DE KLEINE BOUWMEESTERS VAN DEN OCEAAN.

Allerwegen in de natuur is men getuige van de groote beteekenis van „de

macht van het kleine”, doch het merkwaardigste voorbeeld daarvan leveren

ons zeker wel de grootsche en reusachtige bouwwerken in den oceaan, die

door den rusteloozen arbeid van de nietigste aller bouwmeesters: de

=koraaldieren=, opgetrokken zijn, onder het devies: „eendracht maakt

macht.”

Onze plaat geeft daarvan verschillende fraaie en interessante

voorbeelden te zien, hoewel men uit de stukken „koraal”, die wij als

sieraad gebruiken of in onze verzamelingen zien, nog slechts een flauw

denkbeeld verkrijgt van den reuzenarbeid dier onaanzienlijke wezens.

Want daaraan is niet slechts het ontstaan van de tegenwoordige

koraalriffen en koraaleilanden te danken, doch in den grijzen oertijd

der aarde hebben deze miniatuur-bouwlieden nog geheel ander werk

geleverd en vele kalkgebergten, zooals de beroemde, romantische

„dolomieten” in de Tiroler Alpen, met hun machtige toppen, die

telkenjare door duizenden beklommen en bewonderd worden, ja zelfs het

gansche, onafzienbare Juragebergte, bestaan uit niets anders dan de

kernen der koraalmassa’s, die, in vroegere aardperioden, door de

rifvormende koraalpoliepen in den oceaan opgebouwd en, in latere

perioden, door het rijzen van den zeebodem, als bergketens uit de

wateren van den oceaan opgeheven werden.

De =bloempoliepen=, die dezen bewonderenswaardigen arbeid verrichten, en

waarvan wij reeds vroeger (bladz. 173) de algemeene organisatie

beschreven en door een figuur (fig. N, bladz. 174) in schets

voorstelden, behooren, wel is waar, tot dezelfde klasse der

darmholtedieren als de heerlijke „zee-rozen” en „zee-anemonen”, die wij

in onze aquaria bewonderen (bladz. 173 en 176), doch terwijl deze

laatsten afzonderlijk op zich zelf blijven leven, hebben wij bij de

koraalpoliepen te doen met uitgebreide kolonies van poliepen, wier leden

met elkaar verbonden blijven en, door een hard skelet van koolzure kalk

gesteund, op den bodem van den oceaan bevestigd blijven.

De vorming van zulk een koraalstok heeft nu op de volgende wijze plaats.

Uit het eitje, dat uit den mond van één der diertjes van den stok

ontsnapt is, vormt zich eerst een larve, die eenigen tijd vrij rondzwemt

en zich later ergens op een rots of kust, op niet te groote diepte onder

den waterspiegel, vastzet. Daar groeit zij uit tot een miniatuur

zeeroosje of zee-anemoontje, volkomen gelijk aan die van fig. N op

bladz. 174, en die dus inwendig ook de straalvormige tusschenschotten in

de lichaamsholte vertoont, die deze dieren onderscheiden van de gewone

kwalpoliepen.

Aan den onderkant van zijn cylindervormig lichaam begint dit zeeroosje

nu koolzure kalk af te scheiden, zoodat zich eerst een kalkplaat vormt,

die het dier vast met den bodem verbindt. Doch daarna heeft verdere

kalkafscheiding plaats aan de oppervlakte van het lichaam: eerst

verheffen zich van de onderste kalkplaat langzamerhand opstaande

lijsten, wier buitenwanden vervolgens door een ringmuur verbonden

worden, zoodat ten slotte het geheele dier door een omhulsel van kalk

omgeven is.

Dit diertje gaat zich nu door knopvorming en deeling vermenigvuldigen,

welke knoppen echter met het moederdier verbonden blijven en tot

volwassen dieren uitgroeien. Deze scheiden allen aan hun onderzijde en

oppervlakte ook weer kalk af, zoodat de kalkmassa zich evenzoo vertakt

als de weeke lichaamsmassa der dierkolonie zelf en er ten slotte een

kleinere of grootere poliepenstok ontstaat, in wier openingen de kleine

bloempoliepjes zitten en hun armpjes verlangend uitstrekken, om water,

en daarmede ook voedsel, aan te voeren. Daar intusschen ook de

straalsgewijze tusschenschotten--die hier, evenals de vangarmen, steeds

ten getale van 6 of een veelvoud daarvan voorhanden zijn--verkalken,

ziet men later in elk stuk koraal nog duidelijk de fraaie, straalvormige

sterretjes daarvan. Naarmate de oudere dieren afsterven, bouwen de

jongeren, die door de voortdurende knopvorming en vertakking ontstaan,

daarboven steeds voort en geven ten slotte het aanzijn aan de machtige

bouwwerken, die wij in de koraalriffen en koraaleilanden der tropische

zeeën ontmoeten en waaruit, in vroegere aardperioden, zelfs de

reusachtige onderzeesche koraalmassa’s ontstaan zijn, die later, als

gebergten, boven den oceaan opgeheven zijn.

Wat wij hier beschreven hebben, zijn de zoogenaamde „=steenkoralen=”,

aldus genoemd, omdat de weeke dieren in een harde, steenachtige,

vertakte massa ~besloten~ zijn en waarvan zelfs de tusschenschotten

versteend zijn. Dit zijn de voornaamste rifbouwende koralen, waarvan de

figuren 2, 3, 4, 5, 11 en 12 op de plaat voorbeelden zijn.

Er bestaat echter nog een andere groep van koraaldieren, die op de plaat

door de figuren 1, 6, 7, 8, 9 en 10 vertegenwoordigd zijn, en die zich

van de vorige onderscheiden door het aantal der vangarmen en

maagtusschenschotten--dat hier steeds ~acht~ of een veelvoud daarvan

bedraagt--terwijl die tusschenschotten hier nooit verkalken, doch steeds

week blijven. Een belangrijk verschil met de steenkoralen is verder, dat

bij deze tweede groep het skelet òf slechts uit afzonderlijke

kalklichaampjes bestaat en de stok dan meer lederachtig blijft, òf die

kalklichaampjes vergroeien tot een ~inwendige steenharde as~, waar de

weeke massa van den poliepenstok, als een ~schors~, ~omheen~ zit. De

diertjes zelf blijven hier dus steeds geheel zacht en kunnen zich ver

uitstrekken en weer terugtrekken, doch niet in openingen van de harde

kern. Daarom noemt men deze groep: =schorskoralen= en hoewel ook deze

koralen harde stokken vormen, zoo bereiken deze toch nooit de

aanzienlijke uitbreiding der echte rifbouwende steenkoralen. Wij zullen

beginnen met de schorskoralen.

En daarbij is wel het eerst het beroemde ~bloedkoraal~ of ~roode

edelkoraal~ (_Corallium rubrum_) van fig. 1 aan de beurt, de kostbaarste

soort van de geheele klasse, die bijna alleen in de Middellandsche en

Adriatische zee voorkomt, op diepten van 70 tot 180 meters. Het wordt

door Italiaansche visschers opgevischt met groote netten, die aan een

kruis van zware balken bevestigd zijn. Van deze kostbare stof wordt

jaarlijks voor een waarde van 3 à 4 millioen gulden in den handel

gebracht. De stam van dit koraal bestaat uit talrijke fijne kalklagen

van mikroskopische struktuur; de as is met fijne overlangsche groeven

bedekt, waarin de onderste laag van de kanalen, die het voedingssap

aanvoeren, gelegen zijn. De harde as is boomvormig vertakt, rood of

rozerood van kleur, de schorslaag is rood tot oranjerood en de poliepen

zelf zijn klein en wit van kleur. De stokken, die tot 30 centim. lang

kunnen worden, zijn meestal, in horizontalen of benedenwaarts gerichten

stand, aan den onderkant van overhangende rotsen bevestigd.

Tot de schorskoralen behoort ook het ~wrattige hoornkoraal~ (_Gorgonia

verrusca_) van fig. 7, waar de stok sterk boomachtig vertakt is en de as

uit vergroeide kalklichaampjes en hoorndeeltjes bestaat. De zich

uitbreidende takken zijn min of meer waaiervormig, met talrijke

poliepen, die onregelmatig verspreid, doch weinig zichtbaar zijn. De

kleur der schors is witgrijs. Deze soort leeft in de Middellandsche zee

en den Atlantischen oceaan. Tot hetzelfde geslacht behoort ook het

bekende ~waaierkoraal~, dat aan de kusten der warme zeeën voorkomt en

levend in de fraaiste kleuren prijkt, terwijl de skeletten in bijna elke

verzameling te vinden zijn, zeer fraaie o.a. in het museum van het

aquarium te Amsterdam.

Een van de fraaiste en merkwaardigste koralen is de ~lichtende zeeveder~

of ~zeepen~ (_Pennatula phosphorea_) van fig. 10, die, met meer dan 200

andere soorten, op de slibachtige kusten der Middellandsche zee, doch

ook bij ons, voorkomt. Hier is de stok steeds volkomen onvertakt, lang

en dun, en de inwendige as is buigzaam, deels kalkachtig, deels

hoornachtig; het onderste gedeelte, de ~steel~, zit vrij in het slib van

den zeebodem en draagt geen poliepen; hij kan drijven en zich in het

slib vastgraven. De poliepen zitten zeer regelmatig gerangschikt aan het

boveneinde van de as, die geheel het uiterlijk heeft van een veer. De

kleur is rood of roodachtig wit, de lengte 20 centim. Behalve door de

prachtige kleuren zijn de zeeveeren ook gekenmerkt door een sterk

~lichtgevend vermogen~, dat van de maag der poliepen uitgaat, en zich,

vooral bij prikkeling van één der dieren, als een levendig, wonderbaar

groen licht, over alle poliepen van den stok voortplant.

De beide volgende soorten hebben een weinig verkalkte, meestal zachte of

lederachtige as. Hiertoe behoort een bekende en standvastige bewoner

onzer zee-aquaria, ook van dat te Amsterdam: de ~doômansduim~ of

~zeekurk~ (_Alcyonium digitatum_), die ook aan onze kusten, doch

hoofdzakelijk in de Middellandsche zee leeft. Op de plaat is in fig. 8

een verwante soort: _Alcyonium palmatum_, afgebeeld. De versche stok is

dik, vleezig of leerachtig, aan de basis tot een steel verdund, van

boven breeder en vingervormig vertakt en aldaar de afzonderlijke

poliepen dragend. De asmassa bestaat uit een weeke kurk- of leerachtige

stof, waarin kalklichaampjes verspreid liggen. De kleur is in den regel

roodachtig of geelachtig; de afzonderlijke poliepen zijn klein, meestal

wit en kunnen zich geheel terugtrekken. Andere, die in Europeesche zeeën

voorkomen, bereiken soms een aanzienlijke grootte, zoo o.a. een soort

van manshoogte in den Atlantischen oceaan.

Fig. 6 stelt een ander ~lederkoraal~ (_Sympodium coralloïdes_) uit de

Middellandsche zee voor, met een stok van ongeveer 10 centim., die van

onderen geelachtig, van boven meer roodbruin is en witte of licht

rozeroode poliepen draagt. Aan het worteleinde bevinden zich geen

poliepen. De afzonderlijke dieren zijn bundelsgewijs vereenigd tot een

stok, die van onderen op een voet steunt en van boven in lobben of

lapjes uitloopt.

* * * * *

Een overgang van de schors- tot de steenkoralen is het ~lariksvormige

hoornkoraal~ of ~zwarte edelkoraal~ (_Antipathes larix_) van fig. 9.

Hier is namelijk ook nog een hoornachtige, zeer harde, zwarte as als

skelet, die door een zachte, poliepdragende schorslaag bedekt is, doch

zij komen reeds met de steenkoralen overeen door het bezit van slechts 6

vangarmen. De poliepen zijn klein, kunnen zich niet terugtrekken en

hebben zeer korte vangarmen. De stok heeft slechts weinige, zeer lange

hoofdtakken, die zes overlangsche rijen van enkelvormige, bijna

evenwijdige, borstelvormige takken dragen, die er als dorens uitzien.

Vele soorten leven in de warme zeeën. De kleur van de as is bruinzwart,

als ebbenhout, en daarom wordt een soort uit de Roode zee door duikers

opgevischt en tot sieraden verwerkt.

* * * * *

Thans overgaande tot de =steenkoralen=, met een hard, kalkachtig, sterk

vertakt en dikwijls zeer uitgebreid ~uitwendig~ skelet, waarbinnen, in

openingen, de poliepen zitten, die steeds slechts 6 vangarmen en 6

~verkalkte~ maagtusschenschotten bezitten, zien wij vooreerst in fig. 2

het ~gelobde poriënkoraal~ (_Porites furcatus_), met stokken van

dikwijls aanzienlijke grootte, bolvormig of knol- en knotsvormig,

meestal geel, doch ook wel blauwachtig of violet van kleur. Het skelet

en de geheele kalkmassa bevatten een groot aantal poriën en fijne

kanalen en de tusschenschotten zijn slechts onvolkomen verkalkt. De

afzonderlijke kelken voor de poliepen komen als korte, van boven

kegelvormig vernauwde buisjes boven de gemeenschappelijke

verbindingsmassa te voorschijn, waaruit zij zich slechts zeer weinig

verheffen. Daarmede is verwant, ook door de poriën en kanalen in de

kalkmassa en de onvolkomen verkalkte tusschenschotten: het ~struik~- of

~geweikoraal~ (_Madrepora corymbosa_), fig. 12, welks stokken struik- of

geweiachtig vertakt zijn, met eenigszins vergroeide takken van

bruinwitte, doch in gedroogden staat grijsgele, kleur. De poliepen

zitten in kleine vrije kelkjes en zijn 2-3 millim. groot. Algemeen

verspreid, hoofdzakelijk in de Roode zee. Deze poriënkoralen vormen

aanzienlijke riffen en zijn geologisch de oudste.

Van lateren datum zijn de poriënlooze koralen, zonder poriën of kanalen

in de kalkmassa en met steeds volkomen ontwikkelde kalktusschenschotten.

Hiertoe behooren vele bekende rifbouwende koralen, waarvan wij slechts

enkele soorten noemen. In de golf van Napels komt veel het fraaie

~kelksterkoraal~ (_Astroïdes calycularis_), fig. 5, voor, welks vleezige

deelen geelrood van kleur zijn en waarbij het zachte voorste gedeelte

der afzonderlijke dieren zich zeer ver en hoog naar buiten kan

uitstrekken. Zij zijn alleen aan de basis van hun slanke, buisvormig

naast elkaar geplaatste, kelken met elkaar vereenigd. Bij het

~oogkoraal~ (_Oculina diffusa_) van fig. 4 is de stok boomvormig

vertakt, met een dicht en massief skelet, waarin de poliepen als

~oogjes~ verspreid liggen. De kelken zijn vrij diep, 3 à 4 millim. breed

en in onregelmatige spiraallijnen geplaatst. De kleur is wit, men vindt

het in den Indischen oceaan. Fig. 3 stelt het schotelvormige ~zwam~- of

~paddestoelkoraal~ (_Fungia patella_) voor, waar het skelet van onderen

uitgehold, aan den omtrek golvend gebogen en rond of ovaal van vorm is.

Het bestaat uit talrijke lamellen, zoodat het geheel inderdaad wel iets

op den hoed van een paddestoel gelijkt. De poliepen zijn kort en breed,

niet uitstrekbaar, met korte vangarmen. De oppervlakte van den stok is,

door de tusschenschotten, bladerig gestreept. De kleur is, tijdens het

leven, groenachtig tot bruinachtig, de lengte tot 20, de hoogte tot 10

centim. Het komt in de Roode zee en den Indischen oceaan voor. Vele

fraaie exemplaren der skeletten zijn in het aquarium te Amsterdam te

zien.

Onder de rifbouwende koralen nemen verder de ~sterkoralen~ (_Astraea

radians_), fig. 11, en verwante soorten, een voorname plaats in. De

gezamenlijke koraalmassa is hier halfbolvormig afgerond, met vlakke

basis. De afzonderlijke kelken zijn volkomen van elkaar gescheiden en

elk met een eigen kalkwand omgeven, doch slechts zoodanig, dat deze

elkaar even aanraken. De poliepen kunnen zich niet uitstrekken, doch

zijn van talrijke voelarmen voorzien. Men vindt deze soorten veel in den

Indischen oceaan.

[Afbeelding: XX.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 88 / 92 题