't Is in de wei....
De wijde vlakte, eentonig-groen, van een oud, treurig, als het ware
versleten vaalgroen, is in 't verschiet bezoomd door eene lage, donkere
woudenlijn. De lucht is grijs en koud, zwanger van killen regen. De
wind, ofschoon niet sterk, blaast snijdend.
Schuins voor mij, enkele roeden beneden den dijk, die dwars door de
weiden heen loopt, staat een soort strooien hutje. 't Is zelfs nog
minder dan een hutje, 't is niets dan een armzalig schuilplekje, gemaakt
met wat stroo en wat stokken, gesloten langs den kant van waar de wind
komt, in afdak open langs den anderen kant.
Daaronder, neergehurkt op oude balen, bevinden zich twee personen. De
een, een jongeling van ongeveer vijf en twintig, zit op de knieën neer
en houdt in zijne hand een touw, vastgemaakt aan iets langs en grauws,
ginds, een twintigtal passen verder, in de wei. De andere, een
twaalfjarige knaap, ligt halvelings tegen den strooien zijwand van het
hutje aangeleund en kijkt vorschend in de grijze lucht.
Belangstellend, een weinig geïntrigeerd, in opgewekte nieuwsgierigheid,
blijf ik even op den dijk stilstaan.