Het was in den tijd, dat Onze Lieve Heer en de heilige Petrus
pas teruggekomen waren in het Paradijs, na over de aarde te hebben
rondgewandeld en veel ellende geleden te hebben, vele jaren lang. Ge
kunt wel begrijpen hoe blij de heilige Petrus was. Ge kunt wel denken,
dat het heel wat anders was op den Paradijsberg te zitten en over
de wereld uit te zien, dan van deur tot deur te zwerven, als een
bedelaar. Het was heel wat anders, in de lusthoven van het Paradijs
rond te wandelen, dan op aarde te zijn en niet te weten of men een
dak boven 't hoofd zou hebben in den stormachtigen nacht, of dat
men gedwongen zou zijn buiten op den weg rond te zwerven in kou en
duisternis. Ge kunt u voorstellen welk een vreugd het moet geweest
zijn eindelijk op de rechte plaats te zijn aangekomen, na zulk een
reis. De heilige Petrus was er nog altijd niet zeker van geweest,
dat alles goed zou afloopen. Hij had niet kunnen laten nu en dan te
twijfelen en onrustig te zijn, want het was bijna onmogelijk geweest
voor den heiligen Petrus, dien stakker, te begrijpen waar het voor
dienen moest, dat zij het zóó zwaar hadden, als Onze Lieve Heer
bestuurder van de heele wereld was.
En nu zou nooit eenig verlangen meer over hem komen. Ge kunt begrijpen,
dat hij daar blij om was.
Nu kon hij er om lachen, als hij er aan dacht, hoe bedroefd hij en
Onze Lieve Heer dikwijls geweest waren en met hoe weinig zij tevreden
hadden moeten zijn.
Eens, toen het hun zoo slecht ging, dat hij meende het niet langer
te kunnen uithouden, had Onze Lieve Heer hem meêgenomen en was een
hoogen berg opgegaan, zonder hem te zeggen, wat zij daar boven te
maken hadden.
Ze waren voorbij steenen grotten gekomen, die aan den voet van den
berg lagen en voorbij kasteelen, die hooger op lagen.--Zij waren nog
verder gegaan dan waar de boerderijen liggen en de hutten der herders,
en zij hadden de steenen grot van den laatsten houthakker ver achter
zich gelaten.
Eindelijk waren zij daar gekomen, waar de berg naakt was, zonder
boomen of planten, en waar een hermiet zich een hut gebouwd had om
reizigers in nood te kunnen helpen.
Toen waren zij over het sneeuwveld gegaan, waar de marmotten slapen
en bij de woeste, opeengestapelde ijsmassa's aangekomen, die hier en
daar met kanten en punten naar boven staken, zoodat daar nauwelijks
een steenbok vooruit kon komen.
Daar had Onze Lieve Heer een klein goudvinkje gevonden, dat
doodgevroren op het ijs lag, en hij had het opgenomen en bij zich
gestoken. En de heilige Petrus herinnerde zich, dat hij zich afgevraagd
had, of die vogel misschien hun middagmaal uitmaken zou.
Toen hadden ze een langen tijd over de glibberige ijsblokken
voortgeloopen en de heilige Petrus had gemeend, dat hij nooit het
doodenrijk meer nabij geweest was, want een ijskoude wind en een
stikdonkere nevel was om hen heen, en zoover hij kon nagaan was daar
niets levends meer. En toch waren zij nog niet verder dan midden op
den berg gekomen.
Toen had hij Onzen Lieven Heer gesmeekt om terug te keeren.
"Nog niet," antwoordde Onze Lieve Heer, "want ik wil u iets laten zien,
dat u moed zal geven om alles te verdragen."
Dus waren ze verder gegaan door nevel en kou, tot ze bij een eindeloos
hoogen muur kwamen, die hun belette verder te komen.
"Deze muur gaat verder om den berg," sprak Onze Lieve Heer, "en ge
kunt er nergens over heen komen. Evenmin kan eenig mensch iets zien
van wat daar achter is, want daar zijn de velden van het Paradijs,
en hier wonen de zaligen."
Maar de heilige Petrus kon niet helpen, dat hij er ongeloovig
uitzag. "Daar binnen is het niet donker en koud als hier," sprak Onze
Lieve Heer. "Daar is het zomer en staat alles groen in den helderen
schijn van zon en sterren."
Maar de heilige Petrus had het niet kunnen gelooven. Toen nam Onze
Lieve Heer het vogeltje, dat Hij op het ijsveld gevonden had en Hij
boog zich achterover en wierp het over den muur, zoodat het in het
Paradijs viel.
En onmiddellijk daarna hoorde de heilige Petrus een jubelend gekweel
en herkende het gezang van den goudvink. En hij was zeer verbaasd.
Hij wendde zich tot Onzen Lieven Heer en zei: "Laat ons weer naar
de aarde teruggaan en alles verdragen; want nu zie ik, dat Gij de
Waarheid gesproken hebt, en dat er een plaats is, waar het leven den
dood overwint."
En zij waren neergedaald van den berg en waren hun zwerftocht opnieuw
begonnen. Sinds dien tijd had de heilige Petrus in lange jaren niets
anders van het Paradijs gezien dan dit, en had maar steeds loopen
verlangen naar het land achter den muur. En nu was hij er eindelijk
en hoefde niet meer te verlangen. Nu kon hij heel den langen dag met
beide handen genot en vreugde scheppen uit onuitputtelijke bronnen.
Maar de heilige Petrus was nog geen veertien dagen in het Paradijs
geweest of een engel kwam bij Onzen Lieven Heer, die op Zijn troon
zat, boog zeven maal voor Hem en zeide, dat den heiligen Petrus een
groot ongeluk moest zijn overkomen. Hij wilde niet eten of drinken,
en zijn oogen waren rood, alsof hij in vele nachten niet geslapen
had. Zoodra Onze Lieve Heer dit hoorde, stond Hij op en ging den
heiligen Petrus opzoeken.
Hij vond hem ver weg aan de grens van het Paradijs. Hij lag op den
grond, alsof hij te uitgeput was om te staan, en hij had zijn kleeren
verscheurd en asch op zijn haar gestrooid. Toen Onze Lieve Heer hem
zoo bedroefd zag, ging Hij naast hem zitten op den grond en sprak
hem toe, zooals Hij gedaan zou hebben, toen zij nog beneden in de
bekommeringen der aarde samen rondwandelden.
"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer.
Maar de droefheid van den heiligen Petrus was zóó groot, dat hij geen
antwoord kon geven.
"Wat maakt u zoo bedroefd, heilige Petrus?" vroeg Onze Lieve Heer
opnieuw.
Toen Onze Lieve Heer die vraag herhaalde, nam de heilige Petrus zich
de gouden kroon van het hoofd en wierp die voor de voeten van Onzen
Lieven Heer, alsof hij zeggen wou, dat hij geen deel meer aan Zijn
eer en heerlijkheid wou hebben. Maar Onze Lieve Heer begreep wel,
dat de heilige Petrus zóó bedroefd was, dat hij niet wist wat hij
deed en Hij werd ook niet boos op hem.
"Ge moet me toch zeggen wat u scheelt," zei Hij even zachtmoedig als
te voren en met nog grooter liefde in zijn stem.
Maar nu sprong de heilige Petrus op en Onze Lieve Heer zag nu, dat
hij niet alleen bedroefd, maar ook boos was. Hij kwam naar Onzen
Lieven Heer toe met gebalde vuisten en fonkelende oogen.
"Nu wil ik mijn ontslag uit Uw dienst hebben," zei de heilige
Petrus. "Ik wil geen dag langer in het Paradijs blijven."
En Onze Lieve Heer zocht hem tot kalmte te brengen, zooals Hij al
zoo dikwijls gedaan had, als de heilige Petrus opstoof.
"Ge zult zeker verlof krijgen om heen te gaan," zei Hij, "maar eerst
moet ge mij zeggen wat u mishaagt."
"Ik wil U wel zeggen, dat ik beter loon verwachtte, toen wij beiden
in de wereld allerlei ellende verdroegen," zei de heilige Petrus.
Onze Lieve Heer zag, dat de ziel van den heiligen Petrus met bitterheid
vervuld was en Hij werd niet boos op hem.
"Ik zeg u immers, dat het u vrijstaat heen te gaan, wanneer ge wilt,"
zei Hij, "alleen moet ge mij zeggen, wat u zoo bedroefd maakt."
Toen vertelde de heilige Petrus eindelijk, waarom hij zoo ongelukkig
was. "Ik had een oude moeder," zei hij, "en zij stierf een paar
dagen geleden."
"Nu weet ik, wat u kwelt," zei Onze Lieve Heer. "Ge lijdt, omdat uw
moeder niet hier in het Paradijs gekomen is."
"Zoo is het," antwoordde de heilige Petrus, en weer werd zijn smart
zóó hevig, dat hij begon te snikken en te jammeren.
"Ik meende toch wel, dat ik verdiend had, dat zij hier mocht komen,"
zei hij.
Maar nu Onze Lieve Heer wist waarom de heilige Petrus zoo treurde,
werd Hij op Zijn beurt bedroefd, want de moeder van den heiligen Petrus
was niet zoo geweest, dat zij in den hemel kon komen. Ze had nooit
aan iets anders gedacht dan aan geld bijeen te schrapen, en aan armen,
die aan haar deur kwamen, had ze niets, zelfs nooit een glas water of
een stuk brood, gegeven. En nu vond Onze Lieve Heer het hard om den
heiligen Petrus te zeggen, dat zijn moeder zoo gierig geweest was,
dat zij de zaligheid niet kon genieten.
"Heilige Petrus," zei Hij, "hoe kunt ge zoo zeker weten, dat uw moeder
zich gelukkig zou voelen bij ons?"
"Zie, zoo iets zegt Ge maar om mijn gebed niet te hoeven verhooren,"
zei de heilige Petrus. "Wie zou nu niet gelukkig in het Paradijs zijn?"
"Zij, die geen vreugde kennen over de blijdschap van anderen,"
antwoordde Onze Lieve Heer.
"Dan zijn er wel anderen dan mijn moeder, die hier niet passen,"
zei de heilige Petrus en Onze Lieve Heer merkte, dat hij aan Hem dacht.
En Hij voelde zich diep bedroefd, omdat de heilige Petrus door zulk een
felle smart getroffen was, dat hij niet meer wist wat hij zeide. Hij
bleef een poos staan wachten of de heilige Petrus ook berouw zou
toonen en begrijpen, dat zijn moeder niet in het Paradijs paste,
maar hij wilde niet toegeven.
Toen riep Onze Lieve Heer een engel en beval hem neer te dalen naar de
hel, en de moeder van den heiligen Petrus naar het Paradijs te halen.
"Laat mij zien hoe hij haar naar boven brengt," vroeg de heilige
Petrus.
Onze Lieve Heer nam hem bij de hand en leidde hem naar den rand van
een rots, die aan den eenen kant loodrecht naar beneden ging. En hij
wees hem hoe hij daar maar overheen te kijken had, om regelrecht in
de hel te kunnen zien.
Toen de heilige Petrus naar beneden keek, kon hij in 't begin niet
meer onderscheiden, dan wanneer hij in een put had gezien. Het was
alsof zich een bodemlooze afgrond onder hem opende.
Het eerste, wat hij later kon onderscheiden, was de engel, die reeds
op weg naar de diepte was. Hij zag hoe hij in de dichte duisternis
naar beneden snelde, zonder eenige vrees, en alleen de vleugels
uitspreidde om niet al te snel te vallen.
Maar toen de oogen van den heiligen Petrus wat meer aan 't duister
wenden, begon hij steeds meer te zien. Hij zag eerst, dat het Paradijs
op een ringvormigen berg lag, dat een diepe afgrond het omgaf en dat de
verdoemden op den bodem daarvan huisden. Hij zag hoe de engel altijd
door daalde en daalde, zonder nog geheel in de diepte te komen. Hij
werd er geheel door ontzet, dat het zóó ver weg was.
"Als hij nu maar weer naar boven kan komen met mijn moeder," zeide hij.
Onze Lieve Heer zag den heiligen Petrus aan met groote, bedroefde
oogen.
"Er is geen gewicht zóó groot, dat mijn engel niet dragen kan,"
zei Hij.
Het was zoo diep daar in den afgrond, dat geen zonnestraal er kon
doordringen, en het was er volslagen duister. Maar het was, alsof de
engel in zijn vlucht wat licht had meegebracht, zoodat het mogelijk
werd voor den heiligen Petrus te onderscheiden, hoe het er uitzag.
Daar was een eindelooze, donkere rotswoestijn; scherpe, spitse
punten bedekten den ganschen bodem en daartusschen waren zwarte
waterplanten. Er was geen groen halmpje, geen boom, geen teeken van
leven. Maar overal tegen de scherpe rotspunten waren de onzaligen
opgeklommen. Zij hingen over de rotsen, waar ze tegen op waren
gekropen, in de hoop over de kloof heen te komen en toen ze zagen,
dat ze nergens heen konden, waren ze daar boven gebleven, versteend
van wanhoop.
De heilige Petrus zag, hoe sommigen van hen zaten of lagen met de armen
uitgestrekt in onophoudelijk verlangen en met de oogen voortdurend
naar boven gericht.
Zij stonden allen onbeweeglijk stil, want geen van allen had lust
een beweging te maken. Sommige lagen doodstil in de waterplassen,
zonder te probeeren er uit te komen.
Het vreeselijkste was, dat er zulk een massa verdoemden waren. Het
was alsof de bodem van de kloof uit niets anders bestond dan uit
lichamen en hoofden.
En weer werd de heilige Petrus onrustig. "Ge zult zien, dat hij haar
niet vindt," zei hij tegen Onzen Lieven Heer.
Onze Lieve Heer zag hem aan met denzelfden bedroefden blik van
zooeven. Hij wist wel, dat de heilige Petrus niet ongerust over den
engel behoefde te zijn.
Maar 't scheen den heiligen Petrus nog altijd toe, dat de engel zijn
moeder niet vinden kon onder die massa's onzaligen. Hij spreidde de
vleugels wijd uit en zweefde heen en weer over den afgrond, terwijl
hij haar opzocht.
Opeens kreeg een van de armzalige stumpers daar in den afgrond den
engel in het oog. En hij sprong op, stak de armen naar hem uit en riep:
"Neem mij mee, neem mij mee!"
En opeens kwam er leven in de heele schare. Al die millioenen en
millioenen, die daar beneden in de hel versmachtten, stormden omhoog
op 'tzelfde oogenblik, met opgeheven armen en riepen den engel aan,
dat hij hen mee zou voeren naar het Paradijs der zaligen.
Hun kreten drongen door tot Onzen Lieven Heer en den heiligen Petrus
en hun harten beefden van smart, toen zij het hoorden. De engel hield
zich zwevend hoog boven de verdoemden, maar naarmate hij heen en weer
vloog om haar te ontdekken, die hij zocht, stormden allen hem na,
zoodat het scheen of zij door een wervelwind werden meegesleurd.
Eindelijk had de engel haar, die hij halen moest, in het oog
gekregen. Hij vouwde de vleugels samen over den rug en schoot
bliksemsnel neer. En de heilige Petrus slaakte een kreet van blijde
verrassing, toen hij zag hoe de engel de armen om zijn moeder heen
sloeg en haar ophief.
"Gezegend zijt gij, die mijn moeder bij mij brengt," riep hij.
Onze Lieve Heer legde zacht de hand op den schouder van den heiligen
Petrus, alsof Hij hem wilde waarschuwen, zich niet te vroeg aan zijn
vreugde over te geven.
Maar de heilige Petrus was op het punt van te schreien van blijdschap,
omdat zijn moeder gered was en kon niet begrijpen, dat nu nog iets hen
zou kunnen scheiden. En zijn vreugde werd nog verhoogd, toen hij zag,
dat--hoe snel de engel ook te werk gegaan was toen hij haar opnam--het
toch nog enkelen van de verdoemden gelukt was zich vast te haken aan
haar, die gered zou worden, om met haar naar het Paradijs te gaan. Het
waren er ongeveer twaalf, die zich aan de oude vrouw vastklemden, en
de heilige Petrus vond, dat het een groote eer voor zijn moeder was,
zooveel ongelukkigen van de verdoemenis te redden.
Ook de engel deed niets om hen in hun voornemen te verhinderen. Hij
scheen door den last niet bezwaard, maar steeg en steeg en gebruikte
zijn vleugels met niet meer inspanning, dan alsof hij een dood jong
vogeltje naar den hemel droeg.
Maar daar zag de heilige Petrus opeens, dat zijn moeder zich van de
onzaligen begon los te maken. Zij greep hun handen en rukte ze los,
zoodat de een na den ander terugtuimelde in de hel.
De heilige Petrus kon hooren, hoe ze haar baden en smeekten, maar de
oude vrouw scheen niet te willen hebben, dat iemand anders dan zij
zelf zalig zou worden. Zij maakte zich los van den een na den ander
en liet ze in de ellende storten. En als zij vielen, weerklonk de
geheele ruimte van weeklachten en vervloekingen.
Toen riep de heilige Petrus zijn moeder, en bezwoer haar barmhartigheid
te bewijzen, maar ze wilde niet hooren: ze ging door zooals ze
begonnen was.
En de heilige Petrus zag hoe de engel al langzamer vloog, naarmate
zijn last lichter werd. Toen werd hij door zulk een schrik aangegrepen,
dat zijn beenen hem niet langer konden dragen en hij op de knieën viel.
Eindelijk was er nog maar één onzalige, die zich aan de moeder van
den heiligen Petrus vastklemde. Het was een, die aan haar hals hing
en vlak aan haar ooren smeekte en bad, dat zij haar zou laten meegaan
naar het gezegende Paradijs.
Toen was de engel met zijn last al zoo dichtbij gekomen, dat de heilige
Petrus de armen uitstrekte om zijn moeder te ontvangen. Het kwam hem
voor, dat de engel nog maar een paar vleugelslagen behoefde te doen
om op den berg te zijn.
Maar toen hield de engel plotseling de vleugels doodstil en zijn
aangezicht werd duister als de nacht.
Want nu had de oude vrouw de handen naar achter gestrekt en de armen
van haar, die om haar hals hing, gegrepen; en zij rukte en trok tot
het haar gelukte de gevouwen handen te scheiden, zoodat ze zich nu
ook vrij van deze laatste gemaakt had.
Toen de verdoemde viel, zonk de engel vele vademen neer, en het scheen,
alsof hij zijn vleugels niet meer uit kon slaan.
Hij zag op de oude vrouw neer met diep bedroefde blikken, zijne handen
lieten haar langzaam los en hij liet haar vallen, alsof zij voor hem
een te zware last was, nu ze alleen overbleef. Toen steeg hij met
een enkelen wiekslag tot in het Paradijs.
Maar de heilige Petrus lag lang in dezelfde houding te snikken en
Onze Lieve Heer stond zwijgend naast hem.
"Heilige Petrus," zei Onze Lieve Heer eindelijk, "nooit heb ik gedacht,
dat ge nog zóó zoudt schreien, als ge in 't Paradijs gekomen waart."
Toen hief Gods oude dienaar het hoofd op en antwoordde: "Wat is dat
voor een Paradijs, waar ik hen, die ik het liefst heb, hoor jammeren
en mijn medemenschen zie lijden?"
Maar het aangezicht van Onzen Lieven Heer werd verduisterd door de
diepste smart. "Wat zou ik liever willen, dan u allen een Paradijs
bereiden van louter stralend geluk?" sprak hij. "Begrijpt ge dan
niet, dat ik daarom naar beneden naar de menschen ben gegaan, om ze
te leeren hun naasten lief te hebben als zichzelf? Want zoolang ze
dit niet doen, is er geen plaats voor hen, in den hemel of op aarde,
waar smart en droefheid hen niet bereiken kunnen."