Sinds het bovenstaande geschreven werd, is er weder een nieuwe Duitsche
uitgaaf van het manifest noodig geworden, en is er ook allerlei met het
manifest gebeurd, dat hier moet vermeld worden.
Een tweede Russische vertaling--van Vera Sassulitsch--verscheen in
1882 te Genève: de voorrede daarvan werd door Marx en mij geschreven.
Ongelukkig is het oorspronkelijke Duitsche handschrift mij uit handen
geraakt, ik moet dus uit het Russisch terug vertalen, waardoor het werk
niet wint. Zij luidt:
„De eerste Russische uitgaven van het „Manifest der Communistische
Partij”, in Bakoenine’s vertaling, verscheen kort na 1860 in de
drukkerij van den „Kolokol”. In dien tijd had eene Russische uitgaaf
van dit geschrift voor het Westen op zijn hoogst de beteekenis van
een litteraire curiositeit. Tegenwoordig is zulk eene opvatting niet
meer mogelijk. Welk een beperkten omvang het gebied der proletarische
beweging had, in den tijd van de eerste publicatie van het Manifest
(Januari 1848), blijkt het best uit het laatste hoofdstuk: „Het
standpunt der communisten tegenover de verschillende politieke
partijen.” Hier ontbreken vóór alles Rusland en de Vereenigde Staten.
Het was de tijd, toen Rusland de laatste groote reserve der Europeesche
reactie vormde, en toen de landverhuizing naar de Vereenigde Staten de
overtollige krachten van het Europeesche proletariaat opslorpte. Beide
landen verzorgden Europa met grondstoffen, en dienden tegelijkertijd
als markten voor den afzet van zijn industrie-producten. Beide dienden
dus, op deze of op gene manier, als steunpilaren der Europeesche
maatschappelijke orde.
„Hoe is dat alles thans veranderd! Juist de Europeesche landverhuizing
heeft de kolossale ontwikkeling van den Noord-Amerikaanschen akkerbouw
mogelijk gemaakt, die door zijne concurrentie het groote zoowel als het
kleine grondeigendom in Europa in zijn grondvesten doet sidderen. Zij
heeft tegelijkertijd aan de Vereenigde Staten de mogelijkheid gegeven,
met de uitbuiting te beginnen van hunne rijke industrieele hulpbronnen,
en wel met zulk een energie en op zulk een schaal, dat dit in korten
tijd aan het industrieele monopolie van het Westen van Europa een
einde maken moet. En deze beide omstandigheden werken ook op Amerika
in revolutionaire richting terug. Het kleine en middelsoort grondbezit
der zelf-arbeidende farmers, de grondslag der geheele politieke orde in
Amerika, bezwijkt meer en meer voor de concurrentie der reuzenfarms,
terwijl tegelijkertijd in de industrieele streken voor de eerste maal
een talrijk proletariaat zich vormt naast een fabelachtige concentratie
van kapitaal.
„Gaan wij naar Rusland. In den tijd der revolutie van 1848-1849 zagen
niet slechts de Europeesche alleenheerschers, maar ook de Europeesche
bourgeois, in de interventie van Rusland de eenige redding voor het,
toen juist eerst zich zijn kracht bewust wordend proletariaat. Zij
proclameerden den czaar tot hoofd der Europeesche reactie. Nu zit hij
in Gatschina als krijgsgevangene der revolutie, en Rusland vormt de
voorhoede der revolutionaire beweging in Europa.
„De taak van het communistische manifest was de verkondiging van den
onvermijdelijk naderenden ondergang van het tegenwoordige burgerlijke
eigendom. In Rusland echter vinden wij, naast de zich met koortsachtige
haast ontwikkelende kapitalistische orde en het zich juist eerst
vormende burgerlijk grondeigendom, de grootste helft van den grond in
het gemeenschappelijk eigendom der boeren.
„De vraag is nu: Kan de Russische boerengemeente, deze wel reeds zeer
vergane vorm van het oorspronkelijke gemeenschappelijk eigendom van
den bodem, onmiddellijk overgaan in een hoogeren communistischen vorm
van grondeigendom, of moet zij eerst hetzelfde proces van oplossing
doormaken, dat zich in de historische ontwikkeling van het Westen
vertoont?
„Het eenige, thans mogelijke antwoord op deze vraag is het
volgende: Wanneer de Russische revolutie het sein wordt tot eene
arbeidersrevolutie in het Westen, zoodat beide elkaar aanvullen, dan
kan het huidige Russische gemeenschappelijk eigendom tot uitgangspunt
eener communistische ontwikkeling dienen.
„~Londen~, 21 Januari 1882.”
* * * * *
Eene nieuwe Poolsche vertaling verscheen in denzelfden tijd te Génève:
Manifest Communistyczny.
Verder is er eene nieuwe Deensche vertaling verschenen in de
„Socialdemokratisk Bibliothek”, Kjöbenhavn 1885. Zij is, helaas, niet
geheel volledig; eenige belangrijke plaatsen, die den vertaler te
moeilijk schijnen geweest te zijn, zijn weggelaten, en ook buitendien
zijn er hier en daar sporen van vluchtigheid op te merken, die te
onaangenamer treffen, omdat men het de bewerking aanziet, dat de
vertaler bij wat meer zorg iets voortreffelijks had kunnen leveren.
In 1886 verscheen een nieuwe Fransche vertaling in „Le Socialiste” te
Parijs; het is de beste van de tot nu toe verschenene.
Naar haar werd in hetzelfde jaar een Spaansche vertaling eerst
in „El Socialista”, Madrid, en daarna als brochure gepubliceerd:
Manifiesto del Partido Comunista por Carlos Marx y F. Engels, Madrid,
Administracion de „El Socialista”, Hernan Cortés.
Als curiositeit vermeld ik nog, dat in 1887 het handschrift van
eene Armenische vertaling aan een uitgever te Constantinopel werd
aangeboden; de goede man had evenwel niet den moed, iets te drukken,
waarop de naam Marx stond, en was van meening, de vertaler moest zich
liever zelf als den schrijver noemen; wat deze evenwel afsloeg.
Nadat nu de eene, dan de andere der meer of minder onjuiste
Amerikaansche vertalingen meermalen in Engeland was herdrukt, verscheen
eindelijk in het jaar 1888 eene authentieke vertaling. Zij is van
mijn vriend Samuel Moore, en voor den druk nog eens door ons beiden
te zamen doorgezien. De titel is Manifest of the Communist Party, by
Karl Marx and Frederick Engels. Authorized English Translation, edited
and annotated by Frederick Engels, 1888. London, William Reeves, 185
Fleetstreet E. C. Sommige van de aanmerkingen bij die uitgave heb ik in
deze den lezer vóórliggende overgenomen.
Het manifest heeft een eigen levensloop gehad. Op het oogenblik van
zijn verschijning door de toenmaals nog weinig talrijke voorhoede van
het wetenschappelijk socialisme geestdriftig begroet (zooals de in de
eerste voorrede vermelde vertalingen bewijzen), werd het spoedig op den
achtergrond gedrongen door de, met de nederlaag der Parijsche arbeiders
in Juni 1848 beginnende reactie, en eindelijk „van rechtswege”
vogelvrij en in den ban verklaard door de veroordeeling der Keulsche
communisten in November 1852. Toen de van de Februari-revolutie
dateerende arbeidersbeweging van het tooneel verdween, trad ook het
manifest op den achtergrond.
Toen de Europeesche arbeidersklasse zich weder voldoende versterkt
had tot een nieuwen storm tegen de macht der heerschende klassen,
ontstond de Internationale Arbeiders-Associatie. Zij had ten doel,
de geheele strijdbare arbeidersmassa van Europa en Amerika tot een
groote legermacht samen te smelten. Zij kon dus niet ~uitgaan~ de
in het manifest nedergelegde grondstellingen. Zij moest een program
hebben, dat voor de Engelsche Trades Unions, de Fransche, Belgische,
Italiaansche en Spaansche Proudhonisten, en de Duitsche aanhangers
van Lassalle[2] de deur niet sloot. Dit program--de overwegingen tot
de statuten der Internationale--werd door Marx met een zelfs door
Bakoenine en de anarchisten erkend meesterschap ontworpen. Voor de
eindelijke overwinning der in het manifest opgebouwde stellingen
verliet Marx zich enkel en alleen op de intellectueele ontwikkeling
der arbeidersklasse, zooals zij uit de gemeenschappelijke actie en uit
de discussie noodzakelijk moest voorkomen. De gebeurtenissen en het
afwisselend geluk in den strijd tegen het kapitaal, de nederlagen nog
meer dan de overwinningen, konden niet anders, dan den strijdenden het
onvoldoende hunner tot nog toe aangenomen middelen-tegen-alle-ziekten
duidelijk maken, en hunne hoofden ontvankelijker maken voor een
grondig inzicht in de ware voorwaarden der arbeidersbevrijding. En
Marx had gelijk. De arbeidersklasse van 1874, bij het tenietgaan der
Internationale, was eene geheel andere dan die van 1864, bij hare
stichting, geweest was. Het Proudhonisme in de Romaansche landen, het
specifieke Lassalleanisme in Duitschland, waren aan het uitsterven,
en zelfs de toenmalige aartsconservatieve Engelsche Trades-Unions
gingen langzamerhand het punt tegemoet, waarop in 1887 de president
van hun congres, te Swansea, in hun naam kon zeggen: „Het socialisme
van het vasteland heeft zijn verschrikkingen voor ons verloren.” Het
socialisme van het vasteland, dat was evenwel reeds in 1887 bijna
nog slechts de theorie, die in het manifest wordt verkondigd. En zoo
weerspiegelt de geschiedenis van het manifest tot op zekere hoogte de
geschiedenis der moderne arbeidersbeweging sinds 1848. Tegenwoordig is
het ongetwijfeld het meest verbreide, het internationale product der
geheele socialistische litteratuur, het gemeenschappelijk program van
vele millioenen van arbeiders aller landen van Siberië tot Californië.
[2] Lassalle bekende zich persoonlijk, tegenover ons, steeds als
„leerling” van Marx, en stond als zoodanig, zooals van zelf sprak, op
den bodem van het manifest. Anders diegenen zijner aanhangers, die
niet verder gingen dan zijn eisch van productieve verenigingen met
Staatscrediet en die de geheele arbeidersklasse indeelden in Staats-
en zelfhelpers.
En toch, toen het verscheen, hadden wij het niet een ~socialistisch~
manifest mogen noemen. Onder socialisten verstond men in 1847 tweeërlei
soort van lieden. Eensdeels de aanhangers der verschillende utopische
stelsels, in ’t bijzonder de Owenisten in Engeland en de Fourieristen
in Frankrijk, die beide reeds toenmaals tot niets dan, langzaam
uitstervende, secten waren verschrompeld. Anderdeels de veelsoortige
sociale kwakzalvers, die met hunne verschillende geneesmiddelen voor
alle kwalen en met iedere soort van lapwerk de maatschappelijke
misstanden wilden doen verdwijnen, zonder het kapitaal of het profijt
in het minst pijn te doen. In beide gevallen: lieden, die buiten de
arbeidersbeweging stonden, en die veeleer ondersteuning zochten bij
de „beschaafde” klassen. Dat gedeelte der arbeiders daarentegen dat,
van het onvoldoende van alle politieke omwentelingen overtuigd, een
grondige omvorming der maatschappij eischte, dat gedeelte noemde zich
toenmaals ~communistisch~. Het was een slechts in het ruw gewerkt,
slechts instinctief, menigmaal ietwat grof communisme, maar het was
machtig genoeg, om twee stelsels van het utopisch communisme voort te
brengen, in Frankrijk het „Icarische” van Cabet, in Duitschland dat van
Weitling.
Socialisme beteekende in 1847 een bourgeoisbeweging, communisme eene
arbeidersbeweging. Het socialisme was, op het vaste land ten minste,
geschikt voor de salon; het communisme precies het tegendeel. En daar
wij reeds toenmaals zeer beslist van meening waren, dat „de bevrijding
der arbeiders het werk der arbeidersklasse zelve zijn moet”, zoo konden
wij geen oogenblik in twijfel zijn, welken der twee namen te kiezen.
Ook sinds dien is het ons nooit ingevallen, hem af te wijzen.
„Proletariërs aller landen, vereenigt u!” Slechts weinige stemmen
antwoordden, toen wij deze woorden de wereld in riepen, nu voor 42
jaren, aan den vooravond der eerste Parijsche revolutie, waarin
het proletariaat met eigen eischen te voorschijn trad. Maar op
den 28en September 1864 vereenigden zich proletariërs der meeste
West-Europeesche landen tot de Internationale Arbeiders-Associatie,
roemvoller gedachtenis. De Internationale zelve leefde weliswaar
maar negen jaren. Maar dat de door haar gegronde eeuwige bond der
proletariërs aller landen nog leeft, en krachtiger leeft dan ooit,
daarvoor bestaat geen beter getuige dan juist de dag van heden.
Want heden, nu ik deze regels schrijf, houdt het Europeesche en
Amerikaansche proletariaat wapenschouwing over zijne voor de eerste
maal mobiel gemaakte strijdkrachten, mobiel gemaakt als één leger,
onder één vlag en voor één naast doel: den reeds door het congres van
Genève der Internationale van 1866, en wederom door het Parijsche
arbeiderscongres van 1889 geproclameerden, wettelijk vast te stellen,
achturigen normalen arbeidsdag. En het schouwspel van den huidigen dag
zal den kapitalisten en grondbezitters van alle landen de oogen er voor
openen, dat heden de proletariërs aller landen in der daad vereenigd
zijn.
Stond Marx nog maar naast mij, om dit met eigen oogen te zien.
~Londen~, op den eersten Mei 1890.