die
zich op het vaartuig bevonden, kregen Kist in het oog. En nauwelijks
hadden zij hem gezien, of zij spoedden zich naar den man op de plecht
en maakten hem op Kist opmerkzaam. Ook deze vestigde zijn blik op
den visscher in het bootje, en een oogenblik later hoorde Kist zich
toeroepen:
"Smid!--Smid!--Kom bij ons!"
De jongens zagen, dat Kist ontroerde. Zwijgend trok hij de tobbe met
paling aan boord, greep de riemen, en roeide naar de aak.
"Blijft hier, jongens, en wacht op me!"
Kist betrad het dek van de aak en boog voor den forschen man zoo diep,
als hem mogelijk was.