SIERLIJKE ZEEBEWONERS.

Op deze plaat zijn opnieuw eenige uiterst fraaie en sierlijke vormen uit

de wereld der =darmholtedieren= in beeld gebracht en wel zijn het thans,

voor een deel, weer vertegenwoordigers van de klasse der

=schermkwallen=, deels van die der =kwalpoliepen=. Van deze laatsten

ontmoeten wij hier eenige soorten, die, door knopvorming, samenhangende

koloniën vormen, dus ~poliepenstokken~ (zie bladz. 168 en 175) en wier

oppervlakte, door kalkafscheiding of door vorming eener hoornstof,

koraalachtig verhardt, zonder dat zij echter reeds tot de eigenlijke

rifbouwende koraaldieren behooren, waarvan wij op de volgende plaat

voorbeelden zullen zien.

Eerst willen wij echter onze aandacht wijden aan een paar kwallen,

die nog op de plaat afgebeeld zijn, te beginnen met No. 1, de

~zachte plooikwal~ (_Aequorea forscalea_), die echter niet tot de

eigenlijke schermkwallen, doch tot de kwalpoliepen behoort, waarover op

bladz. 167 gesproken is. Van deze soort is echter niet met zekerheid

bekend, of zij poliepenstokken vormt, waarvan zich deze vrijzwemmende

kwallen afscheiden, dan wel, of zij zich onmiddellijk door een

gedaanteverwisseling uit eieren ontwikkelt. Zeker is het echter, dat de

volwassen dieren vrij in den oceaan rondzwemmen en dat zij tot de

schoonste sieraden van de Middellandsche zee behooren. Het zijn prachtig

gekleurde, doorschijnende, platte schijven, die soms meer dan 30 centim.

in middellijn zijn, met een grooten, naar onderen gekeerden mond, een

wijde, korte cylindervormige maagholte en talrijke randdraden om de

schijf. Van de maag gaan ongeveer 200 straalkanalen naar den omtrek uit

en aan het einde van elk daarvan bevindt zich een voeldraad. Op den

rand der schijf bevinden zich kleine blaasjes, die als gehoororganen

dienen. De kleur van het dier is grijsachtig wit, de maag grijs, de

geslachtsklieren bruin. Sommige soorten zijn in de Middellandsche zee

zeer algemeen.

Verder vinden wij op deze plaat ook twee eigenlijke =schermkwallen=, in

fig. 3 en 4 afgebeeld. Fig. 3 is de ~spiesvormige meduse~ (_Carmarina

hastata_), wier scherm half bolvormig is, ongeveer dubbel zoo breed als

hoog, met een langen, cylindervormigen, aan de basis kegelvormigen

maagsteel, die iets langer is dan de breedte van het scherm. Onder het

scherm liggen de spiesvormige geslachtsorganen en blinde, uit het

ringkanaal ontspringende, kanalen tusschen elke twee straalkanalen. De

breedte van het scherm is 5 à 6 centim., de kleur van de maag, den mond,

den rand van het scherm en de voeldraden dof rozerood. Het is een

bewoner van de Middellandsche zee. Zijn buurman van fig. 4 is nog een

bijzonder fraaie schermkwal: de ~muts-meduse~ (_Tiara pileata_). Deze

heeft een klokvormig scherm, dat naar boven in een groot kegelvormig,

als een muts opgericht, verlengstuk uitloopt, zoodat het geheele scherm

tweemaal zoo hoog als breed is. De maag is bijna bol- of teerlingvormig,

in het midden het breedst; de mondlappen zijn groot en sterk gekroesd.

Er zijn 12 tot 48 voeldraden, die langer zijn dan de breedte van het

scherm; zij zijn aan de basis sterk verdikt, 2 centim. breed en

zijdelings saamgedrukt. Deze kwallen komen, dikwijls in groote menigte,

aan de Europeesche kusten voor.

* * * * *

Al de overige afbeeldingen op de plaat hebben betrekking op vertakte

~poliepenstokken~, die tot de klasse der =kwalpoliepen= behooren,

waarvan wij reeds enkele afzonderlijk levende soorten hebben leeren

kennen (zie bladz. 23 en 183). Hoewel zij dikwijls een hard hoornachtig

of kalkachtig skelet afscheiden, verschillen zij toch volkomen van de

koraaldieren, die tot de klasse der bloempoliepen behooren en zij

verkrijgen ook zelden zulk een groote uitbreiding, dat zij riffen

vormen, terwijl de maagtusschenschotten nooit verkalken, zooals bij de

koraaldieren steeds het geval is.

Van deze klasse zien wij in fig. 2 het kleine ~tandhorenkoraal~

(_Sertularia pumila_), dat, met vele andere soorten, zooals ook die van

fig. 5, algemeen in alle Europeesche zeeën en ook aan onze kusten,

vooral op oesterbanken, voorkomt. Al deze soorten van tandhorenkoralen

hebben een sterk vertakt, zeer op planten gelijkend, uiterlijk, met

hoofd- en zijstammen, waaraan de, meestal dwars geringde bekertjes der

afzonderlijke poliepen afwisselend rechts en links vastzitten. De kleur

is wit- of geelachtig. De stammen ontspringen groepsgewijze uit een

kruipenden worteluitlooper en zij verspreiden zich ook kruipend over het

voorwerp, waarop zij vastgehecht zijn, bijv. zooals in fig. 2, op gewone

zeewieren. De korte leden van den stam en van de takken hebben, door de

twee tegenoverliggende poliepencellen, een V-vormige gedaante. De

voortplanting geschiedt grootendeels ongeslachtelijk, door knopvorming,

waarbij de knoppen met den stam verbonden blijven en alzoo den stok

uitbreiden. Doch dikwijls laat ook zulk een knop los en zwemt dan, als

een kwal of meduse, vrij rond (vandaar de naam: ~kwalpoliepen~, zie

bladz. 167). Deze kwal brengt geslachtsproducten voort, waaruit weer

poliepen ontstaan, die zich vastzetten en weer nieuwe poliepenstokken

vormen. Er worden echter ook geslachtsstoffen gevormd in de

poliepencellen zelf en uit de daardoor gevormde eitjes ontsnappen

larven, die zich later weer vastzetten en insgelijks in poliepenstokken

overgaan. Verwant aan de vorige is het ~zilverwitte tandhorenkoraal~,

(_Sertularia argentea_), fig. 5, dat insgelijks aan onze kusten

voorkomt. Het heeft een enkelvoudigen stam, met afwisselende takjes, die

op gelijke afstanden op elkaar volgen en zelf dikwijls ook weer vertakt

zijn. De poliepencellen zijn, in twee rijen, afwisselend op de takken

geplaatst, betrekkelijk groot en van onderen gezwollen. De

geslachtscellen zijn eivormig, hoorn- of zilverachtig van kleur, met

korten buisvormigen mond. De lengte van den stok kan 30 centim.

bedragen. Men vindt dit koraal op steenen, schelpen enz. in diep water.

Dergelijke poliepenstokken, doch met een hoorn- of chitineachtig skelet,

worden ook gevormd door de ~knotspoliepen~ en ~buispoliepen~. Van

eerstgenoemde is de ~meerknotspoliep~ (_Cordylophora lacustris_) van

fig. 9 een voorbeeld, aldus genoemd, omdat deze soort niet alleen aan de

kusten zelf van de Noord- en Oostzee voorkomt, doch zich zelfs in de

monden der, daarin uitstroomende, rivieren en sommige binnenmeren

verspreidt. Interessant is het vroegere voorkomen dezer poliepen in de

buizen der Hamburger waterleiding, die er soms geheel door verstopt

waren. Het zijn roodachtig bruine, sierlijk vertakte boompjes van 4 tot

8 centim. lang, die, door middel van een soort wortelweefsel, op

steenen, hout, mosselschelpen enz. vastgegroeid zijn. De geheele stok is

door een chitineachtig omhulsel omgeven. De poliepen zelf zijn dik en

~knotsvormig~, met 10-20 roodbruine vangarmen. Zij ontspringen aan de

uiteinden der takken. De geslachtspoliepen zitten echter aan den stam;

zij zijn bijna kleurloos.

In fig. 8 zien wij een uiterst sierlijken en fraai gekleurden stok van

een ~buispoliep~ (_Tubularia larynx_). Hij heeft een goed ontwikkelden

stam van 4 à 5 centim. hoog. die door een chitinehuid ingesloten is en

takken vertoont, die hier en daar geringd zijn. De kleur is zeer fraai

rozerood, die van het omhulsel stroogeel. Deze poliepenstokken, die aan

de Europeesche kusten voorkomen, hebben een kraagvormig omhulsel aan den

voet van elke poliep en de voelarmen zijn in twee kransen geplaatst: een

bovensten kleineren en een ondersten grooteren. De geheele stok gelijkt

sprekend op een plant met fraaie bloemen en deze hebben bovendien de

interessante bijzonderheid, dat die bloempjes, evenals die van een

werkelijke plant, in den herfst afvallen en zich op diezelfde plaats in

het voorjaar weer een nieuwe bloem (poliep) ontwikkelt.

Fig. 7 is een voorbeeld van een poliepenstok met een massief kalkachtig

skelet, dat zich aan de oppervlakte der zich vertakkende kolonie

gevormd heeft. Dit is het ~vuurkoraal~ (_Millepora nodosa_), behoorende

tot de groep der ~puntkoralen~ (_Milleporidae_ = duizend poriën), die

vroeger tot de eigenlijke koraaldieren gerekend werden, omdat zij

kalkachtige stokken van buitengewonen omvang bouwen en in de streken,

waar zij voorkomen: tusschen de keerkringen en den aequator, wezenlijk

bijdragen tot de vorming der koraalriffen. Maar toch zijn het geen echte

koraaldieren, want door hun organisatie behooren zij tot de kwalpoliepen

en niet tot de bloempoliepen en zij bezitten ook geen verkalkte

maagtusschenschotten, zooals deze laatste. Ook vormt het vuurkoraal geen

gewone, boomachtig vertakte figuren, doch massieve kalklichamen, met

gelobde of bultvormige aanhangsels. De geheele oppervlakte van het

koraal is bedekt met grootere en kleinere fijne openingen of poriën

(vandaar de Latijnsche naam) en deze zijn zoo gerangschikt, dat, om één

grootere porie in het midden, telkens 5 tot 8 kleinere in een

onregelmatigen kring gelegen zijn. Door de geheele massa van den stok

loopt een stelsel van, veelvuldig in elkaar uitloopende, grootere en

kleinere kanalen. In de kalkmassa laten zich duidelijk lagen herkennen,

doch alleen in de buitenste laag heerscht leven, de onderste zijn

afgestorven. De basis van elke poliep staat eveneens met dit

buizenstelsel in verband. Zij zitten in de poriën, die naar de

bekervormige ruimten voeren. Is de omgeving rustig, dan strekken zich de

poliepen, met haar vangarmen, uit de poriën naar buiten uit en zooals er

twee soorten van poriën zijn, heeft men ook twee soorten van poliepen.

In de middelste groote porie zit een eetdier, dat voor de geheele

kolonie het voedsel verteert, doch eerst na dit in ontvangst genomen te

hebben van langgesteelde voedingspoliepen uit de kleinere poriën, die er

omheen gelegen zijn, en die geen mond bezitten, doch kronkelende

bewegingen maken en zich van tijd tot tijd naar de eetpoliepen

overbuigen om haar het voedsel aan te reiken. Deze voedingspoliepen

hebben hevig brandende netelorganen, waarvan de naam „vuurkoraal”

afkomstig is.

Op deze plaat vinden wij verder reeds één enkel voorbeeld van de echte

koraaldieren, dat dus eigenlijk reeds behoort op het gebied van de

volgende plaat. In fig. 6 zien wij de afbeelding van het ~vertakte

boomblad~ (_Dendrophyllia ramea_), dat een kalkachtigen en vertakten

stok heeft, met tegenoverstaande afzonderlijke poliepen en met

duidelijke, korrelachtige ribben. De doorsnede van den kelk voor elke

poliep is 8-14 millim., de geheele stok wordt tot 50 centim. hoog. Het

skelet is zuiver wit, de poliepen zijn zwavelgeel. Dit koraal komt voor

in de Middellandsche zee en de golf van Napels.

[Afbeelding: XIX.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 86 / 92 题