Het was donker in 't kleine vertrek. De avond was gevallen, en door
de kleine ruitjes van het lage raam kon van buiten af weinig licht
binnendringen. Trouwens, daar was het ook vrij donker, maar toch niet
zoo erg als in het kamertje.
De tafel was voor het raam geschoven. Aan de eene zijde zat de moeder,
met kleine zus, die sliep, op haar schoot, en aan den anderen kant
zaten de beide jongens. Er werd geen smeerkaars gebrand, omdat de
moeder geen geld had gehad, om er een te koopen. Zij staarde op de
tafel voor zich, en zuchtte somwijlen zeer zwaar, zonder dat zij er
zelf erg in had. Zij was in hare gedachten verdiept, en die waren van
droevigen aard, want nu Jan door den Commandeur niet aangenomen was,
wist zij werkelijk niet, wat zij moest beginnen.
Ook de beide jongens spraken niet. Het koude bad in de Zaan had hun
wel geen kwaad gedaan, maar zij waren, door hetgeen er dien middag was
gebeurd, toch ernstig gestemd. Bovendien was Jan zeer terneergeslagen
door de groote teleurstelling, die hij had ondervonden.
Eindelijk verbrak de moeder de stilte.
"Wat is het toch vreeselijk jammer, kind," zeide ze tot Jan. "Eerst
had ik wel veel bezwaren, maar nu ik er goed over had nagedacht,
moest ik toegeven, dat het onze eenige uitredding was, en hoopte ik,
dat het gelukken zou. Maar je kunt het morgen nog wel eens beproeven
bij de andere Commandeurs. Er liggen toch nog verscheidene andere
schepen voor de uitvaart gereed?"
"O ja, Moeder, heel veel, maar als Commandeur Jan Folkersz mij niet
durft aannemen, zullen de anderen het zeker niet doen. Neen, Moeder,
't zou moeite voor niets zijn.--U weet toch, dat hij straks hier komt?"
"Ja, je hebt het gezegd. Ik zal het hem toch nog eens vragen. Wie
weet, of hij niet door medelijden gedreven van plan verandert. Er
móét iets gebeuren, kinderen. 'k Heb geen brood meer in huis voor
eene avondboterham, en je moet zonder eten naar bed. Alleen voor
kleine zus is er nog een stukje..."
De jongens zeiden niets.
Opeens zagen zij eene zwarte gedaante voorbij het raam loopen,
en een oogenblik later werd de bovendeur geopend, en daarna de
onderdeur. Iemand stapte de donkere kamer binnen, en bleef aan den
ingang staan, zeker omdat hij door de duisternis niets onderscheiden
kon.
"Goedenavond, samen!" klonk de groet van Sinjeur Calff, want deze
was het.
"Goeden avond, Sinjeur!" sprak de weduwe, en de beide jongens zeiden
ook: "Goeden avond, Sinjeur."
En de weduwe vervolgde:
"Kom nader, Sinjeur, en Jan, schuif een stoel bij de tafel. Ik weet
waarlijk niet, wie zoo laat nog..."
"Ik ben Cornelis Michielsz Calff, vrouw Geerte," sprak de koopman
naderbijkomend, "en ik kom wel mijn innigen dank betuigen aan
uw zoon Jan, wien wij naast God het leven te danken hebben van
Nicolaas. Geef mij de hand, jongen, en wees overtuigd van onze groote
erkentelijkheid. Je hebt eene daad gedaan, een volwassen man waardig."
Jan stond op, en gaf Sinjeur Calff de hand, die deze hartelijk drukte.
"Zonder jou hulp was mijn jongen er niet meer," sprak de koopman
ontroerd. "Vrouw Geerte, u mag trotsch op den knaap zijn. En mijn
vrouw heeft mij opgedragen u de mededeeling te doen, dat ook zij
spoedig komen zal, om u te bezoeken en Jan haar dank te brengen."
"Geen dank, Sinjeur," sprak de weduwe. "Jan heeft slechts zijn
plicht gedaan. Maar gaat u toch zitten, Sinjeur. Hier heeft u een
stoel. Neemt u me niet kwalijk, dat het hier zoo donker is, maar ik
had op 't oogenblik geen kaars in huis, en...."
't Was maar goed, dat het zoo donker was, want nu kon Sinjeur Calff
niet zien, hoe de arme vrouw bloosde bij die woorden. Zij had nog nooit
met hare armoede te koop geloopen, en wilde die ook nu nog voor haar
bezoeker verbergen. Maar dat wilde Sinjeur Calff juist niet, want hij
was gekomen om hulp te brengen. Zijn dankbaar hart noopte hem daartoe.
"En hoe gaat het thans met uw zoon?" vroeg vrouw Geerte, die de
kleine zus op een anderen stoel zette, omdat zij wakker geworden was
en om brood vroeg. De weduwe haalde haar laatste stuk uit de kast,
en reikte het haar over.
"Gode zij dank, het gevaar is geweken," sprak Sinjeur Calff. "Meester
Plomp heeft hem eene aderlating gegeven, en die heeft uitstekend bij
hem gewerkt. Hij laat Jan ook hartelijk door mij bedanken."
De kleine zus had spoedig haar stukje brood opgegeten, en zeide:
"Ikke nog meer brood, Moe!"
"Neen, kind, nu niet," antwoordde de moeder, die ternauwernood een
droevigen zucht kon onderdrukken. "Zus gaat nu naar bed."
"Ikke nog meer brood, ikke nog meer brood. Zus nog niet genoeg!" hield
de kleine meid vol. En toen hare moeder haar op den schoot nam, om
haar uit te kleeden, begon zij hevig te schreien, en spartelde met
armpjes en beentjes tegen.
"Hoor eens, vrouw Geerte," sprak Sinjeur Calff, wiens oogen nu wat
aan de duisternis gewend raakten, "dat zal zoo niet gaan. Die dikke
meid lust nog wel een boterhammetje. Aan zoo'n klein stukje kan zij
niet genoeg hebben."
De arme vrouw, wie toch het angstzweet al uitgebroken was, omdat dit
nu juist gebeuren moest, terwijl er een vreemde heer in huis was,
barstte in tranen uit.
"Ach Sinjeur," zei ze, "spreek toch zoo niet. Ik heb het kind mijn
laatste stuk brood gegeven, en ik schaam mij..."
Sinjeur Calff stond op en haalde zijne beurs te voorschijn. Hij nam
er eenig geld uit, dat hij aan Jan overhandigde, en zeide:
"Hier jongen, haal jij eens brood, melk en kaarsen. Als de wind zoo
vlug, hoor!"
Jan was de deur al uit.
"En jij, kleine meid, wacht maar eventjes," vervolgde Sinjeur
Calff. "Straks krijg jij nog eene lekkere stuk, hoor, een dikke!"
Zus begon te lachen, en liet zich gewillig uitkleeden.
"En vrouw Geerte," vervolgde Sinjeur Calff, terwijl hij haar de hand
op den schouder legde: "Droog uwe tranen, want ik zal voortaan voor
u zorgen. De goede God heeft mij, ik zeg het met bescheidenheid,
met groote rijkdommen gezegend, en ik maak er mij een feest van, in
dit gezin den nood te lenigen. Zoolang ik leef zal hier geen brood
meer ontbreken in de kast."
De vrouw drukte hem ontroerd de hand, en zeide:
"Thans is het aan ons, om dankbaar te zijn, Sinjeur. Maar wij willen
werken voor ons brood, want wij zijn geen bedelaars en houden de hand
niet op voor aalmoezen. O Sinjeur, help ons aan werk; dat zou eene
weldaad zijn."
Op dit oogenblik kwam Jan terug. De kleine zus kreeg een flinke stuk
en een kroes melk, en de weduwe maakte licht.
"Hoor eens hier, Jan," vervolgde Sinjeur Calff. "Ben jij van middag
naar het Bonte Calff geweest?"
"Ja, Sinjeur."
"En wat heeft Commandeur Jan Folkersz je geantwoord? Heeft hij je
aangenomen?"
"Afgewezen, Sinjeur. Ik ben nog te klein, zei hij, en moet eerst nog
een paar jaartjes groeien."
"Nu luister dan eens, naar hetgeen ik je zeg. De volgende week
Woensdag, 's morgens om tien uur, zal de Commandeur de equipage
aanmonsteren in de herberg "Spitsbergen," je weet wel, op den hoek van
den Dam, tegenover de Oostzijder kerk. Kom jij je daar aanmelden, dan
sta ik er borg voor, dat je aangenomen zult worden als kajuitswachter."
"O Sinjeur!" riep Jan vroolijk uit. "Dank u, dank u! Hoort u,
Moedertje, hoort u dat? Nu zijn de bange dagen voorbij!"
"Ja jongen," viel Sinjeur Calff in, "dat zijn ze ongetwijfeld. Je
moeder zal geen zorg meer hebben, maar zij wenscht, dat er voor gewerkt
zal worden, en dat prijs ik in haar. Jelui zult geen genadebrood
eten, daarvoor sta ik je borg. Jij Jan, komt bij de Groenlandsche
vaart, en als je je best blijft doen, groeit er misschien nog wel
een Commandeur van je. En Jacob zal op mijne kosten schoolgaan en de
scheepvaart leeren. Op mijne schepen is nog plaats genoeg. Intusschen
kan uwe moeder naaiwerk verrichten. Dan kan ze bij kleine zus blijven,
niet waar?"
Vrouw Geerte was zeer ontroerd, en zij dankte Sinjeur Calff met tranen
in de oogen. En Jan kon van blijdschap bijna niet spreken.
Een oogenblik later trad Commandeur Jan Folkersz binnen, en deze
was niet weinig verrast, daar ook Sinjeur Calff aan te treffen. Hij
had reeds van Jan's dappere daad gehoord en prees er hem uitbundig
over. Hij wenschte zijn reeder geluk met de redding van zijn zoon,
en vernam van hem, dat Jan als kajuitswachter bij hem geplaatst zou
worden. Dat deed hem groot genoegen, want na de flinke daad van Jan
was hij toch dadelijk reeds besloten geweest, Sinjeur Calff over den
knaap te spreken. Dat was nu niet meer noodig. En toen een kwartiertje
later de beide heeren vertrokken, lieten zij een overgelukkig gezin
in het kleine huisje achter.
Jan kon 's avonds niet in slaap komen van vreugde, en het was al over
elven, toen Jacob hem een por tusschen de ribben gaf, en hem toevoegde:
"Zeg, heerlijk voor je, hè, om te gaan varen!"
"Zoo, ben jij ook nog wakker?" vroeg Jan, die in de meening verkeerd
had, dat Jacob allang sliep.
"Ik heb nog geen oog dicht gedaan," zei Jacob. "Ik moet er aldoor
aan denken. Ik wou, dat ik met je meê mocht."
"Later ga je ook varen, heeft Sinjeur Calff gezegd; heb dus maar
geduld. O, Jacob, ik ben toch zoo blij, om Moeder, weet je. Nu is ze
uit de zorg!"
"Ja, dat is ze. En Jan," vervolgde Jacob lachend, "pas maar op, dat je
niet net als Jacob Dieukes van Assendelft paardje gaat rijden op den
rug van een walvisch. Je mocht er eens niet zoo goed afkomen als hij."
"'t Liefst niet!" zei Jan. "Wie gaat er nu paardrijden op den rug
van een walvisch? En wie is die Jacob Dieukes?"
"'t Is toch echt gebeurd," zei Jacob, "want Jonge Kees heeft het me
zelf verteld. Jacob Dieukes was een harpoenier, die een getroffen
walvisch een tweeden harpoen in het lichaam wilde werpen. Maar de
visch kwam juist onder de sloep boven water, wat zoo'n schok gaf,
dat de harpoen Jacob uit de handen viel precies in den rug van den
visch. En de harpoenier viel ook uit de sloep, en kwam naast zijn
harpoen terecht. En het trof erg ongelukkig, want de lijn van den
harpoen was hem twee bochten om zijn been geslagen, en hij kon zich
niet losmaken. Toen moest hij wel meê, of hij wilde of niet. Zeg Jan,
dat zal toch ook een benauwd oogenblik voor hem geweest zijn, denk ik."
"Of het," zei Jan. "Hij liever dan ik."
"Ja, maar hij wou ook niet graag, en hij keek angstig uit naar
hulp. Verbeeld je eens, dat de walvisch onder water gedoken was voor
een minuut of wat. Dan was Jacob meegesleurd en verdronken."
"Wis en zeker," zei Jan. "En hij is nog losgekomen?"
"Dat zal ik je vertellen. De andere sloepen roeiden, wat ze konden,
om den walvisch in te halen, maar dat gelukte hun niet, want de visch
was nog maar pas getroffen en had dus nog veel kracht. Toen riepen
zijn kameraden hem toe:
"Jacob, snijd de lijn aan stukken!"
"Natuurlijk, dat was zijne eenige redding!" zei Jan. "En deed hij het?"
"Neen, hij deed het niet, want hij kòn niet, omdat het mes hem dwars
in zijn zak lag, zoodat hij het er niet uit kon krijgen. Hij hield
zich stevig vast aan de lijn van den harpoen, want als hij dat niet
gedaan had, was hij van het glibberige beest afgegleden in het water,
met het hoofd naar beneden, omdat hij met zijn been in de lijn
verward zat. Het was echter zijn geluk, dat de harpoen losraakte,
zoodat hij zijn waterpaard verlaten kon. En 't was juist bijtijds,
want een oogenblik later dook de visch onder...."
"Hebben de anderen hem toen gered?" vroeg Jan.
"Ja, en den visch hebben zij nog gevangen ook. Maar 't was met dat
al toch eene wonderlijke manier, om uit varen te gaan, en ik zou je
niet raden, om het hem na te doen."
"'k Heb er ook geen plan op.--Maar jou raad ik aan, nu te gaan slapen,
want het is haast middernacht. Wel te rusten!"
"Geen haar minder op je pruik," wenschte Jacob, en weldra sliepen
zij beiden in.
's Woensdags daaropvolgende ging Jan op weg naar de herberg
"Spitsbergen," om zich te verhuren. Maar hij was nog geen honderd
schreden op weg, of hij zag Nicolaas Calff naderen, in gezelschap
van zijn trouwen hond. 't Scheen wel, of het dier Jan dankbaar was,
voor hetgeen deze gedaan had, want hij kwam kwispelstaartend op hem
toe, en likte hem de handen. Soms sprong hij luid blaffend om hem heen.
"Dag Nicolaas, weer geheel beter?" zei Jan.
"Gelukkig wel!" was het antwoord van Nicolaas, terwijl hij Jan de hand
gaf. "Zonder jou was ik mortibus geweest naar alle waarschijnlijkheid,
en ik dank je wel voor je kloekmoedige daad, Jan. Maar zeg, waar ga
je heen? Naar de herberg "Spitsbergen?"
"Ja, om mij te verhuren. Je weet, dat je vader het mij heeft beloofd?"
"Ja, dat weet ik," zei Nicolaas. "Ik ga met je meê. Vader is er ook."
De beide jongens en Castor vervolgden hun weg en kwamen weldra
op den hoek van den Dam aan. Vroolijk wapperde de vlag uit een
van de bovenramen der herberg, en een groote menigte volks bewoog
zich op de straat daar voor. Van heinde en verre waren mannen en
jongelieden opgekomen, om zich op de vloot te verhuren. Arbeiders
van de Saardamsche pel- en oliemolens, welke 's zomers weinig of
met halve kracht maalden, hadden zich oudergewoonte opgemaakt, om
zich een plaatsje op de Groenlandsche vloot te veroveren, en uit vele
Noord-Hollandsche dorpen, ja zelfs uit Friesland, van de eilanden der
Noordelijke kusten, uit Duitschland, Jutland en Noorwegen was men
naar hier getogen, om zich voor de vaart te laten aanmonsteren. 't
Was dientengevolge zeer druk op de straten, en men hoorde spreken in
velerlei dialecten en talen.
Maar Jan bekommerde zich allerminst om die groote concurrentie,
want hij vertrouwde volkomen op de belofte van Sinjeur Calff, dat
hij aangenomen zou worden.
Hij werd dan ook zeer vriendelijk ontvangen door den Commandeur Jan
Folkersz, en door dezen op vriendelijke wijze als kajuitswachter
gehuurd. 't Was zeer druk in de herberg, en Jan bevond zich daar
te midden van stuurlieden, matrozen, timmerlieden, kuipers, koks,
harpoeniers en zelfs chirurgijns. Want met elk schip ging een
chirurgijn mede, die de zieken aan boord moest behandelen en tevens
als barbier fungeeren.
Ieder, die gehuurd was, ontving zijn handgeld, waarmede hij zich nog
een paar dagen aan wal vroolijk kon maken, wat velen dan ook maar
al te zeer deden. Vrijdags daaropvolgende zou de aanmonstering aan
boord van het schip plaats hebben, wat gewoonlijk gevolgd werd door
een stokvischmaal voor de reeders en hunne gasten, en den anderen
dag zou de vloot uitzeilen.
De Commandeur ontving van Sinjeur Calff, den boekhouder, 150 gulden
als handgeld, een stuurman 65, een timmerman 40 à 45, een kok 36,
een chirurgijn ook zooveel, een matroos 18 of 20 gld., enz. Jan
ontving ook twintig gulden, maar dat was alleen te danken aan de
omstandigheid, dat Sinjeur Calff de boekhouder was. Jan kreeg er
zelfs nog een vriendelijken handdruk bij.
Na beleefd zijne muts voor de heeren afgenomen te hebben, verliet hij
in allerijl de herberg, niet om als zoovelen zijn geld aan allerlei
onnutte dingen te besteden, maar om zich met zijn schat naar zijne
lieve moeder te begeven. Wat voelde hij zich rijk en gelukkig met dat
geld, het eerste, dat dienen moest, om zijn moeder de zorg voor het
gezin te verlichten. Hij liep op een draf naar zijn huis, en telde met
van blijdschap stralende oogen het geld voor haar uit op de tafel. En
hij kon er zijne blikken bijna niet van afwenden. Opeens vloog hij
zijne moeder om den hals en kuste haar gelukkig en dankbaar op de
beide wangen. 't Was voor beiden een oogenblik, om nooit te vergeten!
Twee dagen later begaf hij zich naar zijn schip, het Bonte Calff,
dat er feestelijk uitzag. De vlaggen wapperden van de masten, evenals
van de andere schepen der vloot, en vele mannen en vrouwen, in hun
Zondagsche gewaad, bewogen zich aan boord.
Geen wonder trouwens. 't Was een feestdag voor allen, die aandeelen
in het schip hadden. Heden werd de equipage aangemonsterd en zou het
feestmaal gehouden worden. Dat Sinjeur Calff, de boekhouder, hierbij
de voornaamste persoon was, behoeft niet te worden gezegd. Hij en de
Commandeur hadden in de kajuit plaats genomen, en Jan Willemsz riep
alle mannen van de equipage een voor een binnen, om de monsterrol te
teekenen, welke daad inhield, dat zij gehoorzaamheid en trouw aan den
Commandant beloofden, en zich verbonden, getrouw aan alle gestelde
wetten te zullen voldoen. Jan zelf teekende het laatst van allen.
En toen gingen de gasten aan tafel, waarvan volgens aloud gebruik
stokvisch den hoofdschotel vormde. Jan hield de wacht aan de deur
van de kajuit.
De parelende wijn vulde de glazen, en Sinjeur Calff stond op, om een
woord van afscheid te spreken. Hij hief het glas omhoog, en sprak den
wensch uit, dat het Bonte Calff een gelukkige reis zou hebben en een
voorspoedige vangst. Hij wenschte allen gezondheid en voorspoed toe, en
hoopte hen over enkele maanden behouden in het vaderland terug te zien.
En nauwelijks was hij uitgesproken, of Commandeur Jan Folkersz stond
op, om den spreker te beantwoorden. Hij dankte den boekhouder voor
diens hartelijke woorden en goede wenschen, en gaf de verzekering,
dat hij voor schip en goed zou zorgen als voor zijn leven, en dat
hij het belang der reederij zou behartigen, alsof het zijn eigen
was. "Daarop," zoo riep hij uit met verheffing van stem, "schenke
God de Heer zijn onmisbaren zegen!"
Bij deze woorden gaf hij Jan een wenk, wien hij vooraf zijne bevelen
gegeven had, en deze spoedde zich de trap op naar boven, naar den
stuurman, om hem te zeggen, dat het tijd was. En op een wenk van
deze brandde met donderend geluid het kanon los, om de gebruikelijke
saluutschoten te doen.
Nog den geheelen dag duurde het feest voort, en 't was al avond
geworden, eer de gasten naar huis terugkeerden.
Toen ging ook Jan naar huis, en den volgenden dag had hij het druk met
afscheid nemen. Al zijne kameraden ging hij groeten, en zelfs Hein Pomp
werd niet vergeten. En 't laatst van allen ging hij naar Sinjeur Calff,
om ook daar goeden dag te zeggen. Juffrouw Calff kuste hem hartelijk,
want zij gevoelde zich zeer tot den knaap aangetrokken, die het leven
van haar Nicolaas had gered. En Sinjeur Calff drukte hem de hand,
en vermaande hem, terdege zijn plicht te doen.
"Jongen, verlies dat nooit uit het oog, dan kun je het nog ver brengen
in de wereld," zoo besloot hij. "Wees trouw en eerlijk in handel en
wandel, en toon je den waardigen zoon van je brave moeder."
Maar het moeilijkste afscheid kwam 's Zaterdagsmorgens nog voor hem
aan, want toen moest hij zijn moeder vaarwel zeggen, en Jacob en
kleine zus. Nu, kleine zus had er nog niet veel weet van, en Jacob
huilde er ook niet om. Integendeel, hij vond het wàt een feest, dat
hij zijn broer naar 't schip mocht brengen en dientengevolge niet
naar school hoefde. Maar zijn moeder had al den geheelen morgen bleek
gezien en was geducht in de war. En toen het oogenblik van scheiden
gekomen was, kon zij hare tranen bijna niet bedwingen. Maar dat deed
zij toch. Zij wilde zich tegenover haar jongen niet zwak toonen en
hem dit afscheid niet zwaarder maken, dan het reeds was. Toen het
oogenblik van scheiden dan ook was gekomen, sloeg zij hem zwijgend
de armen om den hals en kuste hem vaarwel.
"Dag moedertje,--tot weerziens!" zei Jan zacht. Daarna knuffelde hij
kleine zus, nam zijn scheepszak op den rug en ging heen.
Maar zijne moeder vergezelde hem tot op den Hoogendijk. Daar groetten
zij elkander nog eenmaal, en toen ging jan heen, vergezeld van zijn
broer Jacob. Nog een paar malen keek Jan om naar zijne moeder, om
haar nog eens toe te wuiven, tot hij haar eindelijk niet meer zien kon.
Na eenige minuten kwamen zij aan boord van het Bonte Calff, waarvan
de geheele bemanning reeds compleet was. De wind was gunstig, en de
commandeur gaf bevel, enkele zeilen te hijschen. Ook op de andere
walvischvaarders heerschte levendigheid en drukte, want de schepen
zouden alle tegelijk afvaren. En tal van bootjes met familieleden van
het scheepsvolk voer op de Voorzaan heen en weer, en telkens opnieuw
riep men elkander een hartelijk vaarwel toe.
Eindelijk stapte Sinjeur Calff in de boot,--want hij was ook op het
schip om afscheid te nemen van den Commandeur en van Jan,--en hij
bood Jacob daarin ook een plaatsje aan. Het afscheid tusschen de
beide broeders duurde maar kort.
"Dag Jan, goede reis en behouden weerkomst!" zei Jacob, terwijl hij
Jan de hand drukte.
"Dag Jacob, het ga je goed. Groet moeder en zus nog eens van me. Tot
weerziens!"
De boot stak van wal, en Commandeur Folkersz gaf bevel de ankers
te lichten.
Langzaam zette het mooie schip zich in beweging, en statig gleed het
de Voorzaan af naar het breede IJ. Andere schepen volgden, wat een
mooi gezicht was voor de Saardammers, die het fraaie schouwspel met
belangstelling gadesloegen. 't Uitvaren van de Groenlandsche vloot was
altoos eene gebeurtenis van groot belang, en wie het half kon doen,
ging er een kijkje van nemen.
Ook vele vrouwen, sommigen met een klein kind op den arm en nog wel
een of twee aan de rokken, liepen op den Hoogendijk, om het vertrek
bij te wonen van den echtgenoot, die voor langen tijd van huis ging
om het brood te verdienen voor de zijnen. En menigeen vroeg zich
fluisterend af:
"Zou ik hem weerzien? Zou hij niet blijven in die verre zee?"--