De lente ging voorbij, de zomer kwam aan. Er was geen nachtelijke vorst,
geen onweer, geen hagel. De vruchten groeiden, rijpten, in een nooit
geziene pracht en overvloed. Het krioelde en wemelde er van; overal, op
de boomgaarden, moest men de te zwaar beladen takken stutten. De
kerseboomen waren als één groote, roodronde rechtopstaande tros; de
pruimeboomen schenen zwart; de pereboomen, gansch geel van de vruchten,
hadden haast geen bladeren meer.
En, gelijk ieder jaar, met de kersen, begon de pluk. In den beginne ging
het nog al goed. De Veelvraat, sinds lange maanden van kersen gespeend,
had een gulzigen eetlust. Hij wilde er hebben, meer en meer, hij scheen
onverzadelijk; en hij betuigde zijn dankbaarheid in schoone klinkende
munt, in heerlijke vijffrankstukken, die niet allen, neen neen niet
allen, in de koffers van de boeren vielen. Adams mocht er een ruim, een
zeer ruim deel van oppotten. Maar, van lieverlede, werd de Veelvraat beu
en lastig. Hij vitte op de hoeveelheid, op de hoedanigheid; en hij
betaalde ook minder, hoe langer hoe minder elken dag, tot hij eindelijk
riep, brutaal:
"Genoeg met de kersen! iets anders nu....! Genoeg met de kersen....! En
Adams die er nog zooveel te plukken had! Adams en zijn zoon, die nog
onophoudend nieuwe boomen onderhanden namen, boomen des morgens zoo rood
als pioenen, des avonds nauwelijks verbleekt....! Hij smeekte den
Veelvraat; hij bood hem de kersen tegen den inkoopprijs aan; hij bood ze
hem aan met verlies. Tevergeefs; de Veelvraat weigerde, hij was
oververzadigd. Adams moest zelf de overige kersen elders aan de markt
brengen en ze tegen een spotprijs laten verkoopen.
Toen kwam de beurt der krieken en der pruimen. De krieken, minder
overvloedig, raakten er nog door, maar de pruimen....! De Veelvraat
proefde ze gedurende acht dagen; en daarna wilde hij er niet meer van
weten, om het even voor welken prijs. Adams moest er zich met verlies
van ontdoen, evenals van de kersen.
Doch het was vooral met de peren dat de echte ramp begon. Er waren er
zóó overvloedig veel, zij hadden gewoekerd met een zóó wilde
overtolligheid, dat men niet meer wist wat er meê te doen. En gansche
dagen, wanhopig sjouwend in de toppen van de boomen, zag Adams zich
verarmen in die overvloedige weelde der Natuur.
De prijzen daalden, daalden; De Veelvraat, weerspannig en walgend, werd
als een boosaardig en wantrouwend beest, van een verfoeielijke
ondankbaarheid, woedend voor de mildheid zelve, waarmede hij bediend
werd. Weldra dekte de verkoopprijs nog nauwelijks de arbeidsonkosten; de
dag kwam waarop hij ze niet meer dekte. Toen staakten Adams en zijn zoon
hun uitputtenden arbeid en lieten de vruchten zonder waarde op de boomen
rotten. De rijkheid der Natuur had hen geruïneerd.
* * * * *
't Is dan dat ik die ongelukkige menschen tot hun laatsten cent heb zien
betalen....
Ik heb den vader, zittend vóór een tafeltje, met bevende handen de
hoopen vijffrankstukken zien tellen, welke de boeren opstreken en in hun
zakken verborgen, terwijl de zoon, ziek door overmaat van arbeid,
koortsachtig-huiverend naast den haard zat, en de moeder, doodsbleek,
met wijde oogen van afschuw en verwildering, zuchtend en zonder doel in
haar geruïneerd huisje heen en weer liep. Zij hebben alles gegeven, al
wat zij hadden; en toch, ondanks alles, hebben zij, op een morgen, voor
schuldeischers gestaan, welke zij niet meer konden voldoen....
Verslagen, vernield, hebben zij dan enkele dagen uitstel gevraagd, die
hun toegestaan werden. En kort daarop zijn ze mij komen spreken. Zij
hebben mij een besluit, o, voor lieden van hun leeftijd een zoo treurig
besluit bekend gemaakt; en, met de diepste droefheid, beseffend dat dáár
alleen nog hunne laatste toevlucht was, heb ik mijn best gedaan om ze te
helpen. Ik heb plaatsen voor hen genomen op de eerste afvarende
stoomboot naar New York; ik heb ze vergezeld naar Antwerpen; ik heb ze
zien vertrekken....
O, vertrekken op dien leeftijd, zijn vaderland verlaten zonder hoop van
terugkomst, dan als het gansche wezen, het gansche leven met al zijn
verledene vreugden en herinneringen zoo innig-sterk in 't nederig
geboorteplekje vastgeworteld is......!
Zij zagen er zóó triestig uit, zóó ongelukkig, zóó verloren in 't gewoel
der landverhuizers, op dat reusachtig schip! De vader, zijn beide handen
op de verschansing geleund, heeft mij gegroet tot op het laatste
oogenblik met zijn beleefden, nederigen groet van arme stakkerd, die
nog, dwars door allen rampspoed heen, zijn dankbaarheid voor een
verkregen weldaad wil betuigen. De moeder, haar mond en oogen wijd open
van angst, wendde voortdurend, met schrikgebaren, het hoofd rechts en
links, om naar de masten, de schoorsteenen, de dekken, de gansche
daverende reuzenmassa van het overweldigende schip te kijken; en Emiel
huilde, naast zijn vader met beide handen op de verschansing geleund,
roerloos en mager, met nog een gepijnigde poging om mij toe te lachen,
door zijn bittere tranen heen....
Ach! mijnheer Waldorf, als gij nog in dienst zijt op 't bureel der
landverhuizing, ginds, in die nieuwe gevangenis der Ellende, die men
daar gebouwd heeft op een eilandje der New Yorksche baai, en die men
zegt minder akelig en walgelijk te zijn dan Castle-Garden, doch waar
toch steeds dezelfde stoet van menschensmart en armoede zal blijven
defileeren; ach! ik vraag u, wanneer dit groote schip aan uw kade zal
landen, en gij in dien lamentabelen optocht van rampzaligen een man met
goedig aangezicht ontwaren zult, welke beleefd tot u zal naderen, met
zijne pet in de hand, gevolgd door een vrouw met angstige oogen, en door
een zacht-bedeesden knaap, ach, neen, mijnheer Waldorf, ik bid u, wees
deze keer niet grappig, maak geen leuke opmerkingen, 't is geen
"Comedie" die tot u komt....
Laat ze maar gaan, mijnheer Waldorf, "hunne papieren zijn in orde" en,
wat het overige betreft, zal u wellicht minder belang inboezemen: het
overige is Tragedie, mijnheer Waldorf... Tragedie... sombere Tragedie.
DUKSKE.
Mieux on connait la vie,
plus on aime son chien.
(Vieux refrain.)
Hij was nog zeer zeer klein en jong, twee maanden geboren en pas bekwaam
alleen te eten, toen Foncke, de pachter van het hoevetje, hem op een
morgen bij zijn eigenaars bracht, verborgen onder een blauw schort, in
het teenen korfje, waarmee hij naar de markt gekomen was. Hij was bruin,
heel en al bruin van kleur, gelijk zijn moeder, met
zijdeachtig-glanzend, licht-kroezend haar; met reeds lange, neerhangende
oortjes en een puntig staartje; met bleekblauwe, zoete oogjes en een
blinkend neusje, koudnat bij het aanraken, als vochtig marokijn.
Belangstellend glimlachend, een weinig aarzelend en bevreemd, als lieden
welke nooit honden gehouden hebben, stonden de beide oude vrijgezellen:
de jonkman en zijn zuster, om het korfje, terwijl Foncke den kleine op
den keukenvloer neerzette, vet als een molletje, zoo onbeholpen en
onnoozel nog, terstond flauw keffend, zoekend naar zijn moeder, die hij
maar pas verlaten had en die hij nooit terug zou zien.
Zij brokkelden hem stukjes brood, geweekt in een pannetje, met melk en
water, zij vermaakten er zich mede, hem zoo gulzig te zien eten. Toen
gingen zij het laag rond bennetje halen, dat zij voor hem gekocht
hadden, legden hem in wat hooi ter ruste, en schoven hem achter de
kachel, in de goede warmte. En, tevreden, reeds van stonde af
gerustgesteld door de tegenwoordigheid van 't hondje--een hondje van
zulk een uitmuntend wakersras--dat hun spoedig tot hoede zou dienen
tegen de dieven die, verleden winter, tot tweemaal toe, des nachts hun
hoenders en konijnen geroofd hadden, onthaalden zij Foncke op een kop
koffie en twee dikke boterhammen, en betaalden zij hem het
vijffrankstuk, dat hij voor den verkoop van het diertje gevraagd had. En
terstond veranderden zij den naam van "Bruintje," dien Foncke hem bij
zijn geboorte had gegeven, in dezen van "Duc," een naam die mooier klonk
en die gemakkelijk was om uit te spreken, en dien zij trouwens haast
onmiddellijk weer veranderden in de streelende verkleining van "Dukske,"
omdat het beestje er zoo aardig en beminnelijk uitzag.
* * * * *
Zij kweekten hem binnenshuis, met vrijen toegang tot het koertje en den
tuin, maar hoegenaamd niet in de straat, totdat hij ongeveer zes maanden
oud was. Het was een tijdperk van louter genoegen voor Dukske, een
tijdperk van schoteltjes melk en wittebrood, van overschotjes vleesch en
af te knagen beentjes, een tijdperk van spel en van betrekkelijke
vrijheid, met één enkele schaduwzijde althans, een vreeselijke
schaduwzijde, maar die toch nog al spoedig vergeten geraakte.
Op zekeren morgen, toen Dukske ongeveer vier maanden oud was, kwam er
een man in de keuken, een man die een wit en blauw geruit doek en een
koperen scheerbekken onder den arm droeg, en wiens lijf, onder zijn
wambuis, omringd was van een zwarten, lederen gordel, waaruit, met het
heft omhoog, een aantal scheermessen staken. Er staken ook de twee
glanzende oogen eener schaar uit, en deze nam de man ter hand, terwijl
Meester Dukske van den grond optilde en hem op zijne, door een blauwe
schort bedekte knieën, neerzette. Wat gebeurde er toen? De vreeselijke
vent kwam met zijn schaar naar Dukske, greep hem vast bij den tip van
't rechteroor en sneed dien af. Dukske bloedde en huilde vervaarlijk, maar
't was nog niet gedaan: de wreedaard had het linkeroortje vastgegrepen,
hij legde er het afgesneden tipje van het rechteroor op, als om de maat
te nemen, en hij knipte nogmaals met zijn schaar, zoodat het arme
Dukske, in plaats van zijn twee mooie, lange, zijdeachtige oortjes, nog
slechts twee akelige, spitse stipjes huid op zijn kopje had staan. En
het verschrikkelijkste zou nog volgen: de oude dochter had een houten
blokje en een scherp geslepen hakmes aangebracht; het lang, puntig
staartje van het huilende Dukske werd er, gespannen, op uitgestrekt; en,
met een enkelen, korten hak, was het ook af, gelijk de oorkens. Al die
vreeselijke wonden werden dan gebrand met een wit-gloeiend ijzer, opdat
zij niet langer zouden bloeden; en voortaan zou Dukske er uitzien gelijk
een doghondje, wat mooi is voor een hondje, zooals vele lieden beweren.
Ja, dat alles was verschrikkelijk, doch het geraakte toch vergeten.
Maar, helaas! iets anders was op handen, dat veel, veel erger was; dat
veel, veel treuriger gevolgen na zich zou sleepen.
Op een morgen--och! 't was altijd 's morgens, dat ze kwamen--stond daar
opnieuw een onbekende in de keuken, een lange, magere kerel, met een
leikleurigen boezelaar aan, die verre beneden den onderrand van zijn
geopend wambuis uitkwam. In den boezelaar waren ruime zijzakken en uit
een dier zakken stak de punt van een groot schrijnwerkers-potlood en de
punt van een toegevouwen gelen meter. De man droeg ook ander gereedschap
onder den arm of in de hand: een zaag, een schaaf, twee beitels en een
grooten houten hamer. Hij praatte een wijl met Meester en met Meesteres,
staarde Dukske met een zonderlingen glimlach aan, wreef zich de handen,
dronk een borreltje. Toen ging hij met Meester in het stalletje, alwaar
men een aantal voorwerpen uit den weg ruimde, om hem plaats te maken.
Hij ontlastte er zich van zijn wambuis, dat hij aan een spijker hing, en
heel den dag bleef hij er arbeiden aan het vervaardigen van een soort
hok, een hok dat leek op een klein huisje, op een speelhuisje, met een
spitsvormig dak en een gat in den voorgevel. Meester kwam af en toe eens
kijken, terwijl de man aan 't werken was, en ook Dukske liep meermaals
in en uit het stalletje, als nieuwsgierig om te weten wat er daar
gebeurde, verrast en opgewonden, omdat men hem toeliet te stoeien in de
krullen. Toen keken de twee mannen soms glimlachend naar hem om en
Meester gaf hem streelend kleine klapjes op den rug, hem op
aanmoedigenden toon iets zeggend, dat klonk als een belofte.
De man vertrok, een andere kwam in zijn plaats, ook in een boezelaar
gehuld, een witten boezelaar met veelkleurige vlekken, die hem van aan
den hals tot aan de voeten reikte. Hij droeg in de hand een pot, waarin
een borstel stak; hij kwam in 't stalletje, en, in enkele minuten tijds,
had hij het wit-houten huisje geheel en gansch in 't donkerrood geverfd,
zoo rood, zoo donker als de deuren en de vensterramen van het huis en
van het stalletje. En ook hij klopte streelend op Dukske's rug, en
sprak, glimlachend, woorden uit, die klonken als een aanmoediging, als
een belofte. Daarna verscheen een derde man, een zwarte, met zwarte
handen en een zwart gelaat, waarin het wit der oogen en der tanden haast
vervaarlijk blonk. En ook deze had een boezelaar aan, een ruwen, zwarten
boezelaar, hard blinkend als metaal en die tegen zijn knieën klapperde
als hij bewoog. Hij hield een ijzeren ketting van een paar meters lengte
in de hand. En nauwelijks was hij binnen of een vierde man verscheen,
een die er dof en grauw van kleur uitzag, met doffe, grauwe kleeren en
een grauwen boezelaar, korter en smaller dan de boezelaars der anderen.
Een reuk van pik en huiden scheen uit hem te wasemen en hij bracht een
lederen halsband, een band, waarin een ijzeren ring stak, en dien hij
Dukske even aanpaste, als om er hem mede te tooien. En al die lui bleven
daar even vertoeven en praten, door Meester getrakteerd, en allen zagen
er zoo vriendelijk uit, zoo aanmoedigend, zoo opgeruimd, allen keken
Dukske zóó mild glimlachend aan, dat het hondje ze ook streelen kwam, en
ze, als het ware dankend, de handen likte.
Toen werd het hok buiten gebracht, achteraan op het koertje geplaatst en
er met houten staken en ijzeren krammen stevig aan den grond gevestigd.
En als het hok daar stond maakte men er de ketting aan vast, en den band
aan de ketting, en Dukske aan den band.
Men bleef hem eene wijl aanstaren, steeds vriendelijk en tevreden
glimlachend, terwijl hij ook zijn beulen aanstaarde, met zijn zoete,
heldere oogjes, waarin een verbaasde ondervraging lag. Doch niemand
scheen te vermoeden, dat hij een uitlegging te vergen had; en toen men
zag "dat alles in orde was" ging men er eenvoudig, met een laatste
streeling van door, en Dukske bleef alleen, gansch moederziel alleen,
gekluisterd aan zijn hok.
* * * * *
Lang, lang, weken lang was het een droefheid zonder grens. Dukske kon
zich aan zijne gevangenis niet wennen, hij die gewoon was heele dagen
vrij te loopen.
Gedurende dagen en nachten hield hij niet op te huilen en te blaffen.
Met zijn mooie, jonge, sterke tanden beet hij in de harde schakels van
zijn ketting; met de tengere, rooskleurige nagels van zijn pootjes
boorde hij holen in den grond, diep genoeg om er hem in te begraven. En
telkens sprong hij hevig aan zijn hok vooruit, als vrij, eensklaps
geworgd, den adem afgesneden door de vreeselijke knelling van den band.
Hij kon noch wilde 't akelig-onverbiddelijke zijner plotselinge
rampzaligheid beseffen. Hij verdubbelde, vertienvoudigde de inspanning
zijner jeugdige krachten, bij elken worpsprong, bij elke knauwing aan de
schakels, bij elke boring in den grond zich verlost wanend. En hij
blafte zoolang, zóó ruw, zóó onophoudend, dat zijn stem na enkele dagen
dof en schor werd, versleten, gelijk de stem van een oud mensch. Doch
alles te vergeefs: zijn lot van waakhond was begonnen, niets zou
voortaan zijn meesters van hun voorgenomen strengheid doen afwijken. Zij
sloegen hem gade van uit de keuken, onverschillig aan zijn lawaai, wel
wetend dat het gauw genoeg van zelf zou ophouden. Alleen wanneer zij hem
de planken van zijn hok aan stukken zagen bijten, of ál te vreeselijk
diepe holen graven in den grond, kwam Meester even buiten, met de
tuchtroede in de hand. En schuw kroop Dukske in zijn hok, een oogenblik
stil-stom, om er weldra joelend en jankend weer uit te springen.
* * * * *
Doch eindelijk bedaarde hij. Van lieverlede hield hij op te blaffen, te
huilen. Hij vernielde weldra niet langer zijn mooie tanden op het ijzer
van zijn onverbiddelijke ketting, noch zijn tengere nagels op den harden
grond van 't koertje: hij bleef of vóór of in zijn hok zitten,
neêrslachtig, aan het noodlot onderworpen, met treurige oogjes
waarnemend, wat er om hem heen gebeurde.
Ach, wat een droevig, akelig leven....
Van uit zijn hok zag hij den achtergevel van het huis zijns meesters,
het droevig, kleine, krenterige buitenrenteniershuisje, gebouwd in
rooden baksteen, met vensters zonder gordijnen, met een naastaangelegen
stalletje en kleinere vertrekken. Het koertje was maar half geplaveid,
een houten pomp rees uit den grond, dichtbij de keuken; en, aan den
rechtergevel van het huis, onder een gewelfden zolder, was er een hooge,
zware poort, die uitkwam op de straat. Op enkele schreden afstands van
het hok, in een hoek vol brandnetels en steengruis, stond een houtmijt;
achter het hok was een houten hekje, dat het koertje scheidde van den
tuin.
En nooit een mensch, nooit eenige beweging in dit oord van doodsche rust
en eenzaamheid. De dagen vervlogen, volgden elkander op, eentonig,
eindeloos, allen gelijk, zonder de geringste afwisseling. Zoodra de
dageraad aan 't Oosten bleekte, kroop Dukske uit zijn hok en zette hij
zich neder op zijn achterpooten, den blik op de nog sombere
keukenvensters gevestigd. Uren verliepen, de morgenschemering klaarde
op, de zon blonk in de ruiten. Maar lang nog bleef de keuken ledig; lang
nog ontwaarde Dukske niets dan de glimmende pannen van het schotelrek,
de zwartblinkende kachelpijp, de ouderwetsche hangklok, wier koperen
slinger langzaam heen en weer zwierde, tegen den witgekalkten
achterwand.
Eindelijk vernam hij eenig dof geluid daarbinnen. Hij zag het bovenste
gedeelte eener binnendeur half open gaan, en Meesteres kwam in de
keuken. Zij was kort en dik, gebogen van gestalte, geelbleek en
opgezwollen van gezicht, traag in haar bewegingen. Dukske groette haar
van verre met een flauw gekef, en een rilling van verlangen schudde zijn
huid, terwijl zijn blinkende oogjes nog vuriger op de heldere
keukenvensters gevestigd bleven. Doch Meesteres deed of zij hem zag noch
hoorde. Zij liep gebogen heen en weer in de keuken, ontstak het vuur in
de kachel, maalde de koffie. Toen ging het bovendeel der binnendeur
nogmaals open en Meester kwam te voorschijn. Hij ook was kort en dik van
gestalte, maar niet zoo gebogen, en vlugger, levendiger in zijn
bewegingen. Zijn eerste blik, door de keukenvensters, was steeds voor
Dukske. Hij lachte hem even toe, riep zijn naam uit; en schier
onmiddellijk kwam hij langs achter buiten en naderde Dukske, een brokje
lekkernij in de hand.
O! wat een opbruising van hartstocht, van vervoering! Dukske stelde zich
op zijn achterpooten, en sloeg de saâmgevouwen voorpootjes op en neêr,
in een herhaalde smeekende beweging; hij streek zijne verminkte oorkens
in den nek, hij wrong en kronkelde zijn stompje staart, een
teederheidsglans glom in zijn mooie oogjes. En hij nam wel 't stukje
vleesch of 't beentje aan, dat Meester hem gaf, maar legde dit dadelijk
neer; hij had geen honger, het was iets anders wat hij verlangde; en,
dringender keffend, vuriger smeekend krabde hij met zijn pootjes op
Meesters knieën, opdat deze hem toch het zoo hartstochtelijk verlangde
zou toestaan. Doch Meester deed alsof hij 't niet begreep; hij streelde
Dukske op het kopje, hij gaf hem vriendelijke tikjes op den rug, hij
sprak hem aan, glimlachend en aanmoedigend, en ging weg. Dan huilde en
blafte Dukske weer als vroeger; dan wrong hij zich de keel toe met zijn
halsband en beet opnieuw met zijne mooie sterke tanden in de harde
ijzeren schakels van zijn ketting, kermend en klagend van verdriet en
smart. En eerst wanneer alle hoop op verlossing verdwenen was, at hij
zijn "beetje" triestig op, en kroop terug, wanhopiger dan ooit, in zijn
akelig hok.
De morgen verliep. Op middagtijd bracht Meesteres hem zijn eten: soep of
pap, met aardappels en overschotjes vleesch. Hij slikte 't gulzig in en
toen had hij weer enkele stonden vol hoop en hartstocht: Meester opende
een der vleugels van de poort, die uitzicht had op straat, en een
geheelen tijd bleef hij daar op den drempel staan, zijn pijpje rookend.
Dukske zag alsdan een deel der straat, met den witten voorgevel en de
groene vensterluiken van het burenhuis tegenover; en somtijds, in het
deurgat van dat huis, verscheen een kleine zwarte hond. O! hoe kwam het
toch, dat _die_ steeds los liep, terwijl _hij_ steeds gebonden lag! Het
arme Dukske rilde van ontsteltenis; en hij blafte weer en woelde rondom
zijn hok, om Meester het grievend-onrechtvaardige van dit verschil te
doen opmerken. Doch Meester zag naar hem niet om; Meester vermaakte zich
met de voorbijgangers te groeten en soms een praatje te maken; ja, zelfs
gebeurde 't, dat hij met de een of ander op het koertje kwam; en dan
wipte, kefte, blafte Dukske nog hartstochtelijker, want, wie weet of
daar de vriend niet was, die hem verlossen zou?
Ach neen; de bezoeker kwam hem soms wel eens streelen, doch maakte zijn
halsband niet los. Hij ook vertrok, hij ook hield zich alsof hij
Dukske's vurig smeeken niet begreep.
* * * * *
En zoo, in die geregelde eentonigheid, verliepen weldra jaren. De
zomers, de winters volgden elkander op en kwamen terug, zonder dat zich
ooit de geringste verandering in Dukske's leven voordeed.
Lang reeds was hij een volwassen hond geworden. Hij was tot een
middelmatige grootte opgegroeid, steeds kastanjebruin van kleur, en kort
en glad van haar, hoewel dit in zijn jeugd lichtkens kroede. Hij was ook
kloek gespierd, en zijn verminkte staart en oortjes die zijn lijf
afrondden en verkortten, gaven hem meer en meer het uiterlijke van een
doghond. Hij leek dan ook maar weinig meer op het mooi, dartel hondje
van vroeger. Zijn oogen vooral, die van bleekblauw, lichtbruin geworden
waren, hadden die uitdrukking van streelende zachtheid niet meer, die ze
bezielde, den dag dat men hem voor altijd aan 't ijzer had gekluisterd.
Neen, zij hadden een harde, strakke, bijna booze uitdrukking gekregen;
en de grijzende haartjes die reeds zijn bek begonnen te bedekken,
evenals ze den baard doorspikkelen van een ouden man, vergrootten nog
den norschen, haast onheilspellenden indruk, door gansch zijn uiterlijk
voorkomen nu te weeg gebracht.
* * * * *
't Is dat Dukske, waardige erver der hoedanigheden van zijn ras, van
lieverlede tot een uitstekende waakhond opgegroeid was! Zijn karakter,
verbitterd door de kluistering, dulde niet langer de indringing van die
bezoekers, welke soms met Meester op het koertje kwamen, en die hij zoo
vaak te vergeefs om verlossing gesmeekt had. Zoodra er nu nog een te
voorschijn kwam, snelde hij woedend uit zijn hok, trok aan zijn ketting
om ze te breken, sprong grollend, schor blaffend, met vlammende oogen en
schuim op de lippen naar den vreemdeling, als om hem te verscheuren.
Maar vooral 's nachts was het vervaarlijk: niemand kon in de straat
voorbijgaan, dien hij niet door een razend geblaf aankondigde; en dat
nog iemand in den tuin of aan het huis zou komen, was eenvoudig
onmogelijk: 't gehuil van Dukske zou de gansche buurt in rep en roer
hebben gebracht, vóór een dief er ooit in slaagde ergens in te breken.
Ook werden er bij Meester geen hoenders noch konijnen meer gestolen.
Voor het overige was Dukske een soort monomaan geworden. Hij had zijn
gewoonten, gelijk de oude lieden; hij kende de uren van maaltijd, hij
sliep zooveel mogelijk om den tijd te dooden. En, in die steeds
toenemende versuffing van geest en lichaam, die in hem hartstochten en
opstanden doodde, bleven hem slechts twee of drie groote, onbevredigde
begeerten kwellen, die onverjaagbaar terug kwamen: eens tot op straat
loopen, om te zien wat er daar omging; kennis maken met den hond daar
aan den overkant, of met een van de vele honden die hij soms voorbij zag
loopen; weten hoe of het er uitzag in den netelhoek, achter de houtmijt.
Alsdan, toen die begeerten àl te kwellend werden, geraakte hij voor
eenigen tijd uit zijn gewonen staat van knorrige stompzinnigheid, om
uren lang hardnekkig, met uitgerekten hals en kwijlenden bek, op de
straat, op den hond van tegenover, of op den netelhoek achter de
houtmijt te staan blaffen.
* * * * *
En zoo, gedurende veertien lange jaren, bleef Dukske met dezelfde
ketting aan hetzelfde hok gebonden. Geen enkel uur, geen enkel oogenblik
kreeg hij zijn vrijheid terug. Het hout van zijn hok verrotte, de
schakels zijner ketting blonken van verslijting, de aarde rondom zijn
hok was hard als steen geworden; en Dukske zelf verouderde, vergrijsde,
verloor zijn scherpheid van gezicht en zijn veerkracht van lichaam,
zonder dat er ooit een straaltje van afwisseling in zijn eentonig leven
kwam.
* * * * *
En tòch, wat al veranderingen om hem heen, gedurende die eindelooze
veertien jaren!
Eerst was het Meesteres, de oudste der twee vrijgezellen, die meer en
meer gebogen ging, als onder een te zwaren last gebukt; weldra zóó zwak
en sukkelachtig, dat Dukske haar bezwaarlijk nog herkende, achter de
hooge, heldere vensters van de keuken. Zij kroop met moeite voort,
hijgend, kuchend, zich vasthoudend aan tafels en aan stoelen, weldra zóó
afgeleefd, dat het haar onmogelijk werd zich met haar huishouden te
bemoeien. En, op zekeren morgen, stond daar een andere vrouw in huis,
een jonge, kloeke, blozende en lachende, aan wie Meester allerhande
uitleggingen gaf. Van stonde af zag Dukske haar aan den arbeid vallen:
vegen, schuren, water pompen, met groote bewegingen en groot geluid, als
gold het een gevecht. En zij vertrok niet meer. Dukske zag haar elken
morgen in de keuken komen, evenals eertijds Meesteres, en al het werk
verrichten, dat deze placht te doen. Meesteres, nochtans, was niet
verdwenen. Door de klare vensterruiten heen zag Dukske haar den ganschen
dag in een grooten leunstoel zitten, met witte hoofdkussens achter den
rug. Zij was zoo geel als was geworden, zij zat daar onbewegelijk, en,
als het ware, levenloos. En Meester was daar ook, stil op een stoel
gezeten, aan haar zijde, haar gezelschap houdend.
Menige, menige maand verliep aldus. Het was of Meesteres daar ook
gekluisterd zat, evenals Dukske aan zijn hok. Maar op een morgen bleef
de leunstoel leeg.
Gedurende acht dagen bleef hij leeg, enorm in 't midden van de keuken,
met de witte vlek zijner opgestapelde kussens. Toen werd hij eindelijk
door Meester en door Nieuwe-Meesteres weggedragen. Meester had
gezwollen, roodgeweende oogen en Nieuwe-Meesteres ook weende, de wangen
zeer rood, zich met haar schort het aangezicht afvegend. En heel dien
dag en ook den volgenden stond het huis overhoop, lieden kwamen in en
uit, voorbijgangers bleven nieuwsgierig-kijkend staan; en, met den
avond, bracht men langs de poort een langwerpige kist aan, een prachtige
kist, glanzend geschilderd en vernist, versierd met koperen spijkers en
een groot zilveren kruis, dat witte vonken schoot.
Den volgenden morgen was de straat bezet met volk. Klokkengeluid
weergalmde in de lucht, lieden stonden op den drempel van het burenhuis,
anderen kwamen nieuwsgierig kijken door de vensters van de woning, en
door den openstaanden vleugel van de poort. Toen kwamen drie jonge
knapen voorbij, in rood en wit gekleed, die kruis en vanen droegen,
onmiddellijk gevolgd door drie groote zware mannen, gehuld in lange
zwarte fluweelen mantels met zilveren versiersels. En zij waren maar
even de poort voorbij, toen zij reeds weer terugkwamen, met luider stem
treurige zangen zingend, gevolgd van vier mannen, die een langwerpig
voorwerp onder een zwart fluweelen kleed met zilveren kruis en zilveren
franjes op de schouders droegen: een voorwerp dat den vorm had van de
heerlijke kist den vorigen avond aangebracht, en waarmee zij loom
vooruitstapten, het hoofd ontbloot, de schouders scheef, terwijl de
klokken op den toren luider galmden. En meester, gansch in 't zwart
gekleed, kwam achter hen, blootshoofds, gebogen, weenend, een witte
zakdoek op zijn mond gedrukt. En achter Meester kwam een heele stoet
mannen, vrouwen en kinderen, die allen mede gingen met de rood- en witte
knapen, met de wit- en zwarte zangers, met de vier scheeve,
blootshoofdsche mannen, die de langwerpige kist droegen, onder den
langen, zwart-fluweelen sluier met het zilveren kruis.
* * * * *
En nooit zag Dukske Meesteres terug. Meester kwam alleen weer naar huis
en 't was nu ook met Nieuwe-Meesteres alleen, dat Dukske hem voortdurend
in de keuken zag.
O! in de keuken was hij veel, veel meer dan eertijds nog! En nu ook
weende hij niet meer, als op den dag dat hij met Nieuwe-Meesteres den
leunstoel uit de keuken droeg; hij lachte nu integendeel, en zoo deed
ook Nieuwe-Meesteres, als Meester haar soms naliep en zijn gezicht heel
dicht bij 't hare stak, terwijl hij haar met zijne beide handen om de
middel vastgreep. En nogmaals kwam een dag, dat heel het huis overhoop
stond!
Meester en Nieuwe-Meesteres hadden zich beiden op hun allerbest gekleed,
en opnieuw stond heel de straat vol menschen, die nieuwsgierig toezagen,
terwijl in de verte kanonschoten dreunden en een rijtuig met twee
paarden vóór de deur kwam stilhouden, gevoerd door een koetsier, die een
hoogen hoed op had en in de hand een zweep, versierd door een wit
strikje. En zie, o wonder! Meester en Nieuwe-Meesteres stapten samen in
dat rijtuig en Dukske zag hen de poort voorbij rijden, terwijl het volk
in de straat stil lachte, een zonderling gelach, hetwelk leek op dat van
den schrijnwerker, van den smid, den verver en den schoenmaker, toen zij
hem, Dukske, aan zijn hok gebonden hadden. Heel dien dag, trouwens, was
niets dan een langdurig feest. Op middagtijd kwamen een aantal op hun
best gekleede mannen en vrouwen den maaltijd gebruiken. Zij schaterden
en zongen luid den ganschen dag en Dukske kreeg zóó veel overschotten,
dat hij er moest onaangeroerd in zijn schoteltje laten. Toen het donker
werd ontstak men kaarsjes en gekleurde lichtjes aan den bevlagden gevel
van het burenhuis; en de muziek kwam spelen vóór de deur,
schel-schetterend, oorverdoovend, begeleid door de bravo's en de
lachkreten van het toegestroomde volk.
* * * * *
't Was kort daarop dat Meester ook allengs begon te kwijnen. Zijn
krachten namen af, Dukske zag hem langzamerhand van kleur verbleeken,
mager worden, ineengekrompen loopen, als had hem een geheime kwaal de
gezondheid ondermijnd. Hij had de gewoonte Nieuwe-Meesteres te helpen in
de keuken, haar water, hout en kolen aan te brengen; hij arbeidde ook in
den tuin en paste de hoenders en konijnen op. Doch een voor een moest
hij weldra al deze bezigheden staken; en eindelijk, juist als vroeger
Nieuwe-Meesteres daar op een morgen was verschenen, kwam nu een
Nieuwe-Meester aan, een jonge, veel jonger nog dan Nieuwe-Meesteres, een
kleine zwarte, met een klein, zwart snorbaardje en kleine zwarte oogen,
die schitterden als zonnestralen. En ook hij vertrok niet meer. Het was
of al wie daar eens kwam er lange, lange jaren bleef. In den eersten
tijd zag Dukske hem vooral aan 't werk in den tuin en op het koertje;
doch, naarmate Meesters krachten afnamen, werd hij insgelijks gebezigd
in de keuken, alwaar hij Nieuwe-Meesteres allerlei werken hielp
verrichten.
Alsdan, wijl Meester ziek te bed lag, maakten die beiden samen gekheid
in de keuken. Zij speelden met elkander, liepen elkander hijgend na, de
wangen blozend, de oogen blinkend, smorend hun gelach in dof gefluister.
Toen zette Nieuwe-Meester zich aan tafel en Nieuwe-Meesteres diende hem
drank en spijzen op, veel drank, veel spijzen, en dit verscheidene malen
daags, zoodat Nieuwe-Meester weldra zoo rood en vet werd, dat hij
bezwaarlijk te herkennen was. Eens zag Dukske Nieuwe-Meesteres in de
keuken uit een donker gat opstijgen, met een zwarte flesch in de hand,
deze ontkurken, er in een groot glas een donkerroode sap uitgieten, het
glas aan Nieuwe-Meester geven, en, toen deze het haastig, in één teug
had geledigd, met de zwarte flesch terug onder den grond verdwijnen.
* * * * *
Weldra kwam Meester niet meer buiten. De groote leunstoel werd door
Nieuwe-Meesteres en Nieuwe-Meester in de keuken weêrgebracht, en dáár
zag Dukske Meester nu den ganschen dag in zitten, met witte hoofdkussens
achter den rug, even als eertijds Meesteres. Opnieuw verliepen aldus
lange maanden; en, op een morgen, was de leunstoel weer verdwenen en
bracht men met valavond een schoone langwerpige kist aan, glanzend als
een spiegel, met glimmend koperen spijkers en een prachtig zilveren
kruis, dat witte vonken schoot. En 's anderendaags stond heel de straat
weêr vol met menschen, terwijl de rood- en witte knapen met kruis en
vanen, en de drie plechtige zangers met hun wit- en zwarte mantels
statig voorbij de poort passeerden, gevolgd door eens heele menigte,
waaronder vier mannen, die, blootshoofds, de schouders scheef, bij het
geluid de klokken op den toren, de heerlijke kist wegdroegen onder haar
zwart fluweelen kleed, met zilveren kruis en zilveren franjes. En
Nieuwe-Meesteres, die thuis bleef, verborg weenend haar gezicht in hare
beide handen, terwijl Nieuwe-Meester met den stoet medeging, 't gelaat
vuurrood, het lichaam barstend uit zijne te klein en smal geworden
zondagskleeren.
En nooit zag Dukske Meester weer terug. Het was of al wie eens met die
plechtige zangers medeging, gedragen in een kist onder een zwart
fluweelen dekkleed, nimmermeer terugkwam. Opnieuw vervlogen maanden en
maanden; opnieuw, in de eentonige geregeldheid van 't alledaagsche
leven, verliep een winter en, gedeeltelijk, een zomer, tot op een dag
toen nogmaals het kanon begon te bulderen, en heel het dorp in feest
stond, en Nieuwe-Meester en Nieuwe-Meesteres, op hun allerbest gekleed,
samen in een rijtuig stegen met twee paarden, gevoerd door een koetsier,
die een hoogen hoed op had. En opnieuw ook zweefde een lach op de
gezichten der nieuwsgierigen, steeds diezelfde zonderlinge spotlach,
waarmee de schrijnwerker, de smid, de verver en de schoenmaker Dukske
aan zijn hok gebonden hadden; diezelfde, waarmee de lieden eertijds het
rijtuig hadden zien passeeren, waar, op hun best gekleed, Meester en
Nieuwe-Meesteres in zaten.
* * * * *
En nog en steeds begon opnieuw het oud gekluisterd en geregeld leven.
Doch nu was 't het kalme leven, de doodsche vrede van weleer niet meer.
Nieuwe-Meester ging veel uit, en, als hij thuis kwam, was zijn
gelaatskleur soms nog vuriger dan naar gewoonte, terwijl hij op zijn
beenen waggelde alsof hij zou in onmacht vallen. Dan was hij echter zeer
luidruchtig en geweldig; dan sloeg hij met zijn vuisten op de tafels en
de stoelen, terwijl zijn oogen vlammen schoten. En, op zekeren namiddag,
greep hij plotseling Nieuwe-Meesteres bij de keel en sloeg haar zoo
vervaarlijk in 't gezicht en op het lijf, dat zij luid huilend
wegvluchtte van angst en pijn.
O! wat was dàt toch! Nooit had Dukske iets zoo vreeselijks bijgewoond.
Hij was er van verschrikt en hij ging klagend aan 't blaffen en aan
't keffen, als wou hij roepen om hulp. Maar op 't geluid dat hij verwekte
kwam Nieuwe-Meester al waggelend buiten, en, zonder de minste vermaning,
gaf hij Dukske een zóó baldadigen schop, dat hij er ook huilend en
hinkend in zijn hok van vluchtte.
En sinds dien dag, woonde Dukske nog dikwijls zulke tafereelen bij.
Geregeld twee, driemaal in de week kwam Nieuwe-Meester waggelend thuis,
de wangen vurig, de oogen in verwildering uitgezet. Hij struikelde in de
keuken, begon te vloeken en te schreeuwen, wierp zijn huisraad aan
stukken en overlaadde Nieuwe-Meesteres met schoppen en met slagen. Maar
Dukske blafte noch riep nu meer om hulp: hij hield zich doodstil in zijn
hok, de huid door lange rillingen geschud, bevangen door nare gedachten;
gelukkig nog als men in den strijd niet vergat hem zijn eten te brengen,
wat wel meer dan eens gebeurde.
* * * * *
Ja, al die gebeurtenissen waren voorgevallen aan dezen welke hem
omringden, maar in _zijn_ lot was geen verandering gekomen, behalve dat
hij elken dag wat ouder en wat meer versleten werd. De boeien, die hem
reeds meer dan veertien lange jaren aan zijn hok gekluisterd hielden,
duurden en bleven duren, en er scheen geen reden te bestaan dat zij niet
duren zouden tot zijn dood, toen eensklaps, gansch onverwacht, door een
kleine wringing, door een niets, de dood-versleten ketting als van zelve
brak....
Het eene deel viel op den grond, met het gerinkel van een sleutelbos;
het andere bleef aan den halsband hangen, tusschen de voorpoten van
't hondje. En Dukske, vrij, draaide zich even om, en gansch natuurlijk,
zonder meer verbazing als was hij nooit van zijn leven een oogenblik
gebonden geweest, liep hij recht door, den neus tegen den grond, naar
den netelhoek achter de houtmijt.
Langzaam, aandachtig besnuffelde hij er de takkebossen, drong zoekend
door de netels, langsheen den kleverigen, met mos bedekten muur. 't Was
toch reeds zoo lang dat die hoek hem intrigeerde! Hij doorsnuffelde hem
nauwkeurig, hij snoof er met wellust al de geuren van op, hij bleef er
eene wijl roerloos vertoeven, den achterpoot tegen den muur. Misschien
wel was dit de begeerte, die hem reeds zoo lang en vurig kwelde. Hij
voelde zich verkwikt, hij krabde krachtig met zijn achterpooten in den
grond, het kopje in de hoogte. Toen liep hij naar de groote poort, die,
als naar gewoonte, met een reetje open stond.
Hij stak zijn kopje door die reet, wrong zich een weinig, en was buiten.
O! was dát dan toch de straat! Was er dan waarlijk iets meer dan
't burenhuis van tegenover, met zijn witten voorgevel en zijn groene
blinden! Hij bleef staan, onthutst, verbijsterd, de troebele oogen
gevestigd op die lange straat met haar talrijke huizen, langs waar
Meester en Meesteres voor altijd verdwenen waren; plotseling verbaasd
daar te zijn in volle vrijheid, als in een andere wereld, eindeloos
verre van dat hok, waar hij zijn gansche leven had gesleten.
En juist kwam daar een andere hond geloopen, een groote zwarte, een van
die vreemde honden, die hij zoo vaak, het hart vol begeerte en nijd, in
de straat had zien voorbij snellen, en die nu, hem opmerkend, tot hem
genaderd kwam. Dukske liet zich door den grooten zwarte besnuffelen,
snuffelde ook, de ooren gespitst, den neus piepend en trillend van
verlangen, het gansche lichaam bevend van opgewekte nieuwsgierigheid.
Maar plotseling huilde hij van pijn: de groote zwarte was op hem
gesprongen en hield hem onder zijn gespannen voorpooten in den grond
gebukt, hem bijtend in den nek, met schor gebrom en schuddingen van
woede. En Dukske, meer en meer verbaasd, en niet begrijpend waarom hij
werd aangerand, verweerde zich zeer slecht. Gelukkig kwam een man
toesnellen, die hem den groote zwarte van 't lijf joeg.
Ah! zóó was het dus, dat men elkaâr bejegende, in die onbekende wereld,
die hij zoo lang en zoo vurig gewenscht had te kennen!.... Hij was weer
opgestaan, hij had zich geschud, hij keek met dezelfde verbazing in de
troebele oogen den grooten zwarte na, die zich met den man verwijderde.
En daar een ander hondje aankwam, juist dat van tegenover, waarmede
Dukske zoo menigvuldige jaren verlangd had kennis te maken, en dat nu
ook oud en grijs geworden was, liet hij den kleine tot zich naderen, hem
besnuffelen, bewegingloos, de oogen strak vóór zich gevestigd. En plots,
juist als de groote gedaan had met hem, sprong hij den kleinere op het
lijf, hield hem onder zijn gespannen voorpooten in den grond gebukt, en
beet hem in den nek, grollend en schuddend, uit al zijn macht. Waarom
niet,.... aangezien zulks het gebruik was in die onbekende wereld, die
hij nooit bezocht had? En opnieuw, alhoewel steeds verbaasd, voelde hij
zich verkwikt, versterkt. Misschien wel was het om hem af te rossen, dat
hij zoo menigvuldige jaren verlangd had met den hond van daarover kennis
te maken....
Toen de kleine huilend weg was, was het de voorgevel van 't huis, dien
Dukske bizonder interesseerde. O! wat al reuken langs dien muur! Hij
onderzocht hem steen per steen, hij bleef elk oogenblik stilstaan, een
zijner achterpooten opgelicht. En verre, verre herinneringen daagden in
hem op; herinneringen van vage en kwellende jeugdverlangens, verlangens
naar ontroerende, onbekende dingen, thans nog geroken, gevoeld, gesmaakt
bijna, in de afgeleefdheid van de grijsheid.
Aan het uiteinde van den muur hield hij stil. Hij liep niet verder. Hij
keerde langzaam terug, snuffelde nog, bleef nogmaals stil, in het
vallend gerinkel zijner gebroken ketting. En, na een laatste maal, met
zijn oude, troebele oogen, de lange, onbekende straat te hebben
opgenomen, kroop hij, als bang, door de zware poort weer binnen, en trok
instinctmatig naar den netelhoek, achter de houtmijt.
Het was, als kon hij van dien hoek niet scheiden. Hij rook, hij voelde
door wonderlijke, ongezegde, onbeschrijfelijke dingen, reuken van dingen
sinds jaren, sinds eeuwen verdwenen. Had hij daar reeds niet geleefd,
onder een andere gedaante, van een andere en toch dezelfde essentie,
onheugelijke tijden geleden? Lagen daar, diep begraven, geen
onverklaarbare herinneringen van een vroeger leven, van vroegere liefden
en weeën.... Opnieuw bleef hij er stilstaan, aarzelend, door onrust
bevangen, beurtelings het woonhuis en de hooge, zware poort aanstarend.
En eensklaps nam hij zijn besluit: hij keerde naar zijn hok terug, kroop
er binnen, draaide zich om en bleef er zitten, overweldigd van
gewaarwordingen, de huid geschud door lange rillingen, den ouden grijzen
bek alleen half zichtbaar in het duistere van zijn akelige cel.
* * * * *
De avond viel, een loome, treurige najaarsavond. Dukske, onbewegelijk in
zijn hok, het lijf door een aanhoudende rilling geschud, staarde strak
vóór zich uit naar de sombere, thans gesloten straatpoort. Niemand wist
dat hij zich van zijn jarenlange kluistering verlost had.
Lange, trage uren verliepen. De bange nacht werd zwart als inkt, de
vensters van de keuken, een tijdlang helder verlicht, lagen in
duisternis gedompeld. De geluiden van het dorp stierven een voor een
weg, en Dukske, roerloos in zijn hok, staarde, dacht en voelde steeds.
Om middernacht barste een vreeselijk onweer los: weerlichten, donder,
hagel, regen. Dukske, voor de eerste maal zijns levens, blafte noch
huilde op 't geluid. De dageraad verscheen, de stappen der eerste
voorbijgangers klonken in de straat: Dukske deed alsof hij die niet
hoorde. En, om acht uur, toen Nieuwe-Meester op het koertje kwam, kroop
Dukske niet als naar gewoonte uit zijn hok om hem te groeten.
Toevallig stond de man er van verwonderd.
Hij naderde 't hok, bemerkte 't stuk gebroken ketting, boog neer en nam
het in de hand, verbaasd uitroepend:
- Duc! hêt ou dan losgemaokt!"..... toen hij, in het hok kijkend,
eensklaps het hondje ontwaarde, dat roerloos op zijn rug lag, de vier
pootjes wijd van zich uitgestrekt.
Hij trok het buiten, hij slaakte een kreet, waarop Nieuwe-Meesteres ook
uit de keuken kwam.
Dukske was een lijk..... Heel kalm, zacht-plechtig-moede was de
uitdrukking van 't aardig kopje, alsof Dukske nu in eens genoeg gezien
had van de wereld.
+--------------------------------------------------------------+
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| Het PDF-bestand van het boek staat op Internet Archive: |
| https://archive.org/details/uitvl |
| |
| * De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| * De paginanummers zijn verwijderd. |
| * De inhoudstafel staat in het boek achteraan. |
| * Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn |
| hersteld. |
| * Voetnoten zijn verplaatst naar het eind van de alinea met |
| de verwijzing. |
| * De cursieve tekst in het origineel is weergegeven als |
| _cursief_. |
| * Alle dubbele aanhalingstekens zijn gewijzigd in ", |
| alle enkele in '. |
| * Gedachtestreepjes zijn vervangen door --. |
| * Gedachtesprongen zijn vervangen door 5 asterisken. |
| * Dezelfde (dialect)woorden worden in dit boek op |
| verschillende wijze geschreven, o.a. wêer - weêr; doar - |
| daor; éen - één; dáar - dáár - daàr; woagen - waogen; elkaâr |
| - elkaar. Deze verschillende schrijfwijzen zijn behouden |
| gebleven. |
+--------------------------------------------------------------+